Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden
Bron, video en gesprek →Partijen door de tijd: JA21 (2025-11-12–heden) ·
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →De heer Hoogeveen (JA21): Dank u, voorzitter. Het kabinet wil per 22 september de handel in goederen uit Israëlische nederzettingen verbieden. Dat is een symbolisch besluit dat lijkt voort te komen uit onmacht. Draagvlak op Europees niveau is er namelijk niet en dus schroeft het kabinet samen met België, Ierland, Slovenië en Spanje nationale verboden in elkaar. Maar zolang goederen via andere landen in de Europese interne markt Nederland kunnen bereiken, is het dweilen met de kraan open en is het voornemen dus pure symboolpolitiek. De Raad van State erkent dat het plan lek is en de Douane waarschuwt voor grote risico's voor de handhaving. Kan de minister toelichten wat het besluit betekent voor de capaciteit en prioritering van de Douane? De FIOD en het Openbaar Ministerie zetten intussen vraagtekens bij de bewijsbaarheid als het tot strafzaken komt. Om vast te stellen of een product daadwerkelijk afkomstig is uit gesanctioneerde gebieden kan informatie nodig zijn van Israël. Heeft het kabinet hierover contact met de Israëlische regering? Hoe denkt het kabinet zonder die medewerking überhaupt aan voldoende bewijsvoering te komen? Voorzitter. Als uitvoeringsdiensten waarschuwen voor grote frauderisico's, als herkomst moeilijk bewijsbaar is, als omzeiling via de interne markt voor de hand ligt, als geen extra capaciteit beschikbaar komt en als Israël zegt "bekijk het maar", dan mag van het kabinet toch wel een zeer overtuigend antwoord worden verwacht op de vraag wat deze maatregel Nederland nou precies gaat opleveren. De Kamer heeft hier vooraf al expliciet naar gevraagd, via debatten en via de moties van de heren Stoffer en Diederik van Dijk. Nogmaals: hoe groot of, beter gezegd, hoe klein is de getroffen handel? Hoeveel van deze handel verwacht het kabinet daadwerkelijk tegen te houden? Op welk concreet effect op het Israëlische nederzettingenbeleid hoopt het kabinet vervolgens? Voorzitter. Erg consequent is het kabinetsbesluit ook niet. Neem de Westelijke Sahara. Eerder dit jaar schreef de NOS er nog over. Ook hier erkent Nederland geen Marokkaanse soevereiniteit over het gebied en moet het juridisch van Marokko worden onderscheiden. Toch maakt Nederland hier geen aanstalten voor een handelsverbod. Vergeet niet dat de Marokkanen de EU doorlopend onder druk zetten. Sterker nog, ze claimden deze zomer nog openlijk het grondgebied van een EU-lidstaat. Kan de minister daarom toelichten welke maatstaven hij voortaan hanteert bij nationale handelssancties? Hij maakt nu gebruik van de uitzondering voor de nationale openbare orde om af te wijken van de EU-handelspolitiek. Daarmee verheft hij dus allerlei wereldwijd onrecht tot de Nederlandse openbare orde. Maar als de hele wereld het Nederlandse openbare belang gaat omvatten, dan is wat er elders in de wereld gebeurt net zo zeer problematisch. Mijn vraag aan de minister is: waar trekt dit kabinet de grens? Het kabinet zegt immers: "We beoordelen elke situatie op haar merites. Dit sanctiebesluit is nu de invulling van Nederland aan het advies van het Internationaal Gerechtshof." Maar het Nederlands kabinet en de Europese Commissie waren eerder nog van mening dat het bestaande ontmoedigingsbeleid jegens Israëlische nederzettingen al voldeed aan het advies. Kan de minister mij aanwijzen wat er sindsdien juridisch is veranderd waardoor een nationaal handelsverbod ineens noodzakelijk is? Of erkent hij gewoon dat dit een nieuwe politieke interpretatie van het kabinet is? Voorzitter, afrondend. Dit kabinet kiest voor een niet handhaafbaar sanctiebesluit. Bovendien schaart Nederland zich met zo'n maatregel bij een toch wat irrelevant groepje landen waarmee niet meer gepraat hoeft te worden volgens Israël. Zoals we al hebben gezien aan de Israëlische reactie gaan de deuren voor Nederland dicht en verdampt zo het minuscule beetje invloed dat we nog over hebben. Voorzitter. Het is weinig serieuze buitenlandpolitiek. JA21 ziet niet in wat die kieskeurigheid Nederland onder de streep nou oplevert. Dank u wel.
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): Laat ik vooropstellen dat wij hierin het EU-handelsbeleid volgen, dus ook conform artikel 207 van het EU-verdrag. Uiteindelijk kijk je naar een ontmoedigings- en differentiatiebeleid. Dat is staand beleid en dat volgen wij.
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): Dat geldt natuurlijk voor meerdere gebieden in de wereld waar bepaalde producten vandaan komen. Dat geldt voor Xinjiang in China. Ik gaf het voorbeeld van de Westelijke Sahara. Er zijn altijd problemen met producten die op de Europese markt verschijnen waarvan je niet 100% zeker kan weten wat voor componenten van die producten precies herleidbaar zijn tot de bron. Ik zal een voorbeeld noemen. Ik heb zelf in het Europees Parlement gezeten en me met dit onderwerp beziggehouden. Tot hoever ga je terug in de waardeketen om te zien waar bijvoorbeeld de knopen op je jas vandaan komen? Dat is buitengewoon ingewikkeld. Mocht er een mogelijkheid zijn om dat beter te specificeren en daar op Europees niveau op in te zetten, dan by all means, maar wel binnen de huidige competenties van de Douane en het liefst op Europees niveau.
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): Dan kom ik terug op mijn vorige antwoord: dat is moeilijk te zeggen. Je ziet bijvoorbeeld dat door de wereldwijde handelstarieven en heffingen die worden opgelegd aan bepaalde landen, bepaalde componenten elders ingevoerd of ingevoerd en gerepackaged worden. Wat betreft heffingen en sanctiewetgeving blijft dat dus gewoon voor ieder gebied dat daaraan ten grondslag ligt moeilijk. Dat zou je dus op Europees niveau moeten inzetten en niet specifiek gericht op Israël, maar op alle landen die dat doen en die dat effect hebben op de Europese interne markt.
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): Volgens mij heb ik zojuist aangekaart dat dat op Europees niveau moet gebeuren, aangezien dat valt onder het Europese handelsbeleid en het niet alleen gaat over Nederland, maar ook over de hele Europese interne markt.
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): Een korte vraag. Ik hoor collega Piri zeggen dat Nederland niet voldoet aan het advies van het Internationaal Gerechtshof. Hoe verhoudt zich dat volgens mevrouw Piri tot het oordeel van de Europese Commissie dat er juist wél wordt voldaan aan het advies van het Internationaal Gerechtshof, en dat de Europese Commissie dat ook expliciet heeft gezegd?
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): Dat vind ik iets anders. Mevrouw Piri zei in haar bijdrage dat wij niet voldoen aan het oordeel van het Internationaal Gerechtshof. Nu zegt ze: dat is een politiek besluit. Oké, dat kan, maar dat betekent niet dat we er niet aan voldoen. Sterker nog, juist de Europese Commissie heeft aangegeven dat het Europees beleid, dus dat non-recognition- of non-assistancebeleid, al voldoet aan dat oordeel. Dus juridisch gezien zou daarin geen onderscheid kunnen worden gemaakt.
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): De minister zei dat het kabinet dit het liefst in Europees verband doet, maar dat daar geen Europees draagvlak voor is en dat dit Nederland niet ontslaat van zijn internationaalrechtelijke verplichtingen. Maar de Europese Commissie schrijft hierover — ik citeer het vrij vertaald — dat de standpunten en het beleid van de EU in het algemeen in overeenstemming zijn met het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024 wat betreft de verplichting tot niet-erkenning, de verplichting om in de betrekkingen met Israël onderscheid te maken tussen Israëlisch grondgebied en bezette Palestijnse gebieden en de verplichting tot het niet verlenen van hulp of bijstand. Mijn vraag aan de minister is dus welke internationaalrechtelijke verplichtingen uit het IGH-advies zonder dit Nederlandse handelsverbod niet worden nageleefd.
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): De Europese Commissie concludeert met alle kennis en precisie van de uitspraak in het IGH-advies dat het EU-beleid overall consistent is. Vervolgens hoor ik van de minister dat, gezien de recente ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever, aanvullende maatregelen nodig zijn; zo interpreteer ik hem. Dat rijmt toch niet met het beroep dat het kabinet op het IGH-advies doet? Dan beroep je je dus op het feit dat er politieke ontwikkelingen zijn en dat je daar je eigen politieke invulling aan geeft. Dat gebeurt dus niet op een juridische grondslag.
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): Is de minister klaar met het blokje?
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): Oké, dan heb ik nog één vraag, als u mij toestaat.
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): Ik zit toch nog te denken over de juridische onderbouwing. Ik vind deze echt flinterdun, als ik heel eerlijk ben. De Europese Commissie zegt dat het bestaande EU-beleid voldoet aan de verplichtingen uit het IGH-advies en dat er voor uitbreiding daarvan binnen de Europese handelspolitiek geen draagvlak is. Het kabinet zegt nu: dan doen wij het nationaal, via de uitzondering van de openbare orde. Dan is mijn vraag: wat begrenst die redenering juridisch dan nog? Wanneer wordt internationaal onrecht géén Nederlandse openbare orde? Zonder een helder criterium daarvan gebruikt het kabinet de exceptie van de openbare orde als achterdeur voor nationale handelspolitiek.
Bron, video en gesprek →De heer Hoogeveen (JA21): Dit is geen antwoord op mijn vraag. Nederland beroept zich op de openbare orde. Mijn vraag is: wat is de rechtvaardiging om zich daarop te beroepen? Als dat de motivering is, ken ik namelijk nog wel heel veel andere conflicten in de wereld waarbij men zich ook op de openbare orde zou kunnen beroepen. Ik vraag dus om de juridische afbakening en precieze motivering daarachter.
Bron, video en gesprek →