21501-08 Milieuraad Nr. 1045 Verslag van een schriftelijk overleg Vastgesteld 10 september 2026 De vaste commissie voor Europese zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Economische Zaken en Klimaat over de brief van 2 september 2026 over de geannoteerde agenda informele Raad Algemene Zaken - Cohesie 14-15 september Dublin (Kamerstuk 21501-08-1043) en over de brief van 15 juni 2026 over het verslag informele Raad Algemene Zaken - Cohesie 4-5 juni 2026 (21501-08-1034). De vragen en opmerkingen zijn op 7 september 2026 aan de minister van Economische Zaken en Klimaat voorgelegd. Bij brief van 10 september 2026 zijn de vragen beantwoord. De voorzitter van de commissie, Van Meetelen Adjunct-griffier van de commissie, Moonen Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de minister Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie 1 Hoe denkt de minister de aanstaande right to stay strategie in te kunnen zetten om doorbraken te realiseren voor Nederlanders in heel Nederland, mede in het licht van de kabinetsreactie op het rapport ‘Elke regio telt’ (Kamerstuk 29 697, nr. 114)? Antwoord De Europese Commissie zal de ‘Right to Stay’ strategie naar verwachting dit najaar publiceren. Pas op dat moment kan het kabinet de strategie beoordelen, en bepalen op welke wijze deze strategie een bijdrage kan leveren aan de inzet van het kabinet op basis van het rapport ‘Elke regio telt’. 2 De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat het kabinet voornemens is de uitvoering van het cohesiebeleid bij een ander departement te beleggen. Klopt dat? Is de minister het ermee eens dat een wisseling van departement er niet toe mag leiden dat regio’s en gesprekspartners minder betrokken worden bij de uitvoering van Europese fondsen? Antwoord Het cohesiebeleid wordt in het Commissievoorstel voor het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) onderdeel van de Nationale en Regionale Partnerschapsplannen (NRPP). Afgelopen mei is uw Kamer geïnformeerd[voetnoot 1] dat de coördinatie van het NRP Plan bij het ministerie van Financiën zal worden belegd. Binnen het plan blijf ik als minister van Economische Zaken en Klimaat echter primair verantwoordelijk voor de invulling en uitvoering van het cohesiebeleid. Daarbij hecht ik zeer aan het partnerschapsprincipe met de regio’s. Uw Kamer zal dit najaar nader worden geïnformeerd over de opzet van het NRPP. 3 De leden van de D66-fractie vragen of de minister de zienswijze deelt dat hoogwaardige participatie van regio’s, het maatschappelijk middenveld en andere gesprekspartners bijdraagt aan de kwaliteit, het eigenaarschap en de effectiviteit van de Nederlandse plannen voor Europese fondsen. Antwoord Ja, het kabinet steunt het basisprincipe van het NRPP dat gericht is op het partnerschapsbeginsel en het kabinet geeft hier ook actief vorm aan middels nauwe betrokkenheid van medeoverheden en andere (maatschappelijke) partners, in lijn met artikel 6 van het NRPP-voorstel en met de motie Paternotte.[voetnoot 2] 4 Deelt de minister de mening dat de nieuwe architectuur van de Nationale en Regionale Partnerschapsprogramma’s (NRPP) er niet toe mag leiden dat er minder grensoverschrijdende samenwerking is die bijdraagt aan de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie? Antwoord Ja. Daarbij is het belangrijk om te benoemen dat grensoverschrijdende samenwerking via het Interreg Plan en niet via het NRPP voortgezet zal worden. Het kabinet zet zich tijdens de onderhandelingen in voor voldoende aandacht voor interregionale innovatiesamenwerking. 5 De leden van de D66-fractie zijn van mening dat onnodige administratieve lasten bij Europese projecten afleiden van de inhoud van die projecten. Deze leden zijn verheugd dat het kabinet aandacht heeft voor het beperken van administratieve lasten en zich actief inzet voor de uitvoerbaarheid voor begunstigden. Hoe zet de minister zich hiervoor in? Antwoord Het kabinet is van mening dat geleerde lessen van de huidige MFK periode moeten worden meegenomen in de onderhandelingen voor het nieuwe MFK, waaronder het beperken van onnodige administratieve lasten. Het kabinet zet zich hiervoor in door dit in de Raad te bepleiten. Tevens heeft het kabinet in het visiepaper Cohesiebeleid na 2027[voetnoot 3] een specifiek hoofdstuk opgenomen met suggesties voor vereenvoudigde regelgeving ten behoeve van een betere implementatie. Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 6 De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat stilgestaan wordt bij het cohesiebeleid nu na de huidige begrotingsperiode een nieuw cohesiebeleid vormgegeven zal moeten worden. Is de minister bereid om in de discussie in te brengen dat we kritisch zullen moeten kijken naar de opbrengst van het huidige cohesiebeleid en de mate waarin we überhaupt weten wat daar de resultaten van zijn? Kan de minister cijfers delen over de effectiviteit van het cohesiebeleid in de afgelopen jaren of aan het voorzitterschap vragen of die cijfers er kunnen komen? Antwoord Ja, het kabinet vindt het belangrijk dat de effectiviteit van het cohesiebeleid continu gemonitord en geëvalueerd wordt. De Europese Commissie publiceert hierover elke drie jaar een Cohesierapport. Het laatste rapport is het 9e Cohesierapport (2024)[voetnoot 4], waarin de effecten van het cohesiebeleid op onder meer BBP-groei, werkgelegenheid en R&D-investeringen zijn geanalyseerd, zowel voor Nederland als de EU. Het kabinet is ook voorstander van prestatiegericht begroten om prestaties onder het MFK effectief en transparant te kunnen beoordelen. 7 De leden van de VVD-fractie zien het risico dat onder het Ierse voorzitterschap door een coalitie van landen wordt getracht cohesiebeleid te gaan koppelen aan concurrentievermogen, en te betogen dat cohesiebeleid volledig overeind moet blijven, zo niet uitgebreid omdat het essentieel zou zijn voor concurrentievermogen, terwijl daar onvoldoende onderbouwing van is met feiten en cijfers. Deelt de minister deze zorg? Antwoord Het cohesiebeleid is opgenomen in het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) en in de eerste plaats gericht op het verkleinen van economische en sociale verschillen tussen regio’s binnen de EU. Het kabinet wil juist dat regio’s dit doen door met het cohesiebeleid te investeren in hun regionale concurrentiekracht[voetnoot 5], zodat de cohesiebijdrage op termijn kan worden verlaagd. 8 Het resultaatsgerichte financieringsmodel is een kopie van het Coronaherstelfonds. Is de minister ermee bekend dat uit rapporten van de Europese Rekenkamer en publicaties van wetenschappers, zoals prof. Beetsma, blijkt dat de beloofde structurele hervormingen zijn uitgebleven en dat strategische investeringen in de praktijk grotendeels bestonden uit de vervanging van bestaande apparatuur? Is ook bekend dat grensoverschrijdende infrastructuur vaak helemaal ontbrak? Antwoord: Het kabinet is bekend met de rapporten van de Europese Rekenkamer (ERK) over de werking van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (HVF) en betrekt de lessen daaruit bij de onderhandelingen over het nieuwe MFK en het NRPP. De werkwijze van de HVF wijkt af van de huidige programmaperiode doordat uitbetaling plaatsvindt op basis van het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen en doelstellingen, in plaats van op basis van werkelijk gemaakte kosten. De ERK heeft daarbij onder meer aandacht gevraagd voor de beoordeling van de efficiëntie van uitgaven en de beschikbaarheid van informatie over werkelijke kosten. Het kabinet hecht daarbij aan goede controle, transparantie en uitvoerbaarheid. 9 Waarom kiest de minister er bij deze discussie niet voor om naast vereenvoudiging ook veel steviger in te zetten op de afbouw van cohesiegelden ten behoeve van innovatie, veiligheid en grensoverschrijdende infrastructuur? Antwoord In de brief van 22 mei dit jaar geeft het kabinet aan in te zetten op een lagere omvang van de EU-begroting door scherpe keuzes te maken. Het kabinet zet daarbij tijdens de onderhandelingen over het MFK in op het vinden van zo veel mogelijk besparingen in pijler 1[voetnoot 6] (o.a. cohesie en landbouw) en pijler 4[voetnoot 7], en zo min mogelijk ten koste moet gaan van pijler 2[voetnoot 8] (Europees Concurrentievermogenfonds en Horizon Europe) en pijler 3[voetnoot 9]. 10 De leden van de VVD-fractie vragen wat de minister vindt van het feit dat cohesiebeleid en het belang daarvan nu ook lijkt te worden uitgelegd in relatie tot het principe van right to stay. Vindt de minister dat de cohesiemiddelen moeten aansluiten bij de (regionale) arbeidsmarkt met oog op het principe van right to stay? Antwoord Het kabinet interpreteert het ‘Right to Stay’ principe als een visie om burgers een reden te geven om te blijven in de regio waar zij vandaan komen. Daarom vindt het kabinet het belangrijk dat cohesiemiddelen beter aansluiten bij de kenmerken en sterktes van de regio’s. Een plaatsgebonden aanpak biedt regio’s de mogelijkheid om gericht te investeren in economische ontwikkeling en de transities die voor de toekomst van belang zijn[voetnoot 10], waaronder de arbeidsmarkt. 11 Verder zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd wat de stand van zaken is rond de mededeling van de Commissie over de oostelijke grensregio’s van de EU. Is inmiddels meer duidelijkheid verkregen over de budgettaire gevolgen van de voorgestelde maatregelen, waaronder de EastInvest-faciliteit en mogelijke uitzonderingen op de staatssteunregels? Antwoord Het kabinet erkent dat deze regio’s belangrijk zijn in de weerbaarheid en de veiligheid van de hele Unie. Het is daarom positief dat de Commissie erop inzet om haar veiligheid en veerkracht en die in de oostelijke grensregio’s te vergroten. De financiering voor deze regio’s is integraal onderdeel van de onderhandelingen over het volgende MFK. Het kabinet wil niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen na 2027. De overkoepelende inzet voor de MFK- en onderhandelingen inzake het Eigenmiddelenbesluit zijn daarbij leidend. 12 De leden van de VVD-fractie vragen naar de appreciatie van de minister van de op 10 juni 2026 door de Europese Commissie gepubliceerde strategie voor eilanden en strategie voor kustgemeenschappen. Wat is haar inzet ten aanzien van deze strategieën? Antwoord Het kabinet heeft kennis genomen van strategie voor eilanden en strategie voor kustgemeenschappen. De door de Commissie gepubliceerde Europese strategieën bieden een overkoepelend kader waarin bestaand beleid voor eilanden en voor kustgemeenschappen wordt samengebracht, zonder dat daarmee nieuw beleid wordt geïntroduceerd. Het kabinet zal hier geen aanvullende inzet op plegen. Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie 13 De leden van de PVV-fractie vragen de minister wat de overgang naar betaling op basis van mijlpalen en doelstellingen concreet betekent voor Nederland. Wie bepaalt uiteindelijk of een mijlpaal of doelstelling is gehaald, en welke rechtsmiddelen of politieke mogelijkheden heeft Nederland wanneer de Commissie betalingen tegenhoudt? Deze leden vragen de minister of het nieuwe financieringsmodel de Europese Commissie meer macht geeft om betalingen aan lidstaten op te schorten, te vertragen of aan voorwaarden te verbinden. Zij vragen of de minister kan uitsluiten dat cohesiegeld zo een politiek drukmiddel van de Commissie kan worden. Antwoord Concreet betekent resultaatgerichte financiering dat Nederland middelen ontvangt wanneer vooraf vastgelegde mijlpalen en doelstellingen zijn behaald en aan de toepasselijke voorwaarden is voldaan. Nederland is zelf verantwoordelijk voor de eerste controle daarop; de Europese Commissie beoordeelt dit vervolgens bij de beoordeling van een betaalverzoek en kan aanvullende controles uitvoeren. Als niet volledig aan de afgesproken mijlpalen, doelstellingen of horizontale voorwaarden is voldaan, kunnen middelen naar rato worden gekort. Een belangrijke les uit de HVF is dat afspraken aan de voorkant helder, objectief toetsbaar en uitvoerbaar moeten zijn. 14 De leden van de PVV-fractie vragen het kabinet om een volledig overzicht van de verwachte gevolgen van het nieuwe cohesiemodel voor Nederland, inclusief de Nederlandse afdrachten, ontvangsten, uitvoeringskosten en financiële risico’s. Antwoord Het voorstel voor het NRPP bevat landenenveloppen met vastgestelde bedragen waar lidstaten aanspraak op kunnen maken in het volgende MFK. Voor Nederland gaat het daarbij om 8,5 miljard euro. Dit bestaat uit een algemene allocatie van 7,1 miljard euro, 0,8 miljard euro voor middelen voor asiel, migratie, grensbeheer en interne veiligheid en 0,6 miljard euro voor het Sociaal Klimaatfonds. Het nieuwe cohesiemodel heeft op zichzelf geen invloed op de Nederlandse afdrachten. Voor de afdrachten is alleen de totale omvang van het volgende MFK relevant. Hierover wordt nog onderhandeld. Financiële risico’s zijn er potentieel met name in de uitvoering van het NRPP. Lidstaten zullen mijlpalen en doelstellingen moeten realiseren om aanspraak te kunnen maken op het geld, en ook voldoende toezicht en controle moeten houden op de juiste implementatie van de afgesproken maatregelen en hervormingen. Over de uitvoeringskosten is op dit moment nog geen nadere informatie beschikbaar. 15 De leden van de PVV-fractie constateren dat de Europese Rekenkamer eerder zorgen heeft geuit over fraudebestrijding, controle en de betrouwbaarheid van prestatiegegevens bij vergelijkbare systematiek. Deze leden vragen welke lessen uit het ERK-rapport volgens de minister eerst moet worden verwerkt voordat Nederland kan instemmen met toepassing van deze systematiek op het toekomstige cohesiebeleid. Antwoord Het kabinet hecht waarde aan de aanbevelingen en bevindingen van de Europose Rekenkamer en neemt deze mee in de onderhandelingen over het NRPP. Een belangrijke les uit de HVF is dat resultaatgerichte financiering gepaard moet gaan met robuuste nationale controle- en auditsystemen, betrouwbare prestatiegegevens en goede informatie-uitwisseling over onregelmatigheden. Ook moeten fraude en andere onregelmatigheden effectief kunnen worden opgespoord, gecorrigeerd en waar nodig teruggevorderd. 16 De leden van de PVV-fractie vragen de minister hoe wordt voorkomen dat Nederland als nettobetaler meer risico loopt dan lidstaten die relatief veel cohesiemiddelen ontvangen. Deze leden vragen welke garanties er zijn dat Nederlandse belastingbetalers niet opdraaien voor fouten, fraude of slecht beheer. Antwoord In het voorstel voor de NRPP verordening zoals die nu voorligt zitten voldoende waarborgen dat alle lidstaten hun beheers- en controlesystemen op orde moeten hebben en dat de Europese Commissie dit kan en moet controleren. Bij het al dan niet opschorten van betalingen maakt de verordening geen onderscheid tussen nettobetalers en lidstaten die veel cohesiemiddelen ontvangen. Derhalve is er ook geen reden om aan te nemen dat Nederland als nettobetaler meer risico loopt. 17 De leden van de PVV-fractie vragen of de minister bereid is zich te verzetten tegen een model waarin Europese middelen afhankelijk worden gemaakt van brede, door de Commissie vastgestelde hervormingen of beleidsdoelen die buiten het doel van het cohesiebeleid vallen. Antwoord Het kabinet is voorstander van een koppeling tussen EU-uitgaven en hervormingen, omdat dit de toegevoegde waarde van Europese middelen kan vergroten. In het Commissievoorstel worden de uitgaven onder de NRPP’s gekoppeld aan de Landspecifieke Aanbevelingen (LSA's) uit het Europees Semester, die jaarlijks door de Raad worden vastgesteld. Bij deze koppeling vindt het kabinet het van belang dat rekening wordt gehouden met effectiviteit en flexibiliteit. Tegelijkertijd vindt het kabinet dat met het oog op proportionaliteit rekening moet worden gehouden met de verhouding tussen de omvang van de te ontvangen middelen en de verplichting tot het adresseren van de LSA's. 18 Deze leden vragen waarom de minister niet inzet op het afbouwen of beëindigen van traditioneel cohesiebeleid en welke belemmeringen er zijn om het cohesiebeleid substantieel terug te dringen. Indien de minister niet bereid is voor afbouw of beëindiging te pleiten, verzoeken zij de minister precies toe te lichten welk Nederlands belang daarmee wordt gediend, hoeveel Nederland naar verwachting aan dit beleid bijdraagt en ontvangt en waarom Nederlandse belastingbetalers moeten blijven meebetalen aan landen elders in Europa. Antwoord Zie het antwoord op vraag 9. 19 Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie de minister welke rol de Tweede Kamer krijgt bij de Nederlandse inzet voor mijlpalen, doelstellingen en voorwaarden in het toekomstige NRPP. Deze leden vragen of de minister kan toezeggen dat de Kamer vooraf wordt geïnformeerd voordat Nederland akkoord gaat met verplichtingen die gevolgen kunnen hebben voor nationaal beleid of Nederlandse middelen. Antwoord De Tweede Kamer zal gedurende het proces tijdig worden geïnformeerd over de Nederlandse inzet en de verdere uitwerking van het NRPP. Het kabinet zal de Kamer binnenkort nader informeren over het voorziene proces om tot een Nederlandse NRPP te komen en over de wijze waarop belanghebbenden bij de verdere uitwerking van het plan worden geconsulteerd. Ook in het verdere proces zal het kabinet nadrukkelijk aandacht houden voor een tijdige betrokkenheid van de Kamer. Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie 20 De leden van de CDA-fractie steunen de beweging naar een meer resultaatgerichte Europese begroting. Kan de minister aangeven welke concrete lessen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit Nederland wil vastleggen als voorwaarden voor het nieuwe financieringsmodel? Zet de minister daarbij in op één heldere verantwoordingssystematiek, eenvoudige en goed meetbare mijlpalen en controles die in verhouding staan tot de risico’s? Antwoord Ja. Het kabinet wil de lessen uit de HVF nadrukkelijk meenemen. Daarbij is het van belang dat mijlpalen en doelstellingen vooraf helder, goed meetbaar en uitvoerbaar zijn, dat de verantwoordings- en controlelasten in verhouding staan tot de risico’s en dat voldoende flexibiliteit bestaat om op onvoorziene omstandigheden in te spelen. Het kabinet zet daarom in op een zo eenvoudig en eenduidig mogelijke verantwoordingssystematiek, proportionele controles en voldoende ruimte voor uitvoerbaarheid en aanpassing waar dat nodig is. 21 Voor de leden van de CDA-fractie is vereenvoudiging alleen geslaagd wanneer die ook merkbaar is voor alle ontvangers van Europese middelen. Dit sluit ook aan bij de bredere inzet uit het coalitieakkoord om administratieve lasten terug te dringen en regels eenvoudiger en beter uitvoerbaar te maken. Kan de minister daarom aangeven hoe zij gaat beoordelen of het nieuwe model in de praktijk daadwerkelijk minder administratieve lasten oplevert? Is de minister bereid hiervoor vooraf concrete uitgangspunten te laten vaststellen? Antwoord Het kabinet deelt het uitgangspunt dat vereenvoudiging ook in de praktijk merkbaar moet zijn voor ontvangers en uitvoerende partijen. Een belangrijke les uit de HVF is dat bij resultaatgerichte financiering vooraf goed moet worden gekeken naar de gevolgen voor uitvoering en verantwoording. Het kabinet zet daarom in op een inrichting waarbij administratieve en verantwoordingslasten zoveel mogelijk worden beperkt, zonder afbreuk te doen aan een adequate bescherming van de financiële belangen van de Unie. 22 De leden van de CDA-fractie steunen de inzet om cohesiebeleid sterker te verbinden met het Europese concurrentievermogen. Sterke regio’s, goede bereikbaarheid, voldoende vakmensen en sterke regionale innovatieclusters zijn voor deze leden voorwaarden voor een concurrerend Europa. Kan de minister toelichten hoe zij in de onderhandelingen de balans wil bewaken tussen de klassieke cohesiedoelstelling en de sterkere focus op Europees concurrentievermogen? Hoe voorkomt zij dat middelen vooral terechtkomen bij regio’s die al het sterkst zijn, terwijl grensregio’s, landelijke regio’s en andere gebieden achterblijven? Antwoord Het kabinet wil dat het cohesiebeleid zich inhoudelijk meer focust op versterking van het regionale concurrentievermogen en de Unie als geheel, maar vindt tegelijkertijd ook dat het cohesiebeleid zich zo veel mogelijk moet blijven richten op regio’s die op sociaaleconomisch gebied achterblijven. Het kabinet steunt daarom in de onderhandelingen het Commissievoorstel om binnen het NRPP een minimaal budget te reserveren voor minder ontwikkelde regio’s in de Unie.[voetnoot 11] 23 Het coalitieakkoord zet nadrukkelijk in op regionale innovatieclusters, samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen, Europese cofinanciering en beroepsonderwijs als ruggengraat van regionale economieën. Is de minister het ermee eens dat het cohesiebeleid daarom vooral moet aansluiten bij de economische kracht en arbeidsmarkt van een regio, in plaats van overal dezelfde Europese prioriteiten toe te passen? Hoe wil de minister dit uitgangspunt terug laten komen in de Nederlandse inzet? Antwoord Ja, het kabinet vindt het belangrijk dat de specifieke kenmerken en sterktes van een regio bepalend zijn om economische- en arbeidskansen te benutten. Het kabinet zet bij het cohesiebeleid tijdens de onderhandelingen in op een plaatsgebonden aanpak, met focus op de drie transities (groen, digitaal en arbeidsmarkt)[voetnoot 12], door te kijken naar bredere transitieplannen en met ruimte voor maatwerk en een integrale aanpak voor kwetsbare groepen. Ook bij een plaatsgebonden aanpak vind ik het belangrijk om de synergie te blijven zoeken tussen Europese, nationale en provinciale economische prioriteiten. 24 De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast naar de verhouding met het voorgestelde Europees Concurrentievermogen fonds. Beide instrumenten kunnen investeringen in innovatie, productiviteit en economische ontwikkeling ondersteunen. Waar ziet de minister concrete mogelijkheden voor samenwerking en cofinanciering? En hoe wordt voorkomen dat verschillende Europese fondsen naast elkaar vergelijkbare programma’s financieren, met opnieuw extra regels en loketten voor ondernemers en regio’s? Antwoord Het kabinet steunt het Commissievoorstel om de fondsenstructuur in het nieuwe MFK sterk te vereenvoudigen. Het cohesiebeleid wordt onderdeel van het NRPP, waarin veertien bestaande fondsen worden ondergebracht in één overkoepelend Plan met een uniform regelgevend kader. Ook in het Europees Concurrentievermogenfonds (ECF) worden verschillende bestaande fondsen samengebracht. Het kabinet erkent het belang van synergie tussen beide fondsen. Zo steunt het kabinet de mogelijkheid voor lidstaten om op vrijwillige basis middelen uit het NRPP in te zetten voor het ECF via het InvestEU-instrument. 25 De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de op 10 juni 2026 gepubliceerde Europese strategieën voor eilanden en voor kustgemeenschappen. De Europese Commissie wil hiermee de economische en maatschappelijke kansen van deze regio’s beter benutten. Hoe beoordeelt de minister de twee strategieën? Welke concrete meerwaarde bieden deze volgens haar bovenop het bestaande EU-beleid? Welke mogelijkheden ziet de minister om binnen de toekomstige Nationale en Regionale Partnerschapsplannen rekening te houden met de specifieke uitdagingen en kansen van eilanden en kustregio’s? Antwoord Zie het antwoord op vraag 12. Verder kunnen de NRPP’s rekening houden met de specifieke uitdagingen en kansen van eilanden en kustregio’s door uit te gaan van een plaatsgebonden aanpak. 26 De leden van de CDA-fractie constateren dat Nederland tijdens de vorige informele Cohesieraad aandacht heeft gevraagd voor de Landen en Gebieden Overzee (LGO’s), waaronder Caribisch Nederland. Deze leden vragen of de minister kan aangeven in hoeverre deze Nederlandse inzet is teruggekomen in de uiteindelijke eilandstrategie. Welke vervolgstappen zijn nodig om de positie van de LGO’s binnen het Europese cohesie- en regionaal beleid voldoende te waarborgen? Antwoorden De eilanden in het Caribisch deel van het Koninkrijk zijn geen onderdeel van het EU-grondgebied en hebben de status ‘LGO’. Zodoende vallen deze eilanden niet onder het EU-cohesiebeleid. In de strategie wordt deze groep helaas niet specifiek benoemd. Het kabinet zal zich blijven inzetten voor het verbeteren van toegang voor LGO’s tot EU-financiering, zoals uiteengezet in het BNC-fiche voor het LGO-besluit[voetnoot 13]. Dit betreft zowel de middelen onder het LGO-besluit alsook andere EU-instrumenten, zie ook het antwoord op vraag 28. 27 Het kabinet heeft eerder aangegeven dat de strategieën voldoende aandacht moeten hebben voor Caribisch Nederland en de Waddeneilanden. Deze leden vragen hoe de minister de uiteindelijke strategieën op dit punt beoordeelt. Welke concrete kansen bieden zij voor deze Nederlandse eilanden en waar ziet de minister nog tekortkomingen? Antwoord Zie het antwoord op vraag 26. 28 Eilanden bieden volgens de eerdere bespreking in de Raad ook kansen op het gebied van energie, de blauwe economie, duurzaam toerisme en defensie/veiligheid. Zij vragen op welke van deze terreinen de minister de meeste kansen ziet voor Nederland en het Koninkrijk. Antwoord Hoewel de LGO niet in aanmerking komen voor het Cohesiebeleid, zijn de meeste thema’s ook zeer relevant voor de eilanden. Het kabinet zal zich er daarom voor blijven inzetten dat de kennis die wordt ontwikkeld onder deze strategie kan worden gedeeld met de LGO. Ook in het kader van de MFK-onderhandelingen zet het kabinet zich blijvend in voor een betere positie van de LGO. De inzet is gericht op betere toegang tot de zogenoemde horizontale fondsen en betere benutting van zowel het huidige als nieuwe LGO besluit. Verder verwacht het kabinet dat de versterkte samenwerking op het terrein van EU-aangelegenheden, in het samen met de LGO op te richten EU-Platform, daar ook aan zal bijdragen. Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie 29 Uit het verslag blijkt dat Nederland bij de uitwerking van het right to stay vooral de nadruk legt op het creëren van economische kansen en het versterken van de concurrentiekracht van regio’s. Andere lidstaten leggen juist de nadruk op investeringen in voorzieningen. Kan de minister precies uitleggen wat de minister onder het creëren van economische kansen verstaat? Aan welke concrete investeringen en resultaten denkt de minister daarbij? Antwoord Het kabinet verstaat onder het creëren van economische kansen dat regio’s de ruimte krijgen om te investeren in economische activiteiten die aansluiten bij eigen regionale kenmerken en sterktes. Concreet betekent dit het stimuleren van projecten die bijdragen aan groei op lange termijn en het versterken van het concurrentievermogen van de Europese Unie, bijvoorbeeld op het gebied van de drie transities (groen, digitaal en arbeidsmarkt) met als dwarsdoorsnijder onderzoek en innovatie[voetnoot 14]. Het resultaat is meer perspectief voor burgers om in hun eigen regio te wonen en werken, in lijn met het principe van ‘Right to Stay’. 30 De leden van de BBB-fractie vragen waarom de minister economische kansen en investeringen in voorzieningen presenteert als twee verschillende richtingen. Zijn bereikbare zorg, goed onderwijs, openbaar vervoer, betaalbare woningen en digitale bereikbaarheid niet juist voorwaarden voor economische ontwikkeling? Wat heeft een regio aan nieuwe economische kansen wanneer werknemers er geen woning kunnen vinden, de huisarts verdwijnt, de school sluit en het openbaar vervoer wordt afgebouwd? Op welke onderzoeken of praktijkervaringen baseert het kabinet zijn keuze om binnen het right to stay niet de nadruk te leggen op het behoud en versterken van voorzieningen? Erkent de minister dat het verdwijnen van voorzieningen, zeker in landelijke en grensregio’s, een belangrijke reden kan zijn waarom jongeren, gezinnen en ondernemers vertrekken? Antwoord Het kabinet erkent dat voorzieningen een belangrijke voorwaarde zijn voor burgers om in hun eigen regio te blijven wonen en werken. Tegelijkertijd hanteert het kabinet het uitgangspunt dat economische ontwikkeling de basis vormt voor het toekomstperspectief van een regio. Economische groei draagt bij aan het behoud en de ontwikkeling van voorzieningen. Aangezien de financiële middelen beperkt zijn, is het voor Nederland van belang dat het cohesiebeleid gefocust is. Daarom kiest het kabinet in het cohesiebeleid voor inzet op drie transities, namelijk groen, digitaal en arbeidsmarkt.[voetnoot 15] 31 De geannoteerde agenda voor de informele Raad Algemene Zaken Cohesie van 14 en 15 september 2026 spreekt opnieuw uitgebreid over concurrentiekracht, innovatie en transities, maar nauwelijks over het right to stay en het voorzieningenniveau in regio’s. Is de minister bereid om tijdens de Raad (opnieuw) uit te dragen dat regionale concurrentiekracht niet alleen draait om innovatie en productiviteit, maar ook om leefbaarheid en bereikbare basisvoorzieningen? Zo nee, waarom niet? Antwoord Zie het antwoord op vraag 30. 32 Ten slotte vragen de leden van de BBB-fractie de minister om zich ervoor in te zetten dat regio’s zelf, samen met hun inwoners en ondernemers, kunnen bepalen welke investeringen nodig zijn om wonen, werken en leven in de regio daadwerkelijk mogelijk te houden. Antwoord Het kabinet vindt het belangrijk dat investeringen in economische ontwikkeling in samenspraak met regio’s worden vormgegeven. Het kabinet wil een plaatsgebonden aanpak in het cohesiebeleid om beter in te spelen op de specifieke kenmerken en sterktes van elke regio. Dit vraagt om samenwerking met overheden, kennisinstellingen, ondernemers en burgers, zodat investeringen direct aansluiten bij behoeften en kansen in de regio. Kamerstuk 22 112, nr. 4357 Kamerstukken 21501-08, nr. 985 Kamerstuk 21501-08, nr. 963 Inforegio - Ninth Report on Economic, Social and Territorial Cohesion Kamerstuk 21501-08, nr. 963 Economic, social and territorial cohesion, agriculture, rural and maritime prosperity and security (met uitzondering van de migratie- en interne veiligheidsfondsen en verplichte rente- en terugbetalingen van NextGenerationEU) European Public Administration. Competitiveness. Global Europe, inclusief Oekraïne. Visiepaper Cohesiebeleid post 2027 | Rijksoverheid.nl Kamerstuk 22 112, nr. 4144 Kamerstuk 21501-08, nr. 963 Kamerstuk 22 112, nr. 4187 Kamerstuk 21501-08, nr. 963 Kamerstuk 21501-08, nr. 963
Bron, video en gesprek →66debatten
821bijdragen
422interrupties
75.785woorden in uitspraken
Partijen door de tijd: PVV (2023-12-06–heden) ·