KamerkringInloggen
Rachel van Meetelen

Officieel Kamerprofiel

Rachel van Meetelen

PVV →
66debatten
821bijdragen
422interrupties
75.785woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: PVV (2023-12-06–heden) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
8 okt 2026 · Kamerstuk

22 112-02 Raad Algemene Zaken Nr. VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld d.d. … oktober 2026 Binnen de vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 2 oktober 2026 inzake de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken van 13 oktober 2026 (Zaaknummer 2026Z20956), de brief van de minister van Economische Zaken en Klimaat d.d. 1 september 2026 inzake de reactie op de SER-brief over de kwaliteit van EU-regelgeving (Kamerstuk 22112, nr. 4425) en de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 14 oktober 2026 inzake het verslag van de informele Raad Algemene Zaken van 3 en 4 september 2026 (Kamerstuk 21501-02, nr. 3471). Bij brief van ... heeft de minister deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt. De voorzitter van de commissie, Van Meetelen De adjunct-griffier van de commissie, Moonen Inhoudsopgave Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 13 oktober 2026. Deze leden hebben hierover de volgende vragen. De leden van de D66-fractie zijn blij met de vooruitgang die er in Hongarije wordt geboekt als het gaat om het herstellen van de rechtsstaat, maar maken zich tegelijkertijd zorgen over het te snel vrijgeven van bevroren middelen. Hoeveel van de € 32 miljard die na 2022 aan Hongaarse middelen is bevroren, is nu nog niet ontdooid? Deelt de minister de mening van de advocaat-generaal van het Hof van Justitie van de Europese Unie (EU) en van ngo’s dat pas sprake kan zijn van terugbetaling als hervormingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden? Welke zorgen over de rechtsstaat in Hongarije resteren nog? Antwoord van het kabinet In totaal is voor Hongarije op dit moment nog circa EUR 17,6 miljard aan EU-middelen opgeschort. Dit betreft circa EUR 4,2 miljard op grond van de MFK-rechtsstaatverordening[voetnoot 2], EUR 10,4 miljard op grond van de HVF-verordening[voetnoot 3] en EUR 3 miljard aan cohesiemiddelen vanwege het niet voldoen aan horizontale voorwaarden inzake academische vrijheid, lhbtiq+-rechten en migratie op grond van de Verordening Algemene Bepalingen (CPR)[voetnoot 4]. Het kabinet heeft kennisgenomen van het beroep tot nietigverklaring van het Europees Parlement (EP) inzake de vrijgave van een deel van de cohesiemiddelen onder de CPR aan Hongarije in december 2023 en de conclusie van advocaat-generaal Capeta hierover en wacht de uitspraak van het EU Hof van Justitie af.[voetnoot 5] Het kabinet is het met de advocaat-generaal eens dat vrijgave van EU-middelen pas mag plaatsvinden wanneer volledig is voldaan aan de eisen die de Commissie heeft vastgesteld om te voldoen aan de horizontale voorwaarden onder de CPR. De Commissie besluit hierover zelfstandig. Het kabinet constateert dat Hongarije vanaf mei dit jaar belangrijke stappen heeft gezet en hervormingen heeft doorgevoerd om tekortkomingen op het terrein van de rechtsstaat te adresseren. Om die reden is het kabinet ook voornemens om tijdens deze Raad in te stemmen met de opheffing van maatregelen onder de MFK-rechtsstaatverordening. Naast de zorgen op het terrein van de rechtsstaat, zijn er ook bredere zorgen aangaande de gelijke rechten voor minderheden, academische vrijheid en mediavrijheid, privacy en gegevensbescherming die in het kader van de artikel 7 procedure worden geadresseerd. Voor het kabinet is van belang dat Hongarije aan deze zorgen tegemoetkomt. Is de verwachting dat de artikel 7-procedure tegen Hongarije binnenkort wordt opgeheven? Zo ja, op welke termijn en welke procedure dient hiertoe gevolgd te worden? Antwoord van het kabinet De artikel 7-procedure wordt formeel beëindigd als het EP het met redenen omkleed voorstel intrekt, en daarmee tot de conclusie komt dat niet langer sprake is van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending van de Uniewaarden zoals beschreven in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (LIBE) van het EP is voornemens op korte termijn naar Boedapest te reizen om de situatie ter plaatse te beoordelen. Beëindiging van de artikel 7-procedure is daarmee nu nog niet aan de orde. De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat de Europese Commissie dinsdag naar verwachting zal komen met een pakket maatregelen op het gebied van EU-uitbreiding en hervormingen. Hoe beoordeelt de minister dit pakket en elk van de daarin opgenomen maatregelen? Antwoord van het kabinet De Commissie heeft op 6 oktober jl. een mededeling gepubliceerd waarin zij de gevolgen van EU-uitbreiding evalueert voor het beleid, de begroting, de waarden en het bestuur van de Unie, en hervormingsvoorstellen doet. De mededeling gaat ook in op waarborgen in nieuwe toetredingsverdragen en geleidelijke integratie. In algemene zin verwelkomt het kabinet de publicatie van de mededeling. De mededeling is een belangrijk startpunt voor verdere discussie. Het kabinet zet in op een gedegen vervolgproces om het werk op alle sporen verder te brengen. Volgens de standaard informatieafspraken met uw Kamer, ontvangt uw Kamer een kabinetsappreciatie van deze mededeling. Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda ter voorbereiding op de Raad Algemene Zaken van 13 oktober 2026. Deze leden hebben naar aanleiding van deze agenda nog enkele vragen. Meerjarig Financieel Kader De leden van de VVD-fractie constateren dat het tijdens deze Raad onder andere zal gaan over de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Deze leden onderschrijven de inzet van de minister om de omvang van het MFK te verlagen en de korting die Nederland ontvangt op de afdracht op basis van het bruto nationaal inkomen (BNI) te behouden. In hoeverre heeft de minister de periode tussen de vorige en de aanstaande ‘negobox’ gebruikt om meer lidstaten te vinden die samen met Nederland kunnen optrekken bij deze onderhandelingsinzet? Is de minister daarnaast, net als deze leden, van mening dat het uiteindelijke onderhandelingsresultaat belangrijker is dan de snelheid waarmee overeenstemming over een nieuw MFK wordt bereikt? Antwoord van het kabinet Het kabinet heeft de afgelopen periode actief ingezet op het versterken van de samenwerking met gelijkgestemde lidstaten. Daarbij wordt zowel op politiek als ambtelijk niveau samengewerkt met lidstaten die de Nederlandse inzet voor een modern en betaalbaar MFK delen. Ook in de verdere onderhandelingen blijft Nederland gezamenlijk met deze lidstaten optrekken. Voor het kabinet staat de inhoud van het uiteindelijke onderhandelingsresultaat voorop en niet de snelheid waarmee overeenstemming over een MFK word bereikt. Welke positie neemt de minister voorts in bij de discussie over het individueel beoordelen van elk eigen middel ten opzichte van het beoordelen van de eigen middelen als één geheel pakket? Hoe kijken andere lidstaten tegen deze discussie aan? Antwoord van het kabinet Zoals in de Kamerbrief van 22 mei jl.[voetnoot 6] is aangegeven kan het kabinet nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat omarmen en beoordeelt het voorstellen voor nieuwe eigen middelen op eigen merites. Hoewel de inhoudelijke en budgettaire beoordeling centraal staat, wordt de introductie van individuele nieuwe eigen middelen niet in isolement bezien maar gewogen in het overkoepelde (financiële) beeld van een nieuw eigenmiddelenbesluit(EMB) en het volgende MFK. De meeste andere lidstaten kijken hetzelfde naar deze discussie, waarbij zowel de individuele eigen middelen als de impact van het gehele pakket van nieuwe eigen middelen en het MFK worden gewogen. Artikel 7-procedure Hongarije De leden van de VVD-fractie verwelkomen net als de minister de stappen die Hongarije heeft gezet op het gebied van de rechtsstaat. Deze leden willen hierbij echter voorkomen dat Hongarije, om wat voor reden dan ook, op lange termijn terugvalt. Hoe is de minister van plan om er, samen met andere EU-lidstaten, op toe te zien dat Hongarije zich ook op lange termijn blijft inzetten voor onder andere een onafhankelijke rechtspraak, het tegengaan van corruptie en ruimte voor het maatschappelijk middenveld? Hoe kijkt de minister daarnaast aan tegen het advies van de advocaat-generaal van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin wordt gesteld dat er pas sprake kan zijn van het uitbetalen van EU-middelen nadat de voorgestelde hervormingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden? In hoeverre is het daarnaast mogelijk om aan een eventuele terugval snel opnieuw financiële consequenties te verbinden voor Hongarije? Antwoord van het kabinet Het kabinet verwelkomt de rechtsstaathervormingen die de Hongaarse regering sinds mei jl. heeft doorgevoerd middels de “wet tot wijziging van bepaalde wetten die noodzakelijk zijn voor de toegang tot middelen van de EU”. Het kabinet constateert met de Commissie dat Hongarije in korte tijd belangrijke stappen heeft gezet om de Hongaarse rechtsstaat te herstellen waardoor niet langer sprake is van een ernstig (potentieel) risico voor de financiële belangen van de Unie. Om die reden is het kabinet voornemens om tijdens deze Raad in te stemmen met de opheffing van maatregelen onder de MFK-rechtsstaatverordening. Naast de zorgen op het terrein van de rechtsstaat, zijn er ook bredere zorgen aangaande de gelijke rechten voor minderheden, academische vrijheid en mediavrijheid, privacy en gegevensbescherming. Deze zorgen worden in het kader van de artikel 7 procedure geadresseerd. Voor het kabinet is van belang dat Hongarije aan deze zorgen tegemoetkomt. Het is voor het kabinet van belang dat rechtsstaathervormingen duurzaam en effectief in de praktijk worden uitgevoerd. Om de rechtsstaat in Hongarije preventief en structureel te blijven monitoren beschikt de EU over het rechtsstaatmechanisme met het jaarlijkse Commissierechtsstaatrapport en de landenspecifieke rechtsstaatdialogen. De Raad Algemene Zaken zal op 19 november a.s. opnieuw spreken over de rechtsstaatontwikkelingen in Hongarije tijdens de landenspecifieke rechtsstaatdialoog. Indien er onverhoopt sprake is van terugval op de rechtsstaat of van eerbiediging van fundamentele rechten, kan de Commissie handhavend optreden door inzet van zowel juridische als financiële rechtstaatinstrumentarium. Het kabinet blijft de Commissie in algemene zin aansporen om op te treden tegen lidstaten die rechtsstatelijke beginselen en fundamentele rechten schenden en steunt de Commissie hierin. Het kabinet heeft verder kennisgenomen van het beroep tot nietigverklaring van het Europees Parlement (EP) inzake de vrijgave van een deel van de cohesiemiddelen onder de CPR aan Hongarije in december 2023 en de conclusie van advocaat-generaal Capeta hierover en wacht de uitspraak van het EU Hof van Justitie af.[voetnoot 7] Het kabinet is het met de advocaat-generaal eens dat vrijgave van EU-middelen pas mag plaatsvinden wanneer volledig is voldaan aan de eisen die de Commissie heeft vastgesteld om te voldoen aan de horizontale voorwaarden onder de CPR. De Commissie besluit hierover zelfstandig. Er is geen rol voor de Raad en de lidstaten. Heeft de minister nog steeds zorgen over de situatie van de rechtsstaat in Hongarije, of meent de minister dat de belangrijkste problemen inmiddels zijn opgelost? Ziet de minister, gezien het feit dat Hongarije de weg omhoog gevonden heeft, de komende periode ook politieke ruimte om de artikel 7-procedure te hervormen? Antwoord van het kabinet Het kabinet verwelkomt de rechtsstaathervormingen die de Hongaarse regering sinds mei jl. heeft doorgevoerd middels de “wet tot wijziging van bepaalde wetten die noodzakelijk zijn voor de toegang tot middelen van de EU”. Het kabinet constateert met de Commissie dat Hongarije in korte tijd belangrijke stappen heeft gezet om de Hongaarse rechtsstaat te herstellen waardoor niet langer sprake is van een ernstig (potentieel) risico voor de financiële belangen van de Unie. Om die reden is het kabinet voornemens om tijdens deze Raad in te stemmen met de opheffing van maatregelen onder de MFK-rechtsstaatverordening. Naast de zorgen op het terrein van de rechtsstaat, zijn er ook bredere zorgen aangaande de gelijke rechten voor minderheden, academische vrijheid en mediavrijheid, privacy en gegevensbescherming. Deze zorgen worden in het kader van de artikel 7 procedure geadresseerd. Voor het kabinet is van belang dat Hongarije aan deze zorgen tegemoetkomt. Nederland zal tijdens de Raad, in het kader van de artikel-7 procedure, aandacht vragen voor de naleving van uitspraken van het EU-Hof, waaronder het arrest van 21 april jl. waarin het EU-Hof vaststelde dat Hongarije vanwege anti-lhbtiq+-wetgeving (specifiek de ‘Child Protection Act’) fundamentele waarden van de Unie zoals eerbiediging van de menselijke waardigheid en de rechten van personen die behoren tot minderheden uit artikel 2 VEU, heeft geschonden. Het kabinet blijft zich inzetten voor de versterking van het EU-rechtsstaatinstrumentarium, waaronder rechtsstaat- en handvestconditionaliteiten in het volgend MFK. Voor de lange termijn zet het kabinet in op hervorming van de artikel 7-procedure. In een non-paper over waarborgen in een nieuwe generatie van toetredingsverdragen heeft het kabinet ook opgeroepen om een discussie te voeren over een tijdelijke afwijking van de procedure van artikel 7 om de besluitvorming te vereenvoudigen in geval van terugval bij nieuw toegetreden EU-lidstaten.[voetnoot 8] Buitenlandse inmenging en inclusieve democratische participatie De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een weerbare democratie en een stevige aanpak van buitenlandse inmenging. Kan de minister concreet toelichten welke maatregelen de minister voornemens is te nemen op het gebied van vroegtijdige detectie en informatie-uitwisseling en het transparanter maken van AI-gegenereerde inhoud en politieke advertenties, en kan de minister hierbij ook ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen het nationale en het Europese niveau? Hoe waakt de minister ervoor dat de Europese Commissie op dit dossier niet onnodig bevoegdheden naar zich toetrekt? Antwoord van het kabinet Het verspreiden van desinformatie kan grote gevolgen hebben voor onze samenleving en democratie. Daarom neemt het kabinet passende maatregelen voor het versterken van weerbaarheid tegen buitenlandse informatiemanipulatie, onder meer door het verbeteren van de detectie hiervan. Het kabinet werkt aan de inrichting van een organisatie die buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging structureel kan detecteren, waaronder indien gericht op de ondermijning van de democratische rechtsstaat. De minister van Binnenlandse Zaken informeert u eind 2026 over de stand van zaken. Het kabinet werkt daarnaast aan de implementatie van de Verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclame[voetnoot 9]. De wet die uitvoering geeft aan deze verordening, de Uitvoeringswet verordening transparantie en gerichte politieke reclame, wordt momenteel behandeld door uw Kamer. Het kabinet ziet het beschermen van een open en vrije informatieruimte als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van EU-lidstaten. Tegelijkertijd toetst het kabinet elk voorstel van de Commissie scherp op de uitgangspunten van bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Hoe wordt tevens gewaarborgd dat maatregelen tegen schadelijke beïnvloeding niet leiden tot een beperking van legitieme politieke uitingen en de vrijheid van meningsuiting? Antwoord van het kabinet De vrijheid van meningsuiting is een grondrecht. Dit weegt zwaar bij alle maatregelen die worden genomen in het kader van de aanpak van bijvoorbeeld buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging. Bij de nadere uitwerking van de FIMI-detectie-organisatie blijft de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd. Daarnaast stelt de Europese verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclame geen inhoudelijke eisen aan de advertenties, maar verplicht slechts tot labelen en transparantie. Hoe beoordeelt de minister tot slot de voorgestelde stimulering van burgerpanels en andere participatievormen in relatie tot de nationale bevoegdheden en de vertegenwoordigende en controlerende rol van het parlement? Antwoord van het kabinet Het is belangrijk dat de nationale bevoegdheid op dit terrein gewaarborgd blijft. Participatievormen kunnen daarnaast een waardevolle aanvulling zijn op onze representatieve democratie. Daarbij zijn meerdere vormen denkbaar, waaronder burgerpanels. In de brief van 2 juli jl. informeerde de minister van BZK de Tweede Kamer over de inzet ten aanzien van het versterken van invloed en zeggenschap van burgers.[voetnoot 10] Regeldruk De leden van de VVD-fractie verwelkomen het Oostenrijks-Italiaanse initiatief om de Europese regeldruk terug te dringen en het concurrentievermogen te versterken. Kan de minister toelichten hoe de minister de oproep tot het tegengaan van gold-plating beoordeelt en welke concrete stappen Nederland hiervoor in eigen land en in Europees verband wil zetten? Antwoord van het kabinet Het kabinet ondersteunt ten zeerste de oproep om gold-plating tegen te gaan. De Commissie heeft aangekondigd een zogenaamde “gereedschapskist” te ontwikkelen om lidstaten hierbij te ondersteunen. Deze gereedschapskist zal onder andere bestaan uit bewezen aanpakken uit diverse lidstaten, aanbevelingen om gold-plating in nieuwe regelgeving te voorkomen en om gold-plating in bestaande regelgeving te identificeren en aan te pakken. Bij nationale implementatieregelgeving is het uitgangspunt lastenluwe implementatie, tenzij er zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn om tot een strenger verplichtingenniveau te komen. Steunt de minister daarnaast de voorgestelde ‘evaluation-first’-aanpak, waarbij bestaande regelgeving systematisch wordt geëvalueerd voordat nieuwe regels worden voorgesteld? In hoeverre is zo’n aanpak niet alleen interessant voor Europese wetgeving, maar ook voor wetgeving op nationaal niveau? Antwoord van het kabinet Het “evaluation-first”-beginsel maakt al langere tijd deel uit van het beleid van de Commissie en het kabinet ondersteunt dit; ook voor nationale wetgeving is dit uitgangspunt waardevol. In het nationale wetgevingsproces is dit uitgangspunt al verankerd in het Beleidskompas. Het kabinet ziet “evaluation-first” niet als absolute voorwaarde indien er noodzaak is tot snel optreden, bijvoorbeeld bij acute maatschappelijke problemen. Tot slot vragen deze leden hoe de minister erop toeziet dat effectbeoordelingen daadwerkelijk inzicht geven in de gevolgen voor regeldruk en concurrentiekracht en dat subsidiariteit en proportionaliteit leidend zijn bij nieuwe EU-regelgeving. Antwoord van het kabinet Hieraan wordt systematisch aandacht besteed bij het opstellen van BNC-fiches. Het kabinet vindt het van belang dat daarbij ook wordt ingegaan op de vraag of de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit correct zijn toegepast en of de Commissie een effectbeoordeling heeft gemaakt die inzicht geeft in de gevolgen voor regeldruk en concurrentiekracht. Om de aandacht hiervoor nog verder te versterken heeft het kabinet met de nieuwe Instellingswet Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR), die dit jaar van kracht is geworden, het mandaat van het ATR uitgebreid. Op grond van die uitbreiding adviseert het ATR het kabinet ook bij de totstandkoming van BNC-fiches over de regeldrukeffecten van EU-voorstellen. Wanneer een effectbeoordeling ontbreekt of onvoldoende informatie bevat, zal het kabinet er bij de Commissie op aandringen dat er aanvullende informatie alsnog wordt geleverd. EU-toetredingsproces Albanië De leden van de VVD-fractie constateren dat de minister in de geannoteerde agenda impliceert dat de minister nog niet volledig overtuigd is van het trackrecord van Albanië op het gebied van de rechtsstaat. Waar ziet de minister op dit moment nog verbeterpunten? Kan de minister daarnaast nader aangeven hoe de minister zich zal opstellen indien er een intergouvernementele conferentie (IGC) wordt georganiseerd? Antwoord van het kabinet Het kabinet steunt het EU-perspectief van Albanië, maar toetst zoals gebruikelijk bij iedere stap in het toetredingsproces of Albanië aan alle voorwaarden voor het desbetreffend besluit voldoet. Het kabinet verwacht dat Albanië verder gaat met het opbouwen van een track record en implementatie op het gebied van de rechtstaatvereisten, in het bijzonder wat betreft onafhankelijke rechtspraak, bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, en fundamentele rechten, zoals mediavrijheid. Het kabinet benadrukt dit in bilaterale betrekkingen met Albanië en tijdens de aankomende intergouvernementele conferentie met Albanië. Daarnaast steunen Nederland en de EU Albanië ook actief met het doorvoeren van hervormingen. Zo verleent Nederland via het MATRA-programma steun aan het kantoor van de Speciaal Aanklager tegen georganiseerde misdaad en corruptie (SPAK). Overigens komt het sluiten van de rechtsstaathoofdstukken in het EU-toetredingsproces pas helemaal aan het einde van de toetredingsonderhandelingen in beeld. Te zijner tijd zal het kabinet kritisch beoordelen of Albanië voldoende track record heeft opgebouwd op het gebied van de rechtstaat. Hoe reflecteert de minister tot slot op de demonstraties die sinds deze zomer plaatsvinden in Albanië? Hoe verhoudt het geweld van de Albanese politie tijdens deze demonstraties zich tot de criteria van Kopenhagen waaraan Albanië moet voldoen voor het EU-lidmaatschap? Antwoord van het kabinet De Kopenhagencriteria schrijven voor dat kandidaat-lidstaten alleen kunnen toetreden wanneer deze stabiele instellingen hebben die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de bescherming van minderheden garanderen. De vrijheid van meningsuiting en het recht om te demonstreren zijn daar een belangrijk onderdeel van. Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Albanië en kijkt daarbij of deze rechten worden gewaarborgd door de autoriteiten. De demonstraties die sinds deze zomer plaatsvinden laten zien dat de bevolking van Albanië eist dat de regering stappen blijft zetten ter versterking van de rechtstaat, bestrijding van corruptie, en bescherming van milieu en natuur. Ook in het toetredingsproces wordt verwacht dat Albanië hervormingen op deze terreinen doorvoert. Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken van 13 oktober 2026. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen. De leden van de PRO-fractie lezen dat Merz en Macron deze week een brief aan Von der Leyen hebben gestuurd over de opstelling van de EU tegenover handelsagressie door derde landen. Deze leden constateren dat Frankrijk en Duitsland hierover lange tijd van mening verschilden, maar nu een gezamenlijke strategie voor handelsblokken zoals China voorstaan. Zij vragen of de minister zich bij deze oproep kan aansluiten. Welke aanvullende instrumenten verwacht de minister nu er eensgezindheid bestaat over de aanpak van agressieve handelsblokken, en op welke termijn kunnen deze worden ingezet? Antwoord van het kabinet Het kabinet deelt de zorgen die bij onder andere Frankrijk en Duitsland leven ten aanzien van toenemende oneerlijke concurrentie vanuit derde landen, de serieuze impact daarvan op de Europese industrie, en de noodzaak om daarop te reageren. Het kabinet ziet eveneens de risico’s van toenemende risicovolle strategische afhankelijkheden. Daarom steunt het kabinet een effectieve inzet van het gehele bestaande Europese handelsinstrumentarium. Tegelijkertijd ziet het kabinet ruimte voor verbetering, en waar nodig verdere uitbreiding, van het bestaande instrumentarium. De Commissie publiceerde op 30 september jl. een publieke consultatie voor een mogelijk nieuw diversificatie-instrument ten behoeve van de afbouw van risicovolle strategische afhankelijkheden. Een Commissievoorstel hiervoor volgt mogelijk eind dit jaar. De leden van de PRO-fractie lezen dat er gesprekken zullen plaatsvinden over de uitbreiding van de EU. Op het moment van schrijven zijn de officiële plannen van de Europese Commissie nog niet gepubliceerd, maar wordt in de media al over enkele maatregelen bericht. Deze leden onderschrijven dat de Europese Unie, gelet op het geopolitieke klimaat, niet langer kan aarzelen met de toetreding van landen die aan de Kopenhagencriteria voldoen. Zij vragen wat de positie van de minister is ten aanzien van de voorgestelde hervormingen rond de uitbreiding van de EU. Antwoord van het kabinet Het kabinet vindt het van belang dat ook de absorptiecapaciteit van de Unie in overweging wordt genomen bij uitbreiding, zoals genoemd in de Kopenhagencriteria. De architectuur van de EU zal moeten meebewegen met de vorm en omvang die de Unie heeft, zodat uitbreiding de EU en haar handelingsvermogen versterkt en niet verzwakt. Daarom zet het kabinet zich in om de discussie over interne EU-hervormingen parallel te laten lopen aan de toetredingstrajecten van kandidaat-lidstaten. De op 6 oktober jl. gepubliceerde Commissiemededeling doet een aantal hervormingsvoorstellen en vormt een startpunt voor verdere discussie. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 3, ontvangt uw Kamer binnen de standaard informatieafspraken met uw Kamer een kabinetsappreciatie van deze mededeling. Het kabinet betrekt in lijn met de motie van het lid van der Lee ook geostrategische belangen bij het EU uitbreidingsbeleid, mede gezien de EU haar gedeelde waarden en markt in toenemende mate moet beschermen tegen het geopolitieke handelen van andere actoren.[voetnoot 11] Ook achten zij het noodzakelijk om vaart te houden in het toetredingsproces van Montenegro, zodat opnieuw onderhandelingshoofdstukken kunnen worden gesloten. Is de minister bereid zich sterker in te zetten voor het toetredingsproces van Montenegro? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet? Antwoord van het kabinet Het kabinet steunt het EU-perspectief van Montenegro. Veertien jaar na de start van de toetredingsonderhandelingen ligt Montenegro op koers voor EU-toetreding. Inmiddels zijn 18 van de 33 hoofdstukken al onder voorbehoud gesloten. De verdere voortgang in het toetredingsproces blijft vanzelfsprekend gebaseerd op merites. Dat wil zeggen dat het kabinet Commissievoorstellen tot het onder voorbehoud sluiten van hoofdstukken steunt wanneer Montenegro aan de zogenaamde closing benchmarks voldoet, zoals nu het geval is voor het zestal hoofdstukken dat in de geannoteerde agenda wordt genoemd. De leden van de PRO-fractie zien dat de discussie over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) steeds complexer wordt en dat het Ierse voorzitterschap voor een grote uitdaging staat bij het opstellen van een nieuwe onderhandelingsbox. Deze leden zien het risico dat een verlaging van het MFK – waar ook Nederland om heeft gevraagd – ten koste gaat van de modernisering ervan. Directeur van het Centraal Planbureau (CPB) Pieter Hasekamp beschrijft dit risico en vreest dat slechts beperkte vooruitgang zal worden geboekt. Hoe beoordeelt de minister dit risico? Is de minister bereid zich bij de onderhandelingen sterker in te zetten voor de modernisering van het MFK en de nadruk te verleggen van de omvang naar de inrichting ervan? Zij zouden het een gemiste kans vinden als bij het nieuwe MFK geen echte moderniseringsslag wordt gemaakt als gevolg van de zuinige opstelling van onder andere Nederland. Antwoord van het kabinet Het kabinet onderschrijft de noodzaak tot modernisering van het MFK. Zoals eerder met uw Kamer gedeeld, zet het kabinet in op een modern en toekomstbestendig MFK dat sterker is gericht op prioriteiten waarvoor Europese samenwerking de meeste meerwaarde heeft, waaronder concurrentievermogen, veiligheid en defensie, migratie en de geopolitieke slagkracht van de Unie. Modernisering vormt daarmee, naast het beperken van de omvang van het MFK en het behouden van de Nederlandse bni-correctie, een belangrijk onderdeel van de Nederlandse inzet. Een belangrijk deel van de beoogde modernisering is reeds bereikt door de behaalde gedeeltelijke algemene oriëntaties (PGA’s) op de verordeningen voor het NRPP, ECF en Global. Hier heeft het kabinet ook stevig op ingezet. Het kabinet deelt niet de opvatting dat een lager MFK noodzakelijkerwijs ten koste gaat van modernisering. Een beperktere omvang vraagt om duidelijke keuzes en prioritering binnen de EU-begroting. Het kabinet zet daarom in op besparingen, met name binnen pijler 1 (Nationale en Regionale Partnerschapsplannen) en pijler 4 (Europees openbaar bestuur), waarbij besparingen niet onevenredig ten koste moeten gaan van pijler 2 (Concurrentievermogen, welvaart en veiligheid) en pijler 3 (Europa in de Wereld). Het kabinet ziet daarom geen aanleiding om in de onderhandelingen de nadruk te verleggen van de omvang naar de inrichting van het MFK. Beide doelstellingen zijn voor het kabinet van belang en moeten in samenhang worden bezien. Het uiteindelijke onderhandelingsresultaat zal het kabinet in zijn totaliteit beoordelen op basis van de mate waarin dit tegemoetkomt aan de Nederlandse inzet ten aanzien van zowel de omvang als de modernisering van het MFK. De leden van de PRO-fractie lezen dat tijdens de Raad Algemene Zaken (RAZ) zal worden gesproken over de artikel 7-procedure. Deze leden vinden het terecht dat deze procedure nog niet wordt beëindigd, aangezien nog niet aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan. Zij wijzen bijvoorbeeld op de anti-LHBTI-bepalingen in de ‘Child Protection Act’ en op formuleringen in de Hongaarse grondwet die zouden kunnen worden gebruikt om Pride-evenementen te verbieden. Is de minister het met deze leden eens dat op deze punten nog stappen nodig zijn, en is de minister bereid dit tijdens de RAZ aan de orde te stellen? Hoe beoordeelt de minister de vastgestelde schendingen van het recht op asiel in Hongarije? Moeten op dit punt volgens de minister eveneens nog stappen worden gezet? Antwoord van het kabinet De artikel 7-procedure is in 2018 door het EP gestart tegen Hongarije en richt zich op onder meer de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, corruptie en belangenverstrengeling, ruimte voor het maatschappelijk middenveld, gelijke rechten voor minderheden, academische vrijheid en mediavrijheid, privacy en gegevensbescherming. Op 21 april jl. stelde het voltallige EU-Hof vast dat Hongarije vanwege anti-lhbtiq+-wetgeving (specifiek de ‘Child Protection Act’) fundamentele waarden van de Unie zoals eerbiediging van de menselijke waardigheid en de rechten van personen die behoren tot minderheden uit artikel 2 VEU, heeft geschonden.[voetnoot 12] Voor het kabinet is het van belang dat Hongarije uitspraken van het EU-Hof naleeft en zal hier tijdens de Raad ook aandacht voor vragen.[voetnoot 13] Het EU-hof heeft in 2020 en 2024 uitspraken gedaan over Hongarije vanwege het niet-naleven van Europees asielbeleid, en heeft Hongarije daartoe een dwangsom opgelegd.[voetnoot 14] De leden van de PRO-fractie hebben vernomen dat het Europees Parlement nog geen uitnodiging heeft ontvangen om verkiezingswaarnemers naar de Servische parlementsverkiezingen te sturen. Deze leden vragen of dit bij de minister bekend is. Zij vragen tevens of de minister bereid is hier in bilaterale contacten op aan te dringen. Antwoord van het kabinet Het kabinet is op de hoogte van het feit dat Servië het EP nog geen uitnodiging heeft gestuurd om verkiezingswaarnemers naar de Servische parlementsverkiezingen te sturen. Het kabinet hecht grote waarde aan vrije, eerlijke en transparante verkiezingen, als fundament van een goed functionerende democratische rechtsstaat. Het kabinet heeft Servië in bilaterale contacten dan ook gewezen op het belang van aanwezigheid van verschillende internationale verkiezingswaarnemingsmissies, waaronder van het EP. De standaard voor internationale verkiezingswaarneming is ODIHR. Nederland levert een actieve bijdrage aan deze ODIHR-waarnemingsmissie in Servië met de uitzending van één langetermijnwaarnemer (LTO) en acht kortetermijnwaarnemers (STO’s). Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 13 oktober 2026. Deze leden hebben hierover de volgende vragen. Meerjarig Financieel Kader De leden van de CDA-fractie vragen of de minister kan aangeven wat in de herziene onderhandelingsbox de belangrijkste veranderingen zijn ten opzichte van de vorige versie en hoe de minister deze beoordeelt vanuit de Nederlandse inzet. Antwoord van het kabinet Naar verwachting publiceert het Ierse voorzitterschap op zaterdag 10 oktober de volgende versie van het MFK-onderhandelingsdocument. Het kabinet zal een appreciatie van het document op korte termijn met de Kamer delen. Voorbereiding Europese Raad 15 en 16 oktober De leden van de CDA-fractie lezen dat op de agenda van de Europese Raad onder andere EU-uitbreiding en hervormingen staan. De minister wijst in de kabinetsreactie op het advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) over EU-uitbreiding op de absorptiecapaciteit van de Unie. De minister noemt in dat verband onder meer hervorming van artikel 7, meer besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid in het buitenlands beleid, een kleinere Commissie en zelfs de mogelijkheid van een tijdelijke beperking van het stemrecht van nieuwe lidstaten op terreinen waar unanimiteit geldt. Deze leden vragen welke interne EU-hervormingen volgens de minister in ieder geval geregeld moeten zijn voordat nieuwe landen daadwerkelijk kunnen toetreden. Wat is daarbij de Nederlandse prioriteitsvolgorde op het gebied van rechtsstaat, begroting en besluitvorming? Antwoord van het kabinet Het kabinet geeft prioriteit aan hervormingen die op korte en middellange termijn kunnen worden gerealiseerd door de bestaande verdragen ten volle te benutten. Dit vertaalt zich voor het kabinet onder andere naar versterking van het rechtsstaatinstrumentarium, uitbreiding van meerderheidsbesluitvorming (QMV) op onderdelen van het gemeenschappelijke buitenland- en veiligheidsbeleid, en modernisering van het MFK. Dit neemt echter niet weg dat het kabinet ook kijkt naar hervormingen voor de langere termijn die verdragswijziging vergen, ook al is een wijziging nu niet aan de orde. Een voorbeeld hiervan is de artikel 7 procedure efficiënter te maken. Hervorming van de Unie is geen voorwaarde in de toetredingstrajecten van kandidaat-lidstaten maar een essentieel proces dat hier parallel aan dient te verlopen. De leden van de CDA-fractie constateren dat in de reactie op het AIV-advies daarnaast staat dat kandidaat-lidstaten al vóór toetreding steeds meer aan de EU kunnen deelnemen. Dat moet de prikkel om hervormingen uit te voeren versterken en mag volwaardig lidmaatschap niet vervangen. Deze leden vragen of de minister concreet kan maken aan welke voorwaarden geleidelijke integratie wordt gekoppeld en wanneer verkregen voordelen weer kunnen worden opgeschort. Antwoord van het kabinet Voor het kabinet is geleidelijke integratie een aanvulling op de route naar volwaardig EU-Lidmaatschap en geen vervanging van het doorlopen van de toetredingsvoorwaarden, noch van EU-lidmaatschap. Geleidelijke integratie mag de prikkel tot hervormen niet wegnemen en het kabinet zet er mede daarom op in dat geleidelijke integratie duidelijker gekoppeld wordt aan het toetredingsproces. Dat betekent onder andere dat geleidelijke integratie voorwaardelijk moet zijn aan het implementeren van het EU-acquis dat relevant is voor het specifieke integratievoorstel in kwestie. Het betekent ook dat er koppeling moet zijn aan voldoende voortgang op de rechtsstaat en anti-corruptiemaatregelen. Deze integratie moet ook omkeerbaar zijn: bij terugval op de rechtsstaat of wanneer geconstateerd wordt dat er geen de facto naleving van het relevante acquis is, moeten voordelen kunnen worden opgeschort. Daarmee is geleidelijke integratie ondersteunend aan het duurzaam doorvoeren van de benodigde hervormingen om aan toetredingsvoorwaarden te voldoen. De leden van de CDA-fractie stellen dat de Europese Commissie volgens berichtgeving in de media met een voorstel zou komen om kandidaat-lidstaten toegang tot de interne markt te geven, zolang die landen zich onder andere conformeren aan de doelstellingen van het buitenlandbeleid van de EU. Deze leden vragen of het klopt dat dit voorstel zal worden gedaan. Zo ja, wat is de reactie van de minister op dit voorstel? Voor welke kandidaat-lidstaten zou deze vroegtijdige markttoegang volgens de minister kunnen gelden? Antwoord van het kabinet Er zijn op dit moment nog geen specifieke nieuwe voorstellen van de Commissie voor geleidelijke integratie van kandidaat-lidstaten in de interne markt gedaan. Wel publiceerde de Commissie op 6 oktober jl. een mededeling, waarin het in algemene zin de interne markt als beleidsterrein voor verdere geleidelijke integratie identificeert. Uw Kamer zal volgens de staande informatieafspraken over de kabinetspositie worden geïnformeerd. Het kabinet kan hier niet op vooruit lopen, maar wel in algemene zin het volgende opmerken over de zienswijze ten aanzien van geleidelijke integratie en de interne markt. Het kabinet vindt dat mogelijkheden voor geleidelijke integratie overwogen kunnen worden mits deze ook in het belang zijn van de EU en haar lidstaten; en mits door de kandidaat-lidstaat het relevante EU-acquis is overgenomen, wordt uitgevoerd en gehandhaafd. Met deze blik zal het kabinet ook kijken naar mogelijke toekomstige initiatieven voor integratie van kandidaat-lidstaten in de interne markt. Daarbij is voor het kabinet essentieel dat de integriteit van de interne markt en de interne veiligheid van de EU gewaarborgd blijven. Dat gaat wat het kabinet betreft naast overname van het relevante EU-acquis door kandidaat-lidstaten ook over aanwezigheid van voldoende handhavings- en administratieve capaciteit bij kandidaat-lidstaten. Evenals voldoende voortgang ten aanzien van de rechtsstaat en anti-corruptiemaatregelen. Artikel 7-procedure Hongarije De leden van de CDA-fractie onderschrijven dat herstel van de rechtsstaat in Hongarije duurzaam en aantoonbaar moet zijn. Deze leden lezen dat de Hongaarse regering sinds mei verschillende hervormingen heeft doorgevoerd, maar dat de minister beëindiging van de artikel 7-procedure nog niet aan de orde vindt. Zij vragen of de minister concreet kan aangeven welke hervormingen nog ontbreken voordat volgens Nederland sprake kan zijn van voldoende duurzaam herstel van de rechtsstaat. Antwoord van het kabinet Het kabinet verwelkomt de rechtsstaathervormingen die de Hongaarse regering sinds mei jl. heeft doorgevoerd middels de “wet tot wijziging van bepaalde wetten die noodzakelijk zijn voor de toegang tot middelen van de EU”. Het kabinet constateert met de Commissie dat Hongarije in korte tijd belangrijke stappen heeft gezet om de Hongaarse rechtsstaat te herstellen waardoor niet langer sprake is van een ernstig (potentieel) risico voor de financiële belangen van de Unie. Om die reden is het kabinet voornemens om tijdens deze Raad in te stemmen met de opheffing van maatregelen onder de MFK-rechtsstaatverordening. Naast de zorgen op het terrein van de rechtsstaat, zijn er bredere zorgen aangaande de gelijke rechten voor minderheden, academische vrijheid en mediavrijheid, privacy en gegevensbescherming. Deze zorgen worden in het kader van de artikel 7 procedure geadresseerd. Voor het kabinet is van belang dat Hongarije aan deze zorgen tegemoetkomt. Nederland zal tijdens de Raad, in het kader van de artikel 7-procedure, aandacht vragen voor de naleving van uitspraken van het EU-Hof, waaronder het arrest van 21 april jl. waarin het EU-Hof vaststelde dat Hongarije vanwege anti-lhbtiq+-wetgeving (specifiek de ‘Child Protection Act’) fundamentele waarden van de Unie zoals eerbiediging van de menselijke waardigheid en de rechten van personen die behoren tot minderheden uit artikel 2 VEU, heeft geschonden. EU-wetgevingsprioriteiten en One Europe, One Market De leden van de CDA-fractie vragen welke concrete resultaten de minister in 2026 nog verwacht te bereiken met de One Europe, One Market Roadmap. Antwoord van het kabinet Nederland zet in op verdere voltooiing van de interne markt, waar het nakomen van de afspraken en deadlines in de One Europe, One Market Roadmap aan bijdraagt. In de Roadmap is onder meer afronding van de onderhandelingen voor het Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie Pakket, het Europees Aanvullend Pensioenpakket, het 28e regime en het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder voor 2026 voorzien. Concrete resultaten zullen afhangen van het verloop van de onderhandelingen in de Raad en het EP. Kan de minister aangeven welke voortgang wordt geboekt bij de aanpak van territoriale leveringsbeperkingen? Ligt het aangekondigde Commissievoorstel voor het vierde kwartaal van 2026 nog op schema? Wanneer verwacht de minister hierover concrete Europese voorstellen? Zet de minister daarbij in op een bindend wetgevend instrument? Antwoord van het kabinet De aanpak van territoriale leveringsbeperkingen is voor Nederland van groot belang. Het kabinet spoort de Commissie aan tot wetgevende actie, zoals in aanloop naar de Europese Raad van 15 en 16 oktober 2026. Een publieke consultatie is verlengd tot 4 december. Een voorstel van de Commissie zal niet voor deze tijd verschijnen. EU-toetredingsproces Montenegro: onder voorbehoud sluiten van 7 hoofdstukken De leden van de CDA-fractie lezen in de reactie op het AIV-advies over EU-uitbreiding dat Nederland inzet op een nieuwe generatie toetredingsverdragen met stevigere rechtsstatelijke waarborgen, waaronder een zogenoemde non-regressiebepaling die terugval na toetreding moet tegengaan. Ook denkt de minister aan een koppeling met financiële instrumenten. Deze leden vragen welke van deze waarborgen de minister concreet wil opnemen in het toekomstige toetredingsverdrag met Montenegro. Daarnaast noemt de minister naar aanleiding van het AIV-advies mogelijke overgangstermijnen voor onder meer EU-fondsen en het vrije verkeer van werknemers. Zij vragen of de minister kan aangeven of dergelijke overgangstermijnen ook voor Montenegro worden overwogen en op basis van welke criteria hierover wordt besloten. Antwoord van het kabinet Het kabinet zet zich in voor sterke overgangsmaatregelen en waarborgen in EU-toetredingsverdragen. Het moment daarvoor is nu, omdat inmiddels het werk aan het toetredingsverdrag voor Montenegro is gestart. Het kabinet is van mening dat bij het opstellen hiervan ook vooruit dient te worden gekeken naar eventuele toetreding van andere kandidaat-lidstaten. Het kabinet kijkt, in samenwerking met gelijkgezinde lidstaten, welke overgangsmaatregelen en waarborgen er nodig zijn en hoe die kunnen worden. In een recent opgesteld non-paper[voetnoot 15] heeft het kabinet ideeën gepresenteerd voor (gerichte) overgangsmaatregelen en waarborgen die opgenomen kunnen worden in toekomstige toetredingsverdragen. De voorgestelde waarborgen beogen aanvullende bescherming en versterking te bieden van, onder meer, de interne markt, interne veiligheid, de waarden uit artikel 2 van het EU-Verdrag, het handelingsvermogen van de EU en de loyale samenwerking tussen lidstaten. Als het gaat om overgangsmaatregelen en waarborgen kijkt het kabinet zorgvuldig naar wat per toetredend land effectief, proportioneel, en juridisch mogelijk is. Daarnaast wordt de inzet van het kabinet voor het overnemen van bepaalde overgangstermijnen in het toetredingsverdrag met Montenegro bepaald door de impact van EU-toetreding op de interne markt, de effectiviteit van de Europese besluitvorming, en de rechtsstaat. Ook zal het kabinet letten op het binnenlandse draagvlak voor EU-uitbreiding conform de motie van de leden Van Dijk en Becker.[voetnoot 16] EU-toetredingsproces Albanië: onder voorbehoud sluiten van 1 hoofdstuk De leden van de CDA-fractie vragen of de minister kan aangeven welke concrete tekortkomingen van Albanië op onder meer het gebied van de rechtsstaat, corruptiebestrijding, georganiseerde misdaad en fundamentele rechten volgens Nederland nog moeten worden aangepakt voordat verdere stappen in het toetredingsproces mogelijk zijn. Antwoord van het kabinet Albanië heeft voortgang geboekt met hervormingen gerelateerd aan de rechtsstaatsvereisten, evenwel met enkele aandachtspunten. Duurzame hervormingen en implementatie daarvan blijven noodzakelijk. Het kabinet vindt dat er nog stappen moeten worden gezet bij het terugdringen van corruptie, hervorming van het kiesstelsel, en bescherming van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Ook dient de kwaliteit van de rechterlijke macht verbeterd te worden, bijvoorbeeld door het vullen van vacatures en transparante en op merites gebaseerde benoemingen. Het kabinet is positief over de goede voortgang in de strijd tegen georganiseerde misdaad, met name door de inzet van het SPAK. Het kabinet acht een onafhankelijk SPAK cruciaal, ook voor bilaterale justitiesamenwerking. Verder kijkt het kabinet kritisch naar politieke druk op de rechtspraak, het openbaar ministerie en de media. Het kabinet deelt eerdere aanbeveling van de Commissie dat Albanië een wetgevingspakket moet aannemen om transparantie op mediaeigenaarschap en -financiering te verbeteren en laster niet langer strafbaar te stellen. Journalisten moeten beter beschermd worden tegen geweld en intimidatie, bijvoorbeeld door verbeteringen in de rechtshandhaving. EU-toetredingsproces Oekraïne en Moldavië De minister geeft in de reactie op het AIV-advies aan open te staan voor verdere geleidelijke integratie van kandidaat-lidstaten, zo lezen de leden van de CDA-fractie. Deze leden vragen welke vormen van verdere geleidelijke integratie voor Oekraïne en Moldavië volgens de minister wenselijk zouden zijn. Aan welke concrete hervormingsvoorwaarden worden deze gekoppeld en hoe wordt voorkomen dat geleidelijke integratie een alternatief wordt voor het reguliere toetredingsproces? Antwoord van het kabinet Er zijn op dit moment geen concrete nieuwe Commissievoorstellen om verdere geleidelijke integratie voor Oekraïne en Moldavië te bewerkstelligen. Wanneer de Commissie hiertoe wel een initiatief neemt, staat het kabinet – zoals ook aangegeven in de kabinetsreactie op het AIV-advies – ervoor open om een dergelijk voorstel te overwegen. Hierbij geldt dat het kabinet van mening is dat geleidelijke integratie niet mag tornen aan de integriteit van de interne markt en ook geen afbreuk mag doen aan de integriteit van de EU-besluitvormingsprocessen. Zie ook het antwoord op vraag 24. Deze leden vragen ten slotte hoe de financiële en institutionele impact van een eventuele Oekraïense toetreding wordt meegenomen in de onderhandelingen over het volgende MFK. Antwoord van het kabinet Op dit moment zijn de financiële gevolgen van een eventuele toetreding van Oekraïne nog niet vast te stellen. Deze hangen onder meer af van het moment en de voorwaarden van toetreding, de omvang en inrichting van de EU-begroting op dat moment, de dan geldende regels voor onder meer het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid en eventuele overgangsregelingen. Het kabinet acht het van belang dat het volgende MFK voldoende is toegerust op een veranderende Unie. Tegelijkertijd loopt het kabinet in de MFK-onderhandelingen niet vooruit op de uitkomst van het toetredingsproces met Oekraïne. Indien Oekraïne gedurende de looptijd van het volgende MFK toetreedt, voorziet de MFK-verordening in een herziening van het MFK om rekening te houden met de financiële gevolgen van de toetreding. Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 13 oktober 2026. Deze leden hebben hierover enkele vragen en opmerkingen. Omvang en modernisering van het MFK De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief die Nederland samen met Duitsland, Denemarken, Zweden, Finland en Oostenrijk aan het Ierse voorzitterschap heeft gestuurd over het toekomstige Meerjarig Financieel Kader (MFK). Zeer terecht stellen deze landen dat de door de Europese Commissie voorgestelde nominale toename van circa 60 procent ten opzichte van het huidige MFK economisch en politiek onrealistisch is. Deze leden juichen deze stellingname toe en koesteren de wens dat deze groep zuinige landen vasthoudt aan haar inzet. Kan de minister herbevestigen dat er momenteel geen enkel voorstel op tafel ligt waarvoor Nederlandse instemming aan de orde kan zijn? Antwoord van het kabinet Het kabinet heeft vanaf het begin van de onderhandelingen aangegeven dat het door de Commissie voorgestelde MFK te hoog is en dat de voorziene stijging van de Nederlandse EU-afdrachten niet acceptabel is. Ook de meest recente negotiating box van juni jl. komt nog onvoldoende tegemoet aan de Nederlandse inzet. Nederland heeft daarom samen met Duitsland, Denemarken, Zweden, Finland en Oostenrijk benadrukt dat het Commissievoorstel met enkele honderden miljarden euro’s moet worden verlaagd en dat alle pijlers aan deze verlaging moeten bijdragen. Voor het kabinet is uiteindelijk het geheel aan afspraken over het volgende MFK en de budgettaire gevolgen daarvan voor Nederland bepalend. Daarbij zet het kabinet in op beperking van de stijging van de Nederlandse afdrachten, onder meer door een verlaging van de omvang van het MFK-voorstel van de Commissie en een correctiemechanisme op de bni-afdracht. Tegelijkertijd lezen de leden van de JA21-fractie in de gezamenlijke brief aan de Taoiseach dat de betrokken landen zich al expliciet hebben neergelegd bij een MFK dat groter is dan het huidige. Wat deze leden betreft, bestaan er geen taboes over de terreinen waarop binnen het MFK kan worden bezuinigd en had met scherpe inhoudelijke keuzes zelfs een vermindering van de omvang van het huidige MFK kunnen volstaan. Deelt de minister de mening dat de omvang van het huidige MFK met de juiste, scherpe keuzes had kunnen volstaan voor het volgende MFK? In dit kader wordt ook veel gesproken over de ‘modernisering’ van de Europese begroting. Welke exacte definitie hanteert de minister voor ‘modernisering’ in de context van het volgende MFK? Kan modernisering volgens de minister ook expliciet een afname van de totale omvang van het MFK betekenen? Antwoord van het kabinet Het kabinet zet in de huidige onderhandelingen in op een substantiële verlaging van de omvang van het Commissievoorstel. Een beperkte stijging van de begroting in nominale termen ten opzichte van het huidige MFK, rekening houdend met inflatie, is voor het kabinet acceptabel. Ook nationaal worden budgetten gecorrigeerd voor inflatie. De uiteindelijke omvang van het volgende MFK moet het resultaat zijn van de onderhandelingen en in samenhang worden bezien met de inhoudelijke keuzes binnen de begroting en de gevolgen voor de Nederlandse afdrachten. Modernisering betekent voor het kabinet dat de EU-begroting sterker wordt gericht op de uitdagingen en prioriteiten van deze tijd, waaronder concurrentievermogen, veiligheid en defensie en migratie. Middelen voor nieuwe prioriteiten moeten daarbij ten koste gaan van middelen elders op de begroting. Modernisering staat daarmee niet gelijk aan een grotere begroting. Een lagere totale omvang van het Commissievoorstel is verenigbaar met modernisering wanneer door scherpere prioritering middelen worden verschoven naar terreinen met de grootste Europese toegevoegde waarde De leden van de JA21-fractie constateren dat tegenover de ‘zuinige zes’ inmiddels een brief van de zogenoemde Friends of Cohesion staat, die juist oproepen landbouw- en cohesie-uitgaven te ontzien en daarbij nadrukkelijk spreken over Europese solidariteit. Deze leden wijzen erop dat de zes landen die aandringen op begrotingsdiscipline samen circa 40 procent van de nationale bijdragen aan de EU-begroting voor hun rekening nemen en ook bij Oekraïnesteun en ontwikkelingshulp tot de grootste financiers behoren. Deelt de minister de opvatting dat Europese solidariteit niet kan betekenen dat dezelfde nettobetalers structureel een steeds groter deel van de rekening dragen? En is de minister bereid zich ertegen te verzetten dat landbouw- en cohesie-uitgaven bij voorbaat buiten de bezuinigingsopgave worden geplaatst? Antwoord van het kabinet Het kabinet deelt deze opvattingen en zet zich langs deze lijnen in. Onderhandelingsruimte en Nederlandse inzet De leden van de JA21-fractie vernamen voorts uit de Miljoenennota 2027 dat de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken de komende jaren met circa € 5 miljard oploopt, voornamelijk als gevolg van de stijging van de geraamde Nederlandse afdrachten aan de Europese Unie. Deze leden begrijpen uiteraard dat de minister, vooruitlopend op een akkoord over het toekomstige MFK, een technische budgettaire raming voor de komende jaren moet opnemen. Tegelijkertijd kan een dergelijke raming vragen oproepen over de feitelijke onderhandelingsinzet van Nederland. Hoe heeft de minister de budgettaire invulling van de EU-afdrachten voor de jaren vanaf 2028 precies berekend? Van welke totale omvang van het toekomstige MFK, in euro’s en als percentage van het Europese bruto nationaal inkomen (BNI), gaat deze raming uit? En hoeveel mag het toekomstige MFK volgens de minister maximaal toenemen ten opzichte van het huidige MFK, zowel in absolute als procentuele zin? Afgaand op deze begrotingscijfers neemt de begroting van Buitenlandse Zaken richting 2030 immers met grofweg 40 procent toe ten opzichte van 2026. Antwoord van het kabinet De raming van de Nederlandse afdrachten aan de EU-begroting vanaf 2028 is gebaseerd op een aantal aannames. Deze zijn eerder met de Kamer gedeeld in de oorspronkelijke appreciatie van de Commissievoorstellen in september 2025[voetnoot 17] en nader toegelicht in antwoord op vragen over de Voorjaarsnota 2026[voetnoot 18]. Allereerst is aangenomen dat de omvang van het volgende MFK als percentage van het Europese bni gemiddeld genomen gelijk blijft aan het percentage dat in 2020 is afgesproken voor het huidige MFK (1,12%). Een tweede aanname is dat de aflossing en rentebetalingen van het coronaherstelfonds NGEU bovenop de MFK-betalingenplafonds zullen worden gefinancierd, maar wel vanuit de EU-afdrachten. Een derde aanname is dat de bestaande correctie die Nederland krijgt op de bni-afdracht op het huidige niveau behouden blijft van ca. 2 mld. euro per jaar (uitgedrukt in constante prijzen met een deflator van 2%). Over deze bni-correctie zijn in het huidige MFK afspraken zijn gemaakt tot en met 2027 in het EMB. Tot slot is de afdrachtenverlaging waarop in het Hoofdlijnenakkoord van het voorgaande kabinet op werd ingezet, om de eerder geraamde stijging van de EU-afdrachten met 1,6 miljard euro per jaar te beperken, onderdeel van de raming vanaf 2028. Voor de budgettaire inzet van het kabinet is niet de omvang van het MFK leidend, maar het effect op de Nederlandse begroting. Daarvoor zijn, naast de omvang van het MFK ook de omvang van de correctie op de afdracht, het percentage van de perceptiekostenvergoeding voor de inning van de traditionele eigen middelen en de verwachte budgettaire gevolgen van nieuwe eigen middelen voor de Nederlandse begroting relevant. Eigen middelen en Global Europe Mede in het licht van de onderhandelingen zijn de leden van de JA21-fractie benieuwd naar de uitvoering van de aangenomen motie-Hoogeveen over het vereiste dat de introductie van nieuwe eigen middelen per saldo niet mag leiden tot een verslechtering van de Nederlandse nettobetalingspositie (Kamerstuk 21501-02, nr. 3402). Heeft de minister deze eis inmiddels als harde Nederlandse inzet in de onderhandelingen ingebracht? Zo ja, op welke wijze? Kan de minister tevens bevestigen dat Nederland niet zal instemmen met een pakket aan nieuwe eigen middelen dat per saldo leidt tot een verslechtering van de Nederlandse nettobetalingspositie? Antwoord van het kabinet Voor de nettobetalingspositie is het belangrijk om het EMB in samenhang te zien met het MFK. Het kabinet zet in op het verlagen van het effect op de Nederlandse afdrachten aan de EU ten opzichte van het Commissievoorstel. Daarvoor zijn een kleinere omvang van het MFK, een correctiemechanisme op de bni-afdracht (een korting), behoud van het huidige percentage (25%) van de perceptiekostenvergoeding en de budgettaire effecten van eventuele nieuwe eigen middelen belangrijk. In lijn met de bredere MFK-/EMB-inzet van het kabinet om een verslechtering van de Nederlandse nettobetalingspositie te voorkomen (en in lijn met de motie Hoogeveen[voetnoot 19]), dient het totale pakket aan nieuwe eigen middelen aan deze doelstelling bij te dragen. Ten slotte vragen deze leden hoe de minister uitvoering geeft aan de aangenomen motie-Hoogeveen/Boomsma om te bevorderen dat migratiebeperking expliciet en toetsbaar in Global Europe wordt verankerd (Kamerstuk 21501-04, nr. 296). Op welke concrete wijze heeft de minister dit onderdeel gemaakt van de Nederlandse onderhandelingsinzet en aan welke voorwaarden moet de uiteindelijke vormgeving van Global Europe volgens de minister voldoen om uitvoering te geven aan deze motie? Antwoord van het kabinet In het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkelingssamenwerking van 18 mei 2026[voetnoot 20] is vastgelegd dat het kabinet de motie Hoogeveen/Boomsma[voetnoot 21] aangaande “migratiebeperking” interpreteert als beperking van irreguliere migratie. Conform deze motie zet het kabinet zich in de onderhandelingen over het toekomstige Global Europe-instrument in voor partnerschappen in wederzijds belang. Migratie is voor Nederland een beleidsprioriteit van deze externe inzet van de EU. Daarbij kijkt het kabinet naar de volledige migratiesamenwerking, waaronder het tegengaan van irreguliere migratie, terugkeersamenwerking, opvang in de regio, het bevorderen van bescherming van migranten en vluchtelingen, waarmee de motie als afgedaan wordt beschouwd. In de gedeeltelijke algemene oriëntatie van het Global Europe instrument worden positieve stimulansen voor samenwerking op het gebied van EU-migratieprioriteiten gecombineerd met de mogelijkheid om fondsen op te schorten wanneer een partnerland onvoldoende meewerkt aan de (internationaal wettelijke verplichting van) terugkeer van haar onderdanen. Interne markt en kandidaat-lidstaten Daarnaast hebben de leden van de JA21-fractie kennisgenomen van berichtgeving van Politico dat de Europese Commissie kandidaat-lidstaten reeds vóór volledige toetreding verdergaande toegang wil bieden tot de Europese interne markt, onder meer door middel van verdere handelsintegratie en toegang tot Europese onderzoeks- en innovatieprogramma’s. Hoe beoordeelt de minister deze voorgenomen stapsgewijze toegang tot de interne markt? Welke onderdelen van de interne markt zouden volgens de minister reeds vóór het daadwerkelijke EU-lidmaatschap voor kandidaat-lidstaten kunnen worden opengesteld en welke nadrukkelijk niet? Antwoord van het kabinet Zie het antwoord op vraag 25. Kan de minister daarnaast bevestigen dat verdergaande economische integratie geen vervanging mag worden voor het doorlopen van de bestaande toetredingsvoorwaarden en evenmin mag leiden tot een feitelijk EU-lidmaatschap via de achterdeur voordat aan alle toetredingscriteria is voldaan? Antwoord van het kabinet Ja dat kan het kabinet bevestigen. Zie het antwoord op vraag 24. Vermindering Europese regeldruk Ten slotte hebben de leden van de JA21-fractie met instemming kennisgenomen van het Oostenrijks-Italiaanse initiatief om de Europese regeldruk te verminderen, onder meer door een evaluation-first-aanpak, een ‘pauzejaar’ voor nieuwe regelgeving en een pleidooi tegen goldplating. Kan de minister aangeven of en, zo ja, op welke onderdelen Nederland dit initiatief steunt? Hoeveel zou vermindering van goldplating kunnen bijdragen aan de Europese en Nederlandse concurrentiekracht? Antwoord van het kabinet Inhoudelijk steunt het kabinet vrijwel alle elementen van het non-paper dat op Oostenrijks-Italiaans initiatief is opgesteld. Grote delen van het non-paper maken ook al langere tijd onderdeel uit van het beleid van de Commissie, zoals het “evaluate first”-beginsel. De oproep voor een pauzejaar is een element dat het kabinet niet ondersteunt. Een pauzejaar is niet realistisch en te beperkend omdat er ingespeeld moet kunnen worden op belangrijke economische en maatschappelijke ontwikkelingen die vragen om regelgeving. Wel vindt het kabinet het van belang dat kritisch wordt gekeken of nieuwe regelgeving werkelijk nodig is en worden voorstellen altijd op subsidiariteit en proportionaliteit beoordeeld. Het kabinet ondersteunt wel het pleidooi tegen goldplating. Er zijn geen onderzoeken bekend die aantonen hoeveel de vermindering van goldplating zou kunnen bijdragen aan de Europese en Nederlandse concurrentiekracht. Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower De leden van de Groep Markuszower vragen welke gevolgen het gebruik van de euro door Montenegro heeft voor de stabiliteit van de euro en de rentestand. Deze leden merken daarbij op dat de invoering van de euro in andere Balkanlanden volgens hen heeft geleid tot hoge inflatie en een afname van de koopkracht. In dat licht roepen zij de minister op zich terughoudend op te stellen ten aanzien van de toetreding van Montenegro. Hetzelfde geldt volgens hen voor de toetreding van Albanië. Antwoord van het kabinet Montenegro gebruikt de euro sinds 2002 op eigen initiatief, zonder deel uit te maken van de eurozone. Gezien de beperkte omvang van de Montenegrijnse economie is de invloed hiervan op de stabiliteit van de euro en de rentestand in het eurogebied naar verwachting zeer gering. Het kabinet deelt de conclusie van de Commissie dat Montenegro voldoet aan de voorwaarden voor het onder voorbehoud sluiten van het onderhandelingshoofdstuk over economisch en monetair beleid, de zogenoemde closing benchmarks. Deze hebben onder meer betrekking op het waarborgen van de onafhankelijkheid van de centrale bank. Formele toetreding tot de eurozone kan pas plaatsvinden nadat Montenegro EU-lidstaat is geworden en aan de convergentiecriteria voldoet, waaronder die voor prijsstabiliteit en houdbare overheidsfinanciën. Zij vragen daarnaast welk effect de hoge mate van corruptie in Albanië zal hebben op de stabiliteit en veiligheid van de Europese Unie. Zolang deze vragen niet zijn beantwoord, roepen zij de minister op zich uit te spreken tegen verdere uitbreiding van de Europese Unie door toetreding van Montenegro en Albanië. Antwoord van het kabinet Het EU-toetredingsproces is gebaseerd op merites en zorgt ervoor dat de veiligheid en de stabiliteit van de EU gewaarborgd blijft bij EU-uitbreiding. Het kabinet blijft erop toezien dat dit proces zorgvuldig en stapsgewijs wordt gevolgd door zowel Albanië als de EU. Het kabinet is van mening dat Albanië de komende tijd verdere voortgang dient te maken met de uitvoering van hervormingen, in het bijzonder op het gebied van corruptiebestrijding. Het is van belang dat stevig track record wordt opgebouwd, voordat kan worden overgegaan tot het onder voorbehoud sluiten van onderhandelingshoofdstukken en clusters. De resultaten die door SPAK worden geboekt, lijken daarbij veelbelovend. Tegelijkertijd zullen de Commissie en Nederland strikt blijven toezien op de onafhankelijkheid en slagkracht van SPAK alsook de bredere aanpak van corruptie in Albanië. De leden van de Groep Markuszower roepen de minister op zich te verzetten tegen verdere stappen in de toetredingsprocedure voor Oekraïne. Deze leden vinden dat een land dat in oorlog is met de grootste kernmacht ter wereld niet, ook niet versneld, tot de Europese Unie zou moeten toetreden, omdat dit volgens hen tot escalatie van het conflict kan leiden. Zij wijzen daarnaast op zorgen over corruptie in Oekraïne die vergelijkbaar zijn met hun zorgen over Albanië. Reactie van de minister van Buitenlandse Zaken 2 Verordening (EU) 2020/2092. Verordening (EU) 2021/241. Verordening (EU) 2021/1060. Opinie van A-G Capeta, van 12 februari 2026, in zaak C-225/24, Europees Parlement/Commissie. Kamerstuk 22 112 nr. 4357, 22 mei 2026. Opinie van A-G Capeta, van 12 februari 2026, in zaak C-225/24, Europees Parlement/Commissie. Kamerstuknr. 23987, nr. 412 Verordening - EU - 2024/900 - EN - EUR-Lex Kamerstuk 2026D34853 Kamerstuk 36 866, nr. 6 Zaak C-769/22, Commissie/Hongarije. Zaak C-123/22, Commissie/Hongarije en zaak C-808/18, Commissie/Hongarije. Zaak C-123/22, Commissie/Hongarije en zaak C-808/18, Commissie/Hongarije. Kamerstuk 23987, nr. 412 Kamerstuk 23987, nr. 410 Kabinetsappreciatie MFK- en EMB voorstellen Europese Commissie, 12 september 2025, Kamerstuk 2024-2025, 21501-20, nr. 2268 Kamerstuk 2025-2026, 36915, nr. 3 Kamerstuk 21501-02, nr. 3402 Kamerstuk 21501-04-304 Kamerstuk 21 501-04, nr. 296

Bron, video en gesprek →