KamerkringInloggen
Vicky Maeijer

Officieel Kamerprofiel

Vicky Maeijer

PVV →
0debatten
492bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: PVV (2025-11-12–heden) · PVV (2021-03-30–2024-07-01) · PVV (2017-03-23–2020-12-07) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
25 mrt 2025 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 713Wijziging van de Wet maatschappelijkeondersteuning 2015 teneinde gemeenten instaat te stellen voor meer voorzieningen eeneigen bijdrage van de cliënt te vragen dieafhankelijk is van zijn financiële draagkracht(Wet vervanging abonnementstarief Wmo 2015)Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADERRAPPORT1 Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van deRaad van State d.d. 28 augustus 2024 en het nader rapport d.d. 24 maart2025, aangeboden aan de Koning door de Staatssecretaris van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport. Het advies van de Afdeling advisering van deRaad van State is cursief afgedrukt.Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 8 mei 2024,no. 2024001130, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van deRaad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wetrechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 28 augustus2024, no. W13.24.00101/III, bied ik U hierbij aan.De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan, voorzien van mijnreactie.Bij Kabinetsmissive van 8 mei 2024, no. 2024001130, heeft Uwe Majesteit,op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport2, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overwegingaanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 teneinde gemeenten in staat testellen voor meer voorzieningen een eigen bijdrage van de cliënt tevragen die afhankelijk is van zijn financiële draagkracht (Wet vervangingabonnementstarief Wmo 2015), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel regelt de afschaffing van het abonnementstarief enmaakt het voor gemeenten mogelijk om een inkomens- en vermogensaf-hankelijke eigen bijdrage (hierna: ivb) te vragen aan gebruikers van (demeeste) maatwerkvoorzieningen. Ook krijgen gemeenten met ditwetsvoorstel de mogelijkheid om van een eigenaar van een woning een1De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoalsvoorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij hetCentraal Informatiepunt Tweede Kamer2In verband met de kabinetswisseling wordt het advies toegezonden aan de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport. kst-36713-4ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 41 financiële vergoeding te vragen voor de waardevermeerdering van diewoning die het gevolg is van een maatwerkvoorziening in de vorm vaneen woningaanpassing.De toelichting bij het wetsvoorstel beschrijft dat het vaste abonnements-tarief ertoe heeft geleid dat het beroep op de Wmo 2015 in de afgelopenjaren door (vooral) mensen met een midden- of hoger inkomen voor (metname) huishoudelijke hulp sterk is toegenomen. Het stelsel vanmaatschappelijke ondersteuning staat voor grote uitdagingen, namelijk dedubbele vergrijzing en de krapte op de arbeidsmarkt voor zorg enondersteuning. Gelet daarop is het aannemelijk dat het toegenomenberoep op voorzieningen de regering tot keuzes noopt.De toelichting maakt echter niet duidelijk waarom de in dit wetsvoorstelgemaakte keuze een duurzame oplossing biedt. Het fors gestegen beroepwordt hiermee immers slechts voor een deel geredresseerd. Bovendienwordt het stelsel in korte tijd opnieuw gewijzigd. De Afdeling adviseertdaarom het voorstel overtuigender te motiveren en zo nodig aan tepassen.De Afdeling adviseert verder het onderdeel van dit wetsvoorstel over hetvragen van een financiële vergoeding voor de waardevermeerdering vaneen woning die het gevolg is van een maatwerkvoorziening in de vormvan een woningaanpassing overtuigend te motiveren. Dit onderdeel kancomplicaties in de uitvoering en (rechts)onzekerheid opleveren. Indien diemotivering niet kan worden gegeven adviseert zij het wetsvoorstel teheroverwegen.1. Achtergrond en aanleiding voor het voorstel In de Wmo 2015 is de mogelijkheid opgenomen om een bijdrage tevragen aan gebruikers voor de kosten van zowel maatwerkvoorzieningenals algemeen toegankelijke ondersteuning.3 Sinds 1 januari 2019 geldtvoor (de meeste) maatwerkvoorzieningen het zogeheten abonnements-tarief.4 Cliënten zijn voor deze (individuele) voorzieningen een eigenbijdrage verschuldigd die per maand niet meer bedraagt dan € 20,60(peiljaar 2024). Deze bijdrage is niet afhankelijk van inkomen, vermogenen de omvang van zorggebruik. Met ingang van 1 januari 2020 is ditabonnementstarief ook gaan gelden voor algemene voorzieningenwaarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie.5Volgens de toelichting heeft de invoering van het abonnementstarief ertoegeleid dat het beroep op de Wmo 2015 in de afgelopen jaren sterk isgestegen.6 Vooral het beroep op de Wmo 2015 voor huishoudelijke hulp,en in mindere mate voor hulpmiddelen en woningaanpassingen, door(met name) mensen met een midden- of hoger inkomen, is toegenomen.7Deze zogeheten aanzuigende werking heeft de toegankelijkheid enkwaliteit van maatschappelijke ondersteuning onder druk gezet.3Artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, Wmo 2015.4Staatsblad 2018, 444; Het abonnementstarief geldt niet voor de maatwerkvoorzieningen«beschermd wonen» en «opvang». Hiervoor betalen cliënten een eigen bijdrage die berekendwordt volgens de intramurale eigen bijdragen systematiek van de Wet langdurige zorg. Ookkan het collectief vervoer van het abonnementstarief worden uitgezonderd als de gemeente ditzo heeft bepaald bij verordening.5Staatsblad 2019, 185, gelezen in samenhang met Staatsblad 2019, 452.6Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 1 en paragraaf 2.2.7Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 42 Juist kwetsbare burgers die – met hun naasten – niet zelf kunnen voorzienin de ondersteuning die zij nodig hebben, worden daardoor het hardstgeraakt.8 Dit is problematisch, zeker gezien de verwachting dat detoegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van het stelsel vanmaatschappelijke ondersteuning, als gevolg van demografische ontwikke-lingen, verder onder druk zullen komen te staan.De toelichting beschrijft namelijk twee belangrijke uitdagingen waarvoorhet stelsel van maatschappelijke ondersteuning zich gesteld zal zien.9 Teneerste wordt verwacht dat de vraag naar ondersteuning die is gericht opzelfredzaamheid en participatie tot in ieder geval 2040 fors zal toenemen.Dit komt doordat het aantal ouderen als percentage van de bevolking zaltoenemen en ouderen gemiddeld langer zullen leven (dubbelevergrijzing). Tegelijk zal ook het aantal mensen met één of meer(chronische) aandoeningen toenemen en zal de gemiddelde ondersteu-ningsbehoefte zwaarder en complexer zijn. Ten tweede zal door dedubbele vergrijzing de groei van de beroepsbevolking tot 2040 stagneren.Dit leidt, naar verwachting, tot een toename van de werkdruk in de zorgen ondersteuning en een kleiner aanbod aan niet-gepensioneerdemantelzorgers.Het voorgaande vergt maatregelen om de toegankelijkheid, betaal-baarheid en kwaliteit van de Wmo 2015 te kunnen (blijven) waarborgen.10Volgens de regering is het voor de (financiële) houdbaarheid van hetstelsel van maatschappelijke ondersteuning essentieel dat mensen alleeneen beroep doen op de Wmo 2015 voor zover dat nodig is en naardraagkracht daarvoor betalen. De regering beoogt dit mede met ditwetsvoorstel te bereiken.2. Inhoud van het voorstel Het wetsvoorstel regelt onder meer de afschaffing van het abonnements-tarief en maakt het voor gemeenten mogelijk om een ivb te vragen aangebruikers van (de meeste) maatwerkvoorzieningen.11 Een ivb zal alleenmogen worden gevraagd aan gebruikers die ten minste de leeftijd vanachttien jaren hebben bereikt en mag, voor zover de maatwerkvoorzieningbestaat uit een hulpmiddel of een woningaanpassing, niet meer bedragendan de kostprijs.12 Verder wordt bepaald dat bij of krachtens algemenemaatregel van bestuur (amvb) regels kunnen worden gesteld over (ondermeer) de wijze van berekening van de ivb, waaronder het berekenen vande kostprijs van een hulpmiddel of een woningaanpassing, en de periodewaarover de ivb verschuldigd is.13Ook krijgen gemeenten in dit wetsvoorstel de mogelijkheid om voor allealgemene voorzieningen een eigen bijdrage te vragen.14 De eigen bijdragemag niet hoger zijn dan de kostprijs van de voorziening en moet ookfinancieel passend zijn voor de betreffende doelgroep.15 Het wetsvoorstelintroduceert ook de mogelijkheid om bij of krachtens amvb regels te8Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 1.9memorie van toelichting, paragraaf 2.1; Rapport van de Wetenschappelijke Raad voor hetRegeringsbeleid, «Kiezen voor houdbare zorg. Mensen, middelen en maatschappelijkdraagvlak, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 35 925-XVI, nr. 192.10Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.11Voorgesteld artikel 2.1.4a, eerste en derde lid, Wmo 2015; De ivb gaat gelden voor allemaatwerkvoorzieningen in het kader van de Wmo 2015, behoudens beschermd wonen,opvang en, als de gemeente dat bij verordening heeft bepaald, vervoer.12Voorgesteld artikel 2.1.4a, tweede en vierde lid, Wmo 2015.13Voorgesteld artikel 2.1.4a, vijfde lid, Wmo 2015.14Voorgesteld artikel 2.1.4, eerste lid, Wmo 2015.15Voorgesteld artikel 2.1.4, derde lid, Wmo 2015.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 43 stellen over (onder meer) de periode waarover de eigen bijdrageverschuldigd is.16Aanvullend wordt voorgesteld om gemeenten de mogelijkheid te gevenom van de eigenaar van een woning een vergoeding te vragen voor dewaardevermeerdering van die woning die het gevolg is van eenmaatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing.173. Het voorstel bezien in het licht van de uitdagingen voor dehoudbaarheid van de Wmo 2015 Dat het fors toegenomen beroep op de voorzieningen in het licht vanvergrijzing en arbeidsmarktkrapte de regering tot keuzes noopt, isaannemelijk. De Afdeling adviseert niettemin overtuigender te motiverenwaarom dit wetsvoorstel een duurzame oplossing biedt. Zij merkt daartoehet volgende op.Het vragen van een eigen (inkomens- en vermogensafhankelijke) bijdrageis een belangrijk instrument voor gemeenten om de balans tussentoegankelijkheid van ondersteuning en de financiële beheersbaarheid vancollectieve zorguitgaven te bewaken.18 Met de voorgestelde ivb voormaatwerkvoorzieningen en de eigen bijdrage voor algemeen toeganke-lijke ondersteuning wordt in zoverre een stap in de goede richting gezet.Tegelijkertijd merkt de Afdeling op dat de Wmo 2015, zoals die gold in deperiode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2019, gemeenten ook al demogelijkheid bood om een eigen (inkomens- en vermogensafhankelijke)bijdrage te vragen van gebruikers van algemene- en maatwerkvoorzie-ningen.19 Deze regeling is met de introductie van het abonnementstariefkomen te vervallen. De voornaamste reden hiervoor was dat die regelingleidde tot een stapeling van zorgkosten voor mensen.20Met dit wetsvoorstel wordt in zekere zin teruggekeerd naar de situatie vanvóór 2019, zij het dat de vormgeving van de ivb voor maatwerkvoorzie-ningen en de eigen bijdrage voor algemeen toegankelijke ondersteuningop punten is gewijzigd. Dit om te voorkomen dat er (opnieuw) eenstapeling van zorgkosten optreedt.21 Feit blijft echter dat dit wetsvoorstelopnieuw een wijziging is op dit terrein in een beperkt aantal jaren. Dezeinconsistentie in beleid roept de vraag op of dit voorstel wel duurzaam zalzijn, mede omdat het niet zeker is dat het voorstel het gestegen beroep opde voorzieningen voldoende terugdringt.Immers, de mogelijkheden voor gemeenten om een ivb te vragen voormaatwerkvoorzieningen blijven in het voorstel beperkt. Zo blijkt uit detoelichting bij het wetsvoorstel dat de regering voornemens is de ivb bij ofkrachtens amvb te maximeren op € 298 per maand. Volgens detoelichting is dit bedrag bij benadering gelijk aan de maandelijkse kostenvoor gemeenten van twee uur huishoudelijke hulp per week.22 Het opdeze wijze maximeren van de ivb draagt er volgens de regering aan bij dat16Voorgesteld artikel 2.1.4, vierde lid, aanhef en onder b, Wmo 2015.17Voorgesteld artikel 2.1.5, Wmo 2015.18Zie ook Kamerstukken II 2018/19, 35 093, nr. 4, paragraaf 2.19Bij de inwerkingtreding van de Wmo 2015 gold reeds een eigen-bijdrage-regeling, zieStaatsblad 2014, 280 en Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3. Met de introductie van hetabonnementstarief voor maatwerk- en algemene voorzieningen per 1 januari 2019 onderschei-denlijk 1 januari 2020, is die regeling komen te vervallen, zie Staatsblad 2018, 444 enStaatsblad 2019, 18520Staatsblad 2018, 444; memorie van toelichting, paragraaf 1.21Memorie van toelichting, paragraaf 1.22Memorie van toelichting, paragraaf 3.2.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 44 de ivb in redelijke verhouding blijft staan tot de kosten van de ontvangenvoorziening, zonder dat daarvoor een ingewikkelde vorm van kostprijsbe-waking op basis van het geleverde aantal uren ondersteuning nodig is.23Verschillende gemeenten hebben in hun reactie op de internetconsultatieechter opgemerkt dat met de voorgestelde maximale hoogte van de ivbhet beroep op de Wmo 2015 voor in het bijzonder huishoudelijke hulp nietzal afnemen. Zij wijzen erop dat het voor mensen met een hoog ofmiddeninkomen nog altijd financieel aantrekkelijker zal zijn om eenberoep te doen op de Wmo 2015 voor huishoudelijke hulp dan om diehulp zelf te regelen en betalen.Dit risico wordt verder versterkt door de omstandigheid dat er bij hetbepalen van de hoogte van de ivb geen rekening wordt gehouden met dehoeveelheid ondersteuning die wordt geboden. Zo leidt het gebruik vanmeer uren huishoudelijke hulp niet tot een hoger ivb. Ook dit kan eenextra (financiële) prikkel vormen om toch een beroep te doen op de Wmo2015. Daarnaast kan dit er, als onbedoeld neveneffect, voor zorgen dat hetaantal uren huishoudelijke hulp per gebruiker toeneemt.Het voorgaande vraagt een uitgebreidere motivering waarom wordtvastgehouden aan de voorgestelde maximale ivb van € 298 per maanddan de huidige beperkte toelichting dat een hogere bijdrage voorbepaalde inkomens tot niet aanvaardbare effecten zou leiden. Een naderetoelichting vooral op de effecten van (enkele scenario’s van) hogerebijdragen voor verschillende inkomensgroepen op vermindering van hetberoep op de Wmo 2015, kan de motivering van de nu voorgestelde keuzeovertuigender maken. De memorie van toelichting is op dit punt wel ergbeknopt.24 De Afdeling merkt op dat dit temeer wenselijk is nu dit voorstelde tweede wijziging is op dit terrein in een beperkt aantal jaren.De Afdeling adviseert hierop in de toelichting nader in te gaan en hetvoorstel zo nodig aan te passen.De Afdeling acht het aannemelijk dat het toegenomen beroep opvoorzieningen in het licht van vergrijzing en arbeidsmarktkrapte tot keuzesnoopt en beschouwt de voorgestelde vervanging van het abonnements-tarief als een stap in de goede richting. De Afdeling is echter nog nietovertuigd van de duurzaamheid van de met het wetvoorstel gebodenoplossing omdat met dit wetsvoorstel het stelsel van eigen bijdragen inde Wmo 2015 in korte tijd opnieuw wordt gewijzigd (waarmee de Afdelingeen inconsistentie in het beleid signaleert) en omdat de Afdeling betwijfeltof het beroep op voorzieningen met de geboden oplossing voldoende zalworden teruggedrongen.Erkend dient te worden dat in zoverre sprake is van een inconsistentie inhet beleid dat het abonnementstarief enkele jaren na introductie weerafgeschaft wordt. Nuancering hierbij is wel dat het kabinet de beleidsdoel-stellingen achter het abonnementstarief – te weten het bevorderen van debetaalbaarheid van de eigen bijdrage voor de cliënt, het verminderen vande hoogte van de stapeling van eigen bijdragen en het waar mogelijkbevorderen van de eenvoud van de systematiek – nog steeds onder-schrijft.25 Wel hebben die een ander gewicht gekregen ten opzichte vanandere doelstellingen van het beleid rond maatschappelijke onder-steuning, te weten het bevorderen van de toegankelijkheid, in termen van23memorie van toelichting, paragraaf 3.2.2.24Memorie van toelichting, paragraaf 3.5, in het bijzonder het derde, vierde en vijfde afgewogenalternatief.25Kamerstukken II 2018/19, 35 093, nr. 3, blz. 1–3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 45 beschikbaarheid van voorzieningen voor burgers, en de financiëlehoudbaarheid, in termen van de kosten voor de overheid.Vanwege de aanzuigende werking van het abonnementstarief, die groteris dan vooraf was voorzien, is de introductie van het abonnementstariefeen te vergaande maatregel gebleken. Ik kan daar niet de ogen voorsluiten. Met de introductie van het abonnementstarief hebben debetaalbaarheid voor burgers en eenvoud van de systematiek een te zwaargewicht gekregen. De beschikbaarheid van voorzieningen voor burgers ende financiële houdbaarheid zijn mede daardoor in het gedrang gekomen.Zonder het terugdraaien van de invoering van het abonnementstarief ishet tij niet te keren, temeer daar in de toekomst de uitdagingen vanwegevergrijzing en arbeidsmarktkrapte nog zullen toenemen.Dat het kabinet de beleidsdoelstellingen achter het abonnementstariefevenwel nog steeds onderschrijft, blijkt op diverse manieren uit deuitwerking van de ivb die door het kabinet wordt voorgesteld. Zo isbijvoorbeeld het zo veel mogelijk tegengaan van stapeling van zorgkostennog steeds een belangrijk uitgangspunt. Op grond van het wetsvoorstelzal bij algemene maatregel van bestuur de samenloop van eigenbijdragen voor algemene voorzieningen met een duurzame hulpverle-ningsrelatie, maatwerkvoorzieningen en zorg op grond van de Wetlangdurige zorg (hierna: Wlz) worden uitgesloten. Ook het vermijden vanonnodige complexiteit in regelgeving en uitvoering blijft een leidendprincipe bij de uitwerking van de ivb. Doordat de ivb rekening houdt metde financiële draagkracht van de cliënt en zijn eventuele echtgenoot, deminimum-ivb vergelijkbaar is met het abonnementstarief en de ivb eenmaximum kent, is ook de betaalbaarheid nog steeds geborgd. Zo bezien,zijn de doelen van het beleid nog steeds hetzelfde maar is het gewicht dataan de verschillende doelen wordt gegeven bij de vormgeving van deeigenbijdragesystematiek noodgedwongen wel veranderd.Wat betreft de vraag of met de ivb het beroep op voorzieningen involdoende mate zal worden teruggedrongen, maakt de Afdeling zich optwee punten zorgen.–Ten eerste betreft dit de keuze om de ivb te maximeren op een bedragvan € 298 per maand (prijspeil 2024). De Afdeling wijst er hierbij opdat verschillende gemeenten in de internetconsultatie hebbenaangegeven dat het hiermee voor mensen met een hoog of middenin-komen nog altijd financieel aantrekkelijker zal zijn om voor huishoude-lijke hulp een beroep te doen op de Wmo 2015 dan om die hulp zelf teregelen en betalen.–Ten tweede betreft dit de keuze van het kabinet dat de hoogte van deivb niet afhankelijk zal zijn van de hoeveelheid uren geleverdeondersteuning. De Afdeling geeft aan dat door deze keuze het aantaluren ondersteuning per gebruiker zou kunnen toenemen.Wat dit laatstgenoemde punt betreft, wijs ik er op dat de aanzuigendewerking van het abonnementstarief vooral heeft plaatsgevonden in devorm van een forse toename van het aantal cliënten. Dit is beschreven inparagraaf 2.2 van de memorie van toelichting. Voor een sterke toenamevan het aantal uren ondersteuning per cliënt als gevolg van de invoeringvan het abonnementstarief zijn geen aanwijzingen gevonden. In ditverband is relevant dat de omvang van de ondersteuning die de cliëntontvangt wordt bepaald door andere factoren dan de hoogte van de eigenbijdrage. Bepalend zijn onder meer de behoeften, persoonskenmerken envoorkeuren van de cliënt, de mogelijkheden om op eigen kracht of metgebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren en demogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijnsociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 46 participatie. Deze factoren worden door het college onderzocht alvorenseen maatwerkvoorziening toe te kennen en dit onderzoek wordt natoekenning van de maatwerkvoorziening periodiek herhaald (zie deartikelen 2.3.2, 2.3.5 en 2.3.9 Wmo 2015).Mede naar aanleiding van het eerstgenoemde punt is het maximum vande ivb verhoogd naar € 320,60 per maand (prijspeil 2024) en is deuitzondering voor niet-AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens, dieeerder nog in het voorstel was opgenomen, geschrapt.–De maximum-ivb wordt bij benadering gelijk aan de maandelijksekosten voor gemeenten van twee uur huishoudelijke hulp per week,26uitgaande van 4 1/3 weken per maand. Een verhoging van hetmaximum van de ivb van meer dan 7% naar € 320,60 per maand, sluitaan bij de meest recente inzichten over de hoogte van deze maande-lijkse kosten27 en maakt bovendien maatwerkvoorzieningen voor hoge(midden)inkomens minder aantrekkelijk. Dit wordt ook onderkend in dereactie van de VNG op de internetconsultatie, waarin een maximum-ivb van omstreeks € 320 per maand (prijspeil 2024) als alternatiefwordt genoemd.28–Verder mag verwacht worden dat het beroep op voorzieningen bijniet-AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens zal afnemendoordat op hen niet langer een afwijkend eigenbijdrageregime vantoepassing zal zijn, maar zij net als andere huishoudens de minimum-ivb verschuldigd zullen zijn en de ivb voor hen vanaf dezelfdeinkomensgrens29 zal oplopen met het bijdrageplichtig inkomen als bijandere huishoudenscategorieën het geval is.Deze wijzigingen dragen eraan bij dat de ivb het beroep op voorzieningenvoldoende (duurzaam) zal terugdringen. In dit verband merk ik nog op datde te verwachten budgettaire gevolgen en gedragseffecten van devervanging van het abonnementstarief door de ivb zijn gebaseerd opkwantitatief onderbouwde ramingen.Daarnaast is het volgens het kabinet van belang de duurzaamheid van deivb niet alleen te beoordelen in termen van de te verwachten effecten ophet beroep dat wordt gedaan op de Wmo 2015, maar ook in termen vanzaken als de betaalbaarheid voor cliënten en de uitvoerbaarheid. Ook methet oog daarop heeft het kabinet bepaalde keuzes gemaakt of opnieuwbezien.–Zo is het voor de duurzaamheid van de ivb van groot belang dat de ivbniet onnodig complex is. Dit, om de uitvoeringsproblematiek die zichin het verleden heeft voorgedaan (met nadelige consequenties voor deburger) zoveel mogelijk te voorkomen. In reactie op het commentaarvan de Afdeling merk ik in dat kader nog op dat als de eigen bijdrageook afhankelijk gesteld zou worden van het aantal uren ondersteuningdie de cliënt en zijn eventuele echtgenoot ontvangen, dat zou leiden toteen aanzienlijke verzwaring van de uitvoeringslast en regeldruk vooraanbieders, gemeenten en het CAK, met een grotere kans op vertra-ging en fouten in de uitvoering en stapel- en/of correctiefacturen voorde cliënt. Ook zou hiermee een groter beroep worden gedaan op hetdoenvermogen van burgers. Dit is niet duurzaam en het kabinet heefthier daarom niet voor gekozen.26Dit is bij benadering het aantal uur huishoudelijke hulp per week dat – volgens het doorBureau HHM ontwikkelde Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 – nodig is vooreen schoon en leefbaar huis in de gemiddelde cliëntsituatie.27Inzichten op basis van onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut naar tarieven die gemeentenbetalen voor diverse vormen van maatschappelijke ondersteuning, zie: https://maatschappelijkeprijslijst.nl.28VNG bestuurlijke weging bij wetsvoorstel afschaffing abonnementstarief Wmo; 6 februari2024, kenmerk TIS/U202400056, blz. 2.29Bedoeld wordt hier: dezelfde inkomensgrens als percentage van het sociaal minimum.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 47 –Verder is het voor de duurzaamheid van de ivb noodzakelijk dat de ivbbetaalbaar is voor de cliënt. Ik heb met het oog daarop bepaaldekeuzes van mijn ambtsvoorganger opnieuw bezien. In het wetsvoorstelzoals dat aan de Afdeling was voorgelegd was nog sprake van een ivbdie voor de meeste huishoudenscategorieën vanaf een inkomensgrensvan 120% van het sociaal minimum opliep met het bijdrageplichtiginkomen. Dit is de inkomensgrens die gemeenten doorgaans30hanteren in het kader van hun minimabeleid. Een deel van dedoelgroep van de Wmo 2015 heeft echter te maken met meerkostenals gevolg van hun beperking. Het Nibud heeft in 2024 onderzoekgedaan naar de meerkosten van het leven met een beperking.31 HetNibud concludeert daarin dat het risico dat mensen met een beperktinkomen en een beperking maandelijks geld tekortkomen, hoger is danvoor andere huishoudens. Het Nibud baseert zich hierbij op eenanalyse van diverse voorbeeldbegrotingen voor mensen met eenbeperking. Bij alleenstaanden met een inkomen gelijk aan het sociaalminimum wordt in deze voorbeeldbegrotingen – afhankelijk van hettype beperking – een tekort zichtbaar. Het kabinet kiest er daarom voorte regelen dat in alle huishoudenscategorieën cliënten met eenbijdrageplichtig inkomen tot 135% van het sociaal minimum nooitmeer dan de minimum-ivb verschuldigd zullen zijn. Hierdoor blijven definanciële effecten van de invoering van de ivb voor mensen met eenbeperkt inkomen zo klein mogelijk. Het kabinet kiest er hierbij voor deminimum-ivb vast te stellen op het niveau dat het abonnementstariefzou hebben gehad, als het sinds de invoering elk kalenderjaar zou zijngeïndexeerd. De minimum-ivb komt daarmee te liggen op een niveauvan € 23,60 per maand (prijspeil 2025). Dat bedrag is hoger dan hethuidige abonnementstarief van € 21 per maand (prijspeil 2025).32 Hetkabinet acht de impact hiervan op de betaalbaarheid van de eigenbijdrage voor burgers echter aanvaardbaar, omdat hiermee de facto –behoudens de genoemde indexatie – wordt aangesloten bij het niveauvan het oorspronkelijke abonnementstarief, dat onder andere werdingevoerd met oog op een betere betaalbaarheid voor de burger.Tegelijk is een minimum-ivb van € 23,60 nodig om de doelen van hetwetsvoorstel op het vlak van financiële houdbaarheid te kunnenrealiseren.Met name de paragrafen 3.2.2, 3.2.3 en 3.5.1 van de memorie vantoelichting zijn op bovenstaande onderdelen aangepast. Daarmee is deduurzaamheid van de met het wetsvoorstel geboden oplossing naderonderbouwd.4. Vergoeding waardevermeerdering bij woningaanpassing Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid voor de gemeente om bijverordening te regelen dat een eigenaar van een woning een financiëlevergoeding aan de gemeente verschuldigd is ter hoogte van de geraamdewaardevermeerdering van zijn woning door een tot een maatwerkvoor-ziening behorende woningaanpassing.33 De vergoeding voor zo’n30Uit onderzoek dat de Commissie sociaal minimum heeft laten uitvoeren onder een aantalgemeenten, blijkt dat de meeste van de onderzochte gemeenten in het kader van minima-beleid een inkomensgrens voor lokale regelingen hanteren van 120% van het sociaalminimum. Zie: Commissie, sociaal minimum, Een zeker bestaan. Naar een toekomstbestendigstelsel van het sociaal minimum. Rapport II, 2023, blz. 140–141. Bijlage bij: Kamerstukken II2023/24, 36 410-XV, nr. 6.31Nibud, Meerkosten van het leven met een beperking. Voorbeeldsituaties van huishoudens metmeerskosten, Utrecht: juni 2024.32Het verschil wordt verklaard door het feit dat het abonnementstarief sinds de invoering tot enmet het jaar 2023 niet is geïndexeerd.33Voorgesteld artikel 2.1.5, Wmo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 48 waardevermeerdering bedraagt ten hoogste de kostprijs van demaatwerkvoorziening, verminderd met de (maandelijks) betaalde ivb. Dewaardevermeerdering van de woning wordt geraamd op het eerstvol-gende moment na het aanbrengen van de woningaanpassing, waaropgeen van de personen die ten tijde van de woningaanpassing eigenaarvan de woning waren, de woning nog in eigendom heeft.34De Afdeling merkt op dat met de aldus voorgestelde regeling wordtafgeweken van het voor de overige maatwerkvoorzieningen geldendeuitgangspunt dat cliënten die een maatwerkvoorziening ontvangendaarvoor (maandelijks) een ivb betalen. De voorgestelde regeling brengtimmers mee dat cliënten die een woningaanpassing als maatwerkvoor-ziening ontvangen, naast de te betalen ivb, mogelijk ook een financiëlevergoeding moeten betalen in verband met een in de toekomst vast testellen waardevermeerdering van de woning als gevolg van dewoningaanpassing.Uit de toelichting wordt echter niet duidelijk waarom deze afwijking vande voorgestelde ivb-regeling voor woningaanpassingen nodig is en wathiermee wordt beoogd. In het bijzonder wordt niet duidelijk hoe ditbijdraagt aan de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van deWmo.Verder kunnen vragen worden gesteld bij de veronderstelling datwoningaanpassingen tot waardevermeerdering van de woning leidt.Indien bijvoorbeeld bij verkoop deze maatwerkaanpassingen wordenverwijderd, kan een tegenovergesteld financieel effect optreden. Dewaarde(verandering) van de woning wordt bovendien pas vastgesteldnadat betrokkene die woning heeft verkocht. Dat is in de (verdere)toekomst en levert voor burgers gedurende langere tijd (rechts)onze-kerheid op over een mogelijk nog te betalen bijdrage.Tot slot kunnen geschillen ontstaan tussen gemeenten en woningeige-naren omdat gemeenten bij verordening de waardevermeerderingmoeten bepalen. De toelichting maakt niet inzichtelijk of de regering dezemogelijke complicaties heeft afgewogen.In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling deze mogelijkheidvoor gemeenten overtuigend te motiveren. Indien die motivering niet kanworden gegeven adviseert zij het wetsvoorstel te heroverwegen.Naar aanleiding van dit advies van de Afdeling is deze mogelijkheid uithet wetsvoorstel geschrapt en wordt daarmee op dit punt teruggekeerdnaar het wetsvoorstel zoals dat ter internetconsultatie was voorgelegd.Hieronder licht ik dit toe.Het huidige artikel 2.1.5 Wmo 2015 geeft gemeenten de mogelijkheid ombij verordening te bepalen dat ouders een eigen bijdrage verschuldigd zijnvoor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt. Met hetwetsvoorstel zoals dat ter internetconsultatie is voorgelegd, komt dezemogelijkheid te vervallen. De meeste gemeenten maken er geen gebruikvan en de regels voor het opleggen van de bijdrage zijn complex enmoeilijk uitlegbaar. Dat brengt risico’s voor de uitvoerbaarheid met zichmee, waarvan de potentiële financiële impact voor cliënten – als zouworden vastgehouden aan dit artikel – toeneemt met de invoering van deivb. Dat acht het kabinet onwenselijk.34Voorgesteld artikel 2.1.5, tweede lid, Wmo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 49 Door te bepalen dat geen eigen bijdrage is verschuldigd voor eenmaatwerkvoorziening voordat de cliënt de leeftijd van achttien jaar heeftbereikt, wordt de Wmo 2015 met het wetsvoorstel meer in lijn gebrachtmet andere wetten op het terrein van de zorg waarin, op een enkeleuitzondering na, voor zorg voor personen onder de achttien jaar ook geenbijdragen betaald hoeven te worden.In het kader van de internetconsulatie van het wetsvoorstel heeft deVereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) destijds evenwelverzocht de mogelijkheid van de bijdrage van ouders te behouden. Daarbijgaf de VNG aan dat die mogelijkheid alleen relevant is bij de (duurdere)woningaanpassingen en waar er een relatie is met de waardevermeer-dering van de woning. Gelet op die redengeving is in het wetsvoorstel datter advisering aan de Afdeling is voorgelegd, de mogelijkheid opgenomenvoor gemeenten om bij verordening te bepalen dat een eigenaar van eenwoning een vergoeding verschuldigd is ter hoogte van maximaal dewaardevermeerdering van zijn woning als gevolg van een tot eenmaatwerkvoorziening behorende woningaanpassing (of tot maximaal dekostprijs van die woningaanpassing indien die lager is dan genoemdewaardevermeerdering). De vergoeding zou naast de ivb komen te staanen ongeacht de leeftijd van de cliënt gelden.Het advies van de Afdeling geeft aanleiding tot heroverweging van dezedoor woningeigenaren te betalen vergoeding. De VNG heeft inmiddelsaangegeven de vergoeding praktisch niet uitvoerbaar te vinden.35 Deonzekerheid voor burgers en de kans op geschillen zou gereduceerdkunnen worden door aanvullende voorwaarden te stellen ter afbakeningvan de gevallen waarin de vergoeding verschuldigd zou zijn. Dat zou deuitvoering evenwel eerder ingewikkelder maken dan eenvoudiger.Bovendien kunnen de onzekerheid voor woningeigenaren en de risico’sop geschillen – ook met aanvullende voorwaarden – niet volledig wordenweggenomen. Tot slot hecht dit kabinet aan een gelijkwaardige toegangtot maatschappelijke ondersteuning, ook in financieel opzicht.36 Ik acht hetdaarom onwenselijk dat zich situaties kunnen voordoen waarin eenhuishouden met een bijdrageplichtig inkomen dat vergelijkbaar is metandere huishoudens vanwege de vergoeding voor de waardevermeer-dering van de woning toch meer betaalt voor eenzelfde woningaan-passing.Op basis van deze heroverweging is het voorgestelde artikel 2.1.5 Wmo2015, dat de mogelijkheid zou bieden om van woningeigenaren eenvergoeding te vragen voor woningaanpassingen, uit het wetsvoorstelgeschrapt.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwarenbij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer derStaten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.De Vice-President van de Raad van State,Th.C. de GraafVan de gelegenheid is gebruik gemaakt om in de memorie van toelichtingeen aantal redactionele verbeteringen aan te brengen. Tevens is dememorie van toelichting geactualiseerd. De beoogde datum van inwer-kingtreding is inmiddels verschoven naar 1 januari 2027. Voor zovermogelijk zijn jaartallen, bedragen, percentages en andere cijfers bijge-35Reactie VNG op concept Besluit bij Wetsvoorstel vervanging abonnementstarief Wmo; 15 juli2024; blz. 3.36Kamerstukken II 2023/24, 36 471, nr. 96, blz. 67.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 410 steld, aangezien het wetsvoorstel in 2024 voor advies is voorgelegd aande Afdeling en in 2025 wordt ingediend bij de Tweede Kamer. Hier wordtverder nog genoemd de nieuwe regelgeving voor Caribisch Nederland,zoals beschreven in paragraaf 5 van de memorie van toelichting.Verder zijn in de memorie van toelichting de volgende inhoudelijkewijzigingen aangebracht:–Aan de beschrijving van de huidige systematiek is de uitzondering datcliënten die met een partner een huishouden vormen nu géénabonnementstarief verschuldigd zijn indien ten minste een van beidepartners de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft. Dit betreftparagraaf 2.2 en de verwijzing daarnaar in de paragrafen 3.2.2 en 3.2.3.–Aan laatstgenoemde paragraaf is toegevoegd dat kostprijsbewakingzal worden uitgevoerd door het CAK.–Wat betreft maatwerkvoorzieningen met vervoer is verhelderd dat hetvoornemen van de regering is om de lagere regelgeving aan te latensluiten op de huidige praktijk waarin gemeenten een kilometervergoe-ding of ritprijs voor vervoer kunnen vragen. Dit betreft paragraaf 3.2.2en de artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde artikel 2.1.4a,vijfde lid, onderdeel d.–Mede naar aanleiding van nader overleg met (vertegenwoordigersvan) uitvoerende partijen,37 is de voorgenomen invulling van de regelsrond het pauzeren van de eigen bijdrage aangepast. Dit betreft deparagrafen 3.4 en 10.1, onder Aanbieders, professionals en werkne-mers.–Naar aanleiding van nader overleg met het CAK en (vertegenwoordi-gers van) gemeenten is de beschrijving van de gevolgen van hetwetsvoorstel voor gemeenten, de ondersteuning voor gemeenten bijde implementatie en de gevolgen voor het CAK op onderdelenaangevuld. Dit betreft de paragrafen 6.3, 6.4, 9.3 en 9.4.–Inmiddels is met het CAK overleg gevoerd over het peiljaar voorcliënten die voor het eerst inkomen genieten. Dit heeft geleid tot hetvoornemen om ook voor deze cliënten in beginsel uit te gaan van hettweede kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de maatwerk-voorziening wordt ontvangen. Paragraaf 10.3 is aldus geactualiseerd.–Naar aanleiding van de aanbevelingen van het Adviescollege ToetsingRegeldruk zijn inmiddels ook zogenoemde klantreizen uitgevoerd. Ditheeft tot aanpassingen geleid in de paragrafen 6.1, 10.2 en 10.6. In ditverband is ook paragraaf 3.2.5 aangevuld wat betreft de ondersteuningvan de cliënt.In de artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde artikel 2.1.4a, vierdelid, is de beschrijving van de kostprijsbewaking aangevuld.Het wetsvoorstel zelf is als volgt aangepast:–De delegatiegrondslag om bij of krachtens algemene maatregel vanbestuur regels te stellen ten aanzien van de eigen bijdrage voor hetgebruik van een algemene voorziening waarbij sprake is van eenduurzame hulpverleningsrelatie, is aangevuld. Het ontwerp van hetBesluit vervanging abonnementstarief Wmo 2015 bevat namelijk ookregels van procedurele aard voor het opleggen van deze eigenbijdrage. Met een wijziging van artikel I, onderdeel C, biedt hetvoorgestelde artikel 2.1.4, vierde lid, Wmo 2015 daar een meeruitdrukkelijke basis voor, overeenkomstig de redactie van de delegatie-grondslag in het voorgestelde artikel 2.14a, vijfde lid, Wmo 2015 vooreigen bijdragen voor maatwerkvoorzieningen.–Daarnaast is met een wijziging van artikel I, onderdeel N, aan hetvoorgestelde artikel 5.2.1, tweede lid, onderdeel b, Wmo 201537Het CAK, de Verenging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Ketenbureau i-Sociaal Domein enZorginstituut Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 411 toegevoegd dat het college van burgemeester en wethouders ookpersoonsgegevens mag verstrekken aan het college van een anderegemeente. Deze verstrekking kan nodig zijn indien een cliënt en zijneventuele echtgenoot van meerdere gemeenten een maatwerkvoorzie-ning ontvangt of wanneer een maatwerkvoorziening ten behoeve vande cliënt of zijn echtgenoot wordt voortgezet door een anderegemeente.–Verder is de redactie van het overgangsrecht in artikel XV aangepastom boven elke twijfel te verheffen dat de gewijzigde Wmo 2015 geldtvoor maatschappelijke ondersteuning die verstrekt wordt vanaf deinwerkingtreding van dit wetsvoorstel en dat het oude recht vantoepassing blijft op maatschappelijke ondersteuning die verstrekt isvoor de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.–Volledigheidshalve wordt gewezen op twee wetstechnische verbeterin-gen. Ten eerste een aanvulling in artikel I, onderdeel K, in verband metde vernummering binnen de met dat onderdeel gewijzigde bepaling.Ten tweede een aanvulling van artikel XIII waarin de samenloop metde Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein is geregeld.Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en degewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,V. MaeijerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 713, nr. 412

Bron, video en gesprek →