het rapport van Mario Draghi over het concurrentievermogen van Europa
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
f95b6b27-a2af-4b44-b4bd-06578faf3b06
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →Minister Beljaarts: Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de aanwezige leden dat ze vandaag van gedachten willen wisselen over het Draghi-rapport en het concurrentievermogen van de EU. Het Draghi-rapport is iets meer dan een halfjaar oud. De verwachtingen in aanloop naar de publicatie waren hoog. Toen al hadden de geopolitieke ontwikkelingen in de wereld ons bijzonder duidelijk gemaakt dat de EU ook een economisch antwoord moest formuleren op de uitdagingen waarvoor we staan. Inmiddels ziet de wereld er weer heel anders uit. De geopolitieke ontwikkelingen volgen elkaar snel op. De volatiele aard van de tarievendiscussie met de Verenigde Staten is daar het meest recente voorbeeld van. Ik ben persoonlijk erg blij met alle gevoelde urgentie voor de noodzaak van het versterken van het Europees concurrentievermogen. Als we willen dat we in Nederland en Europa hetzelfde welvaartsniveau behouden in de toekomst, dan hebben we geen keuze en zullen we echt aan de slag moeten met ons concurrentievermogen. Er zijn meerdere vragen gesteld over de investeringsbank en daaraan gerelateerde onderwerpen. Ondanks het feit dat ik onlangs in het vragenuur daarover vragen heb beantwoord, zal vandaag de minister van Financiën hier nader op ingaan. Specifiek zal ik op de punten ingaan in de volgende mapjes. Dat is ten eerste industriebeleid en concurrentievermogen, ten tweede kennis en innovatie, ten derde strategische afhankelijkheden en de bevoegdheden van de EU, ten vierde regeldruk, gevolgd door grondstoffen, energie en overig. Ik begin met de vraag van de heer Grinwis.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dank u wel, voorzitter. Als u mij toestaat, ben ik, wellicht in de tweede termijn, altijd bereid nader in te gaan op resterende vragen, mochten die er nog zijn. Dan vervolg ik met uw goedvinden de beantwoording van de vragen, te beginnen met de vraag van de heer Grinwis in hoeverre we de voor Draghi gewenste concurrentiepositie kunnen bereiken. In mijn brief over het EU-concurrentievermogen van eind 2024 schets ik al mijn inzet om ons concurrentievermogen te versterken. In dat verband zou ik richting de heer Grinwis graag twee zaken willen onderstrepen. Ten eerste is dat het verhogen van de productiviteitsgroei, dat al eerder in het debat aan de orde geweest, om daarmee de welvaart van de burgers te vergroten en ook de verschillende uitdagingen van deze tijd aan te kunnen. Ten tweede is dat het weerbaarder worden in een geopolitiek onzekere tijd om zo ook onze publieke belangen te kunnen borgen. Ik ben ervan overtuigd dat de acties die we in Europa nemen, die uit Draghi voortvloeien, gaan helpen om deze twee uitdagingen te adresseren. Dan ga ik door naar de vraag van mevrouw Van Meetelen. Zij stelde dat Draghi pleit voor meer klimaatmaatregelen om de concurrentiestrijd te winnen en vroeg mij of dat niet juist schuurt met het creëren van extra afhankelijkheden. Laat ik ermee beginnen dat ik de zorgen deel dat het concurrentievermogen van onze industrie onder druk staat. Het kabinet streeft er in zijn economisch beleid naar dat het behoud en het verbeteren van de Nederlandse concurrentiepositie hand in hand gaan met verduurzaming van de industrie, het behalen van de klimaatdoelen en het versterken van de weerbaarheid. Die gaan dus hand in hand. Zo heeft het kabinet op 25 april een pakket voor groene groei gepresenteerd met de maatregelen voor een weerbaar energiesysteem en toekomstbestendige industrie. Hierin staan concrete maatregelen om bijvoorbeeld de elektriciteitskosten voor de industrie te verlagen en het stroomnet sneller uit te breiden. Hiermee worden knelpunten weggenomen, kunnen bedrijven daadwerkelijk verduurzamen en wordt ons concurrentievermogen versterkt. Verder verwijs ik uiteraard naar mijn collega van KGG, want zij zet zich in voor het kabinetsbeleid, voor de verduurzaming van de industrie en om dat hand in hand te laten gaan met het concurrentievermogen.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Ik constateer dat ook de heer Draghi ziet dat er juist kracht zit in het verduurzamen van de industrie. Dat is ook wat wij als kabinet omarmd hebben en wat collega Hermans dag in, dag uit doet: samen met de industrie afspraken maken om juist op een goede manier de verduurzamingsslag te maken. Wij zien dat niet als een tegenstelling, maar als iets wat elkaar versterkt. En ja, dat heeft een wat langere aanloop nodig en dat heeft ook een investering nodig. Maar wij onderstrepen de zienswijze van de heer Draghi dat dat hand in hand kan.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Om te voorkomen dat we in een klimaatdebat verzeild raken, zou ik de vraag graag willen terugbrengen naar waar Draghi naar kijkt. Dat is juist het concurrentievoordeel dat te behalen is als je als EU-lidstaat op deze manier je industrie vorm gaat geven. Het is niet zo dat nu niet met fossiele brandstoffen de energie kracht gegeven wordt. Er is een langetermijnvisie neergelegd, ook vanuit het kabinet en minister Hermans, om te kijken hoe we met groene groei komen tot iets dat een concurrentievoordeel is in plaats van er nu op te focussen dat het een concurrentienadeel zou zijn.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Daar neem ik notitie van. Dan ga ik door naar de beantwoording van de vraag van de heer Grinwis of het kabinet het ermee eens is dat Europa volop moet investeren in die schone technologieën. Ik onderschrijf dat die investeringen nodig zijn, niet alleen in schone technologie, maar ook breder in de industrie. Zoals al aangegeven in het BNC-fiche bij de Clean Industrial Deal, wil het kabinet in Europees verband inzetten op deze schone marktcreatie. Want schone marktcreatie sluit nu eenmaal goed aan op de Nederlandse kennis en kunde die er ligt en op het toekomstig verdienpotentieel. De heer Grinwis vroeg mij ook of wij ons moeten verlagen tot het niveau van China als het gaat om de ambitie over standaarden, en of wij voornemens zijn om de standaarden niet te verlagen en de marktmacht van de EU zo veel mogelijk het werk te laten doen. Dank voor de vraag. Die vraag ligt in principe bij mijn collega, minister Klever. Wel is het zo dat het concurrentievermogen van bedrijven door een groot aantal factoren bepaald wordt. Daar zijn productiestandaarden er een van. De insteek van het kabinet is en blijft dat het mondiaal verhogen van die standaarden belangrijk is. Dat staat ook in ons hoofdlijnenakkoord, dat de heer Grinwis heeft kunnen lezen. Daarbij is wel van belang dat we bijvoorbeeld bij nieuwe wetgeving goed kijken dat de impact op concurrentievermogen en de regeldruk zo veel mogelijk beperkt blijft. Dan blijf ik bij de heer Grinwis met een vraag over de coördinatie vanuit Europa. Hij vraagt of het kabinet erover denkt om naar een gemeenschappelijke industriepolitiek te kijken. In lijn met het Draghi-rapport vragen de geopolitieke ontwikkelingen, het toekomstig verdienvermogen en de strategische autonomie om een extra inzet van het Europees industriebeleid. Denk aan automotive, de samenwerking op digitaal terrein via de D9+, de Europese Semicon Coalition waarover we het ook vaak hebben gehad in debatten, en de kritieke grondstoffen. Mijn collega-minister van KGG werkt aan de verduurzaming van de energie-intensieve industrie. Dat pakt allemaal samen. Daarnaast zet ik me ook in voor het bevorderen van de juiste randvoorwaarden, zoals regeldrukvermindering, het versterken van de interne markt en het verbeteren van de toegang tot financiering voor bedrijven, waar we het ook in andere debatten over gehad hebben. Mevrouw Postma sprak over het industrie- en innovatiebeleid. Zij vroeg mij wat ik heb geleerd van het bezoek aan de VS. Ik ben verheugd dat ook een afvaardiging van uw Kamer in de Verenigde Staten is geweest, grotendeels bij hetzelfde bezoek, want die inzichten zijn heel waardevol. Ik zag daar al iets van terugkomen in het debat. Tijdens mijn twee reizen naar de Verenigde Staten heb ik veel geleerd. Ik beperk mij even tot de twee punten waar het om gaat in dit debat, ook omwille van de tijd. Onder andere het succes van de US CHIPS Act en de Inflation Reduction Act was alleen mogelijk dankzij een brede politieke steun van zowel Republikeinen als Democraten. Ik doe vanaf deze plek een oproep aan uw Kamer om over partijgrenzen heen samen te werken aan belangrijke initiatieven, zoals de AI-fabriek en de Semicon Coalition, waarvoor ik overigens ook in andere debatten veel steun ervaar. Daarnaast is er in de Verenigde Staten bij zowel Republikeinen als Democraten, alsook bij het bedrijfsleven, een heel sterke bereidheid om met Nederland te blijven samenwerken. Dus ondanks wat het nieuws soms laat zien, begrijpt men daar heel goed wat het belang en de noodzaak van de internationale samenwerking betekenen. Dat hebben we ook gezien bij het bezoek aan Arizona. De komende tijd blijf ik mij uiteraard inzetten voor een positieve samenwerkingsagenda met de Verenigde Staten, onder andere op technologisch gebied, zoals semicon en kwantum, uiteraard in nauwe afstemming met de collega's en de commissie. De heer Grinwis vroeg mij naar de concurrentiepositie en hoe wij die bereiken met de economische modellen, en of wij ons willen vergelijken met landen zoals China, of niet. Dit onderwerp ligt in de eerste plaats op het beleidsterrein van mijn collega-minister voor BHO, Reinette Klever. Zij deelt binnenkort haar beleidsagenda buitenlandse handel met uw Kamer. Daarin zal ook dit onderwerp aan bod komen. In zijn algemeenheid geldt dat de EU als wereldwijd grootste handelsblok een toonaangevende rol speelt op het handelspolitieke wereldtoneel, ook in de huidige tijd. Dat doet de EU op een assertieve manier, maar met oog voor de belangen van haar handelspartners, en op een toon die past bij ons eigen normatieve kader. Tegelijkertijd moeten we ons Europese concurrentievermogen versterken. Daarom zet ik in op het versterken van de randvoorwaarden in Europa. Ik heb bijvoorbeeld succesvol gepleit voor het actieplan inzake het verbeteren van de interne markt en voor een overzicht van de wijze waarop de rapportageverplichtingen met 25% gereduceerd moeten worden. Daarnaast zet ik me ook in voor het versterken van de strategische sectoren en heb ik succesvol de Semicon Coalition opgezet. De heer El Abassi sprak over het grote verschil in daadkracht, zoals de heer El Abassi dat interpreteert, tussen de Verenigde Staten en Nederland. Hij vroeg wat ik eraan ga doen om ervoor te zorgen dat we economisch niet achterblijven. Zoals ik eerder heb gezegd, heb ik in december de kabinetsvisie op het concurrentievermogen met uw Kamer gedeeld: minder regels, verhogen van de productiviteit, nog meer gericht inzetten op innovatie, sleuteltechnologieën en strategische markten, toegang tot kapitaal, verdere versterking van de interne markt en stappen zetten op het vlak van de kapitaalmarktunie en de Energie-unie. Dit zijn zaken die zijn aangestipt als essentieel. Daar zet ik mij ook Europees hard voor in, bijvoorbeeld via de deelname aan de vakraden en via de gesprekken met de Eurocommissaris en de collega-ministers uit de andere lidstaten. Een recent voorbeeld van deze samenwerking is de Semicon Coalition die we hebben opgezet met acht andere lidstaten. Overigens hebben zich nog meer lidstaten gemeld die zich daar graag bij willen aansluiten. Daarnaast staat ook het verminderen van de regeldruk hoog op mijn lijst in de EU. Het is positief dat de Commissie daaraan werkt via de zogenaamde Omnibusvoorstellen. Dan had de heer Flach een aantal vragen over op welke basisindustrieën en sleuteltechnologieën het kabinet inzet en hoe de aanbestedingsbudgetten hierop worden gericht. Dank voor de vraag. In lijn met het Draghi-rapport vragen de geopolitieke ontwikkelingen, ons toekomstig verdienvermogen en open strategische autonomie om een extra inzet op industrie- en technologiebeleid. Denk bijvoorbeeld aan de automotivesector, AI, halfgeleiders of de energie-intensieve industrie. Ik zet me dan ook in voor het bevorderen van de juiste randvoorwaarden, zoals de eerdergenoemde regeldrukvermindering, het versterken van de interne markt of het verbeteren van toegang tot financiering voor bedrijven. Er zijn ook verschillende instrumenten om innovatiegericht inkopen te stimuleren, waaronder de Innovation Impact Challenge. Dat is de oude SBIR. In het kader van het 3%-R&D-actieplan wordt nagedacht over hoe we onze aanpak op het gebied van innovatiegericht inkopen verder kunnen versterken. Het 3%-R&D-actieplan sturen we uiterlijk in Q3 van 2025 naar de Tweede Kamer. Daarin zullen we verder ingaan op het innovatiegericht inkopen en de mogelijke bijdrage ervan aan het ophogen van de R&D-investeringen.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Goede vraag. Fijn dat ik dat even mag verduidelijken. Uiteraard is daarover afstemming. Het is niet voor niets dat we samen in hetzelfde gebouw zitten en dat onze werkterreinen zo dicht bij elkaar liggen, dus het kan niet anders dan dat dat op elkaar aansluit. Daar werken we dus heel hard aan. We hebben ook gezegd dat basisindustrie een belangrijke plek in Nederland heeft en behoudt, om meerdere redenen. Tegelijkertijd moeten we kijken hoe we die industrie gaan verduurzamen. Daar is minister Hermans elke dag druk mee bezig. In de kabinetsvisie komen al deze zaken samen, want het gaat inderdaad niet alleen om het economische aspect, maar ook om de klimaatimpact.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dan herhaal ik toch dat ik mevrouw Teunissen het comfort kan geven dat die integrale kijk er wel degelijk is. Ik heb al eerder aangegeven dat ik ook kijk naar de randvoorwaarden. We kijken ook naar technologieën die bijvoorbeeld onder de Nationale Technologiestrategie vallen, waaronder AI, kwantum en dergelijke. Dat is wat ik zojuist gezegd heb. Dat draagt bij aan de 3% R&D-doelstelling. Ik heb niet gezegd dat we met een economische visie ons helemaal losweken van de klimaatambities die we als kabinet ook hebben. Ik denk dus dat ik dat comfort kan geven aan mevrouw Teunissen.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Op het gevaar af dat ik een interpretatie van een interpretatie ga beoordelen, denk ik dat ik voor de heer Jetten wel het comfort kan geven dat waar het niet gaat over soevereiniteit en het loslaten van zeggenschap maar over het elkaar vinden om de interne markt optimaal te benutten, we zowel in de coalitie als in het kabinet elkaar prima vinden. De heer Jetten weet ook dat de interne markt Nederland zo'n 30 miljard per jaar oplevert. Het is dus geen vraag of Europese samenwerking nodig is. Dat staat buiten kijf. Wat ik net uit het debat gedestilleerd heb, gaat wat meer over soevereiniteit en het opgeven van zeggenschap. Volgens mij gaan die dingen op economisch vlak hand in hand. Ik zie daar geen gevaar.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Ik kom daar inderdaad op terug. Ik heb, afhankelijk van de interrupties, nog ergens tussen een halfuur en een uur aan vragen. Daarin ga ik uiteraard stilstaan bij de vraag van de heer Flach. En ja, die sector heeft een belangrijke positie in Nederland en dus ook in de Europese context. Het is heel belangrijk dat we daarop blijven acteren. Ik denk dus dat we elkaar daar prima in vinden, zoals ook in de eerdere debatten.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dan vervolg ik mijn beantwoording met de vraag van mevrouw Postma. Zij vroeg wat wij, de twee ministers, gaan doen om juist de fase van productontwikkeling te stimuleren en hoe we daarmee een aantrekkelijke vestigingslocatie worden. Productontwikkeling is natuurlijk een integraal onderdeel van het innovatie-instrumentarium. Het overgrote deel van de projecten die binnen de Wbso vallen, ziet bijvoorbeeld op de ontwikkeling van technisch nieuwe producten en programmatuur. Productontwikkeling ziet op de developmentkant van R&D en is daarmee ook iets wat we beogen te stimuleren met het 3%-actieplan, dat later dit jaar gedeeld gaat worden met uw Kamer. Nederland heeft veel te bieden als vestigingsland. Dat is overigens ook wat je in de Verenigde Staten terughoort. Er zijn een goed opgeleide beroepsbevolking, een hoge quality of life, een hoogwaardige fysieke en digitale infrastructuur en een sterke internationale verbondenheid en georiënteerdheid. Maar bedrijven hebben natuurlijk ook te kampen met de hoge energieprijzen of regeldruk; daar moeten we niet van wegkijken. Daarom werken we ook aan het Pact Ondernemingsklimaat, hebben we het Actieprogramma Minder Druk Met Regels gelanceerd en hebben we de IKC-ETS-regeling met drie jaar verlengd. Naast dit alles betrekken we ook de NFIA, de Netherlands Foreign Investment Agency, die een sleutelrol speelt in het aantrekken en behouden van de buitenlandse investeringen. Dan ben ik aangekomen bij de vraag van mevrouw Van Meetelen over het voorkomen van oneerlijke staatssteun, even samengevat. De staatssteunregels zien op uitgaven van de EU-lidstaten zelf. Nederland betaalt dus niet voor andere landen. Die staatssteun is in beginsel verboden, maar bepaalde staatssteun is geoorloofd. Strikte staatssteunkaders, met waarborgen voor een eerlijk en gelijk speelveld, zorgen ervoor dat de concurrentie tussen ondernemingen op de interne markt eerlijk kan verlopen. Bij de herziening van de staatssteunregels beoordeel ik dan ook iedere keer kritisch de voorgestelde aanpassingen. Voor uitbreiding van de eventuele mogelijkheden voor die steunverlening is in elk geval een goede probleemanalyse cruciaal. Dat neemt niet weg dat er in het licht van de transitie naar een groene en digitale economie in het geval van marktfalen of bij aantoonbare noodzaak voor bijvoorbeeld open strategische autonomie ook gerichte staatssteun nodig kan zijn. Dan vroeg de heer …
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Volgens mij was dat niet de vraag die gesteld is. In die zin is die nog niet aan de orde. De Commissie, zeg ik als allereerst tegen mevrouw Van Meetelen, ziet toe op de naleving van de staatssteunregels. Wij als kabinet zijn in beginsel terughoudend. Er kunnen echter redenen zijn, verderop in de tijd, die het nodig maken om daar opnieuw naar te kijken. Dat zullen we dan altijd doen met een open en kritische blik. Dan ga ik verder met de vraag van de heer Thijssen, over de reflectie op de ontbrekende honger van het kabinet om te voorkomen dat de Nederlandse economie een doodsstrijd strijdt. Ik herken mij niet in het beeld dat het kabinet geen ambitie zou hebben om ons land een sterke positie te laten innemen in de nieuwe wereldeconomie. Het hoofdlijnenakkoord is daarin heel duidelijk: een gezonde economie en florerende bedrijven zijn noodzakelijk voor de welvaart van Nederland. Het kabinet neemt een aantal concrete maatregelen, zoals extra geld voor Invest-NL, een stabiel fiscaal klimaat en het verminderen van regeldruk. In een nieuwe fiscale regeling in de Voorjaarsnota van 2025 die eerder in het debat naar voren is gekomen, hebben we de medewerkersparticipatie opgenomen. Dat is ook een belangrijke stap voor de start-upwereld. De analyse van Draghi wijst terecht op een belangrijk punt: de arbeidsproductiviteit blijft achter bij die van de Verenigde Staten. Op de lange termijn kan dat onze mogelijkheid ondermijnen om belangrijke publieke voorzieningen, zoals een goede infrastructuur en een solide sociaalzekerheidsstelsel, in stand te houden. Juist voor dit probleem heb ik aandacht. Daarom ontvangt uw Kamer vóór de zomer een productiviteitsagenda.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Die vraag is natuurlijk nooit met zekerheid te beantwoorden. Wat wel helpt, is bijvoorbeeld een recent onderzoek van de ING, waarbij 53% van de bedrijven, mkb en daarboven, het ondernemersklimaat als "goed" tot "zeer goed" bestempelt. Dat is de hoogste score in zes jaar. Vorig jaar was dat percentage 37%. Dat is niet het enige antwoord; het is een signaal dat het vertrouwen in het beleid van het kabinet op het gebied van het ondernemersklimaat anders gewaardeerd wordt dan een jaar geleden. De opsomming die de heer Thijssen herhaalt, is natuurlijk niet uitputtend. Er wordt nog veel meer gedaan. Dat geldt ook voor de bedragen. In de verhouding één staat tot twee doet Nederland bijna 10 miljard aan publieke investeringen in R&D. Dat is de grote optelsom van regionale en nationale investeringen. Uiteindelijk is het streven van het kabinet om naar die 3% toe te groeien. Een goede aanvulling hierbij is dat met name het private deel achterblijft. Van die 1% publiek zitten we op 0,87%, en van die 2% privaat zitten we op 1,44%. Dat is ook een link naar de geluiden uit de Verenigde Staten, die de leden daar gehoord hebben, over de willingness om wat meer kapitaal, en ook durfkapitaal, ter beschikking te stellen. Daarin zit natuurlijk ook een enorme potentie om te groeien.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dank voor de vraag. Mijn collega, de minister van Financiën, zal daar straks ook op terugkomen, dus ik wil niet het gras voor zijn voeten wegmaaien. Natuurlijk is elke investeringsbank altijd goed, of het nou de Europese Investeringsbank is met een ander mandaat of een nieuw op te richten investeringsbank. Maar laten we beginnen met wat we hebben en dat is Invest-NL. Er zijn gesprekken nodig tussen Invest-NL en Invest International om te kijken hoe die fusie eventueel plaats kan vinden. In het vragenuurtje heb ik gezegd dat ook het oprichten van een nieuwe investeringsbank stap voor stap moet. Ik onderschrijf de gedachte van harte, ook van de 50 initiatiefnemers, want je kunt er niet tegen zijn. Maar het kost twee, drie jaar en we hebben een vehicle Invest-NL en een vehicle Invest International. Daar zijn mogelijkheden en daarvan hebben we gezegd dat we die eerst verder uitwerken. We gaan niet voor de muziek uitlopen.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Ik heb niet gezegd dat het beter gaat. Ik heb gewoon de cijfers aangehaald die beschikbaar zijn, waarmee ik heb willen aangeven dat er ook privaat werk te verrichten is om bij die Lissabonnorm te komen. De inschatting van 2029 ceteris paribus bij gelijkblijvende omstandigheden is wat anders, want ook binnen het kabinet hebben we die gesprekken en elk jaar hebben we weer een nieuwe miljoenennota waar we opnieuw invulling geven aan de ambities van het kabinet, waar ik nu ook niet op vooruit ga lopen. Ik heb dus niet gezegd dat we op weg zijn om de Lissabonnorm te halen of dat het beter gaat. Ik heb juist het verschil willen aangeven tussen publiek en privaat, dat publiek redelijk in lijn ligt met de norm en dat privaat redelijk achterligt. Maar daar zal de minister van Financiën dadelijk ook verder op antwoorden.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dat is een constatering die het waard is om een apart debat over te voeren, omdat die wel raakt aan de kern van het verdienvermogen. Vandaar ook dat wij als kabinet de keuze hebben gemaakt om dit jaar 900 miljoen extra te injecteren in Invest-NL, de Wbso-regeling, maar dat we ook naar de randvoorwaarden kijken. Zo kijken we naar het goede ondernemingsklimaat en hebben we bij de Voorjaarsnota het bonnetje voor de overige wensen niet bij het bedrijfsleven neergelegd. Inzake dat ondernemingsklimaat hebben we juist een kentering bewerkstelligd. Vorig jaar werd het ondernemingsklimaat vanuit kabinetsbeleid voor 37% bestempeld als goed tot zeer goed, versus 53% dit jaar. We hebben daarin dus een kentering bewerkstelligd. Al die ingrediënten bouwen aan de verdiencapaciteit en het verdienvermogen van de Nederlandse economie.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Ik heb geen vraag gehoord, maar ik vind het toch belangrijk om daarop te reflecteren. Ik zie dat namelijk fundamenteel anders. Ik denk dat de heer Dassen in zijn betoog de kern aangeeft van de verantwoordelijkheid die we als kabinet dragen. Dat is inderdaad ook om al die andere zorgen een plek te geven in de rijksbegroting, ook het onderwijs, de infrastructuur, het sociale welzijn et cetera. Inderdaad, in de ideale wereld hebben we nog miljarden extra te besteden. Dat is tijden bij andere kabinetten ook zo geweest. Wij zitten nu in de financiële context waarin we moeilijke keuzes hebben moeten maken. Dat is nu eenmaal de makke van de kabinetsverantwoordelijkheid. Als ik alle wensen uit alle debatten bij elkaar optel — dit bedoel ik oprecht met alle respect — dan heb ik twee keer de rijksbegroting nodig. Ergens is het dan weer aan ons om de afweging te maken tussen koopkracht, sociale zekerheid, infrastructuur en onderwijs, om daarin het juiste te doen. In die context is dat de koers die we hebben uitgestippeld. Het is niet zo dat er weinig gebeurt. Daar neem ik echt afstand van. Er gebeurt heel veel, zoals die stap die we zetten op het gebied van medewerkersparticipatie. Dat hebben we in een recordtijd van tien maanden met de staatssecretaris van Financiën en met hulp van de minister voor elkaar gekregen. Dat betekent dat er daadwerkelijk stappen gezet worden. We zijn aan het kijken hoe je met de Europese Investeringsbank actie kan ondernemen. Juist die samenwerking op Europees gebied, waar we het vandaag over hebben, is daarbij belangrijk. Wat we in Nederland doen is voor onze positie binnen de EU en de rest van de wereld van belang, maar wat we in Europees verband doen, wat op voordragen van de heer Draghi is genoemd, naar de rest van de wereld, versterkt ook onze eigen concurrentiepositie. Dus het is niet alleen de scope op Nederland; het is ook wat wij doen in Europa en wat Europa doet richting de rest van de wereld.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Met alle begrip voor de zorgen van de heer Jetten, deel ik dat beeld niet, in die alarmistische toon. Er wordt wel degelijk heel veel gedaan. En ik zeg niet dat we er zijn; daar zijn we het over eens. Er moet echt heel veel gebeuren. Dat doen we binnen de financiële context van de begroting die we hebben dit jaar. We starten de gesprekken over wat we in de komende jaren voorzien. Maar het is niet zo dat alleen een investering van x miljard voor een investeringsbank — om maar iets te noemen — het probleem oplost. Het is juist in die complexiteit, waarin alles samenhangt, en dat is ook onderwijs en onderzoek, en ook valorisatie van "hoe maken we dat het beste van wetenschap naar het bedrijfsleven komt?", dat we de grote stappen kunnen gaan maken, ook in Europees verband. Dus ik zie het niet als een tegenstelling. Ik zie het als een beleid dat we hebben, hand in hand met de collega-vakministers, om te zorgen dat we de juiste stappen doen. Daar horen ook investeringen bij, en daar hoort ook bij een integrale afweging van wat wel en niet kan.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dank u wel. Dan ben ik aangekomen bij de vraag van de heer Thijssen, die mij vroeg om een reflectie op ... O, die hebben we gehad, excuus. Mevrouw Teunissen vroeg mij over de industrievisie en het bijbehorende actieplan met de stoplichtkaart. Nou, de uitwerking van het integrale visiestuk vindt al plaats en zal ook door het kabinet per Kamerbrief in het derde kwartaal van dit jaar met uw Kamer gedeeld worden. Dat gebeurt in nauwe samenwerking met de minister van KGG. De heer Flach vroeg mij over de Europese maritieme strategie. Daar refereerde hij in de interruptie aan. Naar aanleiding van de sectoragenda, onze eigen sectoragenda "No guts, no Hollands Glorie!", heeft het kabinet de Commissie opgeroepen een Europese maritieme-industriestrategie te ontwikkelen. De Commissie heeft dit opgepakt en is bezig. Deze is voorzien voor begin 2026. De afgelopen periode heeft Nederland samen met onder andere Duitsland gewerkt aan de beïnvloeding van de aangekondigde strategie. We zetten daarbij in op de strategie die de concurrentiekracht van de Europese scheepsbouw versterkt en een gelijk speelveld waarborgt. Door die Europese scheepsbouw te behouden, willen we ook bijdragen aan de strategische autonomie, de militaire veiligheid en de bescherming van de kritische infrastructuur. Naast bagger en offshore energy is Nederland ook expert in de bouw van marineschepen. Daar is ook een heel ecosysteem van toeleveranciers bij betrokken die ook grotendeels Nederlands zijn. Dus op die manier profiteert ook de Nederlandse economie van die Europese defensiestrategie. Dan vroeg de heer Flach mij ook over de zorgen op de terreinen waarin onze bedrijven experts zijn: worden die ook onderdeel van de EU-defensietrajecten? Een begrijpelijke vraag. Nederland heeft een hoogtechnologische en innovatieve defensie-industrie. Op een aantal terreinen, zoals ook radartechnologie, hebben we in Nederland echt unieke kennis en kunde. Hetzelfde geldt voor de marinebouw. In de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie zijn vijf focusgebieden aangewezen waarop Nederland al een sterke positie heeft en deze verder kan uitbouwen. Dus op die gebieden moet Nederland een leidende rol gaan spelen in Europa. En via onze eigen kracht kunnen we dan ook een wezenlijke bijdrage leveren aan de EU-defensietrajecten of zelfs een leidende rol nemen, zoals we nu al doen, in de Europese R&D op het gebied van maritieme-defensieprojecten. Dan ben ik aangekomen bij het volgende blokje, voorzitter: kennis en innovatie. De heren Dassen, Grinwis en Thijssen vroegen mij over het investeren in onderzoek en wetenschap. En ik vermoed zomaar dat een aantal vragen al behandeld zijn in de interrupties. De noodzaak van investeren in onderzoek en wetenschap, de innovatiekloof; hoe gaan we die dichten als we bezuinigen? Zoals aangegeven, onderwijs, onderzoek en innovatie blijven cruciaal voor onze productiviteit, en ook voor ons vermogen om te concurreren met landen als de Verenigde Staten en China, en om onze welvaart op peil te houden. Ten aanzien van onderzoek en innovatie werken we, zoals hiervoor al benoemd, aan een actieplan, om die R&D-uitgaven te stimuleren. Dat plan deel ik in het derde kwartaal van dit jaar. Ondertussen benutten we ook de middelen die er wel zijn. Zo is eind april de tender van de Thematische Technology Transfer-regeling gesloten. Voorstellen worden onder meer beoordeeld op hun aansluiting op de Nationale Technologiestrategie. Daarnaast zetten we ook in op slimme manieren om EU-middelen te benutten, private investeringen aan te jagen en publiek-private samenwerkingen verder te versterken. Mevrouw Van Meetelen vroeg me over het geo-returnprincipe in lijn met de uitspraken van ESA. Ja, het kabinet blijft het geo-returnprincipe steunen. Het principe zorgt ervoor dat Nederland ook meeprofiteert van de ESA-programma's, inclusief de infrastructuur en de expertise die daarmee gepaard gaan. Het waarborgt bovendien industriële participatie en ondersteunt een evenwichtige verdeling van de middelen over de lidstaten. Als gastland van ESTEC heeft Nederland er veel baat en belang bij dat ESA een sterke en gedragen organisatie blijft. Afschaffen van de geo-return zou dat draagvlak ondermijnen. Wel erkent het kabinet de noodzaak van hervorming van het geo-returnprincipe ter bevordering van efficiëntie, innovatie en ook het Europese concurrentievermogen. De heer Dassen vroeg mij naar de coördinerende rol die ik zie voor de overheid om ook pensioengeld op deze manier te mobiliseren. Hij gaf aan dat dat in het Verenigd Koninkrijk al gebeurt. Op dit moment voer ik samen met Invest-NL gesprekken met pensioenfondsen hierover. Verder onderhoudt mijn ministerie ook nauw contact hierover met onder andere Techleap, de regionale ontwikkelingsmaatschappijen en private partijen, zoals ook de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen. Invest-NL heeft al aangekondigd de mogelijkheden te onderzoeken voor het opzetten van een fonds in fonds, waar dus ook institutionele beleggers in zouden kunnen investeren. Dit is een initiatief van Invest-NL dat voortvloeit uit de gesprekken van de instelling met de pensioenfondsen. Dan vroeg mevrouw Martens-America mij hoe we aan de slag gaan met de start-up- en scale-upagenda en hoe die aansluit op de EU Startup Strategy. Dank voor de vraag. Het kabinet werkt aan de versterking van het ondernemingsklimaat voor de start-ups en scale-ups. Daarbij zet het kabinet ook extra in op het stimuleren van die kennisintensieve, zogenaamde deeptechbedrijven. Met de regeling voor medewerkersparticipatie zetten we een hele belangrijke stap. Daarnaast is onder andere Invest-NL versterkt met aanvullende middelen en wordt ook gewerkt aan het mobiliseren van institutioneel kapitaal voor start-ups en scale-ups en een blendedfinancefaciliteit. Ik was voornemens uw Kamer in Q3 te informeren over de beleidsinzet om het ondernemingsklimaat voor start-ups en scale-ups te versterken. Bij het opstellen van die inzet zal ik onder andere twee manifesten meenemen die ik onlangs voor de techsector heb gepubliceerd. Ik ga de beleidsinzet volgens de wens van mevrouw Martens-America vormgeven als start-up- en scale-upagenda. Daarbij zal ik ook bezien hoe kan worden aangesloten bij de EU Startup en Scaleup Strategy. Ik ga eraan werken om deze in Q3 en anders voor het einde van het jaar nog te sturen.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dat doen we ook. Dat doen we al. Dan blijf ik absoluut doen. Dat spreekt bijna voor zich. Dan blijf ik bij mevrouw Martens-America, over technologische ontwikkelingen. Denk aan de AI-faciliteit, het doortrekken van zeekabels en de datacenters. Zoals bekend is het doel van het kabinet om in 2030 de 3%-norm te halen. Het kabinet heeft met de Nationale Technologiestrategie de keuze gemaakt om op deze technologische ontwikkelingen in te zetten. Dit gebeurt onder meer door de ontwikkeling van actieagenda's op de tien prioriteiten van de Nationale Technologiestrategie, door en voor het veld. In deze agenda's worden concrete acties gepresenteerd om de prioritaire technologieën succesvol door te ontwikkelen, zoals het opzetten van nieuwe publiek-private samenwerkingen en ook opschalingsfaciliteiten. Eerder is met uw Kamer gewisseld dat dit voor de zomer niet gaat lukken, maar ik doe mijn uiterste best om dit in het begin van het derde kwartaal dit jaar te doen. Dan zal ik de Kamer informeren over de voortgang en de realisatie van de Nationale Technologiestrategie, met als uiterste datum september. Dan vroeg mevrouw Postma naar de Groningenfinanciering voor de AI-faciliteit. Dat is een heel actueel onderwerp; dank daarvoor. Zoals het lid Postma weet, is het kabinet samen met het consortium van SURF, TNO, AIC4NL en Samenwerking Noord voornemens om uiterlijk 30 juni een voorstel in te dienen voor Europese cofinanciering, op voorwaarde dat de nationale financiering geregeld is. Vrijdag 18 april heb ik een brief aan u gestuurd met de laatste stand van zaken over de AI-faciliteit in Nederland. Daarin heb ik ook toegelicht dat er op dit moment geen budget is op de departementale begrotingen voor een AI-faciliteit. Op dit moment wordt daarom ook onderzocht of er ruimte beschikbaar kan worden gemaakt binnen de begroting van verschillende departementen, waaronder Economische Zaken. Zoals mevrouw Postma weet, ben ik een warm pleitbezorger voor nut en noodzaak van een eigen AI-faciliteit, dus ik zet me daar enorm voor in. Groningen is in beeld als vestigingslocatie voor de AI-faciliteit. Vanuit de economische agenda van Nij begun zijn Groningen en Noord-Drenthe bereid om maximaal 60 miljoen bij te dragen aan de financiering. Ter afsluiting kan ik misschien aan het lid Postma meegeven dat de vooruitzichten gunstig zijn. Dan de vraag van de heer Vermeer en mevrouw Martens-America over het Omnibusvoorstel: hoe kunnen we dat inzetten voor digitaal? De zorgen van de heer Vermeer en mevrouw Martens over de regeldruk door Europese regels deel ik natuurlijk. Ik zet in Europees verband actief in op vermindering van die regeldruk. Het kabinet verwelkomt het beleid en het voornemen van de Commissie om een ambitieuze Omnibus voor de digitale sector op te stellen, maar op het daadwerkelijke voorstel kan ik niet vooruitlopen. U noemt daarbij specifiek de AI Act en de AVG. Het kabinet zal niet uitsluitend naar deze voorbeelden kijken, maar ook breder, om de impact voor die ondernemingen te realiseren. Het is dan ook prematuur om hier nu op vooruit te lopen, ook aangezien de AI Act eigenlijk pas net van kracht is en de uitvoering nog moet plaatsvinden. Daarom blijven we scherp op de uitwerking in de praktijk, om te voorkomen dat het leidt tot onnodige regeldruk. We zullen uiteraard de zorgen die er bij de Kamer leven, meenemen in de evaluatie, zodra deze opengesteld is.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dat klopt. Dat klopt helemaal, maar om te constateren dat er versimpeling mogelijk en noodzakelijk is, is het wel van belang om daar een eerste weging van te hebben, om je te realiseren of dat zo is, of wij het enige land zijn of dat we daarvoor een coalitie moeten bouwen. Die evaluatie staat voor uiterlijk 2028 in de boeken, maar anderhalf jaar daarvoor wordt al het net opgehaald over de eerste inzichten. Dat betekent dus niet dat er pas over drie of vier jaar iets aangepast zou kunnen worden. Ik hecht er wel aan om de zorgvuldige route te nemen en niet nu al, voordat de AI Act goed en wel in werking is getreden, met hagel te gaan schieten op het voorstel. Ik vind het belangrijk om ook vanuit het veld op te halen waar men tegen aanloopt en waar versimpelingen nodig zijn. Dan ben ik, zoals de heer Vermeer weet, de eerste om daar gelijk op te handelen.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Ik hoor de zorg van de heer Vermeer en die wil ik overnemen, temeer omdat we hierover al met de private partijen in gesprek zijn om te kijken wat de belemmeringen en kansen zijn. Het ophalen van het net is dus niet iets wat we uitstellen tot over drie jaar. Als er aanleiding toe is — nogmaals, daarvoor is het belangrijk om niet vanuit Den Haag te kijken, maar ook de bedrijven zelf antwoord te laten geven op de vraag wat de belemmeringen zijn — zal ik het wegen. Dan zal ik de eerste zijn om daar eventueel voortijdig mee aan de slag te gaan, maar ik hecht er wel aan om het in die volgorde te doen.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Vanuit mijn verantwoordelijkheid om dergelijke signalen breed mee te nemen in een consultatie, of op een andere wijze, wil ik dat wel echt zorgvuldig doen. Daarmee creëer ik geen afstand tussen de zorg die de heer Vermeer uit en de ambitie die ik heb.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Voor de volledigheid: ook daar verschillen de meningen wel over. Ik neig zomaar naar de interpretatie van het lid Martens-America, ook vanwege de complexiteit. De AVG is daar ook bij genoemd. De staatssecretaris Rechtsbescherming gaat daar ook over. Dit is niet iets wat ik nu populair in het debat kan toezeggen. Daarom doe ik een beroep op die zorgvuldigheid: om het net goed op te halen. Ik wil wel het comfort meegeven dat ik absoluut niet doof ben en ik ook voldoende contact heb met het bedrijfsleven om de zorgen een goede plek te geven.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dan de vraag van de heer Van Houwelingen. Ben ik het met ze eens dat nog meer investeringen voor meer innovatie gaan zorgen of is de EU juist het probleem? Een coherente basis voor onderzoek, technologie en innovatie op Europees niveau is gewoon nodig als fundament voor Europees concurrentievermogen. Investeringen op EU-niveau, bijvoorbeeld via Horizon Europe, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, helpen innovaties te ontwikkelen en op te schalen. Nederland haalt ook gewoon 9% retour uit het huidige kaderprogramma voor onderzoek en innovatie. Zo dragen we dus ook bij aan die investeringen voor de 3%-norm voor Nederland.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Ik heb het in mijn redeneerlijn ook niet over een fonds gehad. Ik heb het gehad over de algemene samenwerking en de kracht van de interne markt. De interne markt levert het Nederlandse bedrijfsleven al 30 miljard per jaar op. Ik kan hier dus onmogelijk het slechte van de Europese Unie en de interne markt bij elkaar brengen.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Ik ben dan even zoekende naar of dat betrekking heeft op de 800 miljard waar Draghi aan heeft gerefereerd? Zonder de context kan ik niet volledig antwoord geven op de vraag.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dan ben ik toegekomen aan het volgende blokje: strategische afhankelijkheden en de bevoegdheden van de EU. Ik begin met een vraag van de heer Grinwis. Hij vroeg mij naar het belang van het afbouwen van de strategische afhankelijkheden en de betaalpartijen, zoals bijvoorbeeld Google Pay. Het verminderen en voorkomen van risicovolle strategische afhankelijkheden vind ik uiteraard van cruciaal belang, zowel voor het versterken van de nationale veiligheid als voor ons innovatievermogen. Dat hebben we ook benadrukt in het regeerprogramma. Het kabinet werkt dan ook aan het identificeren en mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden. Het hangt van de sector en de mate van afhankelijkheid af om te bepalen welke maatregelen de juiste zijn en of die op nationaal of juist op Europees niveau moeten worden genomen. Voor die specifieke vraag over Google Pay verwijs ik naar mijn collega van Financiën. Natuurlijk moedig ik graag aan dat zo veel mogelijk ook Europees wordt ingekocht. Dat was ook een vraag. Tegelijkertijd moeten we ook niet uit het oog verliezen dat de EU in beginsel baat heeft bij een open aanbestedingsmarkt. Ook de Europese Commissie kijkt dus naar manieren om meer Europees in te kopen. Zo onderzoeken ze ook de mogelijkheid van een Europees voorkeursprincipe. Ook ik onderzoek momenteel of een Europees voorkeursprincipe mogelijk interessant is voor specifieke strategische sectoren. Ik verwacht na de zomer met een standpunt hierover te komen. De heer Vermeer stelde mij een vraag over het pleiten van de heer Draghi voor een centrale aansturing op het gebied van de industriële strategie. De Europese Unie kan alleen optreden op gebieden waar de EU bevoegd is; dat is het zogenaamde attributiebeginsel. Een grotere rol voor de Commissie op bepaalde terreinen moet dus passen binnen de kaders van de EU-verdragen. Deze kan niet leiden tot bevoegdheidsoverdracht, dus die zorg kan ik daarmee wegnemen, denk ik. Bijvoorbeeld op het terrein van energie is er een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de nationale overheden. Daarnaast treedt de EU alleen op als dit een meerwaarde heeft boven nationaal optreden. Het kabinet toetst elk voorstel scherp op deze uitgangspunten. Uw Kamer wordt hierover dus steeds geïnformeerd via de BNC-fiches. Daarna gaat het kabinet in debat met u over de fiches. De Kamer heeft altijd de mogelijkheid om hier zelf nog een mening over te vormen. Mevrouw Van Meetelen vroeg mij of ik het risico erken dat we zeggenschap of soevereiniteit overdragen aan de Europese Commissie. Ik begrijp de zorg die hier wordt geuit goed, zeker als het gaat om het behoud van soevereiniteit. Het kabinet blijft EU-voorstellen altijd kritisch toetsen op bevoegdheid en subsidiariteit. Dat wil zeggen dat de EU alleen optreedt als ze bevoegd is en als dat optreden een duidelijke meerwaarde heeft ten opzichte van nationaal optreden. Draghi doet vooral voorstellen om de EU effectiever te maken. Deze voorstellen passen binnen de kaders van de huidige EU-verdragen. Een voorbeeld daarvan is het gebruikmaken van kopgroepen. Ik zet mij ook actief in voor een dergelijke vorm van Europese samenwerking, bijvoorbeeld met de Semicon Coalition. Het kabinet denkt altijd graag mee over hoe de EU effectiever kan worden, terwijl de nationale belangen altijd worden geborgd. Dat blijft het kabinet uitdragen. De heer Van Houwelingen stelde mij een vraag over het voorstel van de heer Draghi om het vetorecht te beperken. Voor de meeste beleidsterreinen waarvoor het Draghi-rapport relevant is, geldt al besluitvorming via de gekwalificeerde meerderheidsstem, bijvoorbeeld voor de interne markt, het handelsbeleid, het vervoersbeleid en grote delen van het klimaat- en energiebeleid. Voor de uitbreiding van die gekwalificeerde meerderheidsstem is unanimiteit vereist. Op dit moment bestaat hier onvoldoende draagvlak voor onder de lidstaten.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Wij pleiten niet voor de afschaffing van het vetorecht, ook conform de motie-Eerdmans.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dank. De heer Vermeer stelde mij een vraag over het ontbreken in het rapport van een prioriteitsstelling voor landbouw en voedselproductie. Ik begrijp de vraag. De Europese Commissie heeft recent meerdere opdrachten gegeven en initiatieven genomen om bepaalde onderwerpen verder uit te diepen. De onderwerpen landbouw en voedselproductie kwamen specifiek aan bod in het rapport over de strategische dialoog over de toekomst van de landbouw, dat op 4 september 2024 is gepubliceerd. Dit rapport heeft vervolgens als basis gediend voor de visie voor landbouw en voedsel, die in februari 2025 door de Europese Commissie is gepresenteerd. In die visie benadrukt de Commissie onder meer dat de mondiale voedselzekerheid en de Europese voedselsoevereiniteit een wezenlijk deel zullen blijven uitmaken van de algemene agenda van de EU voor veiligheid, concurrentievermogen en duurzaamheid. De Commissie doet hiervoor concrete voorstellen en het kabinet vindt daarom ook dat de Commissie voor deze onderwerpen voldoende aandacht heeft. De heer El Abassi vroeg hoe wij ons ervoor gaan inzetten dat de EU minder afhankelijk wordt van China, maar er ook minder sprake is van de oude afhankelijkheden die leiden tot uitbuiting. Het kabinet zet zich ervoor in om risicovolle strategische afhankelijkheden te voorkomen en te verminderen. Nederland hanteert hierbij de risicogebaseerde landenneutrale aanpak. Uw Kamer is hierover op 31 oktober 2024 geïnformeerd. Het kabinet en de EU hechten groot belang aan het zo goed mogelijk borgen van de principes van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen als het gaat om derde landen en zaken als mensenrechten. Het zorgen voor eerlijke handel, waarbij geen plaats is voor uitbuiting, blijft essentieel en van belang voor deze handelsrelaties. Dan ben ik aangekomen bij het blokje regeldruk, te beginnen met de beantwoording van de vraag van de heer Flach over de reactie van het kabinet op de uitkomst van de ATR-verkenning naar de regeldruk van EU-regelgeving. Op 9 december 2024 heb ik namens het kabinet het Actieprogramma Minder Druk Met Regels gepresenteerd. Daarin worden ook de diverse acties genoemd die gericht zijn op EU-regelgeving. Het kabinet gaat dus zeker de strijd aan. De aanbevelingen van het ATR beschouw ik dan ook als steun voor de kabinetsinzet, want ze sporen met de inhoud van het actieprogramma. Ik kom voor de zomer bij u terug over deze aanbevelingen. Als het gaat om het overzicht van de regeldruk, is het heel belangrijk dat de Europese Commissie heeft aangekondigd alle bestaande EU-regelgeving systematisch tegen het licht te houden. Op die manier komt er dus ook een overzicht van waar het knelt en waar regelgeving zou moeten wijzigen. De heer Eerdmans vroeg mij hoe ik kijk naar de rol van Nederland in deze regeldrift en of het kabinet ruimte in Brussel ziet voor deregulering op andere terreinen. Dank voor de vraag. Op diezelfde 9 december 2024 heb ik dus ook dat actieprogramma, Minder Druk Met Regels, gepresenteerd. Dat richt zich ook nadrukkelijk op de EU-regelgeving waar ik eerder aan refereerde. Een onderdeel van die inzet is het afnemen van die systematische impactassessments waar ik net aan refereerde. De Commissie gaat systematisch alle regelgeving doorlichten om te bekijken waar het knelt. Positief is dan ook dat in maart van dit jaar al tal van maatregelen door de Commissie zijn aangekondigd bij de totstandkoming van nieuwe voorstellen voor regelgeving, en de Commissie heeft aangekondigd meer stil te willen staan bij regeldruk. Ook heeft de Commissie veel voorstellen aangekondigd om op tal van terreinen bestaande regelgeving aan te passen, en ook dat is positief. Het belangrijkste dat Nederland zelf kan doen, is de regeldruk in de standpuntbepalingen en de onderhandelingen over regelgeving meer aandacht geven en zwaarder mee laten wegen. Dat zullen we ook doen. Voorzitter. Dan ben ik bij het blokje grondstoffen en energie aangekomen. Mevrouw Postma vroeg mij hoe ik ga voorkomen dat netcongestie en stikstofproblemen strategische bedrijven wegjagen. Allereerst wil ik graag benadrukken dat mijn collega-ministers van KGG en LVVN zich er dagelijks uiteraard volop voor inzetten om deze twee problemen aan te pakken. Als minister van EZ maak ik mij uiteraard sterk voor meer aandacht voor de impact van deze knelpunten op bedrijven. Ik heb daar ook veel gesprekken over. Ik praat met deze ondernemers en met de CEO's. Ook op de OndernemersTop in december kwam dit onderwerp veelvuldig voorbij. De CEO's benadrukken keer op keer hoe groot het probleem van de netcongestie is en daarom neem ik die zorgen mee in het Pact Ondernemersklimaat, dat nog voor de zomer met uw Kamer wordt gedeeld. Daarnaast laat het kabinet ook een onderzoek uitvoeren naar de economische effecten van de stikstofproblematiek. Dat onderzoek gaat voor deze zomer naar de Kamer. Daarbij kunt u erop rekenen dat ik erop inzet dat dit onderzoek goed wordt meegewogen bij onze besluiten om de stikstofproblematiek op te lossen. Dan kom ik bij de heer Van Houwelingen. Hij vroeg mij naar de industrie in de EU en of we de welvaart in de EU kunnen behouden in relatie tot de hoge energieprijzen. Dit is ook met het oog op het klimaatakkoord van Parijs en het gegeven dat de Verenigde Staten daar uitgestapt zijn. Ik deel de geuite zorgen over de hoge energieprijzen. Het kabinet hecht aan een gunstig vestigingsklimaat voor bedrijven. Daar zetten we ons elke dag weer voor in. Bedrijven nemen verschillende factoren mee bij hun vestigingskeuze, zoals de internationale markt, de beroepsbevolking en ook de logistiek. Door opschaling van de eigen duurzame energie en diversificatie van de import verkleinen we de impact van onvoorspelbare internationale marktprijzen en eventuele prijspieken die veroorzaakt worden door geopolitieke spanningen. De heer Flach vroeg mij ook naar de hoge energieprijzen, hoe schadelijk zij zijn voor de concurrentiekracht en hoe wij dit oppakken. De hoge elektriciteitskosten inclusief de nettarieven hebben onze volle aandacht. Ook in het hoofdlijnenakkoord hebben we dat opgenomen. Het verschil tussen de totale elektriciteitskosten en die in het buitenland is en blijft natuurlijk zorgelijk. De kosten spelen een belangrijke rol in de energietransitie en ook in de verduurzaming van de industrie, die vaak internationaal opereert. Er is de afgelopen maanden door verschillende ministeries gewerkt aan het zogenoemde interdepartementaal beleidsonderzoek naar de kosten en de financiering van het stroomnet. Het kabinet heeft in reactie op dit ibo een beleidsagenda neergelegd die bestaat uit betere benutting van het net, het verlagen van de energierekening, het anders verdelen van de netkosten en ook het stroomlijnen van de besluitvorming. Dan vroeg mevrouw Postma mij naar de aansluiting van ASML en of die al geregeld was. Een hele specifieke vraag. Voor de uitbreiding van ASML is aansluiting op het stroomnet noodzakelijk, zoals mevrouw Postma weet. Het kabinet zet zich volop in om tijdig voldoende elektrisch vermogen beschikbaar te laten zijn om de uitbreiding van ASML op de gewenste locatie zonder vertraging door te laten gaan. Hiervoor werken wij heel constructief in overleg met de ACM en de netbeheerders TenneT en Enexis momenteel verschillende opties uit. Dat gebeurt uiteraard in nauwe afstemming met het bedrijf zelf. Dat is dus nog in uitvoering.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Met de meest recente inzichten hebben wij er goed vertrouwen in dat dit voor ASML de goede kant op beweegt. Er moet wel zorgvuldigheid betracht worden. Het is natuurlijk geen competentie van de rijksoverheid, dus we moeten dat met de andere partijen doen. Het is nog in uitvoering, dus daar kan ik nu even niet meer over zeggen.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dan vroeg de heer Dassen mij naar de vertrekkende start-ups. Hij zei dat waterstof ook wegvloeit en vroeg of dat niet ook een kans is. Het kabinet acht de Nederlandse start-ups en het mkb gericht op waterstoftechnologie van groot belang. De overheid ondersteunt die bedrijven daadwerkelijk op twee manieren: door het ontwikkelen van die waterstofmarkt met subsidies, verplichtingen en infrastructuur, maar ook door gerichte subsidies voor innovatieve waterstofprojecten in de maakindustrie. Specifiek moeten de uitslagen van de IMKE-regeling voor de waterstofmaakindustrie een goed beeld geven voor de kansen van de Nederlandse start-ups. Die verwacht ik ook deze zomer. Mevrouw Van Meetelen vroeg mij naar het doel van strategische onafhankelijkheid en waarom we dan niet kiezen voor kernenergie. Het kabinet zet zich in voor een energiemix, waarin zowel een rol is voor kernenergie als voor hernieuwbare energie. Juist door in te zetten op de diverse-energiemix en de opschaling van nationale energieproductie kan die energie-onafhankelijkheid worden versterkt. Op het gebied van kernenergie zet het kabinet zich in om vier conventionele kerncentrales te bouwen en betrekt het ook de mogelijkheden van de zogenaamde small modular reactors erbij. Ook zet het kabinet zich in voor de bedrijfsduurverlenging van de huidige kerncentrale in Borssele. Dan vroeg de heer Thijssen mij naar het Rotterdamse noodsignaal van de recyclebedrijven. Daar heb ik het deels al over gehad in een interruptiedebat. De bevoegdheid, zoals wellicht bekend voor de sector, ligt bij de minister van KGG en de staatssecretaris van IenW wat betreft circulaire economie. Maar de heer Thijssen heeft uiteraard gelijk. De plasticrecyclingindustrie verkeert in zwaar weer en het kabinet deelt de zorgen. De Nederlandse situatie is zorgwekkend, maar niet uniek. In andere EU-lidstaten die beschikken over een plasticrecyclingindustrie is de situatie helaas vergelijkbaar. De belangrijkste oorzaak is goedkoop nieuw fossiel plastic, met name vanuit Azië en de Verenigde Staten. Europese merkeigenaren zetten uit financieel oogpunt liever goedkoper nieuw en fossiel plastic in dan het doorgaans duurdere recyclaat vanuit de EU. Voor de middellange termijn geldt dat nationaal en Europees beleid om de markt voor recyclaat te versterken cruciaal is. De heer El Abassi vroeg mij nog naar het rapport over de grootmachten. Hij zei dat het zwijgt over de landen die niet meegedaan hebben. Dat ging dan specifiek over grondstofleverende landen als Congo, Madagaskar en Bolivia. Mijn collega-minister Klever gaat hier uiteraard in eerste instantie over. Samen werken we dan ook aan die Nationale Grondstoffenstrategie, waarbij we ook kijken naar verantwoorde grondstoffenwinning. Het kabinet deelt de zorgen over arbeidsomstandigheden in de grondstoffenketens. Daarom is het verminderen van de negatieve impact op mens en milieu een randvoorwaarde bij het streven naar grotere leveringszekerheid van de grondstoffen. Dan ben ik bij het laatste blokje, overig, gekomen. Ik begin met de vraag van de heer Van Houwelingen of een nexit niet onvermijdelijk is om onze economie en welvaart te redden. Ik vermoed dat we het daar net deels ook al over gehad hebben. Nederland heeft als open exporteconomie natuurlijk baat bij een sterke concurrerende EU. En als handelsland profiteert Nederland helemaal van die open grenzen en het vrij verkeer van goederen en diensten. Die vormen ook de basis van onze economische groei en welvaart. De uitvoer van goederen en diensten creëert meer dan een derde van het Nederlands bbp en meer dan drie op de tien banen. Het CPB heeft eerder berekend dat het bbp van Nederland als gevolg van die interne markt 3,1% hoger is dan zonder de interne markt. De heer Knot, president van De Nederlandsche Bank, heeft eerder benoemd dat de baten neerkomen op zo'n €6.000 tot €10.000 per Nederlands huishouden.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: De heer Dassen vroeg mij naar de voortrekkersrol die wij kunnen spelen bij het wegnemen van barrières omtrent de arbeidsmobiliteit. Het kabinet zet zich in om de barrières voor leer- en arbeidsmobiliteit waar mogelijk weg te nemen. Tegelijkertijd wil het kabinet ook een gerichter en selectiever arbeidsmigratiebeleid voeren en streeft het kabinet naar meer balans in internationale studentenstromen. Een voorbeeld is de Benelux-Baltische overeenkomst voor automatische wederzijdse erkenning van de diploma's in het hoger onderwijs, die het vrij verkeer van afgestudeerden vergemakkelijkt. Ook werkt het kabinet aan het verminderen van de administratieve lasten voor ondernemers die werknemers detacheren in andere lidstaten. Deze inzet is gericht op het wegnemen van ongerechtvaardigde belemmeringen. Uitgangspunt hierbij is dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van gedetacheerde werknemers. Dan de laatste vraag van de heer El Abassi, hoe we onderwijs dichter bij ons industriebeleid willen brengen. Om onderwijs te laten aansluiten bij het industriebeleid, moet het opleidingsaanbod beter aansluiten. Het kabinet wil ook stimuleren dat er in het wetenschappelijk onderwijs, maar ook in het hbo en het mbo, sector-overstijgend en met werkgevers beter wordt samengewerkt en afgestemd over het opleidingsaanbod in relatie tot de maatschappelijke en wetenschappelijke behoefte. Ook in het funderend en voortgezet onderwijs stimuleren we via twee programma's techniek- en technologieonderwijs. Dat zijn Sterk Techniekonderwijs en Techkwadraat. Het beleid gericht op instroom in het bètatechnisch onderwijs is beschreven in de kabinetsbrief Actieplan Groene en Digitale Banen 2023 en is wat het vervolgonderwijs betreft ook toegelicht in de beleidsbrief Vervolgonderwijs, onderzoek en wetenschap. Op Europees niveau kan de recent gepresenteerde Unie van vaardigheden hier ook aan bijdragen, bijvoorbeeld via academies voor om- en bijscholing gericht op bepaalde sectoren.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de appreciatie van de moties. De motie op stuk nr. 642 krijgt oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 643 moet ik ontraden, omdat het aan de pensioenfondsen zelf is. Zij zijn namelijk verantwoordelijk voor hun eigen investeringsbeleid. Met Invest-NL kijken we bijvoorbeeld wél naar de mogelijkheden om meer kapitaal beschikbaar te maken. Invest-NL verkent ook of er mogelijk een fonds-in-fonds kan worden opgezet, waar we al eerder aan refereerden.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Als ik kijk naar het letterlijke dictum, zie ik dat dat wel uitgaat van het duidelijk prioriteren, ook vanuit de overheid. Daar past ons natuurlijk een bepaalde rol, op afstand van de pensioenfondsen. Ik heb in debatten eerder aangegeven dat ik zelf ook gesprekken heb. Ik kan de heer Dassen tegemoetkomen. Als ik het dictum zo kan interpreteren dat wij de gesprekken aangaan en een inventarisatie maken, als dat de structuur geeft, kan ik daarin meegaan. Maar ik ga er niet in mee dat wij een leidende rol spelen, dat wij gaan prioriteren en dat soort zaken. Dat is gewoon niet aan ons.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dank u wel. Met die interpretatie kan ik 'm oordeel Kamer geven. Uiteraard vindt die afstemming plaats. De motie op stuk nr. 645: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 646: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 648: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 649: oordeel Kamer. De ACM werkt op dit moment aan een nieuw prioriteitskader. Het is natuurlijk de exclusieve bevoegdheid van de ACM om hierover een besluit te nemen. De ACM staat open voor die inbreng, maar zal uiteindelijk zelf een keuze maken. Ik kan dit punt meegeven. Een uitgangspunt is dan wel dat het kader transparant en objectief is en niet discrimineert. De motie op stuk nr. 650: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 651: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 652: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 656 kan ik overnemen. Dank. Ik kan me ook volledig verenigen met de inhoud van de motie van de heer Flach, zowel qua overwegingen als qua dictum.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: De motie op stuk nr. 657 moet ik ontraden. De eisen die de heer Thijssen daarin stelt, zijn al meegenomen, maar we beperken ons niet slechts tot deze eisen, zoals de motie wel suggereert. Om de heer Thijssen tegemoet te komen, wil ik voorstellen dat ik de motie als volgt mag interpreteren: als er besloten wordt om aanvullende publieke investeringen te doen, nemen we dit in een breder palet aan overwegingen mee. Dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Ja. Ik bedoel dat we 'm zo interpreteren dat deze mee worden genomen in een breder palet. Ik ga niet extra maatregelen nemen op basis van hoge groene en sociale eisen. Dat ga ik niet doen, maar ik wil die uiteraard wel meenemen. Dat doen we ook al. Met die interpretatie kan ik 'm oordeel Kamer geven.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dat doen we ook. Ik ben de heer Thijssen tegemoetgekomen door toch een uitweg te vinden. Maar het letterlijke dictum moet ik anders ontraden.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dank. Motie nr. 660 is overbodig, want het kabinet zet zich in EU-verband al breed in voor die uitfasering van de fossielebrandstofsubsidies. De motie op stuk nr. 661 is overbodig. De Europese Commissie heeft al toegezegd om periodiek te rapporteren over de resultaten van de inspanningen om de regeldruk te verminderen. De motie op stuk nr. 663 is ontijdig; die valt onder de verantwoordelijkheid van de minister voor BHO. De motie op stuk nr. 664 is eveneens ontijdig, omdat die eveneens de verantwoordelijkheid van de minister voor BHO betreft.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dan heb ik begrepen van de heer Bontenbal dat hij zijn aangehouden motie uit het debat over de Verenigde Staten met de minister voor BHO van 22 april heeft aangepast. Met dat nieuwe dictum kan ik de motie oordeel Kamer geven, want ik deel de oproep om vol in te zetten op het verder versterken van die interne markt. Daar zet ik dus ook op in. Dat heb ik in Brussel ook al succesvol gedaan door op te roepen tot die internemarktstrategie, die er naar verwachting later deze maand aankomt. Ik merk op dat het lid Bontenbal niet aanwezig is, maar ik wilde dit toch nog even meegeven.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Dat heb ik niet bij de hand.
Bron, video en gesprek →Minister Beljaarts: Ik zorg dat het naar u toe komt.
Bron, video en gesprek →