Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 387Wijziging van de Omgevingswet, de Gaswet ende Warmtewet in verband met gemeentelijkeinstrumenten voor de warmtetransitie in degebouwde omgeving (Wet gemeentelijkeinstrumenten warmtetransitie)Nr. 50 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 4 november 2025 De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heefteen aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de brief van 7 juli 2025over het ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetran-sitie (Kamerstuk 36 387, nr. 49).De vragen en opmerkingen zijn op 18 september 2025 aan de Minister vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voorgelegd. Bij brief van4 november 2025 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,PostmaDe griffier van de commissie,De Vos kst-36387-50ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 501 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie vanbewindspersoon Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen die de leden vande vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO)hebben gesteld over het ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instru-menten warmtetransitie (Bgiw) en de opmerkingen die zij bij het ontwerp-besluit hebben. De meeste fracties hechten samen met de regering veelwaarde aan een betaalbare warmtetransitie voor woningeigenaren,huurders en andere eindgebruikers in de wijk, en hebben daar dan ookverschillende vragen over gesteld. Het ontwerpbesluit en daarinopgenomen instructieregels geven met een landelijke ondergrens meerduidelijkheid over wat er onder een betaalbare wijkaanpak wordt verstaanen hoe gemeenten de betaalbaarheid waarborgen. Ook de andere vragen,die onder andere zien op de deadline voor het vaststellen van hetwarmteprogramma, de uitvoerbaarheid voor gemeenten en de specifiekesituatie van het platteland zijn van belang en beantwoord. Deze vragenhebben er onder andere aanleiding toe gegeven om de deadline van hetvaststellen van het warmteprogramma aan te passen naar 31 december2027, in plaats van 31 december 2026.I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie[1]De leden van de PVV-fractie vragen om de visie van de regering als zichhet scenario voordoet dat alle beschikbare alternatieven voor aardgas eenverslechterde betaalbaarheid voor eindgebruikers oplevert.Het verduurzamen van wijken, buurten en dorpskernen lukt alleen alsiedereen mee kan doen en de maatregelen betaalbaar zijn. Onderbetaalbaarheid van de wijkaanpak wordt verstaan dat de plannenfinancieel-economisch verstandig en redelijk en financieel haalbaar zijnvoor de wijk en de eindgebruikers, zoals eigenaar-bewoners en huurders.Gemeenten kunnen door keuzes in de wijkaanpak tot op zekere hoogtezelf sturen op de betaalbaarheid, bijvoorbeeld door de keuze voor eenwarmtetechniek en de afbakening van het gebied waar zij de aanwijsbe-voegdheid willen inzetten. Daarnaast dragen verschillende beleidsinstru-menten vanuit de Rijksoverheid bij aan de betaalbaarheid van verduurza-mingsmaatregelen voor bewoners, zoals subsidies voor isolatie van dewoning, de aansluiting op een warmtenet of de installatie van eenwarmtepomp. Op deze wijze wordt de betaalbaarheid voor eindege-bruikers geborgd. Overigens worden met de vervanging door duurzamealternatieven ook (externe) kosten van fossiele brandstoffen zichtbaar dietot dusver niet in de eindgebruikerskosten zijn opgenomen maar alsmaatschappij wel opgebracht worden. Betaalbaarheid is derhalve geenvast gegeven, maar eerder een uitdrukking van wat redelijk wordt geachtin relatie tot kosten voor een andere warmtevoorziening en tot draag-kracht van eindgebruikers.[2]De leden van de PVV-fractie geven aan dat gemeenten hebben latenweten dat zij zich zorgen maken over beschikbare middelen om debetaalbaarheid voor inwoners, vooral voor kwetsbare huishoudens, tegaranderen en vragen of dit niet kan resulteren in grote sociaalecono-mische verschillen tussen gemeenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 502 Met het ontwerpbesluit Bgiw is het amendement Erkens c.s.1 bij de Wetgemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) verder uitgewerkt enzijn instructieregels voor het omgevingsplan opgenomen om de betaal-baarheid voor eindgebruikers, zoals woningeigenaren en huurders, tewaarborgen. Deze instructieregels zorgen bij de inwerkingtreding van deWgiw en het Bgiw voor een duidelijke landelijke ondergrens waargemeenten aan moeten voldoen: deze regels gelden voor elke wijk, buurt,dorpskern of straat waar een gemeente de aanwijsbevoegdheid wilinzetten. Met deze landelijke ondergrens beperken we de kans op grotesociaaleconomische verschillen.Daarnaast wijst recent onderzoek2 juist op het risico van grotere lokale enregionale verschillen als een deel van de Nederlandse huishoudens nietkan deelnemen aan de energietransitie. De regering blijft de ontwikkelingvan de betaalbaarheid van verschillende warmteopties nauwgezetmonitoren en inzetten op een betaalbare energierekening.[3]De leden van de PVV-fractie vragen of met het ontwerpbesluit hetaardgasnetwerk compleet onbruikbaar wordt voor toekomstige generatiesdie misschien andere keuzes maken voor de energievoorziening,bijvoorbeeld door het gebruik van aardgas weer toe te staan. Ook vragende leden van de PVV-fractie of het in het kader van betaalbaarheid nietverstandig is om niet alle fossiele brandstoffen buiten de deur te houden?Met de inzet van de aanwijsbevoegdheid kan het gebruik van aardgasvoor de warmtevoorziening voor gebouwen in een bepaald gebiedworden uitgesloten. Dit is daarmee één van de instrumenten die kanbijdragen aan de energietransitie in de gebouwde omgeving en isonderdeel van de aanpak om de uitstoot van CO2 te verkleinen en tewerken aan een emissievrije gebouwde omgeving in 2050. Bij hetuitsluiten van het gebruik van aardgas voor de warmtevoorziening kan denetbeheerder vervolgens besluiten om het aardgasnetwerk wel of niet telaten liggen en te onderhouden. Netbeheerders zullen hierbij naarverwachting kijken naar de verwachte kosten voor het onderhoud en hetin stand houden van de gasinfrastructuur, maar ook naar een mogelijkeherbestemming van uit bedrijf genomen gasleidingen. Het in gebruikhouden van het gasnet voor enkele gebruikers brengt kosten met zichmee die ook invloed hebben op de betaalbaarheid van de energievoor-ziening: een eerdere inschatting is dat dit kan leiden tot extra kosten vanmogelijk 1 tot ruim 5 miljard euro tot 20503. Ook de afbouw van gebruikvan fossiele brandstoffen in de gebouwde omgeving zal geleidelijk zijn,mede gelet op betaalbaarheid en uitvoerbaarheid van de transitie.[4]De leden van de PVV-fractie vragen of met de financiering van verduurza-mingsmaatregelen, bijvoorbeeld via een hypothecaire lening, geenschuldenproblematiek wordt gecreëerd met alle mogelijke sociaalecono-mische gevolgen van dien. Ook vragen deze leden hoe dit specifiekeelement gemonitord wordt?De instructieregels betaalbaarheid voor eindgebruikers hebben tot doelom te waarborgen dat de aanpak van een gemeente betaalbaar is vooreindgebruikers, zoals eigenaar-bewoners en huurders. Gemeentenmoeten daartoe rekening houden met de financiële haalbaarheid.Onderdeel daarvan is de vraag of, en op welke manier, bewoners de1Kamerstukken II 2023/24, 36 387, nr. 20.2Energiekloof groeit door energietransitie (Berenschot, 2025).3Kamerstukken II 2022/23, 36 387, nr. 3, p. 14.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 503 maatregelen zoals isolatie van de woning en de warmte-installatie kunnenfinancieren (artikel 5.131f, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteitleefomgeving). Naar verwachting zal een deel van de eigenaar-bewonershierbij gebruik maken van een hypothecaire lening.Om te voorkomen dat huishoudens bij het aangaan van een hypotheekonverantwoorde financiële risico’s nemen zijn in de Tijdelijke RegelingHypothecaire Krediet leennormen vastgesteld. In deze regeling is 1) demaximale hoogte van het hypothecair krediet ten opzichte van hetinkomen en 2) de maximale hoogte van het hypothecair krediet tenopzichte van de waarde van de woning opgenomen, zodat overkrediteringwordt voorkomen. Voor energiebesparende maatregelen kan een extrabedrag geleend worden. Dit bedrag wordt jaarlijks berekend door hetNibud. Onderliggende reden hiervoor is dat door die maatregelen dewaarde van het onderpand, de woning, toeneemt en huishoudens betergrip krijgen op hun energierekening. Daarmee neemt hun kredietwaar-digheid toe.Daarnaast kunnen gemeenten bewoners wijzen op, andere manieren omverduurzamingsmaatregelen te financieren. Bijvoorbeeld via het Warmte-fonds of het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten(SVn). Via het Warmtefonds kan een 0% lening worden verkregen voormensen met een bruto verzamelinkomen tot 60.000 euro. Voorhuishoudens zonder leenruimte bestaat de mogelijkheid van een leningzonder aflosverplichting.De bepalingen in het ontwerpbesluit ten aanzien van de monitoringrichten zich niet specifiek op dit element, maar dit kan wel onderdeel zijnvan de monitoring van gemeenten. Met het ontwerpbesluit wordt vangemeenten gevraagd om de voortgang van de warmtetransitie temonitoren (artikel 11.66a van het Besluit kwaliteit leefomgeving).Gemeenten doen daarnaast verslag van de voortgang en resultaten vande lokale warmtetransitie (artikel 10.49g van het Omgevingsbesluit). Zokan vroegtijdig inzicht worden verkregen in de voortgang van de lokalewarmtetransitie en de knelpunten die zich voordoen. Daarnaast zullengemeenten bij de voorbereiding en uitvoering van de wijkaanpak over hetalgemeen veel contact hebben met bewoners over de warmtetransitie,waaronder over de financiële haalbaarheid en de mogelijkheden om deverduurzamingsmaatregelen te financieren. Op dit moment wordt doorhet Nationaal programma lokale warmtetransitie (NPLW) gewerkt aan eenkennisproduct voor gemeenten over de monitoring van de warmtetran-sitie.[5]De leden van de PVV-fractie vragen naar de vormgeving van de instructie-regels betaalbaarheid voor eindgebruikers. Meer specifiek vragen dezeleden waarom gekozen is voor een ondergrens van 70% en niet voor100% en of de regering voornemens is om maximale overschrijding in tevoeren voor de resterende 30% om betaalbaarheid te waarborgen. Ookvragen de leden van de PVV-fractie ten aanzien van de instructieregels omde aanwijsbevoegdheid in te zetten wat eventuele «goede motiveringen»zouden kunnen zijn om daarvan af te wijken en of hiermee niet onbedoeldde deur op een kier wordt gezet voor het doordrukken van zaken.Met het ontwerpbesluit Bgiw is het amendement Erkens c.s.4 verderuitgewerkt en zijn er instructieregels opgenomen om de betaalbaarheidvoor eindgebruikers in de wijk, namelijk woningeigenaren en huurders, tewaarborgen. Daartoe moeten gemeenten 1) waarborgen dat de verwachte4Kamerstukken II 2023/24, 36 387, nr. 20.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 504 kosten voor ten minste 70% van de woningen binnen het warmtetransitie-gebied niet mogen uitstijgen boven de verwachte baten en 2) rekeninghouden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgen voor demaandlasten.Met het percentage van 70% wordt invulling gegeven aan de strekkingvan dit amendement dat de aanpak van de gemeente betaalbaar moet zijnvoor het overgrote deel van de wijk. Het moet vanuit financieel-economisch perspectief dus een verstandige en redelijke aanpak zijn. Hetis een bewuste keuze om de ondergrens niet op 100% te zetten of eennorm voor een maximale overschrijding in te voeren. Dit zou er namelijktoe kunnen leiden dat aanpakken die voor het overgrote deel van de wijkverstandig en redelijk zijn geen doorgang kunnen vinden als de maatre-gelen niet voor alle bewoners precies uitkomen of leiden tot een beperktaantal uitschieters die op andere wijze kunnen worden opgevangen.Bijvoorbeeld in situaties dat de bewoners voor wie het niet preciesuitkomt dat wel kunnen dragen, omdat ze voldoende draagkracht hebben.Of ingeval dat de aanpak ook voordelen oplevert die niet direct wordenmeegenomen in de berekening, zoals meer comfort, een beter binnen-klimaat en een hogere woningwaarde.Dat wil niet zeggen dat de gemeente geen aandacht hoeft te besteden aanhuishoudens die de verduurzamingsmaatregelen niet terugverdienen. Deinzet is namelijk dat iedereen mee kan doen. Gemeenten moeten daaromrekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgenvoor de maandlasten en met oog voor kwetsbare afnemers.Binnen de Omgevingswet zijn verschillende soorten instructieregelsmogelijk, waaronder «waarborgen dat» en «rekening houden met». Deinstructieregel «waarborgen dat» betekent dat gemeenten deze instructie-regel in acht moeten nemen en daar niet van kunnen afwijken. Dit geldtvoor de instructieregel dat gemeenten moeten waarborgen dat deverwachte kosten voor tenminste 70% van de woningen binnen hetwarmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven de verwachte baten(artikel 5.131e van het Besluit kwaliteit leefomgeving).De instructieregel «rekening houden met» betekent dat het onderwerp eenzwaarwegende positie in de belangenafweging van een gemeente moetkrijgen. Dit geldt voor de instructieregel dat gemeenten rekening moetenhouden met de financiële haalbaarheid (artikel 5.131f van het Besluitkwaliteit leefomgeving). Ook andere belangen kunnen een rol spelenbinnen de bredere belangenafweging van een gemeente. Voorbeelden zijn1) de verwachte nationale kosten van de keuze voor een bepaaldewarmtetechniek, 2) draagvlak voor de aanpak naar aanleiding vaninspraak en participatie en 3) de technische haalbaarheid, zoals decapaciteit en beschikbaarheid van de alternatieve energievoorziening. Diebelangenafweging is aan gemeenten zelf. Vervolgens houdt de provincieinterbestuurlijk toezicht.5 Bij de instructieregel «rekening houden met»dienen gemeenten het te motiveren als zij afwijken van een bepaaldbelang. Naar verwachting zullen de gevolgen voor de maandlasten eenzwaarwegende positie krijgen in de belangenafweging van de gemeente,omdat die een rol zal spelen bij het draagvlak voor de gemeentelijkeaanpak. De gemeente kan bijvoorbeeld om die reden en mits goedgemotiveerd afwijken van het alternatief met de laagste nationale kosten.Om meer inzage te geven in hoe die instructieregels uit kunnen werkenworden hieronder twee fictieve voorbeelden geschetst.5Zie ook par. 7.2 van de nota van toelichting bij het Bgiw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 505 Fictief voorbeeld 1Voorbeeldgemeente 1 hecht veel waarde aan het belang van financiëlehaalbaarheid voor eindgebruikers, ook in relatie tot andere belangen zoalsde verwachte nationale kosten en de technische haalbaarheid, en zet in opeen lokale warmtetransitie die sociaal-economische verschillen verkleint.De gevolgen van twee warmte-alternatieven voor de maandlasten van deeindgebruikers liggen dichtbij elkaar. Gemiddeld genomen is alternatief Anet wat aantrekkelijker dan alternatief B. Ook blijkt uit de berekening datalternatief A zich voor 85% van de wijk over de levensduur van deinvestering terugverdient, terwijl dit voor alternatief B 75% betreft en degemeente dus in beide gevallen voldoet aan de waarborg van tenminste70%. Daar staat tegenover dat de spreiding in de gevolgen voor demaandlasten van tussen de groep eindgebruikers van alternatief A eenstuk groter is en dat er meer negatieve uitschieters te verwachten zijn. Opbasis van deze toets vooraf is de gemeente van mening dat alternatief Bde voorkeur geniet, omdat deze optie naar mening van de gemeente beterpast bij hun inzet.Fictief voorbeeld 2Voorbeeldgemeente 2 hecht veel waarde aan het belang van de betaal-baarheid voor eindgebruikers, ook in relatie tot andere belangen zoals deverwachte nationale kosten en de technische haalbaarheid. Tegelijkertijdheeft de gemeente weinig plek voor de ruimtelijke inpassing van eenduurzaam alternatief, zoals de benodigde ruimte voor de plaatsing vanextra transformatorhuisjes bovengronds of een warmtenet ondergronds.Op basis van de toets vooraf is de inschatting dat de verwachte betaal-baarheid van twee alternatieven dichtbij elkaar ligt, maar alternatief Abeter scoort. Daar staat tegenover dat alternatief B minder ruimtelijkeinpassing behoeft. Met het oog op de beschikbare ruimte in de wijk kiestde gemeente voor alternatief B.[6]De leden van de PVV-fractie beschrijven dat in de Nota van toelichting isaangegeven dat vrijwillige verduurzaming van de gebouwde omgevingniet toereikend is, omdat bij vrijwillige verduurzaming bijvoorbeeld hetgasnet in stand moet worden gehouden voor een kleine groep achter-blijvers, wat hoge maatschappelijke kosten met zich meebrengt.Aansluitend vragen deze leden of er een inschatting kan worden gemaaktwat de verhouding is tussen genoemde maatschappelijke kosten en demaatschappelijke kosten om deze hele transitie te realiseren (inclusiefwaarborgen betaalbaarheid).De precieze maatschappelijke kosten en baten van de gehele transitie zijnop dit moment niet te geven. De maatschappelijke kosten en baten vanverduurzaming van woningen en gebouwen gaan namelijk verder dan dedirecte kosten van maatregelen en vermeden kosten van instandhoudingof de baten op de energierekening van gebruikers. Een verduurzaamdewoning leidt bijvoorbeeld ook tot gezondheidswinst en vermedenzorgkosten6, draagt bij aan de aanpak van energiearmoede7 en zorgtbijvoorbeeld voor een gezonder binnenklimaat op scholen, wat eenpositief effect heeft op leerprestaties van kinderen8. Ook zijn de6TNO Rapport Gezondheidskosten en energiearmoede.7Energiearmoede voorkomen | TNO.8Slechte lucht in klaslokaal heeft aantoonbaar effect op leerprestaties - Nieuws - MaastrichtUniversity.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 506 maatschappelijke kosten en baten geen vaststaand gegeven, maarbijvoorbeeld afhankelijk van de keuzes voor een warmtestrategie in eenwijk.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie[7]De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom tweewaarborgen uit de consultatieversie niet zijn opgenomen in het huidigeontwerpbesluit. Het betreft 1) de eis dat burgers die voor een alternatiefkiezen moeten kunnen aantonen dat hun alternatief ten minste net zoduurzaam is en 2) de bepaling dat in 2050 het gebruik van aardgas inwoningen moet zijn uitgefaseerd.Het ontwerpbesluit is op een aantal punten aangepast ten aanzien van deversie die in consultatie is gebracht. Onder andere vanwege de reactiesdie met de internetconsultatie zijn ontvangen. Dit geldt bijvoorbeeld voorde bepalingen die gaan over het gelijkwaardigheidsprincipe en op hetverbod op fossiele brandstoffen per 1-1-2050.Keuzevrijheid en het gelijkwaardigheidsprincipeKeuzevrijheid is een van de waarborgen van de Wgiw. Dit houdt in datgebouweigenaren, op het moment dat de levering van aardgas eindigt,niet verplicht zijn om aan te sluiten op het (collectieve) alternatief vooraardgas dat de gemeente kiest. In het in consultatie gebrachte ontwerpbe-sluit was opgenomen dat deze zogenoemde opt-out inhield dat eengebouweigenaar een ander alternatief kon kiezen zo lang dat alternatiefgelijkwaardig, in dit geval tenminste even duurzaam, zou zijn als hetalternatief van de gemeente. Verschillende partijen hebben in reactie opde internetconsultatie verzocht om landelijk meer duidelijkheid te gevenover het gelijkwaardige alternatief.In artikel 4.7 van de Omgevingswet is de mogelijkheid om een gelijk-waardige maatregel te treffen geregeld. Hoe duurzaam het alternatiefmoet zijn, hangt ervan af hoe duurzaam het alternatief van de gemeenteis. Niet in alle situaties is dat alternatief al 100% duurzaam, maar wel metdat perspectief. Dit betekent dat dit per warmtetransitiegebied kanverschillen en dat er door eigenaren extern advies moet wordeningewonnen om de gelijkwaardigheid aan te tonen. Hiermee kon aan devoorkant geen helderheid worden gegeven over welke alternatievenzouden voldoen. Om deze redenen is de opt-out op basis van gelijkwaar-digheid losgelaten.Met de aanpassingen in het ontwerpbesluit moet het alternatief nu alleenvoldoen aan de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving(artikelen 4.248a en 5.21.0a van het Besluit bouwwerken leefomgeving).Dit betekent dat het alternatief geen fossiele brandstoffen mag verbruikenen minimaal moet voldoen aan een grenswaarde voor de energieprestatievan een technisch bouwsysteem: een maximale grenswaarde van 0,7. Opdeze manier is er altijd een energie-efficiënt alternatief voor handen enhoeft de eigenaar geen ingewikkelde berekening te laten uitvoeren,bijvoorbeeld door het inhuren van een energieadviseur, of het alternatiefgelijkwaardig is aan de aanpak van de gemeente. Belangrijke voordelenhiervan zijn eenduidigheid en eenvoud: dat wat de gebouweigenaar magrealiseren als alternatief op aardgas wordt voor alle wijken op gelijke wijzevastgesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 507 Verbod per 1-1-2050Het doel van dit besluit is het creëren van een bevoegdheid voorgemeenten om wijken aan te wijzen die op termijn overstappen op eenduurzame energievoorziening, mits aan alle waarborgen kan wordenvoldaan.Een algemeen verbod op fossiele brandstoffen in het Besluit bouwwerkenleefomgeving zorgde er echter voor dat niet de overheid, maar degebouweigenaar uiteindelijk zelf verantwoordelijk is voor de overstapnaar een duurzame energievoorziening, ook als de gemeente de betref-fende wijk niet aanwijst. Neem het voorbeeld van een situatie waarbij eengemeente een wijk wel zou willen aanwijzen, maar niet aan allewaarborgen kan voldoen. Daarnaast zijn er situaties denkbaar waarbij debeschikbaarheid van een duurzaam alternatief niet tijdig kan wordengerealiseerd. In dergelijke situaties kan er vervolgens niet van degebouweigenaren verwacht worden dat zij vervolgens die verantwoorde-lijkheid kunnen dragen.Om deze reden is besloten het ontwerpbesluit aan te passen en debepaling die ziet op het verbod per 1 januari 2050 te schrappen. Dat laatonverlet dat het streven is om de gebouwde omgeving per 1 januari 2050fossielvrij te maken. De Wgiw en Bgiw dragen daar ook aan bij. Daarnaastvoorziet de implementatie van de EPBD IV9 erin dat alle gebouwen in 2050emissievrij zijn.[8]De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wanneer gemeentenvoldoen aan de instructieregel om rekening te houden met de financiëlehaalbaarheid, waaronder de gevolgen voor de maandlasten, of deregering bereid is om dit te concretiseren en welke handvatten gemeentenworden geboden om aan deze instructieregel te voldoen. De leden van deGroenLinks-PvdA-fractie vragen hierbij hoe, en op basis van welke data,gemeenten in individuele gevallen tijdig kunnen inspringen. De leden vandeze fractie welke mogelijkheden de regering ziet om een vangnet tebieden voor de groep huishoudens die de verduurzamingsmaatregel naarverwachting niet terugverdient en in het geval er schrijnende gevallenontstaan. Vervolgens vragen deze leden de regering om te reflecteren opde stelling dat het voor het goed borgen van betaalbaarheid van belang isdat er langjarig duidelijkheid is over de beschikbaarheid van beschikbaresubsidies en regelingen.De instructieregel «rekening houden met» in de Omgevingswet betekentdat de gevolgen voor de financiële haalbaarheid, waaronder voor demaandlasten, een zwaarwegend belang zijn binnen de bredere belangen-afweging van de gemeente. Ook andere belangen kunnen een rol spelen,zoals de verwachte nationale kosten van de aanpak, draagvlak naaraanleiding van inspraak en participatie en de technische haalbaarheid,zoals de capaciteit en beschikbaarheid van de alternatieve energievoor-ziening. Die belangenafweging is aan gemeenten zelf. Vervolgens houdtde provincie interbestuurlijk toezicht. In antwoord op vraag 5 wordtuitgebreider ingegaan op deze vraag.Van gemeenten wordt bij de voorgenomen aanwijzing van een warmte-transitiegebied in het omgevingsplan gevraagd om de verwachtebetaalbaarheid voor eindgebruikers te berekenen om zo als toets vooraf9Richtlijn (EU) 2024/1275 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffendede energieprestatie van gebouwen (herschikking). Zie ook Kamerstukken II 2024/25, 22 112,nr. 4107.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 508 inzicht te krijgen in de verwachte gevolgen voor de groep eindgebruikers,zoals eigenaar-bewoners en huurders. Gemeenten moeten hierbijrekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgenvoor de maandlasten, en voor de groep kwetsbare afnemers, bijvoorbeelddoor goed in kaart te brengen in welke mate er sprake is van energiearmehuishoudens in de desbetreffende wijk of buurt. Gemeenten kunnenhierbij gebruik maken van de energiearmoedekaart10 en gegevens over desociaal-economische status van een wijk of buurt11. Van gemeenten wordtniet verwacht of gevraagd om een berekening per individuele woning ofhuishouden uit te voeren.De regering benadrukt dat het verduurzamen van wijken alleen lukt alsiedereen mee kan doen en de maatregelen betaalbaar zijn. Daarom is hetook van belang dat gemeenten rekening houden met de financiëlehaalbaarheid. Gemeenten kunnen tot op zekere hoogte zelf sturen op debetaalbaarheid voor eindgebruikers, bijvoorbeeld met keuzes voor eenbepaalde techniek en de selectie en afbakening van de gebieden. Ook ishet van belang dat andere randvoorwaarden op orde zijn. Zo zet deRijksoverheid verschillende instrumenten in, waaronder financiering,subsidiëring, normering, beprijzing en ondersteuning. Op dit momentdragen onder andere subsidies, specifieke uitkeringen aan gemeenten enleningen en regelingen zoals de ISDE SVVE, SVOH, de lokale aanpak vanhet Nationaal isolatieprogramma en het Warmtefonds bij aan debetaalbaarheid van verduurzamingsmaatregelen.Zoals aangegeven in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit wordter een verkenning uitgevoerd naar opties voor aanvullend flankerendbeleid, en de wenselijkheid daarvan, die bijdragen aan de betaalbaarheidvan verduurzamingsmaatregelen als gevolg van de aanpak van eengemeente voor het warmtetransitiegebied, bijvoorbeeld voor de groepkwetsbare afnemers en om eventuele schrijnende situaties in de aange-wezen wijk te voorkomen. Hierbij kan worden gedacht aan middelen tenbehoeve van het verkleinen van een betaalbaarheidstekort voor de groepvoor wie de maatregelen zich niet over de levensduur terugverdienen eneen vangnet ten behoeve van de groep kwetsbare afnemers, waarondermogelijke schrijnende situaties.De besluitvorming over eventuele aanvullende middelen ten aanzien vande warmtetransitie in de gebouwde omgeving, ook na 2030, enaanvullend flankerend beleid is aan een nieuw kabinet.[9]De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering meerduidelijkheid kan bieden over de wijze waarop utiliteitsbouw moet wordenmeegenomen in warmtetransitiegebieden, en verwijst hierbij specifieknaar gebouwgebonden en energiegebonden energiegebruik. Ook vragendeze leden of kan worden gereflecteerd op of er voldoende informatiebeschikbaar is over het energiegebruik van bedrijven om de balans tussengebouwgebonden en energiegebonden energiegebruik te bepalen?Veel bedrijven en instellingen zoals bakkers, stomerijen, winkels, horecaen zwembaden gebruiken op dit moment aardgas voor het verwarmenvan het gebouw en voor bedrijfsprocessen. De aanwijsbevoegdheid heeftbetrekking op de verduurzaming van de warmtevoorziening vangebouwen en voor zover op dezelfde locatie milieubelastende activiteitenworden verricht, ook op milieubelastende activiteiten. Dit volgt uitartikel 6.12a van de Energiewet, zoals ingevoegd met de Wgiw. Het moet10TNO Energiearmoede kaart Nederland.11Sociaal-economische status; scores per wijk en buurt, regio-indeling 2024 | CBS.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 509 dus hoofdzakelijk gaan om de verduurzaming van de warmtevoorzieningvan gebouwen. Hieronder valt ook utiliteitsbouw.Buiten de uitzonderingen zoals opgenomen in artikel 5.131d van hetBesluit kwaliteit leefomgeving – zoals dat ETS-1-bedrijven niet mogenworden aangewezen – is het verder aan gemeenten welke gebouwen enprocesgebonden energiegebruik van milieubelastende activiteiten zijmeenemen in de wijkaanpak. Zoals in de nota van toelichting bij hetontwerpbesluit is toegelicht hebben gemeenten deze keuze omdat dewijkgerichte aanpak, en bijvoorbeeld ook de infrastructuur van eengasnet, een sterke geografische component kent. Het ligt niet voor dehand om binnen een gebied dat is aangewezen om het gebruik vanaardgas op termijn te stoppen een uitzondering te maken voor slechts éénof enkele gebruikers, omdat dit onder meer leidt tot hogere kosten voorde samenleving als geheel. Dat geldt óók voor bedrijven en instellingenmet procesgebonden aardgasgebruik.Om gemeenten meer inzicht te geven in de utiliteitsbouw is eendashboard utiliteit in de wijkaanpak ontwikkeld. Dit dashboard geeft opbuurtniveau zicht op de aanwezigheid van utiliteitsgebouwen in aantallenen gedifferentieerd naar functie. In het dashboard vinden gemeenteninformatie onder meer over het aantal groot- en kleingebruikers aanslui-tingen en typische energie intensieve bedrijvigheid. Gezien de diversiteitvan de utiliteitsbouw is het verder van belang dat gemeenten dit inzichtaanvullen vanuit de praktijk. Daarbij kunnen bijvoorbeeld energiescansvan bedrijven behulpzaam zijn. Ook hebben gemeenten in elk geval eenbeeld bij milieubelastende activiteiten die reeds onder de energiebespa-ringsplicht vallen. Zij kunnen ook zelf regels stellen ten aanzien van diemilieubelastende activiteiten.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie[10]De leden van de NSC-fractie vragen of met de bestaande ondersteunings-programma’s de motie Postma12 wordt uitgevoerd. Ook vragen dezeleden om helder te schetsen hoe de energiehuizen eruit gaan zien,wanneer deze gerealiseerd zijn, waar huishoudens terecht kunnen dieoverstappen op een collectieve warmtevoorziening voor dat dezeenergiehuizen gerealiseerd zijn en of middelen ter beschikking gesteld zijnaan gemeenten om deze energiehuizen te realiseren?Bestaande ondersteuningsprogramma’s, waaronder energieloketten,spelen een belangrijke rol om huishoudens te ondersteunen bij deenergietransitie. Inwoners kunnen op dit moment terecht bij hungemeentelijk energieloket voor vragen over de verduurzaming van hunwoning, zo ook voor warmtenetten. Tegelijkertijd is een verdere inves-tering in Energiehuizen wenselijk als instrument om huishoudens enondernemers in een kwetsbare positie proactief te benaderen, vertrouwente winnen via persoonlijk contact en hen de begeleiding te bieden dienodig is om te starten met energiebesparende maatregelen. Daar zijn ookmiddelen voor beschikbaar. De Staatssecretaris van Sociale Zaken enWerkgelegenheid heeft met zijn update over de inzet van het SociaalKlimaatplan13 op hoofdlijnen geschetst hoe energiehuizen eruit komen tezien. In de eerste helft van 2026 wordt uw Kamer verder geïnformeerdover de stand van zaken en invulling.12Kamerstukken II 2023/24, 36 387, nr. 29.13Kamerstukken II 2024/25, 32 813, nr. 1533.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5010 [11]De leden van de NSC-fractie vragen welke ondersteuning gemeentenkrijgen om de participatie-uitgangspunten van het Programma Aardgas-vrije Wijken te gebruiken en in te zetten en hoe de regering controleert datgemeenten dit daadwerkelijk meenemen. Ook vragen deze leden of deregering op andere manieren al gebruik kan maken van de lessen uit deproeftuinen?Draagvlak onder bewoners en andere belanghebbenden is van grootbelang in de lokale warmtetransitie. Gemeenten krijgen via een aantalverschillende sporen ondersteuning bij het creëren daarvan. Een grootdeel van deze sporen worden door het NPLW uitgevoerd. Dit programmaondersteunt gemeenten bij hun regierol in de overstap naar aardgasvrijegebouwen en een duurzame warmtevoorziening. Dit doen zij door middelvan een aantal activiteiten. Het NPLW richt zich voornamelijk op hetsignaleren en agenderen van kansen en belemmeringen bij uitvoering enbeleid, het ondersteunen en informeren van gemeenten over recenteontwikkelingen en kansen en het verbinden van gemeenten aan relevantestakeholders. De proeftuinen aardgasvrije wijken zijn opgezet om ervaringop te doen en lessen te leren over hoe de wijkgerichte aanpak bij hetverduurzamen van de gebouwde omgeving het beste ingericht kanworden.Op het terrein van participatie zijn in de proeftuinen waardevolle lessengeleerd.Participatie is mede daarom een belangrijk uitgangspunt binnen het Bgiw.Omdat gebleken is dat participatie maatwerk is, is het niet als eenafzonderlijke, juridisch afdwingbare verplichting opgenomen in het besluitzelf, maar is aangesloten bij de huidige regelgeving over participatie inartikel 10.8 van het Omgevingsbesluit. Hieruit volgt dat gemeentenverplicht zijn om belanghebbenden vroegtijdig te betrekken bij beleids-vorming en besluitvorming, waaronder het opstellen van het warmtepro-gramma. Gemeenten moeten in hun warmteprogramma onderbouwenhoe zij inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en anderebelanghebbenden hebben betrokken bij de totstandkoming van het beleid.Het NPLW heeft dan ook veel informatie over participatie beschikbaar,onder meer als onderdeel van de handreiking over het opstellen van hetwarmteprogramma14.[12]De leden van de NSC-fractie hebben een aantal vragen over de borgingvan de betaalbaarheid. Deze leden vragen de Minister om aan te gevenwanneer gemeenten voldoende rekening hebben gehouden met destijging van de maandelijkse woonlasten, de financierbaarheid vanmaatregelen en kwetsbare huishoudens. Vervolgens vragen deze ledenom aan te geven of gemeenten daartoe naar het gebiedsniveau of naareen individueel niveau moeten kijken. Ook vragen deze leden om aan tegeven welke data beschikbaar zijn voor gemeenten om voldoenderekening te houden met bovenstaande aspecten. De leden van deNSC-fractie vragen of de regering bereid is in het besluit een grondslag opte nemen die ervoor zorgt dat gemeenten in het kader van de warmtetran-sitie meer informatie over kwetsbare huishoudens kunnen krijgen en omdit uit te werken in de ministeriële regeling. Vervolgens vragen deze ledende regering om uit te leggen of en hoe het kader voor betaalbaarheidvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare inwoners, inclusief de 30%voor wie de betaalbaarheid niet geborgd hoeft te worden. Ook vragendeze leden de regering om een onderzoek te starten om inzichtelijk temaken welk flankerend beleid nodig is zodat een gemeente bij het besluit14Handreiking Warmteprogramma.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5011 om de bevoegdheid in te zetten, gegarandeerd wordt dat bestaandfinancieel instrumentarium beschikbaar blijft.Zoals aangegeven bij het antwoord op de vraag 5 en 8 zien de instructie-regels toe op de betaalbaarheid voor de eindgebruiker, zoals woningeige-naren en huurders. Daartoe moeten gemeenten 1) waarborgen dat deverwachte kosten voor tenminste 70% van de woningen binnen hetwarmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven de verwachte batenen 2) rekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder degevolgen voor de maandlasten. De instructieregel «rekening houden met»in de Omgevingswet betekent dat de gevolgen voor de maandlasten eenzwaarwegend belang is binnen de bredere belangenafweging van degemeente. Ook andere belangen spelen hierbij een rol, zoals de verwachtenationale kosten van de aanpak, draagvlak naar aanleiding van inspraaken participatie en de technische haalbaarheid, zoals de capaciteit enbeschikbaarheid van de alternatieve energievoorziening. Die belangenaf-weging is aan gemeenten zelf. Vervolgens houdt de provincie interbe-stuurlijk toezicht. In antwoord op vraag 5 wordt uitgebreider ingegaan opdeze vraag.Zoals beschreven in nota van toelichting bij het ontwerpbesluit zijn deinstructieregels gericht op het berekenen van de betaalbaarheid vooreindgebruikers in een wijkaanpak, onder andere op basis van eenreferentieverbruik van bewoners. Daarmee biedt de berekening eengoede, maar geen exacte weergave van de betaalbaarheid voor indivi-duele bewoners of huishoudens. Van gemeenten wordt met het oog op deuitvoerbaarheid van de regels ook niet verwacht om een berekening perindividuele woning uit te voeren. Ook niet voor individuele huishoudensdie in een financieel kwetsbare positie zitten. Om invulling te geven aande strekking van het amendement Erkens c.s.15 ten aanzien van kwetsbareafnemers is het wel van belang dat gemeenten een goed beeld hebbenvan de groep kwetsbare afnemers in een bepaald gebied. In het antwoordop vraag 8 wordt hiertoe onder andere verwezen naar de energiearmoe-dekaart en gegevens over de sociaal-economische status van een wijk ofbuurt.Ten slotte vraagt de fractie van NSC om een onderzoek naar flankerendbeleid. Zoals in het antwoord op vraag 5 en 8 aangegeven, wordt er eenverkenning uitgevoerd naar opties voor aanvullend flankerend beleid ende wenselijkheid daarvan, die bijdragen aan de betaalbaarheid vanverduurzamingsmaatregelen als gevolg van de aanpak van een gemeentevoor het warmtetransitiegebied, bijvoorbeeld voor de groep kwetsbareafnemers en om eventuele schrijnende situaties te voorkomen.De besluitvorming over eventuele aanvullende middelen ten aanzien vande warmtetransitie in de gebouwde omgeving, ook na 2030, en mogelijkaanvullend flankerend beleid is aan een nieuw kabinet. Dit zal invloedhebben op de verwachte betaalbaarheid van de wijkaanpak na 2030 en demate waarin gemeenten de betaalbaarheid kunnen waarborgen.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie[13]De leden van de BBB-fractie vragen hoe de toezegging om bij de evaluatievan de Wgiw expliciet te kijken naar de uitvoerbaarheid voor landelijkgelegen gemeenten is uitgewerkt en hoe wordt geborgd dat in deevaluatie ook de specifieke situatie van plattelandsgemeenten en hunbewoners daadwerkelijk centraal komt te staan.15Kamerstukken II 2023/24, 36 387, nr. 20.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5012 De leden van de BBB-fractie verwijzen naar de toezegging aan de EersteKamer16, naar aanleiding van vragen van het lid Lievense (BBB), dat bij deuiteindelijke evaluatie van de Wgiw ook naar de uitvoerbaarheid voorlandelijk gelegen gemeentes gekeken zal worden. In de Wgiw is erinvoorzien dat de Minister vijf jaar na inwerkingtreding van de wet aan deStaten-Generaal verslag doet over de doeltreffendheid en de effecten vande wet in de praktijk. De toezegging zal bij deze evaluatie wordenmeegenomen. De termijn van vijf jaar is nog niet gestart omdat de wetnog niet in werking is getreden. Vooruitlopend op de evaluatie wordt devoortgang van de wijkaanpak op verschillende manieren gemonitord. Nainwerkingtreding van de wet krijgen gemeenten de bevoegdheid omwijken of gebieden aan te wijzen waar de levering van aardgas zal wordenbeëindigd. Het is van groot belang dat een dergelijke aanwijzing haalbaaren uitvoerbaar is. Dat betekent dat de gemeente zich er van tevoren vanmoet vergewissen dat er een passend en betaalbaar alternatiefbeschikbaar is en dat de uitvoering in de praktijk daadwerkelijk kanworden gerealiseerd. Dit geldt bijvoorbeeld niet alleen voor stedelijkewijken, maar ook voor gebieden op het platteland, waar de omstandig-heden en mogelijkheden vaak anders zijn. In het Bgiw is vastgelegd datgemeenten de voortgang van de lokale warmtetransitie moetenmonitoren (artikel 11.66a van het Besluit kwaliteit leefomgeving) enverslag moeten doen aan de gemeenteraad over de voortgang enresultaten daarvan (artikel 10.49g van het Omgevingsbesluit). Zo wordtvroegtijdig inzicht verkregen in de voortgang van de lokale warmtetran-sitie, de knelpunten die zich voordoen en bijvoorbeeld ook in de specifiekeuitdagingen van onder andere plattelandsgemeenten.[14]De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete middelen en instru-menten de regering beschikbaar stelt om onrendabele kosten te dekken,zodat warmtenetten, waar passend, haalbaar worden, zonder datbewoners of gemeenten onevenredig belast worden?Voor een deel van de warmtetransitie in de gebouwde omgeving zijnwarmtenetten de warmteoplossing met de laagste nationale kosten endaarmee een passende manier om de warmtevraag te verduurzamen17.Er bestaan verschillende subsidieregelingen gericht op het wegnemenvan de onrendabele top van de verschillende onderdelen van de warmte-keten, zoals de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattran-sitie (SDE++) voor duurzame warmtebronnen, de Warmtenetten Investe-ringssubsidie (WIS) voor de aanleg van het warmtenet en onder anderede Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE),Subsidieregeling verduurzaming voor vereniging van eigenaars (SVV) ende Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) voor degebouweigenaar voor de aansluiting op het warmtenet en inpandigeaanpassingen. Daarnaast bestaat er net als voor andere verduurzamings-maatregelen de mogelijkheid om via het Nationaal Warmtefondslaagdrempelige financiering te krijgen tegen gunstige voorwaarden.Voor een deel van deze regelingen is budget uit het Klimaatfondsbeschikbaar tot 2030. Over onder meer de SDE++ en SAH is eerderbesluitvorming over continuering aan de orde.In aanvulling op het bestaande instrumentarium zijn in het Meerjarenpro-gramma Klimaatfonds 2026 middelen toegekend voor een garantiere-geling warmtenetten (€ 174,5 miljoen) en een nationale deelnemingwarmte (€ 87 miljoen). Deze instrumenten ondersteunen de ontwikkeling16Toezegging Wetsevaluatie (36.387) (T03940) - Eerste Kamer der Staten-Generaal.17Actualisatie Startanalyse aardgasvrije buurten 2025 | Planbureau voor de Leefomgeving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5013 van warmtenetten, door warmtebedrijven toegang te bieden tot privatefinanciering onder gunstigere voorwaarden. Hierdoor dalen de kosten enhet benodigde publieke kapitaal.Afsluitend, in de Wet collectieve warmte (Wcw) is opgenomen dat fase 2van de kosten gebaseerde tariefregulering pas ingevoerd wordt nadat derelatieve betaalbaarheid van warmte gewaarborgd is.[15]De leden van de BBB-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat deaanwijsbevoegdheid en bijbehorende verplichtingen de spanning tussende nieuwbouwopgave en verduurzaming vergroot en welke aanvullendemaatregelen worden overwogen om ervoor te zorgen dat corporaties énblijven bouwen én verduurzamen.In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) zijn afspraken gemaakt tussenAedes, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Ministerievan Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over zowel nieuwbouw,betaalbaarheid, leefbaarheid als duurzaamheid. Het geheel is één pakket.Als corporaties voldoen aan de doelstellingen op nieuwbouw, is er nogvoldoende ruimte over om ook te investeren in verduurzaming. Deinschatting is dat 95% van de volkshuisvestelijke opgave haalbaar is. Ineen aantal regio’s sprake is van een financieel tekort. Een groot deel vandeze regionale tekorten kan met aanvullende regionale of provincialesolidariteit tussen corporaties worden opgevangen. Het één gaat inprincipe niet ten koste van het ander.Verduurzaming van woningen kan zorgen voor meer comfort voor dehuurder en een beter betaalbare energierekening. Zowel de bestaandevoorraad op orde houden (leefbaarheid, kwaliteit, comfort) als hetbijbouwen van woningen is essentieel voor een gezonde socialehuursector. De NPA omvatten onder andere de doelstelling van 450.000aardgasvrije huurwoningen in 2034. Van alle genoemde partijen wordthiervoor inzet verwacht, waaronder de inwerkingtreding van wet- enregelgeving zoals de Wgiw en Wcw en het vaststellen van warmtepro-gramma’s door gemeenten. De aanwijsbevoegdheid en bijbehorendeverplichtingen zijn dus ook ondersteunend aan de reeds afgesprokendoelstellingen in de NPA. Er is daarmee geen sprake van een aanvullendedruk of dat het aardgasvrij maken van huurwoningen ten koste gaat vande nieuwbouwafspraken.Gemeenten hebben daarnaast vaak nauw contact over de warmteplannenmet de woningcorporaties die in een desbetreffende wijk, buurt ofdorpskern bezit hebben, bijvoorbeeld over de mogelijke inzet van deaanwijsbevoegdheid en het onderling afstemmen van duurzamewarmteplannen.[16]De leden van de BBB-fractie geven aan dat veel gemeenten, met namekleinere plattelandsgemeenten, onvoldoende middelen en personeelhebben voor de complexe berekeningen en planningen die de warmte-transitie vergt en vragen hoe wordt gewaarborgd dat deze gemeentenstructureel en specifiek ondersteund worden met middelen en expertise.Gemeenten krijgen met de Tijdelijke regeling capaciteit decentraleoverheden voor klimaat- en energiebeleid (CDOKE, tot en met 2025) en viahet gemeentefonds (tot en met 2030) middelen voor de uitvoering van hetdecentrale klimaat- en energiebeleid en worden door het NPLW onder-steund, bijvoorbeeld door middel van het ondersteuningsaanbod bij hetopstellen van een warmteprogramma. Ook geeft het NPLW met praktijk-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5014 voorbeelden inzicht in de voortgang van de warmtetransitie en aanpakkenvan verschillende gemeenten en kunnen andere specifieke uitkeringenaan gemeenten, zoals de SPUK lokale aanpak isolatie, deels gebruiktworden voor gemeentelijke uitvoeringskosten en het ondersteunen vanbewoners bij het verduurzamen.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie[17]De leden van de SP-fractie vragen of de regering bereid is om een hardewoonlastennorm op te nemen, zodat voor bijvoorbeeld 90% van debewoners de maandlasten niet stijgen ten opzichte van het gasreferentie-scenario, en voor de resterende groep een duidelijke limiet wordtvastgelegd. Ook vragen deze leden waarom niet is gekozen voor eenresultaatsnorm in plaats van het vrijblijvende «rekening houden met». Deleden van de SP-fractie vragen wanneer een gemeente voldoenderekening heeft gehouden met de stijging van maandlasten, de financier-baarheid van maatregelen en kwetsbare huishoudens; of dit moetgebeuren op individueel niveau of op gebiedsniveau en welke databeschikbaar zijn voor gemeenten om betaalbaarheid en kwetsbaarheid tetoetsen. Vervolgens vragen deze leden of de regering bereid is om in hetbesluit een grondslag op te nemen die gemeenten toegang geeft totnoodzakelijke gegevens over kwetsbare huishoudens.Nee, de regering neemt met het oog op de uitvoerbaarheid van detransitie geen harde woonlastennorm op. Zoals aangegeven bij hetantwoord op de vraag 5 en 8 bevat het ontwerpbesluit met de instructie-regels wel waarborgen voor de betaalbaarheid voor eindgebruikers, zoalswoningeigenaren en huurders. Daartoe moeten gemeenten 1)waarborgen dat de verwachte kosten voor tenminste 70% van dewoningen binnen het warmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen bovende verwachte baten en 2) rekening houden met de financiëlehaalbaarheid, waaronder de gevolgen voor de maandlasten.De regering heeft ook met het oog op de uitvoerbaarheid van de transitiegeen resultaatsnorm opgenomen voor de financiële haalbaarheid,waaronder de maandlasten. De instructieregel «rekening houden met» inde Omgevingswet betekent de gevolgen voor de maandlasten eenzwaarwegend belang zijn binnen de bredere belangenafweging van degemeente. Ook andere belangen spelen hierbij een rol, zoals de verwachtenationale kosten van de aanpak, draagvlak naar aanleiding van inspraaken participatie en de technische haalbaarheid, zoals de capaciteit enbeschikbaarheid van de alternatieve energievoorziening. Die belangenaf-weging is aan gemeenten zelf. Vervolgens houdt de provincie interbe-stuurlijk toezicht. In antwoord op vraag 5 wordt uitgebreider ingegaan opdeze vraag.Bij het rekening houden met de financiële haalbaarheid moetengemeenten ook oog hebben voor de groep kwetsbare afnemers. Bijvoor-beeld door goed in kaart te brengen in welke mate er sprake is vanenergiearme huishoudens in de desbetreffende wijk of buurt. Gemeentenkunnen hierbij gebruik maken van de energiearmoedekaart18 en gegevensover de sociaal-economische status van een wijk of buurt19.De precieze rekenregels waarmee gemeenten moeten berekenen of hetplan van een gemeente voor een wijk, buurt of dorpskern voldoet aan deinstructieregels betaalbaarheid worden uitgewerkt in de ministeriële18TNO Energiearmoede kaart Nederland.19Sociaal-economische status; scores per wijk en buurt, regio-indeling 2024 | CBS.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5015 regeling, de Omgevingsregeling. Deze regeling zal meer duidelijkheidgeven over de data, aannames en uitgangspunten die gemeenten voorhet berekenen van de betaalbaarheid moeten gebruiken. Hierbij isrelevant dat de instructieregels gericht zijn op het berekenen van debetaalbaarheid voor de groep eindgebruikers in een wijkaanpak, onderandere op basis van een referentieverbruik van bewoners, en de spreidingdaartussen. Daarmee is de berekening geen exacte weergave van debetaalbaarheid voor individuele bewoners of huishoudens. Zo kan hetwerkelijke energieverbruik en het energiecontract van een bewonerinvloed hebben op de verhouding tussen de kosten en baten vanverduurzaming na investering. In lijn met deze toelichting, en datgemeenten ook omwille van de uitvoerbaarheid niet wordt gevraagd omberekeningen per individueel huishouden uit te voeren, vragen we vangemeenten ook niet om de gevolgen voor de maandlasten per individueelhuishouden te berekenen. Een aparte grondslag voor de verwerking vandit soort persoonsgegevens is dan ook niet voorzien.[18]De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering verwacht datgemeenten op basis van tijdelijke instrumenten betaalbaarheid structureelkunnen garanderen. Deze leden vragen of de regering bereid is om teonderzoeken welk structureel flankerend beleid nodig is om betaal-baarheid te garanderen.De regering benadrukt dat het verduurzamen van wijken alleen lukt alsiedereen mee kan doen en de maatregelen betaalbaar zijn. Gemeentenkunnen tot op zekere hoogte zelf sturen op de betaalbaarheid van eenwijkaanpak, bijvoorbeeld met keuzes voor een bepaalde warmtetechnieken de selectie en afbakening van de gebieden. Daarnaast moeten ookandere randvoorwaarden op orde zijn. De Rijksoverheid zet hier verschil-lende instrumenten voor in. Zo dragen op dit moment subsidies enregelingen zoals de ISDE, lokale aanpak van het Nationaal isolatiepro-gramma en het Warmtefonds bij aan de betaalbaarheid van verduurza-mingsmaatregelen. Veel van deze middelen lopen uiterlijk tot 2030.Zoals aangegeven in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit wordter een verkenning uitgevoerd naar opties voor aanvullend flankerendbeleid, en de wenselijkheid daarvan, die bijdragen aan de betaalbaarheidvan verduurzamingsmaatregelen als gevolg van de aanpak van eengemeente voor het warmtetransitiegebied, bijvoorbeeld voor de groepkwetsbare afnemers en om eventuele schrijnende situaties te voorkomen.Hierbij kan worden gedacht aan middelen ten behoeve van het verkleinenvan een betaalbaarheidstekort voor de groep voor wie de maatregelenzich niet over de levensduur terugverdienen en een vangnet ten behoevevan de groep kwetsbare afnemers, waaronder mogelijke schrijnendesituaties.De besluitvorming over eventuele aanvullende middelen ten aanzien vande warmtetransitie in de gebouwde omgeving, ook na 2030, en mogelijkaanvullend flankerend beleid is aan een nieuw kabinet. Dit zal invloedhebben op de verwachte betaalbaarheid van de wijkaanpak na 2030 en demate waarin gemeenten de betaalbaarheid kunnen waarborgen.[19]De leden van de SP-fractie wijzen op signalen dat de Wgiw kan wordengebruikt om aansluiting op een warmtenet bij huurders als «dringendewerkzaamheden» te bestempelen en daarmee medewerking af tedwingen. Vervolgens vragen deze leden of dit in lijn is met hetuitgangspunt van keuzevrijheid en betaalbaarheid, hoe wordt voorkomendat huurders in de praktijk geen zeggenschap meer hebben, terwijl hunTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5016 woonlasten kunnen stijgen, en of de regering bereid is om expliciet vast teleggen dat de Wgiw niet mag worden ingezet als dwangmiddel zonderharde waarborgen voor betaalbaarheid en zonder duidelijke instemmings-rechten voor huurders.Het ontwerpbesluit versterkt de positie van huurders door instructieregelsdie zijn opgenomen om de betaalbaarheid voor eindgebruikers,waaronder huurders, te waarborgen. Gemeenten moeten rekeninghouden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgen voor demaandlasten. Voor huurders betreft dit de verwachte verandering inmaandelijkse energiekosten van de huurder (eventueel als onderdeel vande servicekosten); en de verwachte verandering in maandelijkse huurprijsvan de huurder (artikel 5.131i, tweede lid, van het Besluit kwaliteitleefomgeving).De Wgiw en het ontwerpbesluit leiden hierbij niet tot wijziging vanartikel 220 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en daardoor niet totwijziging van het begrip dringende werkzaamheden. Dit betekent dat vandringende werkzaamheden sprake kan zijn als de verhuurder op eenbepaald moment moet voldoen aan de eisen die zijn gesteld in hetomgevingsplan, en waarop bestuursrechtelijk kan worden gehandhaafdals sprake is van een onvrijwillige verhuurder die niet meedoet aan deenergietransitie. Ook als het moment waarop het transport van aardgaswordt gestopt nog niet is aangebroken, kan er sprake zijn van dringendewerkzaamheden. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het uitstellen van dewoningaanpassing leidt tot het missen van een groot renovatiemomenten daarmee tot grote financiële schade voor de verhuurder. Dat dewerkzaamheden op een gegeven moment kwalificeren als «dringend»,betekent dat doorberekening in de huur in principe niet mogelijk is; hetbelang van de huurder wordt dan dus daardoor in principe niet geschaad.Dat doorberekening in de huur in principe niet mogelijk is bij dringendewerkzaamheden, kan dan ook dienen als prikkel voor verhuurders omtijdig redelijke renovatievoorstellen te doen, rekening houdende met devoorkeuren van huurders en de betaalbaarheid voor huurders. Eenhuurder kan vervolgens afwegen of hij wil instemmen met de aansluitingop een warmtenet gezien enerzijds de omvang van de renovatie enbijbehorende kosten en anderzijds de gevolgen daarvan voor zijnwoonlasten en hoger wooncomfort.Aansluitend is in de memorie van toelichting bij de Wgiw ingegaan op deaansluiting op een warmtenet door gebruikmaking van de Wgiw. De Wgiwborgt dat het proces bij aansluiting en de besluitvorming bij aansluitingop een warmtenet door de inbedding in de Omgevingswet – en dus ookgoede participatie en een helder democratisch proces – zorgvuldigverloopt.Huurders hebben hierdoor, net als andere bewoners, en gebouweige-naren, de mogelijkheid inbreng te leveren bij de totstandkoming van hetwarmteprogramma en vervolgens de wijziging van het omgevingsplan.Bijvoorbeeld door te participeren of een zienswijze in te dienen bij hetontwerpbesluit tot vaststelling (of wijziging) van het (warmte)programmaof het omgevingsplan.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie[20]De leden van de SGP-fractie vragen of de regering van mening is dat deuitvoeringsplicht proportioneel is op het moment dat onvoldoende zicht isop de daadwerkelijke haalbaarheid en betaalbaarheid ervan. Deze ledenvragen of het bij de (on)haalbaarheid van een wijkaanpak ook gaat om deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5017 borging van de betaalbaarheid, en niet alleen om de technischehaalbaarheid.De bescherming van, en duidelijkheid voor, de burger is een belangrijkereden om de uitvoeringsplicht in het ontwerpbesluit op te nemen. Burgersen andere partijen in een wijk zullen zich op de keuzes in het warmtepro-gramma willen voorbereiden. De aankondiging en het voornemen om deaanwijsbevoegdheid in een bepaald gebied te willen inzetten is nietvrijblijvend. Het voorkomt dat een gemeente het voornemen om deaanwijsbevoegdheid in een bepaalde wijk of buurt wel aankondigt, maaruiteindelijk – zonder dat verder en gemotiveerd toe te lichten – nietuitvoert. Dit zou tot onduidelijkheid bij gebouweigenaren en -gebruikerskunnen leiden. Dat de aankondiging niet vrijblijvend is, is ook relevantgelet op de doelstelling om de gebouwde omgeving per 1-1-2050fossielvrij te maken.20Tegelijkertijd vragen we gemeenten ook niet om het ondoenlijke te doen.De uitvoeringsplicht is niet absoluut. De impact van de uitvoeringsplichtkan variëren door de inhoud van het warmteprogramma, bijvoorbeeld alseen breed scala van maatregelen die niet allemaal gelijktijdig hoeven teworden geëffectueerd, of als het warmteprogramma ruimte laat voor devolgorde of datum van ingang van de maatregelen. Een gemeente kandaarnaast het warmteprogramma (bijvoorbeeld tijdens de actualisatie vanhet warmteprogramma binnen vijf jaar) wijzigen, bijvoorbeeld als nieuweinzichten er aanleiding toe geven om de plannen van de gemeente aan tepassen en/of de aanwijsbevoegdheid niet of later in te zetten. Neem hetvoorbeeld van een gemeente die overweegt om in een bepaalde wijk,buurt of dorpskern de aanwijsbevoegdheid in te zetten en daartoe tervoorbereiding van het warmteprogramma een inschatting maakt van debetaalbaarheid van de aanpak voor dat gebied. Het zou zo kunnen zijn datde factoren die de betaalbaarheid in sterke mate beïnvloeden, zoals deinvesteringskosten en verwachte energieprijzen, de jaren daarop sterkwijzigen en de verwachte betaalbaarheid negatief beïnvloeden. Dit kanertoe leiden dat de gemeente verwacht niet meer te kunnen voldoen aande instructieregels voor het omgevingsplan over betaalbaarheid. Als degemeente niet kan voldoen aan de instructieregels betaalbaarheid en debetaalbaarheid niet kan waarborgen, kan de gemeente de aanwijsbe-voegdheid niet inzetten. De gemeente kan vervolgens het warmtepro-gramma wijzigen, bijvoorbeeld door te kiezen voor een andere techniek,timing of het voornemen om de aanwijsbevoegdheid in te zetten wijzigen.Door de wijziging van het warmteprogramma is de gemeente dan nietgehouden aan de plicht om de aanwijsbevoegdheid in dat gebied in tezetten die uit het vorige warmteprogramma volgde. Kortom, bij hetuitvoeren van het warmteprogramma gaat het naast de technischehaalbaarheid zeker ook om borging van de betaalbaarheid.De controle op de daadwerkelijke uitvoering van maatregelen – ook als ergeen uitvoeringsplicht geldt – ligt bij de vertegenwoordigende organenwaaronder de provincie.21[20]De leden van de SGP-fractie vragen of er meer duidelijkheid kan wordengegeven over de bedrijven en bedrijfsprocessen die wel of niet meege-nomen mogen worden in de aanwijzingsbevoegdheid en hoe ervoorwordt gezorgd dat gemeenten meer inzicht krijgen in de mate waarinbedrijven aardgas nodig hebben voor hun bedrijfsprocessen.20Zie ook Kamerstukken II 2022/23, 36 387, nr. 4 (nader rapport Wgiw).21Zie ook Kamerstukken II 2022/23, 36 387, nr. 3, p. 128–129.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5018 Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord opvraag 9.[21]De leden van de SGP-fractie verwijzen naar de vormgeving van deinstructieregels betaalbaarheid en vragen hoe de regering in dit verbandde wens ziet om rekening te houden met de 5% meest kwetsbarehuishouden en op welke wijze ervoor wordt gezorgd dat gemeentenvoldoende inzicht krijgen in de groep meest kwetsbare huishoudens.Met het ontwerpbesluit is het amendement Erkens c.s.22 verder uitgewerkten zijn er instructieregels opgenomen om de betaalbaarheid vooreindgebruikers, zoals woningeigenaren en huurders, in de wijk tewaarborgen. Het amendement Erkens c.s. benadrukt hierbij de positie vankwetsbare afnemers als bedoeld in artikel 28 van de Elektriciteitsrichtlijn23.Deze richtlijn beschrijft dat voor het begrip kwetsbare afnemers gekekenkan worden naar inkomensniveaus, het percentage dat energie-uitgavenvormen van het besteedbare inkomen, de energie-efficiëntie van huizenen kritieke afhankelijkheid van elektrische apparatuur om gezondheidsre-denen.Deze richtlijn is o.a. geïmplementeerd in de Regeling afsluitbeleid voorkleinverbruikers van elektriciteit en gas. In deze Regeling is het begripkwetsbare afnemer uit de Elektriciteitsrichtlijn alsmede de Gasrichtlijn24geïmplementeerd, waarbij onder kwetsbare consument moet wordenverstaan: een kleinverbruiker voor wie de beëindiging van het transport ofde levering van elektriciteit of gas zeer ernstige gezondheidsrisico’s totgevolg zou hebben voor de kleinverbruiker of huisgenoten van dekleinverbruiker.25 Echter, bij de warmtransitie zitten de risico’s niet zozeerin gezondheidsrisico’s, maar in de betaalbaarheid voor bepaaldeafnemers.Het begrip van kwetsbare afnemer uit de Elektriciteitsrichtlijn sluitdaarnaast nauw aan bij het beleid voor energiearmoede en de definitievan energiearme huishoudens die daarbij wordt gehanteerd: «het gebrekaan toegang van een huishouden tot betaalbare essentiële energie-diensten die de basis vormen voor een behoorlijke levensstandaard engezondheid, als gevolg van een combinatie van factoren, waaronderonvoldoende besteedbaar inkomen, hoge energie-uitgaven, slechteenergetische kwaliteit van woningen en weinig investeringsmogelijk-heden voor verduurzaming»26. Deze invulling van het begrip is betertoepasselijk voor de warmtetransitie. In de verder uit te werken minis-teriële regeling Regeling gemeentelijke instrumenten warmtetransitie zalnader invulling worden gegeven aan het begrip kwetsbare afnemers bijhet inzetten van de aanwijsbevoegdheid.22Kamerstukken II 2023/34, 36 387, nr. 20.23Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffendegemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging vanRichtlijn 2012/27/EU (herschikking).24Richtlijn (EU) 2024/1788 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffendegemeenschappelijke regels voor de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas enwaterstof, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2023/1791 en tot intrekking van Richtlijn 2009/73/EG(herschikking).25Zie artikel 1 van de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas.26Zie ook: Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955(herschikking).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5019 Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 17 wordt van gemeenten,onder andere omwille van de uitvoerbaarheid, niet gevraagd omberekeningen per individueel huishouden uit te voeren. Wel vragen wevan gemeenten om de gebieden waar ze mee aan de slag willen goed inkaart te brengen, waaronder een beeld te hebben van het aantalenergiearme huishoudens in het voorziene warmtetransitiegebied. Ditwordt verder toegelicht bij het antwoord op vragen 8 en 17.[22]De leden van de SGP-fractie vragen hoe ervoor wordt gezorgd datgemeenten voldoende ruimte krijgen om bijvoorbeeld via gemeentelijkeverduurzamingsregelingen ondersteuning voor langere termijn te bieden,zeker ook met het oog op de genoemde kwetsbare huishoudens.Om een duurzame en aardgasvrije woning voor iedereen binnen bereik tebrengen, zet het Rijk in op een mix van instrumenten, waaronderfinanciering, subsidiëring, normering, beprijzing en ondersteuning. Zo zijner op dit moment middelen beschikbaar voor de ISDE, lokale aanpak vanhet Nationaal isolatieprogramma en het Warmtefonds.In aanvulling op de instructieregels betaalbaarheid in het ontwerpbesluitworden rekenregels uitgewerkt bij ministeriële regeling, in de Omgevings-regeling. De rekenregels zullen bestaan uit regels over de gegevens,aannames en uitgangspunten waarmee gemeenten de betaalbaarheidberekenen. Een belangrijk uitgangspunt bij de rekenregels is om uit tegaan van bestaand en aangekondigd beleid, ook ten aanzien debeschikbare subsidies en regelingen die bijdragen aan de betaalbaarheiden de tijdelijkheid daarvan. Zo zijn op dit moment veel middelen uiterlijktot en met 2030 beschikbaar.Zoals in het antwoord op vraag 5 en 8 aangegeven wordt er eenverkenning uitgevoerd naar opties voor aanvullend flankerend beleid en isde besluitvorming over eventuele aanvullende middelen ten aanzien vande warmtetransitie in de gebouwde omgeving, ook na 2030 en mogelijkaanvullend flankerend beleid, aan een nieuw kabinet.[23]De leden van de SGP-fractie vragen of de Minister gemeenten meer tijdwil geven voor het vaststellen van een warmteprogramma?Ja. Ik begrijp de zorgen over de datum voor het vaststellen van hetwarmteprogramma en ben voornemens om deze datum voor deverplichte vaststelling van het eerste warmteprogramma aan te passennaar 31 december 2027.Een belangrijke reden voor deze aanpassing is dat de inwerkingtredingvan de Wgiw, het Bgiw en de Regeling gemeentelijke instrumentenwarmtetransitie (Rgiw) nu voorzien is voor 1 juli 2026 in plaats van1 januari 2026. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure waargemeenten aan gehouden zijn om tot de vaststelling van het warmtepro-gramma te komen, en waar bijvoorbeeld bewoners hun zienswijze kunnenindienen, kent een beslistermijn van 6 maanden, die verlengd kan wordenmet 6 weken. Daarvoor zal nog een participatieproces worden doorlopen.Omdat het niet in de rede ligt dat gemeenten op de dag van de inwerking-treding van de Wgiw en Bgiw het ontwerp-warmteprogramma ter inzagevoorleggen – en dus naar verwachting mogelijk tot na 31 december 2026nodig hebben om het warmteprogramma vast te stellen – geven wegemeenten meer tijd voor het vaststellen van het eerste warmtepro-gramma.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5020 Dit neemt niet weg dat het gemeente ook vrij staat om het warmtepro-gramma eerder dan 31 december 2027 vast te stellen. Zo geeft eenvastgesteld warmteprogramma duidelijkheid aan bewoners en anderebelanghebbenden over de plannen van gemeenten voor de lokalewarmtetransitie.[24]De leden van de SGP-fractie vragen waarom er is gekozen voor hetaanscherpen van de energieprestatie voor technische bouwsystemen ineen warmtetransitiegebied en of de Minister bereid is om dezeaanscherping te heroverwegen.Met de aanpassing van het ontwerpbesluit hoeft een alternatief dat alsinvulling van de opt-out wordt gekozen niet langer een met het gemeen-telijk alternatief gelijkwaardige maatregel te zijn, maar moet die minimaalvoldoen aan een te hanteren grenswaarde voor de energieprestatie. Opdeze manier is er altijd een alternatief voorhanden, is deze grenswaarde inalle wijken hetzelfde en hoeft de eigenaar geen ingewikkelde berekeningte laten uitvoeren of het alternatief gelijkwaardig is aan het gemeentelijkealternatief.Hierbij wordt de energieprestatie van technische bouwsystemen berekendmet een rekentool op basis van de bepalingsmethode voor de energie-prestatie (NTA8800). In het kader van efficiënt energiegebruik is in 2023door W/E Adviseurs onderzocht wat een te hanteren grenswaarde van deenergieprestatie zou kunnen zijn. Daarbij is een afweging gemaakt tussenenergie-efficiënte en een grenswaarde waaraan de meeste gangbaretechnische bouwsystemen voor ruimteverwarming kunnen voldoen. Dewaarde die nu in het ontwerpbesluit is opgenomen, een maximale waardevan 0,7, is het resultaat van dit onderzoek. De meeste gangbare all-electricsystemen, zoals warmtepompen, voldoen ruimschoots aan deze eis. Ditgeldt ook voor systemen die gebruik maken van zonnewarmte incombinatie met een warmtepomp. Elektrische cv-ketels en biomassagestookte ketels voldoen in de meeste gevallen niet.Het is uiteindelijk aan de eindgebruiker om binnen de gestelde eis tekomen tot een passend alternatief. Het feit dat bepaalde, minder energie-efficiënte systemen hiervan worden uitgesloten acht de regering mede inhet licht van de netbelasting en fijnstofproblematiek acceptabel. Wel zal –mede in het licht van de gemoderniseerde bepalingsmethode voor deenergieprestatie in het kader van de EPBD IV27 (voorzien voor 2030) – devinger aan de pols gehouden worden en zo nodig de grenswaardeworden bijgesteld. Een eventuele bijstelling heeft overigens geen effectop bouwsystemen voor ruimteverwarming die eerder al zijn vervangen.27Richtlijn (EU) 2024/1275 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffendede energieprestatie van gebouwen (herschikking).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 387, nr. 5021
Bron, video en gesprek →0debatten
532bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken
Geboren in 1977 te Hoorn · Woonplaats: 's-Gravenhage
Commissies
Geen huidige commissielidmaatschappen beschikbaar in de Kamerdata.
Eerdere commissies (28)
- Presidium · 27 mei 2025 – 11 nov 2025
- Benelux Interparlementaire Assemblee · 27 jan 2025 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid · 11 dec 2024 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp · 11 dec 2024 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat · 11 sep 2024 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening · 11 sep 2024 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening · 3 sep 2024 – 11 sep 2024
- Vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur · 3 sep 2024 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit · 3 sep 2024 – 2 jul 2024
- Vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei · 3 sep 2024 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Economische Zaken · 2 jul 2024 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp · 2 jul 2024 – 3 sep 2024
- Contactgroep Verenigde Staten · 20 jun 2024 – 11 nov 2025
- Contactgroep Verenigd Koninkrijk · 21 mrt 2024 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat · 16 jan 2024 – 10 sep 2024
- Commissie voor de Werkwijze · 16 jan 2024 – 11 nov 2025
- Vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat · 12 dec 2023 – 2 jul 2024
- Commissie voor de Rijksuitgaven · 12 dec 2023 – 12 jun 2025
- Vaste commissie voor Koninkrijksrelaties · 12 dec 2023 – 3 sep 2024
- Vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking · 12 dec 2023 – 2 jul 2024
- Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken · 12 dec 2023 – 3 sep 2024
- Vaste commissie voor Financiën · 12 dec 2023 – 3 sep 2024
- Vaste commissie voor Europese Zaken · 20 jun 2019 – 30 mrt 2021
- Vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid · 20 jun 2019 – 30 mrt 2021
- Vaste commissie voor Financiën · 20 jun 2019 – 30 mrt 2021
- Vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap · 20 jun 2019 – 12 nov 2019
- Vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat · 20 jun 2019 – 30 mrt 2021
- Vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport · 6 jun 2019 – 20 jun 2019
Contact
Contactgegevens worden alleen getoond voor zittende Kamerleden.
Loopbaan
Geen loopbaangegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Opleiding
Geen opleidingsgegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Nevenfuncties
- Voorzitter CDA Den Haag
- Trainer Eduardo Frei Stichting
- Networking, Strategy & Consulting
- Lid Raad van Toezicht Leger des Heils
- Gastdocent universiteit Leiden · inkomsten: 2019 475.00 EUR 4 x per jaar
- Gastdocent Universiteit Leiden
- Directeur/Bestuurder Stichting de Noordzee
- Dialoogmaker CDA partij
- Bestuurslid Eduardo Frei Stichting
Geschenken en reizen
- Ontvangen tijdens een werkbezoek aan Loodswezen in Hoek van Holland een tas met onder andere het boek “gepeild verleden: 700 jaar Loodswezengeschiedenis in Nederland” van Anne Doedens en Matthieu Borsboom en een thermosfles. De waarde is onbekend. · 6 okt 2025
- Ontvangen bij petitieaanbieding in de Tweede Kamer een Smart co2 Sensor. De waarde is onbekend. · 9 sep 2025
- Ontvangen van Leger des Heils Den Haag een tas met tweedehands kleding om te dragen op Prinsjesdag. De waarde is onbekend. · 1 sep 2025
- Ontvangen van Booking.com kaarten voor een boottocht tijdens SAIL OUT Parade Amsterdam. De waarde is onbekend. · 24 aug 2025
- Ontvangen tijdens een werkbezoek op een schip van de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders (KVNR) een lunch. De waarde onbekend. · 22 aug 2025
- Ontvangen van de Provincie Zeeland tijdens een werkbezoek kaarten voor boottocht tijdens SAIL Amsterdam 2025. De waarde is onbekend. · 21 aug 2025
- Ontvangen tijdens een werkbezoek aan Urenco in Almelo een lunch. De waarde is onbekend. · 19 aug 2025
- Ontvangen tijdens een werkbezoek aan Luchtverkeersleiding Nederland een lunch. De waarde is onbekend. · 14 aug 2025
- Ontvangen tijdens een werkbezoek aan UGS Norg een lunch. De waarde is onbekend. · 11 aug 2025
- Ontvangen een werkbezoek aan de Gemeente Rotterdam inclusief twee kaartjes voor het North Sea Jazz festival. De waarde is onbekend. · 11 jul 2025
- Deelgenomen aan een werkbezoek in Gemeente Maastricht inclusief een bezoek aan de Einsteintelescoop, een concert van André Rieu en een diner. De waarde is onbekend. · 4 jul 2025
- Ontvangen tijdens werkbezoek bij KLM en Transavia een pakket met KLM en Transavia producten waaronder twee modelvliegtuigjes. De waarde is onbekend. · 3 jun 2025
- Ontvangen tijdens een werkbezoek Johnson & Johnson in Leiden een lunch. De waarde is onbekend. · 26 mei 2025
- Deelname aan de Bilderbergconferentie van VNO-NCW inclusief hotelovernachting, diner, ontbijt en lunch. De waarde is onbekend. · 14 apr 2025
- Ontvangen bij een afspraak over circulariteit een pakket haarverzorgingsproducten van L’Oréal. De waarde is onbekend. · 14 apr 2025
- Deelgenomen aan een diner met The House of Commons (UK Parliament) Environmental Audit Committee. De waarde is onbekend. · 17 mrt 2025
- Deelgenomen aan een lunch met de burgemeester van Borsele tijdens een werkbezoek aan de Kerncentrale in Borsele. De waarde is onbekend. · 10 feb 2025
- Deelgenomen aan het Zeeuws diner. De waarde is onbekend. · 5 feb 2025
- Ontvangen bij een werkbezoek van Cosun een pakket producten van Aviko. De waarde is onbekend. · 27 jan 2025
- Ontvangen bij een werkbezoek van RDW spullen voor in de auto. De waarde is onbekend. · 24 jan 2025
- Ontvangen van Stichting De Noordzee het boek 'De wilde Noordzee' ter waarde van €29,50. · 26 nov 2024
- Ontvangen van Bureau Vergezicht, twee kaartjes voor de filmvoorstelling ‘’De zaak Shell’', ter waarde van €57. · 18 okt 2024
- Ontvangen een blok kaas, een doosje bonbons en twee bakstenen tijdens een afspraak met de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie. De waarde is onbekend. · 11 okt 2024
- Ontvangen tijdens de Goede Doelen Lezing het boek ‘Verslaafd aan ons eigen gelijk’ ter waarde van €18,99,- · 7 okt 2024
- Ontvangen het boek ‘De Efteling sprookjes omnibus’ tijdens werkbezoek aan de Efteling over duurzaamheid, energietransitie & inclusiviteit ter waarde van €26,99. · 30 sep 2024
- Ontvangen een pot ''Zeeuwse Knopen'' (drop) na werkbezoek aan kerncentrale Borssele. De waarde is onbekend. · 1 jul 2024
- Deelgenomen aan Haringpartij. De waarde is onbekend. · 21 jun 2024
- Deelgenomen aan Grow Greener Together Diner. De waarde is onbekend. · 19 jun 2024
- Ontvangen van de Nederlandse Brouwers het Nederlandse bier proefpakket 2024. De waarde is onbekend. · 7 jun 2024
- Deelgenomen aan One Planet diner. De waarde is onbekend · 27 mei 2024
- Deelgenomen aan Aspergediner. De waarde is onbekend. · 24 apr 2024
- Deelgenomen aan VEMOBIN jaardiner. De waarde is onbekend. · 17 apr 2024
- Deelgenomen aan diner na afloop van het Carbon Storage Dialogues. De waarde is onbekend. · 9 apr 2024
- Deelgenomen aan het Waddendiner. De waarde is onbekend. · 17 jan 2024
- Deelgenomen aan het kerstdiner in Nieuwspoort. De waarde is onbekend. · 18 dec 2023
- Ontvangen een Fitbit Charge 4 activiteitentracker ter waarde van €119,-. · 4 feb 2021
- Ontvangen 2 kaarten voor het Edison-gala in Amsterdam, 2 kaarten. De waarde is onbekend. · 10 feb 2020
- Verenigde Staten: Werkbezoek vaste commissie voor Economische Zaken · betaald door Tweede Kamer der Staten-Generaal · 4 mei 2025 – 12 mei 2025
- Brussel, België: Werkbezoek vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening · betaald door Tweede Kamer der Staten-Generaal · 7 apr 2025 – 7 apr 2025
- Brussel, België: Werkbezoek vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei · betaald door Tweede Kamer der Staten-Generaal · 24 mrt 2025 – 24 mrt 2025
- Brussel, België: Werkbezoek vaste commissie voor Economische Zaken · betaald door Tweede Kamer der Staten-Generaal · 9 jul 2024 – 9 jul 2024
Stemgedrag
Bij een hoofdelijke stemming staat de eigen stem. Anders staat de stem van de fractie waarvan dit Kamerlid op de besluitdatum lid was; dat is geen persoonlijke stem.
Geen stemmingen beschikbaar in de Kamerdata.
Partijen door de tijd: Nieuw Sociaal Contract (2023-12-06–2025-11-11) · CDA (2019-06-05–2021-03-30) ·