Staat van de Rechtsstaat: Algemeen
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
Henk Kummeling
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →De heer Kummeling: Dank u wel, voorzitter. Allereerst mijn hartelijke dank voor de uitnodiging om hier mede het gesprek te mogen voeren. De kern van mijn schriftelijke inbreng is heel kort weer te geven als: er valt nog heel veel te doen. Natuurlijk moet ik meteen bekennen dat er ook nogal wat goede voornemens in het coalitieakkoord te vinden zijn, maar tegelijkertijd moet er nog heel veel in gang gezet worden. Daarover valt een hele gedetailleerde stand van zaken te maken, bijvoorbeeld over de vraag wat er eigenlijk is gebeurd met de tien verbetervoorstellen die de staatscommissie heeft gedaan, die u ook toegezonden heeft gekregen, maar daarvoor ontbreekt uiteraard de tijd en de ruimte. Op drie specifieke punten heb ik om wat nadere aandacht gevraagd. Die heeft u allemaal kunnen lezen. Het gaat om het rechtsstatelijk kompas en leiderschap, dienstverlening en rechtsbescherming. Ik ben natuurlijk van harte bereid om daar nadere vragen over te beantwoorden, maar in deze korte inleiding wil ik in het voetspoor van mijn derde punt, over rechtsbescherming, toch nog even extra aandacht vragen voor een punt dat ook door de staatscommissie is benoemd, namelijk de kosten en vooral ook de opbrengsten van allerlei verbeteringen aan de rechtsstaat in financiële zin. Dit zal waarschijnlijk mede ingegeven zijn door het kasstelsel, dat vandaag ook plenair weer regelmatig ter discussie staat, heb ik gehoord, stukjes van het debat meepakkend, en de stringente handhaving van de regels budgetdiscipline. Dat leidt ertoe dat bij allerlei voorstellen tot verbetering van de rechtsstaat alleen maar wordt gekeken naar de kosten op korte termijn en er nauwelijks wordt nagedacht over de financiële opbrengsten van die investeringen op lange termijn. Ik noem even kort twee voorbeelden. Als je er bijvoorbeeld voor zorgt dat je kunt voorkomen dat je bij potentiële conflicten in een vroegtijdig stadium het contact met de burger kwijtraakt, dan kun je inderdaad ook voorkomen dat er heel langdurige, kostbare bezwaar- en beroepsprocedures in gang moeten worden gezet. Dan een item dat vandaag ongetwijfeld vaker aan de orde zal komen: proactieve dienstverlening. Als je daarvoor zorgt, dan kun je voorkomen dat er eindeloze hoeveelheden tijd en middelen moeten worden ingezet om het weer voor burgers op orde te brengen en om mensen weer op de been te helpen. Daarbij vrees ik, en ook de staatscommissie, dat wij in Nederland geen instantie hebben die systematisch beleidsinformatie op rechtsstatelijk gebied verzamelt en monitort en ook de effecten van maatregelen op langere termijn doorrekent, ook in financiële zin. Dan zou namelijk zomaar eens zichtbaar kunnen worden dat investeren in de democratische rechtsstaat financieel loont en dat het zich uitbetaalt in meer vertrouwen van de burger. Dank voor de aandacht. Ik zie uit naar het gesprek.
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Ik kan niet anders zeggen dan dat ik het van harte met u eens ben. Dat zegt de staatscommissie ook. Eigenlijk moet je voorkomen dat je in de fase terecht moet komen van bezwaar en beroep. Ik vind het zelf mooi om te kunnen constateren … We hebben het de afgelopen jaren op diverse plekken kunnen zien, met name bij de decentrale overheden. Die hebben daar ook enorm mee geëxperimenteerd. Op sommige plekken zijn echt voorbeelden aan te geven waarbij het gemeenten gelukt is, maar bijvoorbeeld ook een provincie als Utrecht, om het aantal bezwaarschriften met een percentage van 80% terug te dringen. Dat deden ze door in een vroegtijdig stadium, als er een probleem rees, gewoon contact te zoeken met de burger, de telefoon te pakken en te vragen: waar zit het probleem en hoe kunnen we dit oplossen? Desnoods haalden ze er collega's van andere ambtelijke diensten bij. Ja, dan kun je dus voorkomen dat het conflict escaleert en dat je in de ellende van een bezwaar- en beroepsprocedure terechtkomt. Daarbij is het ook nog eens een keer zo dat de bezwaarprocedure, die eigenlijk aanvankelijk bedoeld was als een laagdrempelige procedure om zo laagdrempelig en zo soepel mogelijk daadwerkelijk het probleem op te lossen, zich in de praktijk — ik mag het bijna niet zeggen als jurist — heel erg gejuridiseerd heeft, waardoor toch heel veel van die bezwarencommissies heel erg op de meer formele kanten van de besluitvorming zijn gaan zitten. Juist het bestuur en de ambtenaren weten precies hoe het zit, of die horen te weten hoe het zit, en kunnen voor de oplossingen zorgen. Wat ons betreft is er dus veel aan gelegen dat de wet die u noemt daadwerkelijk ingevoerd gaat worden, want die gaat juist uit van de centrale gedachte dat je je als overheid zo dienstbaar mogelijk opstelt en probeert om zo veel mogelijk dit soort conflicten, als ze zich al aandienen, met begrip voor de burger op te lossen, uiteraard binnen wettelijke kaders. Mijn langere antwoord is dus ook "ja".
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: In aanvulling hierop: natuurlijk kunnen er motieven zijn om juist aan de andere kant van de democratische rechtsstaat rechten en belangen van burgers verder te beschermen. Dat is heel wel denkbaar. Maar dan nog blijft de vraag: doen we dit op een proportionele manier? Ik wil er even op wijzen dat er bijvoorbeeld de afgelopen 20, 30 jaar — we hebben daar zelf onderzoek naar gedaan; ik heb daar zelf ook onderzoek naar gedaan — voortdurend aanpassingen zijn geweest aan wetgeving in de hoek van de handhaving van de openbare orde. Heel veel van die wetgeving blijkt uiteindelijk min of meer symboolwetgeving te zijn, want die wordt niet toegepast, omdat het maatregelen zijn die door de praktijk niet nuttig kunnen worden gebruikt. Als de praktijk zelf — burgemeesters bijvoorbeeld, zoals ook hier gesuggereerd wordt — zegt "we hebben er geen behoefte aan" en er toch maatregelen worden genomen, dan is wel de vraag: wie ben je hier nu mee aan het helpen? Maar het betekent in ieder geval niet — dat heb ik ook eerder aangegeven — dat de wetgever niet zelf een aantal aanpassingen zou kunnen doen. Dat moet alleen wel in de context van het functioneren van de democratische rechtsstaat gebeuren. Het moet wel binnen die kaders blijven.
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Ik heb net al aangegeven dat het wat mij betreft heel erg democratisch-rechtsstatelijk is als de democratisch-rechtsstatelijke wetgever aanpassingen wil doen aan de eigen wetgeving. Daar mag geen enkele twijfel over zijn, mits het maar binnen de rechtsstatelijke kaders gebeurt. Het enige wat ik echt zou willen opmerken, is het volgende. Ik breng dan toch even mijn recente ervaringen als voormalig rector magnificus van een universiteit in. Ik heb ook deel uit mogen maken van in ieder geval het laatste staartje van de Taskforce Antisemitismebestrijding. Daar is ook nadrukkelijk de vraag aan de orde geweest: moeten wij vanuit de taskforce aandringen op wetgeving? U kent de samenstelling van die commissie. Die was heel divers, met ook een sterke vertegenwoordiging van mensen uit de Joodse gemeenschap. De conclusie daarin was uiteindelijk: we hebben geen behoefte aan een substantiële aanpassing van de wetgeving, want binnen de huidige wettelijke kaders kan al heel veel geregeld worden, mits ervoor gezorgd wordt dat de mensen die draaien aan de knoppen van de bevoegdheden daadwerkelijk de bevoegdheden uitoefenen. Dat laatste was belangrijk. Dat is misschien ook wel als volgt te duiden: rechtsstatelijk leiderschap, sta op en verdedig bepaalde groeperingen die bedreigd worden, van wie de vrijheid van meningsuiting wordt aangetast en die ook geen plaats krijgen in de hoek van de demonstratie. Zorg er dus voor dat je daadwerkelijk de rechten van iedereen zo veel mogelijk probeert te waarborgen. Dat kan binnen de huidige, bestaande wettelijke kaders. Ik heb ze nog niet bestudeerd, dus ik ga geen enkel oordeel vellen over de voorstellen die vanochtend kennelijk naar de Kamer zijn gezonden, maar in dat kader noem ik twee dingen. A, het kan aangepast worden, mits het binnen de rechtsstatelijke kaders gebeurt. B, de vraag is echter wel even: hebben we het nodig? Hebben we niet iets anders nodig als het gaat over de bescherming van bedreigde groeperingen?
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Twee dingen. Ten eerste denk ik dat ook mijn collega's aan de rechterzijde hier niet een soort exactheid hebben bepleit in de zin van: dit is zus en zo en dit is precies wel of niet rechtsstatelijk. Volgens mij zijn er presentaties geweest waarin surveys zijn getoond met opvattingen van mensen over waar het knelt en waar het pijn doet. Maar dat kunnen mijn collega's beter zelf toelichten. Het rapport van de staatscommissie biedt volgens mij wel een duidelijk handvat. Eigenlijk gaat het om twee zaken. Ten eerste is er een harde kern van de democratische rechtsstaat. Die hebben wij in het rapport beschreven, met een aantal elementen die daarbij horen. Tegelijkertijd hebben wij ook aangegeven — dat zien we terug in allerlei nationale en internationale instrumenten — dat de rechtsstaat geen statisch begrip is. Het is geen exacte wetenschap met een meetlat die je precies kunt hanteren. De rechtsstaat ontwikkelt zich. Internationale documenten worden bijvoorbeeld beschouwd als living documents. De bedoeling daarvan is altijd geweest dat we de democratische rechtsstaat proberen te verbeteren en verder te helpen. Dat betekent onder andere dat je ervoor zorgt dat de rechten en posities van verschillende groepen in de samenleving verder worden geholpen. Hoe dat uiteindelijk moet gebeuren, is inderdaad een politieke vraag. De wetgever moet daarbinnen uiteindelijk een beslissing nemen. Op basis van internationale verdragen, maar ook op basis van de eigen Grondwet, kan de wetgever zeggen: tot hier en niet verder. Tegelijkertijd — dat is mijn laatste punt, voorzitter — is het belangrijk om te realiseren dat de intenties van de democratische rechtsstaat en van de wetgever op diverse punten niet altijd worden gerealiseerd. Ik denk dat mevrouw Park dat ook mooi heeft aangegeven rondom die proactieve dienstverlening. Er zijn allerlei voorzieningen klaargezet om mensen die in moeilijkheden verkeren daadwerkelijk te helpen en hen volwaardig te kunnen laten functioneren binnen de democratische rechtsstaat. Maar die voorzieningen worden niet altijd benut. De vraag is dan hoe we ervoor zorgen dat vanuit de politiek incentives worden gegeven om de instrumenten die al beschikbaar zijn — de budgetten zijn er vaak zelfs al voor gereserveerd — daadwerkelijk in te zetten voor het doel waarvoor zij bedoeld zijn. Op die manier kunnen grotere groepen in de Nederlandse samenleving daadwerkelijk participeren in de democratische rechtsstaat. Dat is wat mij betreft een van de grootste knelpunten van dit moment. Het potentiële gevolg daarvan, en daarvoor bestaan ook aanwijzingen, is dat het vertrouwen in het politieke en democratische bestel afneemt. Daarom is het van belang, ook voor deze Kamer, dat wij werken aan maatregelen die mensen daadwerkelijk in staat stellen volwaardig te functioneren binnen dat bestel.
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Het fascinerende is dat we op allerlei terreinen proberen om ook langetermijnperspectieven te organiseren en te kijken wat de financiële effecten op korte termijn zijn. Maar ik heb vooral aandacht willen vragen voor het feit dat ook in bijvoorbeeld de discussies die volgens mij in januari nog in deze commissie hebben plaatsgevonden met de toenmalige bewindspersonen … Kan dat? Nee, daarvoor was dat nog. Toen ging het over: dit gaat zoveel ton of zoveel miljoen kosten. Dat zal de invoering zeker gaan kosten; daar heb ik geen enkele twijfel over. Maar men moet ook nadenken over de vraag wat dat op termijn gaat opleveren aan minder bezwaar, minder beroep en minder ellende. Probeer nou eens — daar zou je zo'n planbureau of wat voor instantie dan ook voor kunnen hebben, een wetenschappelijk instituut of misschien wel bestaande planbureaus — mee na te denken over wat investeringen in de rechtsstaat daadwerkelijk op de langere termijn kunnen opleveren. Ik heb nu vooral aandacht gevraagd voor burgers die in de knel zitten, maar dat geldt natuurlijk ook voor bedrijven. Die hebben ook baat bij het langeretermijnperspectief van allerlei maatregelen die je treft. Probeer nou eens niet alleen maar in kaart te brengen wat het ons op korte termijn gaat kosten. Ik zie dat gebeuren, ook in allerlei discussies met andere departementen. "We hebben hiervoor maar bedrag x, dus het kan niet." Discussies over bijvoorbeeld de invoering van constitutionele toetsing worden daar ook heel erg door belemmerd. Maar de vraag is: wat wil je voor het overige bereiken? Het is heel erg belemmerend op allerlei terreinen — daar heeft de staatscommissie ook aandacht voor gevraagd — dat je discussies over veranderingen in het functioneren van de rechtsstaat of veranderingen van maatregelen alleen maar beoordeelt vanuit het kostenperspectief op heel korte termijn. Een voorbeeld dat misschien een beetje absurd is in dit verband, is ... Wat ik heel merkwaardig vind, is dat de discussie over het sluitend maken van de begroting, waar deze commissie vooral op let, uiteindelijk altijd gaat over de verhoging van griffiegelden, verkeersboetes en dat soort zaken. Probeer nou eens het wijdere perspectief te nemen en te kijken wat het effect op langere termijn is. Wat mij betreft, en ik denk dat ik dan grotendeels spreek namens de staatscommissie, die niet meer bestaat: zorg dat die wet zo snel mogelijk ingevoerd wordt. Ik denk dat dat, ook op de langere termijn, heel veel druk van de ketel gaat halen. Nogmaals — het is hier ook al een paar keer langs gekomen — het gaat ook over het vertrouwen in het politieke systeem en in de overheid. In tal van onderzoeken wordt aangegeven dat het niet leveren door de overheid niet behulpzaam is bij het herstel van dat vertrouwen en bij de stabiliteit van het politieke systeem. Probeer dus ook vooral de langeretermijnperspectieven en -effecten in kaart te brengen.
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Als ik daar nu een heel duidelijk antwoord op zou kunnen geven ... Nee, ik denk dat het heel moeilijk is om daar één voorbeeld of voorstel uit te halen. In uw vraag zitten een paar elementen verscholen. Een daarvan is: hoe komt het nou dat het zo lang duurt? Nou, dat punt heb ik eerder gemaakt: het is toch vaak kortetermijndenken over de kosten en geen langetermijndenken over wat het oplevert. Het gaat vaak over de regels en de budgetdiscipline. Welk departement moet dat dan betalen? Hebben we nog een beetje ruimte in de begroting? Nee. Het denken over de rechtsstaat, dat over al die departementen gaat en voor al die departementen relevant is, is heel ingewikkeld. Datzelfde geldt voor de proactievedienstverleningtoestanden. Er wordt nu kennelijk per departement nagedacht over de vraag: hoe kunnen we dat realiseren? Alsjeblieft, probeer dat nou gewoon breder te trekken. Dan nog even over dat planbureau. Dat we wat missen, is gewoon … U kunt zeggen: misschien zijn we daar helemaal niet in geïnteresseerd. Volgens mij zijn de meeste Kamerleden daar heel erg in geïnteresseerd. Het zijn gewoon harde data over hoe het ervoor staat. Ik heb gezien dat u morgen mevrouw Marijnissen, kwartiermaker sociaal-juridische dienstverlening, spreekt. Ik heb ook onlangs het genoegen gehad om met haar daarover te spreken. Bij haar rondgang langs bijvoorbeeld gemeenten ziet zij dat bijvoorbeeld de toegang tot het recht, de hoeveelheid bezwaren die binnenkomen, heel erg verschilt per gemeente. De vraag is dan hoe het komt dat het in de ene gemeente kennelijk veel soepeler of veel beter geregeld is dan in de andere gemeente. Dat weet men alleen incidenteel van elkaar. Dan gaat men bij elkaar kijken hoe men dat doet en of men van elkaar kan leren. Dat gaat over het monitoren van wat er gebeurt bij de uitvoering van wetgeving die hier in Den Haag wordt gemaakt en over de vraag hoe het kan dat het bij verschillende gemeenten en verschillende uitvoeringsorganisaties niet goed gebeurt. De basisopstelling van de staatscommissie was: zorg er als overheid voor dat je van meet af aan oog hebt voor de specifieke problemen van de burger en wees, wanneer de problemen zich aandienen, dienstbaar om te kijken hoe je die kunt verhelpen. Er wordt vaak gezegd dat dat dan leidt tot maatwerk en ongelijke behandeling. Nee, maatwerk moet binnen de wettelijke kaders plaatsvinden. Laat de professionals in de uitvoering hun kennis en verstand gebruiken om ervoor te zorgen dat de problemen daadwerkelijk worden opgelost dan wel om ervoor te zorgen dat wordt voorkomen dat ze ontstaan. Ik ben, zoals ik al eerder zei, jurist. Het fascineerde mij dat, toen er onderzoek werd gedaan door het Sociaal en Cultureel Planbureau en werd gevraagd waar men aan dacht bij de rechtsstaat, de reactie was: toga's en uniformen, justitie en politie. De eerste reactie zou eigenlijk moeten zijn dat ieder contact met de overheid een kennismaking of een ervaring met de rechtsstaat is. Dat betekent dus ook dat iedereen die bij de overheid werkt deze houding zou moeten hebben: we zijn hier voor de burgers; daar hebben we die democratische rechtsstaat voor uitgevonden, dus laten we kijken hoe we die burger binnen de afgesproken wettelijke kaders zo veel mogelijk kunnen helpen. Dat is het punt: zorg dat je die burger ziet en dat je die burger helpt.
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Ik heb er ook wel een antwoord op. Ik wil in dit gezelschap nogmaals heel hard beklemtonen dat de wetgever uiteindelijk de finale beslissing neemt. Punt uit. Daar hebben we in onze democratische rechtsstaat in voorzien, tenzij het in strijd is met wet- en regelgeving. Dan komt de rechter eraan te pas. Het voordeel van wat wij als staatscommissie hebben voorgesteld, is een systeem van een rode kaart voor bijvoorbeeld uitvoeringsorganisaties. Dat is, in juridisch potjeslatijn, echt een ultimum remedium. Dat doe je pas op het moment dat je als uitvoeringsorganisatie constateert: "dit is in de uitvoering zo flagrant in strijd met mensenrechten, grondrechten of andere normen die wij zouden moeten handhaven" of "wij hebben eenvoudigweg niet de menskracht om dit op een fatsoenlijke manier uit te voeren". Dan moet je kunnen zeggen: "Beste politiek, dit is het probleem. Wij kunnen dit nu niet doen. Praat er nog eens over en denk na over de vraag binnen welke kaders we het wel kunnen doen." Het is dus een soort extra bezinningsmoment, afgedwongen door zo'n rode kaart. Laat daar overigens geen misverstand over bestaan: uiteindelijk moet de beslissing worden genomen door de politieke actoren binnen het bestel, mits dat natuurlijk allemaal rechtsstatelijk verantwoord is. Dat is volgens mij de kern van de zaak.
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Het begint ermee dat die normen worden vastgesteld door politieke organen. De wetgever kiest voor bepaalde normstellingen. Hetzelfde geldt voor het al dan niet ondertekenen van internationale verdragen waarin doelstellingen zijn vastgelegd. Dat is dus de politiek zelf die deze normen heeft vastgesteld. Als men dat niet wil, moet men niet meewerken aan dergelijke wetgeving. Dat is fase één. De tweede fase is dat, zodra zo'n wet of internationaal verdrag eenmaal bestaat, je niet verbaasd moet zijn als daarin normen zijn geformuleerd die zo concreet en scherp zijn dat zij door de rechter kunnen worden toegepast. Dan zal die rechter, op verzoek van burgers of organisaties die hun recht zoeken, ook zeggen: dit moet gebeuren, want dit is het geldende recht. Natuurlijk kun je vervolgens vragen stellen over de intensiteit van de rechterlijke toetsing. Moet een rechter misschien in plaats van een rode kaart volstaan met een soort wetgevingsopdracht: dit is in strijd met bepaalde normen en het moet binnen een bepaalde termijn worden opgelost. Er is de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan, zeker ook in Nederland, naar de vraag of rechters zich op politiek terrein begeven. Ik denk dat dit soms zo wordt ervaren door politici. Maar volgens mij laat het merendeel in dat onderzoek zien dat rechters in de meeste gevallen binnen hun eigen domein blijven. Zij zeggen eenvoudigweg: dit zijn de normen die u zelf hebt vastgesteld en die passen wij toe. Als u dat anders wilt, zult u die normen moeten aanpassen. Dan moet u desnoods opnieuw gaan onderhandelen in Parijs of elders, als dat al mogelijk is.
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Daar kan ik heel erg helder over zijn. Vanuit mijn perspectief, en ook vanuit rechtsstatelijk perspectief, is dat helemaal geen verzwakking van de nationale rechtsstaat. Het zijn nationale instanties die wetten vaststellen, het zijn nationale instanties die meewerken aan de internationale onderhandelingen. Daar kan de heer Bijlsma misschien meer over vertellen. Wij ratificeren die verdragen en we keuren ze goed hier in dit parlement. Daar hebben we allemaal zelf aan meegewerkt; misschien niet de totale Kamer, maar wel de meerderheid van de Kamer. Dan moet u niet gek opkijken als er instanties zijn die denken: afspraken die zijn gemaakt en die in wetten of verdragen zijn neergelegd, moeten worden gehandhaafd. Zo moeilijk is dat niet. Iets anders is natuurlijk dat u zegt: ik wil niks met die internationale organen te maken hebben. Dan hebben we een heel andere discussie.
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Ik vind het wel heel fijn om dat even te kunnen doen.
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Dit is een geval van uitlokking waar ik ook niet aan voorbij kan gaan. In het rapport van de staatscommissie staat heel duidelijk, en dat hebben meerdere personen, instanties en onderzoekers gezegd: democratie en rechtsstaat zijn geen los verkrijgbare artikelen; die horen bij elkaar. Dat heeft de heer Bijlsma volgens mij net keurig netjes verwoord. We kunnen ons geen rechtsstaat voorstellen zonder legitimering vanuit de democratie, het parlement en andere bestuurlijke en vertegenwoordigende organen, maar we kunnen ons ook geen ongeremde en onbelemmerde democratie meer voorstellen, die geen rekening houdt met grondrechten en de belangen van minderheden en meer van dat soort zaken. Wat mij betreft is het nog steeds zo dat de besluitvorming gedragen moet worden door de democratische organen om überhaupt legitimiteit te organiseren en gezag te geven aan allerlei besluiten. Ik zie dus niet waar u de uitholling van de democratie vandaan haalt.
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Ik heb hele eenvoudige oplossingen. Nee, die zijn er natuurlijk niet binnen het huidige systeem. Wij hebben als staatscommissie bijvoorbeeld wel het volgende gedaan. Dat betreft ook een van de punten die mevrouw Park noemt. Een van de fundamentele problemen is de ingewikkeldheid van wetgeving. Dat kan alleen maar opgelost worden op het moment dat je, vanuit de Tweede Kamer in het bijzonder, probeert om — daar heb je 'm weer — een langjarig commitment aan te gaan om daar daadwerkelijk structureel aan te werken. Definieer welke wetgevingscomplexen echt als eerste aangepakt moeten worden. Zorg er tevens voor, zoals wij ook hebben voorgesteld, dat je Kamerleden, rapporteurs, aanwijst die daadwerkelijk namens de Kamer versterkt toezicht houden op de vereenvoudigingsprocessen. Dat doet een beetje denken aan het type rapporteur dat ze in het Europees Parlement kennen. Uiteraard kennen we in dit huis ook rapporteurs, maar die zijn er ook in het Europees Parlement. Rapporteurs hebben toch een positie om namens anderen te kunnen opereren en ook namens andere fracties te kunnen opereren. Dat gebeurt wel binnen gegeven mandaat. Er wordt een zekere ruimte geboden om daadwerkelijk namens de Kamer een aantal dingen te doen. Het is mijn stellige overtuiging — dat zie je ook gebeuren in de Europese context — dat het instituut Tweede Kamer aan kracht en betekenis kan winnen als die langdurig, langjarig intensief een kabinet kan blijven herinneren aan het feit dat er een opdracht ligt. Dat is echt iets wat de Kamer zelf kan organiseren. Benoem grote projecten voor een deel, maar benoem vooral ook rapporteurs, ook vanuit commissies, die voortdurend op het vinkentouw zitten. Dat betekent ook dat politieke partijen een soort commitment moeten aangaan om de Kamerleden die dat doen en niet iedere dag voortdurend zichtbaar zullen zijn, de waardering te geven die ze verdienen. Dit kunnen in de toekomst interessante posities in de politiek zijn, ook op lijsten. Dat is iets wat volgens mij vanuit de Kamer zelf georganiseerd kan worden, mits daartoe bereidheid bestaat.
Bron, video en gesprek →De heer Kummeling: Op al die tien aanbevelingen van de staatscommissie zit wat laaghangend fruit. Twee dingen hebben we hier vandaag benoemd. Vanuit het perspectief van de staatscommissie is er misschien wel overrijp fruit. Ik denk dan aan een proactieve dienstverlening en het goed regelen van de waarborg in de Awb. Ik denk dat die punten in ieder geval voor veel mensen in de Nederlandse samenleving enorm behulpzaam zouden zijn. Ik ga niet door op fruitmetaforen, want je loopt jezelf altijd vast, maar ik denk dat daar toch wel de belangrijkste vruchten te plukken zijn. Dan komt ie weer op zijn pootjes terecht.
Bron, video en gesprek →