Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 903Wijziging van de Wet op het primair onderwijs,de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezetonderwijs 2020 en de Wet registeronderwijsdeelnemers in verband met dewettelijke borging van diverse verwerkingen vanpersoonsgegevens in het funderend onderwijs(Wet borging gegevensverwerkingen funderendonderwijs)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING I.Algemeen deel31.Inleiding32.Landelijke veiligheidsmonitor funderend onderwijs42.1Aanleiding42.2Probleembeschrijving72.3Doel van het voorstel72.4Kern van het voorstel72.4.1Wettelijke taak en afbakening82.4.2Eisen aan het instrument en de temonitoren aandachtsgebieden92.4.3Verwerking persoonsgegevens enmitigerende maatregelen102.4.4Informatievoorziening en niet-verplichte deelname122.4.5Rapportage voor deelnemendescholen122.4.6Ministeriële regeling143.Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden153.1Aanleiding163.2Probleembeschrijving173.2.1Verantwoording en vergelijking173.2.2Informatieproducten183.3Doel van het voorstel193.4Kern van het voorstel203.4.1Benodigde gegevens personeel203.4.2Niveau van aggregatie214.Verstrekking gegevens ROD aan NWO224.1Aanleiding en probleembeschrijving224.2Doel en kern van het voorstel235.Verhouding tot hoger recht255.1Algemeen wettelijk kader255.2Landelijke veiligheidsmonitor265.2.1Verhouding tot het wettelijk kader265.2.2Noodzaak & proportionaliteitsafwe-ging27 kst-36903-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 31 5.2.3Geschikt middel voor het te bereikendoel305.2.4Belangenafweging305.2.5Proportionaliteitswaarborgen:risico-mitigerende maatregelen315.2.6Subsidiariteitsbeginsel: alternatieven345.2.7Conclusie355.3Verstrekking personeelsgegevens aan desectorraden365.3.1Doel365.3.2Verhouding tot wettelijk kader365.3.3Mitigerende maatregelen365.3.4Noodzaak385.3.5Proportionaliteit395.3.6Subsidiariteit: Overwogen alternatie-ven405.4Verstrekking gegevens ROD aan NWO425.4.1Noodzaak425.4.2Aansluiting bij systematiek Wetregister onderwijsdeelnemers425.4.3Subsidiariteit: alternatief435.4.4Conclusie436.Verhouding tot nationale regelgeving436.1Verstrekking gegevens ROD aan NWO437.Gevolgen447.1Landelijke veiligheidsmonitor447.1.1Gevolgen voor het doenvermogen447.1.2Gevolgen voor de regeldruk457.2Verstrekking personeelsgegevens aan desectorraden497.3Verstrekking gegevens ROD aan NWO498.Uitvoering, toezicht en handhaving498.1Landelijke veiligheidsmonitor508.2Verstrekking personeelsgegevens aan desectorraden518.3Verstrekking gegevens ROD aan NWO529.Financiële gevolgen5210.Caribisch Nederland5210.1Landelijke veiligheidsmonitor5210.2Verstrekking personeelsgegevens aan desectorraden5310.3Verstrekking gegevens ROD aan NWO5311.Advies en consultatie5311.1.Internetconsultatie5311.1.1Landelijke Veiligheidsmonitor5311.1.2.Verstrekking personeelsgegevensaan de sectorraden5511.1.3Verstrekking gegevens ROD aanNWO5611.2.Autoriteit Persoonsgegevens5711.3.Adviescollege Toetsing Regeldruk5711.3.1.Landelijke veiligheidsmonitor5711.3.2Verstrekking personeelsgegevensaan de sectorraden5811.3.3Verstrekking gegevens ROD aanNWO5912.Inwerkingtreding59II.Artikelsgewijs deel60 Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 32 I. Algemeen 1. Inleiding Kennisgedreven beleid is één van de pijlers om de kwaliteit van hetonderwijs te verbeteren of te verrijken. Daarbij wordt beleid ontwikkeld enuitgevoerd dat effectief en efficiënt is en dat is gebaseerd op bewezenpraktijken en de best beschikbare kennis uit onderzoek. Om kennisge-dreven beleid (ook wel «evidence-informed» werken genoemd) mogelijkte maken moeten organisaties over actuele, betrouwbare en accurategegevens beschikken over de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheidvan het onderwijs in brede zin. Bevoegde gezagen, de PO-raad en deVO-raad (hierna: de sectorraden), de Minister van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (OCW) (hierna: de Minister) en andere stakeholdersgebruiken deze gegevens (i) om informatie te genereren en op basishiervan beleid te ontwikkelen, bij te stellen en te evalueren en (ii) voorverantwoording en het vergelijken van relevante kengetallen.In de afgelopen jaren is de aandacht voor het belang van kennisgedrevenbeleid toegenomen bij alle genoemde actoren, mede in het licht van hetMasterplan basisvaardigheden en de discussie over sturing van hetonderwijs.1 In een aangekondigd wetsvoorstel over de actualisering vandeugdelijkheidseisen zal ook een eis aan bevoegde gezagen (in hetbijzonder gericht op schoolbesturen) worden opgenomen over evidence-informed werken.2 Verder kent de Landelijke Veiligheidsmonitorfunderend onderwijs een specifiek belang vanwege het vergroten van dekennis over de veiligheid op scholen, op basis waarvan de Minister enschoolbesturen gericht veiligheidsbevorderend beleid kunnen voeren. Ditsluit aan bij de agenda ter bevordering van vrij en veilig onderwijs (alsspecifiek onderdeel van en randvoorwaarde voor de onderwijskwaliteit)en het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs.3 Onderhavig wetsvoorstelstrekt er daarom toe een drietal grondslagen te creëren voor deverwerking van persoonsgegevens in het kader van kennisgedrevenbeleid.Er wordt een wettelijke grondslag gecreëerd voor gegevensverwerkingenvoor:1)Het tweejaarlijks afnemen van de Landelijke Veiligheidsmonitor in hetfunderend onderwijs;2)Het verstrekken van personeelsgegevens aan de PO- en VO-raad voorde ondersteuning van schoolbesturen en samenwerkingsverbandenbij verantwoording en vergelijking;3)Het verstrekken van gegevens uit het register onderwijsdeelnemers(ROD) aan de Nederlandse Organisatie voor WetenschappelijkOnderzoek (NWO), ten behoeve van door de NWO gefinancierd engecoördineerd onderwijsonderzoek.De drie onderdelen van het wetsvoorstel worden hieronder nadertoegelicht.1Kamerstukken II 2024/25, 31 293, nr. 775; Kamerstukken II 2024/25, 31 293, nr. 762; Kamer-stukken II 2023/24, 31 293, nr. 732; Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 727; Kamerstukken II2023/24, 31 293, nr. 710; Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 709. Zie ook I. Waterreus &L. Sipma, Kennisingrediënten voor onderwijsbeleid, NRO, maart 2023; https://www.kcbr.nl/beleid-en-regelgeving-ontwikkelen/beleidskompas/kennisgedreven-beleid-maken.2Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 710.3Kamerstukken II 2024/25, 29 240, nr. 157; Kamerstukken II 2024/25, 31 293, nr. 762; Kamer-stukken II 2023/24, 29 240, nr. 138; Kamerstukken II 2022/23, 29 240, nr. 133; Kamerstukken II2022/23, 31 293, nr. 653. Het bij koninklijke boodschap van 23 juni 2025 ingediende voorstel vanwet tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met de versterking van hetveiligheidsbeleid op scholen (Wet vrij en veilig onderwijs) (Kamerstukken 36 777).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 33 BegrippenDaar waar sprake is van primair onderwijs, wordt, tenzij anders aange-geven, ook bedoeld het speciaal basisonderwijs (sbo) en speciaalonderwijs (so). Daar waar het gaat over voortgezet onderwijs omvat dat,tenzij anders aangegeven, ook het voortgezet speciaal onderwijs (vso).Veiligheid betreft de sociale, psychische en fysieke veiligheid op school inaansluiting op de zorgplicht voor de veiligheid zoals opgenomen in desectorwetgeving.4Met het begrip «personeel» wordt aangesloten bij de definitiebepaling inde sectorwetgeving. Daaronder worden naast leraren ook verstaan de(con)rector, (adjunct)-directeur en personeel in een andere functie dan hetgeven van onderwijs. Ook personeel dat zonder benoeming tewerkgesteldis, valt onder deze definitie, zoals uitzendkrachten en gedetacheerden.5Naast de wettelijke term «bevoegd gezag» wordt in de toelichting vaakverwezen naar het «schoolbestuur», waarbij deze term wordt gebruikt alssynoniem voor het bevoegd gezag dan wel als aanduiding van ditonderdeel binnen de rechtspersoon.2. Landelijke veiligheidsmonitor funderend onderwijs Met de Landelijke veiligheidsmonitor funderend onderwijs (hierna: LVM)wordt een noodzakelijke kennisbasis gecreëerd voor het ontwikkelen vandoeltreffend en doelmatig landelijk beleid op het gebied van socialeveiligheid in het funderend onderwijs. Voor de uitvoering van de LVM ishet noodzakelijk om een combinatie van persoonsgegevens te verwerken,waaronder bijzondere persoonsgegevens en bij uitzondering persoonsge-gevens van strafrechtelijke aard. Met dit wetsvoorstel wordt daarvoor debenodigde grondslag gecreëerd. Daarnaast wordt een aantal mitigerendemaatregelen voorgesteld ter bescherming van de rechten en vrijhedenvan de betrokkenen. De toename van de regeldruk als gevolg van ditonderdeel van het wetsvoorstel is zeer beperkt omdat de LVM al vele jarenwordt afgenomen en vanwege de overlap met de reeds bestaandeleerlingmonitorverplichting (zie verder paragraaf 2.4.5. en 7.1.2.).2.1 Aanleiding Elke leerling en elk personeelslid op een school heeft recht op een veiligeschoolomgeving. Tegelijkertijd is een veilig schoolklimaat ook eenrandvoorwaarde voor kwalitatief goed onderwijs. Deze veiligheid isnamelijk nodig voor een optimale leeromgeving en een gezondeontwikkeling van leerlingen. Voor het personeel is een veilig school-klimaat van vitaal belang, zodat zij zich zo goed mogelijk kunnen richtenop de kerntaak van de school, namelijk het aanbieden van goedonderwijs. De veiligheidsbeleving van de leerlingen en het personeelgezamenlijk vormt een belangrijk element van het veiligheidsklimaat opschool. Het is daarom van belang om bij het treffen van maatregelen omde veiligheid op school te verbeteren, beide groepen te betrekken. Omeen veilige schoolomgeving te borgen is in de sectorwetgeving al eenzorgplicht voor de veiligheid op school opgenomen.6 Het bevoegd gezagis daarbij verplicht om jaarlijks de veiligheid op school te monitoren enhet veiligheidsbeleid te evalueren. De resultaten van de leerlingmonitor4Artikel 4c WPO, artikel 5a WEC en artikel 3.40 WVO 2020.5Artikel 1 WPO, artikel 1 WEC en artikel 1 WVO 2020.6Artikel 4c WPO, artikel 3.40 WVO 2020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 34 dienen bij de evaluatie te worden meegenomen.7 De Inspectie van hetOnderwijs (hierna: inspectie) ziet toe op de wijze waarop het bevoegdgezag invulling geeft aan haar zorgplicht.De zorgplicht voor de veiligheid op school is allerminst een eenvoudigetaak. De complexiteit van veel sociaal onveilige situaties maakt dat hetbepalen van de juiste aanpak ingewikkeld is. Bovendien betreft hetuitingsvormen of gedragingen die soms hardnekkig en lang niet altijdzichtbaar zijn, zoals pesten of seksueel grensoverschrijdend gedrag.Daarbij is de samenleving continu in beweging. Door ontwikkelingen zoalssociale media kunnen nieuwe uitingsvormen van onveilig gedragontstaan. Ook kan het veiligheidsklimaat van één specifieke groepverslechteren als gevolg van maatschappelijke spanningen.8 Tegelijkertijdverandert de maatschappelijke kijk op sociale veiligheid en de acceptatievan bepaalde gedragingen.9 Dit alles vraagt veel van scholen.De Minister wil als stelselverantwoordelijke de bevoegde gezagen zo goedmogelijk ondersteunen bij de invulling van hun zorgplicht voor deveiligheid op school. Daarvoor is landelijk beleid op het gebied vansociale veiligheid van belang. Bijvoorbeeld door richting te geven viakaders in de Wet vrij en veilig onderwijs. Ook draagt de inspectie bij aanhet borgen van de sociale veiligheid in het onderwijs, via zowel toezichtop de veiligheid op scholen, het werk van de vertrouwensinspecteurs alsthematische onderzoeken.10 Daarnaast subsidieert de Minister deStichting School en Veiligheid, die scholen ondersteunt bij het bevorderenvan een sociaal veilig klimaat.11Om doeltreffend en doelmatig beleid te kunnen voeren op het gebied vansociale veiligheid en om bevoegde gezagen gericht te kunnen onder-steunen bij de zorgplicht voor de veiligheid op school, is betrouwbarekennis over het landelijk veiligheidsklimaat nodig, inclusief zicht op zoweltrends als trendverschillen op dat gebied (gedifferentieerd zicht).12 Metdat doel wordt in opdracht van de Minister eens in de twee jaren de LVMuitgevoerd.13De resultaten van de meest recente editie van de LVM wijzen op eenstijging van verschillende uitingsvormen van sociaal onveilig gedrag enop belangrijke verschillen in de veiligheid voor bepaalde groepen.14 Een7Bij het ontwerpen van dit wetsvoorstel is uitgegaan van de situatie waarin het bij koninklijkeboodschap van 23 juni 2025 ingediende voorstel van wet tot wijziging van een aantal onder-wijswetten in verband met de versterking van het veiligheidsbeleid op scholen (Wet vrij enveilig onderwijs) (Kamerstukken 36 777) reeds tot wet is verheven.8Sociaal Cultureel Planbureau (2025). Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2025, p. 26.9Een voorbeeld hiervan is de relatief recente ontwikkeling in meningen en probleemperceptieten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Bron: Ipsos (2024). Onderzoekprobleembesef seksueel grensoverschrijdend gedrag, p. 19–20. en de wijdverspreide erkenningervan als maatschappelijk probleem.10Kamerstukken II 2024/25, 29 240, nr. 173; Kamerstukken II 2024/25, 31 293, nr. 780, p. 3–4;Inspectie van het Onderwijs, Overzicht dossiers vertrouwensinspecteurs in het onderwijs2023–2024, december 2024. Zie ook de onderzoekskaders van de Inspectie van het Onderwijswaarin wordt toegezien op «Veiligheid en schoolklimaat», bijv. in Onderzoekskader VE & PO,p. 101–102, 121–122, 139–140.11Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 2, bijlage 4.12Met trends in het veiligheidsklimaat wordt bedoeld de ontwikkeling over meerdere jaren vande cijfers over een bepaald aspect van het veiligheidsklimaat (bijvoorbeeld de pestcijfers). Mettrendverschillen wordt bedoeld de (mogelijk) afwijkende ontwikkeling van die cijfers wanneerspecifiek naar verschillende onderwijssectoren of groepen wordt gekeken.13De LVM werd sinds 2006 in het voortgezet onderwijs en sinds 2010 in het primair onderwijstweejaarlijks uitgevoerd.14ResearchNed (2023). Veilig op school. Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022: veiligheids-beleid en veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs. Bijlage bij: Kamer-stukken II 2022/23, 29 240, nr. 133.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 35 voorbeeld is een stijging van het aantal leerlingen dat aangaf gepest teworden en het aantal leerlingen en personeelsleden dat aangaf te makente krijgen met geweldsincidenten.15 Ook bleek uit die gegevens dat vooralfamilieleden van leerlingen relatief vaak betrokken zijn bij geweldsinci-denten jegens het personeel. Daarnaast bleek bijvoorbeeld dat meisjes inhet voortgezet onderwijs (vo) met andere vormen van pesten te makenkrijgen dan jongens en dat bepaalde groepen zoals lhbtiq+-leerlingen enleerlingen met een migratieachtergrond vaker aangeven het slachtoffer tezijn van uitingsvormen van sociaal onveilig gedrag, zoals pesten ofdiscriminatie.16 Om zicht te kunnen houden op dit soort trends entrendverschillen dienen de resultaten van de LVM uitgesplitst te kunnenworden voor bepaalde onderwijssoorten en voor specifieke groepen.Om de LVM uit te kunnen voeren en de resultaten van de LVM op debenodigde manier uit te kunnen te splitsen is het noodzakelijk persoons-gegevens te verwerken, waaronder bijzondere persoonsgegevens en inuitzonderlijke gevallen persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. Voordeze gegevensverwerkingen is op grond van de Algemene verordeninggegevensbescherming (hierna: AVG) een toereikende grondslag vereist. In2023 werd geconstateerd dat voor de verwerking van persoonsgegevensvoor de LVM een wettelijke grondslag en uitzondering op het verbod opverwerking van bijzondere persoonsgegevens nodig is. Vervolgens heeftde Staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer toegezegd eengrondslag in de onderwijswetgeving op te nemen, zodat de verwerkingvan de benodigde persoonsgegevens op een juiste en passende wijzeverankerd en geborgd is in de wet.172.1.1 Belang van de LVM De LVM is een noodzakelijk instrument om op landelijk niveau zicht tekrijgen en te houden op de (sociale) veiligheid en de veiligheidsbelevingop school. In de eerste plaats geeft de LVM het noodzakelijke inzicht inverschillende aandachtsgebieden ten aanzien van de sociale, psychischeen fysieke veiligheid op school. De LVM geeft inzicht in de ervaringen metverschillende uitingsvormen van onveilig gedrag (de feitelijke veiligheid),het veiligheidsgevoel (de ervaren veiligheid), en het welbevinden vanleerlingen en personeel. Bovendien geeft de LVM inzicht in de matewaarin specifieke onderdelen van veiligheidsbeleid op school door dedeelnemers in de praktijk worden herkend. Ten tweede legt de LVMmeerjarige trends én trendverschillen op die verschillende (aandachts)ge-bieden bloot (gedifferentieerd zicht), doordat de resultaten kunnenworden uitgesplitst en over verschillende edities met elkaar vergelekenkunnen worden. De periodieke metingen zorgen er tevens voor dat betereinschattingen kunnen worden gemaakt van de validiteit van de resultaten,wat bijdraagt aan de betrouwbaarheid van de kennis en de kwaliteit vanhet daarop gebaseerde beleid.18 Door het veiligheidsklimaat vanuit dezeverschillende perspectieven te bekijken, kunnen afzonderlijke resultatenbeter worden geïnterpreteerd en geduid. Dergelijk multidimensionaal15ResearchNed (2023). Veilig op school. Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022: veiligheids-beleid en veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs, p. 4. Bijlage bij:Kamerstukken II 2022/23, 29 240, nr. 133.16ResearchNed (2023). Veilig op school. Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022: veiligheids-beleid en veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs, p. 14. Bijlage bij:Kamerstukken II 2022/23, 29 240, nr. 133.17Kamerstukken II 2024/25, 29 240, nr. 157.18Bij het meten in een bepaalde steekproef is het mogelijk dat de gemeten verschillen alleen indíe steekproef vóórkomen en dus toevallig zijn. Door de meting te herhalen bij telkens eenandere steekproef en te beoordelen hoe stabiel dat beeld blijft, is het beter mogelijk om in teschatten hoe betrouwbaar de resultaten zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 36 zicht op het veiligheidsklimaat is cruciaal voor het identificeren van dejuiste aangrijpingspunten voor gericht landelijk beleid.2.2 Probleembeschrijving Vanwege het ontbreken van de benodigde grondslag voor het verwerkenvan de benodigde (bijzondere en strafrechtelijke) persoonsgegevens kande LVM niet worden gecontinueerd.19 De benodigde kennis over deveiligheid in het funderend onderwijs kan daardoor niet tot stand wordengebracht, wat de ontwikkeling van doeltreffend en doelmatig landelijkbeleid voor de veiligheid in het funderend onderwijs hindert. Daardoorontstaat het risico dat de randvoorwaarden voor de veiligheid enuiteindelijk ook de kwaliteit van het onderwijs minder goed kunnenworden geborgd.20 Een voorbeeld van beleidsmaatregelen die zonder deLVM zouden zijn bemoeilijkt of überhaupt wellicht niet bedacht waren, zijnverscheidene maatregelen in het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs. Deresultaten van eerdere edities van de LVM zijn namelijk gebruikt voor hetontwerpen en onderbouwen daarvan.2.3 Doel van het voorstel Het uitgangspunt van de regering is dat de veiligheid van alle leerlingenen personeelsleden in het funderend onderwijs zo goed mogelijk wordtgeborgd. Met het oog daarop is het primaire doel van dit onderdeel vanhet wetsvoorstel om het mogelijk te maken de LVM uit te voeren endaarmee een betrouwbaar, gedifferentieerd en geanonimiseerd landelijkbeeld te vormen van het veiligheidsklimaat in het funderend onderwijs entegelijkertijd om daarbij de rechten en vrijheden van de betrokkenen tebeschermen. Daarmee is dit onderdeel van het wetsvoorstel noodzakelijkom kennisgedreven beleid op het terrein van veiligheid op scholen tebevorderen. Het secundaire doel van dit wetsvoorstel is om het mogelijkte maken dat het bevoegd gezag van deelnemende scholen de LVM inzetals monitoringsinstrument in het kader van de eigen zorgplicht voor deveiligheid op school, om te voorkomen dat leerlingen dubbel bevraagdmoeten worden. Hierdoor wordt onnodige toename van de regeldruk voorscholen en een onnodige extra inbreuk op de privacy van de deelne-mende leerlingen voorkomen.212.4 Kern van het voorstel Met dit wetsvoorstel wordt ten eerste de Minister de wettelijke taakopgelegd om eenmaal in de twee schooljaren de psychische, fysieke ensociale veiligheid van leerlingen en personeel in het funderend onderwijste monitoren met de LVM. Ten tweede wordt geregeld dat de monitorgestandaardiseerd, valide en betrouwbaar is en inzicht geeft in een selectaantal aandachtsgebieden. Ten derde wordt vastgelegd dat de Ministerverwerkingsverantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsge-gevens ten behoeve van de landelijke veiligheidsmonitor. Ten vierdewordt vastgelegd dat er (bijzondere en strafrechtelijke) persoonsgegevens(kunnen) worden verwerkt bij de uitvoering van de LVM en worden regelsgesteld om een beperkte en zorgvuldige verwerking van deze persoonsge-gevens te borgen en de toegang tot de persoonsgegevens te beperken.19Kamerstukken II 2023/24, 29 240, nr. 138, p. 9–10; Kamerstukken II 2024/25, 29 240, nr. 157.20Kwaliteitsonderwijs is ook Sustainable Development Goal 4 (SDG),zie: https://www.sdgnederland.nl/SDG/4-kwaliteitsonderwijs/.21Onder deze zorgplicht vallen de verplichting om jaarlijks de veiligheidsbeleving te monitorenen de verplichting om o.a. op basis van die resultaten jaarlijks het veiligheidsbeleid teevalueren. De evaluatieverplichting is vastgelegd in de Wet vrij en veilig onderwijs (Kamer-stukken 36 777).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 37 Ten vijfde wordt geregeld dat leerlingen, hun ouders en personeelsledengeïnformeerd worden over de afname van de landelijke veiligheidsmo-nitor, en dat deelname niet verplicht is. Ten zesde wordt geregeld dat deMinister een schoolrapportage verstrekt aan het bevoegd gezag van descholen waarmee de LVM in samenwerking wordt afgenomen. Ten slottewordt een delegatiegrondslag geregeld om bij ministeriële regelingkaders vast te stellen met betrekking tot de achtergrondkenmerken enonderwerpen die nodig zijn voor het inzicht in de hiervoor genoemdeaandachtsgebieden, het uitvoeringsproces en de inhoud van de landelijkerapportage en schoolrapportage. Het uiteindelijke streven is hierbij omdoor middel van de LVM een betrouwbaar en gedifferentieerd beeld tekrijgen van de veiligheid op scholen dat kan bijdragen aan doeltref-fendheid en doelmatigheid van zowel het landelijke veiligheidsbeleid alshet veiligheidsbeleid dat de deelnemende scholen zelf voeren.2.4.1 Wettelijke taak en afbakening Met dit wetsvoorstel wordt een wettelijke taak voor de Minister gecreëerdom de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen enpersoneel in het funderend onderwijs te monitoren door middel van deLVM. Hiermee wordt tevens een wettelijke grondslag gecreëerd voor hetverwerken van benodigde persoonsgegevens om de LVM uit te voeren.22Op deze manier wordt het tot stand brengen van de benodigde kennis-basis voor het landelijke beleid structureel geborgd.Een goede invulling van deze wettelijke taak vereist dat er voldoendebetrouwbare informatie wordt gegenereerd, waardoor het mogelijk wordtom de nodige aanknopingspunten voor het landelijke beleid te identifi-ceren. Het gaat daarbij om de sociale, psychische en fysieke veiligheid opschool. Onder sociale veiligheid wordt de mate verstaan waarin leerlingenen personeel zich op school beschermd voelen tegen de onveiligheidveroorzaakt door het handelen van anderen. Onder psychische veiligheidwordt de mate verstaan waarin zij zich op school vrij voelen om zichzelf tezijn, fouten te maken en zich uit te spreken. Ten slotte betekent fysiekeveiligheid de mate waarin leerlingen en personeel zijn beschermd tegenincidenten met fysieke schade tot gevolg.De LVM zal geen betrekking hebben op zaken die buiten de verantwoorde-lijkheid van het bevoegd gezag plaatsvinden, tenzij deze zaken deveiligheidsbeleving van leerlingen of personeel op school aantasten.Hiervoor geldt eenzelfde afbakening als bij de registratieplicht veiligheids-incidenten.23 Dat betekent dat het gaat over zaken die plaatsvinden onderde verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag of ernstige gevolgenhebben voor de orde en veiligheid op school. Voorstelbaar is dat in deLVM leerlingen bevraagd worden op zaken die zij meemaken op school ofbuiten school, maar onder schooltijd (bijvoorbeeld tijdens een studietrip).De LVM kan leerlingen ook bevragen op bijvoorbeeld digitaal pesten, voorzover dat de veiligheidsbeleving van leerlingen of personeel op schoolaantast.Het verwerken van de voor de doelstellingen van de LVM noodzakelijkepersoonsgegevens, waaronder bijzondere persoonsgegevens enpersoonsgegevens van strafrechtelijke aard, dient inzicht te geven in deveiligheid op school. De uitsplitsingen van de resultaten naar specifieke22Conform artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de AVG kunnen persoonsgegevens wordenverwerkt als dat noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang.23Zoals vastgelegd in het bij koninklijke boodschap van 23 juni 2025 ingediende voorstel vanwet tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met de versterking van hetveiligheidsbeleid op scholen (Wet vrij en veilig onderwijs) (Kamerstukken 36 777).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 38 kwetsbare doelgroepen, waarvoor onder andere bijzondere persoonsge-gevens nodig zijn, vinden dan ook enkel plaats voor zover dat noodzakelijkis om een beeld te schetsen van het veiligheidsklimaat voor die specifiekegroepen zelf. Met die informatie kan dan gericht beleid worden gevoerdom de veiligheid van de groepen in kwestie te versterken. Het uitsplitsenvan de resultaten van de LVM voor een bepaalde groep, en daarvoorbenodigde verwerkingen van bijzondere persoonsgegevens, dient er dustoe om de veiligheid van díe specifieke groep in kaart te brengen enuiteindelijk te kunnen borgen via gericht beleid. Het verwerken van diebijzondere persoonsgegevens, bijvoorbeeld over religieuze achtergrond,is dus niet bedoeld voor het in kaart brengen en borgen van de veiligheidvan ándere groepen. Het schetsen van een discriminatoir of stigmati-serend beeld van een specifieke kwetsbare groep in de LVM-rapportage isdus ook niet in overeenstemming met de doelstellingen van ditwetsvoorstel.De LVM dient eens in de twee jaren te worden uitgevoerd. Die frequentieis minimaal nodig om voldoende zicht te krijgen op de trends op hetgebied van veiligheid in het onderwijs. Jaarlijks monitoren op landelijkniveau, zoals dat wel verplicht is voor bevoegde gezagen, is normaliterniet doelmatig omdat de landelijke beleidscyclus langer duurt. Ook leverteen extra bevraging opnieuw een inbreuk op de privacy van deelnemersop. Deze tweejaarlijkse termijn kan daarom niet worden ingekort. Indienbijzondere omstandigheden daartoe noodzaken, kan de tweejaarlijksetermijn wel worden verlengd (bijvoorbeeld met één jaar). Daarbij valt tedenken aan een situatie zoals tijdens de COVID-pandemie, toen leerlingenen personeel vanwege de lockdownmaatregelen gedurende langere tijdniet fysiek bijeen konden komen. De LVM moest daardoor met één jaarworden uitgesteld en kon pas worden afgenomen in het schooljaar2020–2021.Voor het primair onderwijs geldt dat de veiligheid van leerlingen vanaf hetzesde schooljaar wordt bevraagd. Gezien het taal- en leesniveau in delagere schooljaren en aard en omvang van de vragenlijsten, en aangeziende context van de veiligheidsproblematiek bij deze doelgroep anders ligt,is de LVM geen geschikt instrument voor leerlingen in het eerste tot enmet het vijfde schooljaar.2.4.2 Eisen aan het instrument en de te monitoren aandachtsgebieden Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat de LVM een gestandaardiseerd,valide en betrouwbaar monitoringsinstrument is en inzicht biedt in devolgende vier aandachtsgebieden: de feitelijke veiligheid; de ervarenveiligheid; het welbevinden; en het veiligheidsbeleid van scholen. Met degenoemde eisen aan het monitoringsinstrument en de aandachtsge-bieden wordt aangesloten bij de verplichtingen om een leerlingmonitor afte nemen en deze rapportage te verzenden naar de Inspectie van hetOnderwijs (hierna ook: de inspectie).24 Daarnaast kan met de schoolrap-portage worden voldaan aan de in het Wetsvoorstel vrij en veiligonderwijs opgenomen verplichting om het veiligheidsbeleid jaarlijks teevalueren en daarbij de veiligheidsbeleving van het personeel tebetrekken.2524Kamerstukken II 2024/25, 36 777, nr. 2 (artikel 4c, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, WPO;artikel 5a, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, WEC; en artikel 3.40, eerste lid, onderdeel b, enderde lid, WVO 2020). Zie par. 2.4.4 voor de toelichting van de overlap tussen de LVM en degenoemde leerlingmonitoringsverplichting.25Kamerstukken II 2024/25, 36 777, nr. 2 (artikel 4c, tweede lid, onderdeel b, WPO; artikel 5a,tweede lid, onderdeel b, WEC; en artikel 3.40, tweede lid, onderdeel b, WVO 2020).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 39 Met de eis dat de LVM gestandaardiseerd is, wordt uitgedrukt dat de LVMals instrument gebruik maakt van vaste vragen en dat het instrumentvaste procedures kent voor de afname, opslag, verwerking, analyse eninterpretatie van de gegevens. Doordat er gebruik wordt gemaakt vanvaste vragen en procedures kunnen de verschillende opeenvolgendeafnames van de LVM zo goed mogelijk met elkaar vergeleken worden.Valide betekent dat het instrument daadwerkelijk meet wat het beoogt temeten. Wat de resultaten van het instrument laten zien, dient overeen testemmen met wat de deelnemers aan de LVM in werkelijkheid vinden. Totslot dient de LVM betrouwbaar te zijn. Bij herhaling van het onderzoek(onder vergelijkbare omstandigheden) zou de LVM vergelijkbareuitkomsten moeten opleveren. Uitkomsten mogen niet afhankelijk zijn vantoevallige vertekening. Een betrouwbaar onderzoek is reproduceerbaar.26De feitelijke veiligheid heeft betrekking op ervaringen met feitelijkeincidenten die het veiligheidsklimaat beïnvloeden en met verschillende,deels overlappende, verschijningsvormen van sociaal onveilig gedrag.Daarbij kan gedacht worden aan ervaringen met pesten, mishandeling,seksueel grensoverschrijdend gedrag of discriminatie. De ervarenveiligheid heeft betrekking op hoe de leerlingen en het personeel deveiligheid op school beleven en hoe veilig zij zich voelen op school. Hetwelbevinden ziet op de vraag of leerlingen en het personeel zich prettigvoelen op school. Het gaat daarbij om het welbevinden voor zover datverband houdt met de veiligheid.27 Ten slotte dient de LVM inzicht tegeven in het veiligheidsbeleid van scholen. Dit heeft betrekking op deervaringen van leerlingen en personeel met het veiligheidsbeleid.2.4.3 Verwerking persoonsgegevens en mitigerende maatregelen Met dit voorstel wordt geregeld dat persoonsgegevens, waaronder ookbijzondere categorieën persoonsgegevens en persoonsgegevens vanstrafrechtelijke aard, kunnen worden verwerkt voor zover dit noodzakelijkis voor de doelstellingen van de LVM. In hoofdstuk 5 wordt deze noodzaaknader toegelicht. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens ofpersoonsgegevens van strafrechtelijke aard kan plaatsvinden bij hetuitvragen van de gegevens bij leerlingen en personeel, het bewaren vande persoonsgegevens en het aggregeren van de persoonsgegevens.Dit wetsvoorstel legt vast dat de Minister de verwerkingsverantwoorde-lijke is voor de verwerking van deze persoonsgegevens ten behoeve vande landelijke veiligheidsmonitor. De Minister is verantwoordelijk voor denaleving van de AVG en het waarborgen van de bescherming van derechten van deelnemers. In de praktijk zal de Minister de LVM na eenaanbestedingsprocedure laten uitvoeren door een onderzoeksbureau. Tenbehoeve van het uitvoeren van de LVM is de toegang tot persoonsge-gevens daarmee beperkt tot door de Minister gecontracteerde organi-saties. Het onderzoeksbureau verwerkt persoonsgegevens van leerlingenen onderwijspersoneel in dat geval namens de Minister, en is gelet daarop«verwerker» in de zin van de AVG.28 Dat onderzoeksbureau zal afdoendegaranties met betrekking tot het toepassen van passende technische enorganisatorische maatregelen moeten bieden op grond van de AVG29 en26Vgl. Stb. 2020, 209.27Zie de vereisten die gesteld zijn aan de schoolmonitor. Zie Stb. 2020, 209 en het Besluituitbreiding monitor funderend onderwijs zoals dat reeds aanhangig is gemaakt bij de Raadvan State.28De verwerker is een natuurlijke persoon of rechtspersoon, overheidsinstantie, een dienst ofeen ander orgaan die/dat ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke persoonsge-gevens verwerkt.29Artikel 28, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 310 aan de kwaliteits- en beveiligingseisen van de Rijksoverheid moetenvoldoen.30Het wetsvoorstel introduceert daarnaast verschillende risicomitigerendemaatregelen om de rechten van betrokkenen te beschermen. Zo mogendirect identificerende gegevens enkel worden verwerkt wanneer datnoodzakelijk is om leerlingen en onderwijspersoneel uit te nodigen voordeelname aan de LVM. Uitnodigen van individuele leerlingen en perso-neelsleden zal slechts nodig zijn indien de vragenlijsten van de LVMzonder medewerking van de school worden afgenomen, bijvoorbeeld ineen thuissetting. Dat zal alleen noodzakelijk zijn indien schoolafname vande LVM – mét medewerking van scholen – niet mogelijk is of niettoereikend is om de betrouwbaarheid van de resultaten te waarborgen.Ook is een limitatieve opsomming van de categorieën bijzonderepersoonsgegevens die met de LVM verwerkt kunnen worden in hetwetsvoorstel opgenomen. Het verwerken van de volgende categorieënbijzondere persoonsgegevens is voor de LVM niet noodzakelijk:genetische of biometrische gegevens of gegevens waaruit politiekeopvattingen of het lidmaatschap van een vakbond blijken. Voor dezecategorieën wordt geen uitzondering op het verwerkingsverbod geregeld.Daarnaast bepaalt het wetsvoorstel dat uitsluitend persoonsgegevensverwerkt kunnen worden die behoren tot de achtergrondkenmerken enonderwerpen die noodzakelijk zijn voor het inzicht in de eveneens in hetwetsvoorstel opgenomen aandachtsgebieden in de LVM. Deze onder-werpen en achtergrondkenmerken worden vastgelegd in een ministeriëleregeling (zie paragraaf 2.4.6).Daarnaast is opgenomen dat de persoonsgegevens die verwerkt wordenten behoeve van de LVM bewaard worden op een plek die uitsluitendtoegankelijk is voor door de Minister geautoriseerde personen. Daarbijgeldt dat uitsluitend personen die de gegevens nodig hebben voor deuitvoering van de LVM, toegang hebben tot de gegevens. De Minister zelfheeft in beginsel geen toegang, tenzij dat noodzakelijk is om te voldoenaan een wettelijke verplichting, zoals het uitvoeren van een inzage-verzoek.31 Ook dan geldt het uitgangspunt dat de Minister alleen diegegevens ontvangt die daarvoor nodig zijn.32 Andere partijen, zoals debevoegde gezagen van scholen en de inspectie hebben geen toegang totde gegevens die op landelijk niveau zijn verzameld met de LVM. Welkrijgen zij logischerwijs inzage in de landelijke rapportage van de LVM(zonder tot de persoon en tot scholen herleidbare gegevens). Daarnaastkrijgen bevoegde gezagen van scholen die meewerken aan de uitvoeringvan de LVM ook toegang tot gegevens in de schoolrapportage die inbepaalde gevallen indirect herleidbaar kunnen zijn.33 Dit betreft uitsluitendgegevens met betrekking tot leerlingen en onderwijspersoneel die onderverantwoordelijkheid van die school vallen. Daarnaast ontvangt de30Zie onder meer https://www.bio-overheid.nl/category/producten/bio, geraadpleegd op6 januari 2026.31Zie artikel 34 van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming.32De kans dat opvolging gegeven kan worden door de Minister aan een dergelijk inzageverzoekis overigens klein. Doordat de monitoringsgegevens van de LVM niet gekoppeld worden aandirecte persoonsgegevens, kan naar verwachting in de meeste gevallen niet achterhaaldworden welke gegevens behoren tot de indiener van het verzoek. Volgens artikel 11 van deAVG is de Minister dan ook niet verplicht om aan een verzoek op grond van artikel 15 t/m 20van de AVG te voldoen, tenzij de betrokkene aanvullende gegevens verstrekt die het mogelijkmaken hem te identificeren.33Op grond van het zesde lid van de respectieve bepalingen over de LVM.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 311 inspectie de geaggregeerde resultaten van de monitoring die het bevoegdgezag aan de inspectie moet verstrekken.34De inhoud van de schoolrapportage op basis van de LVM en de gegevensbenodigd voor de verzending aan de inspectie worden nader bepaald bijministeriële regeling. Het gaat bij de bepaling daarvan niet zozeer om debescherming van rechten en vrijheden van betrokkenen, maar om hetstandaardiseren van de te verstrekken gegevens en om te borgen dat deaggregatie van de gegevens in de schoolrapportage op de juiste maniergebeurt.In de uiteindelijke anonieme landelijke rapportage van de LVM is geensprake meer van gegevens die betrekking hebben op geïdentificeerde ofidentificeerbare natuurlijke personen. Na het opstellen van de landelijkerapportage en de schoolrapportages is het niet nodig om de persoonsge-gevens te bewaren en wordt de brondata ook verwijderd. De persoonsge-gevens mogen in ieder geval niet langer dan drie jaar na de afname vande LVM worden bewaard. De persoonsgegevens kunnen gedurende dieperiode niet voor andere doeleinden worden gebruikt.Ten slotte geldt op grond van de AVG dat de Minister voorafgaand aan deverwerking van de persoonsgegevens een gegevensbeschermingseffect-beoordeling uitvoert (hierna: Data protection impact assessment ofDPIA).35 Het opdrachtnemende onderzoeksbureau levert als verwerker opgrond van de AVG alle benodigde informatie aan voor de uitvoering vande DPIA en over de verdere technische en organisatorische beveiligings-maatregelen.2.4.4 Informatievoorziening en niet-verplichte deelname Scholen, leerlingen en onderwijspersoneel hoeven niet mee te doen aande LVM. Leerlingen en onderwijspersoneel dienen, voordat beslotenwordt tot deelname aan de LVM, goed geïnformeerd te worden over hetbelang en de doelstellingen van de LVM, als ook de risico’s met betrekkingtot de gegevensverwerkingen. Bovendien is van belang dat heldergecommuniceerd wordt over de rechten van betrokkenen. Daartoe regeltdit wetsvoorstel dat de Minister de leerlingen, hun ouders en hetpersoneel informeert over de afname van de LVM, en in het bijzonder datdeelname niet verplicht is. Leerlingen onder de zestien jaar hebben watbetreft hun persoonsgegevens recht op specifieke bescherming,aangezien zij zich allicht minder bewust zijn van hun rechten en debenodigde waarborgen in verband met de verwerking van hun persoons-gegevens en minder goed kunnen overzien welke gevolgen en risico’s huneventuele deelname mogelijk heeft.36 Om die reden worden ook deouders, voogden of verzorgers van de leerlingen onder de zestien jaargeïnformeerd over de LVM, zodat zij kunnen beslissen over hun deelname.2.4.5 Rapportage voor deelnemende scholen Indien de LVM wordt afgenomen in samenwerking met een schoolverplicht dit wetsvoorstel de Minister tot het verstrekken van eenschoolrapportage aan het bevoegd gezag van die school met de voor die34Zie artikel 4c, vierde lid, WPO; artikel 5a, vierde lid, WEC; artikel 3.40, vierde lid, WVO 2020 insamenhang met het zesde lid van de respectieve bepalingen over de LVM. In het Wetsvoorstelvrij en veilig onderwijs staat de betreffende verzendplicht in het derde lid van dezelfdeartikelen.35Op grond van artikel 35 van de AVG dient de verwerkingsverantwoordelijke een DPIA uit tevoeren wanneer een verwerking waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten envrijheden van natuurlijke personen.36Overweging 38 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 312 school specifieke en geaggregeerde uitkomsten van de landelijkeveiligheidsmonitor. Daarmee kan het bevoegd gezag voldoen aan zijnwettelijke monitoringsverplichting en verplichting tot het versturen vanresultaten aan de inspectie.37 Ook kan het bevoegd gezag met deschoolrapportage voldoen aan zijn wettelijke verplichting om de veilig-heidsbeleving van het personeel te betrekken bij de evaluatie van hetveiligheidsbeleid.38Naast de verplichting voor de Minister om de LVM af te nemen zijnschoolbesturen al verplicht om jaarlijks de veiligheidsbeleving vanleerlingen op school te monitoren, de zogenoemde leerlingmonitor.39Thuisafname van de vragenlijsten van de LVM, zonder medewerking vanscholen, kan in verband met deze leerlingmonitorverplichting leiden totdubbele bevraging van leerlingen op het gebied van sociale, psychischeen fysieke veiligheid op school. Om te voorkomen dat er daardooronnodig vaak een inbreuk wordt gemaakt op de privacy van dedeelnemers aan de LVM, wordt geregeld dat scholen kunnen voldoen aanhun wettelijke verplichtingen door de LVM als leerlingmonitoringsin-strument in te zetten. In dat geval zal in de praktijk dus een deel van descholen in het funderend onderwijs de LVM als leerlingmonitor inzetten.Aan die leerlingmonitor wordt een aantal formeel-wettelijke eisen gestelden uitgewerkt bij amvb.40 Om te zorgen dat het bevoegd gezag van deschool dat meewerkt aan de LVM kan voldoen aan de verplichtingen,ontvangt het bevoegd gezag een rapportage van de resultaten van debetreffende school. Deze schoolrapportage dient te voldoen aan de eisenzoals die aan de leerlingmonitoringsinstrumenten worden gesteld.41 Ditbetekent dat de gegevens in de schoolrapportage geaggregeerd dienen teworden op een manier die het bevoegd gezag voldoende informatie geeftom te voldoen aan de jaarlijkse evaluatieverplichting van het veiligheids-beleid, waar deze leerlingmonitoringsresultaten in meegenomen dienente worden, terwijl tegelijkertijd de herleidbaarheid tot personen wordtgeminimaliseerd.42 Ondanks deze aggregatieslag ontvangt het bevoegdgezag in de schoolrapportage in bepaalde gevallen gegevens die indirectherleidbaar kunnen zijn.43 Dit betreft uitsluitend gegevens met betrekkingtot de leerlingen en personeel die onder verantwoordelijkheid van dieschool vallen. Daarnaast worden de benodigde geaggregeerde resultatenvoor verzending aan de inspectie door scholen aan de deelnemendeschool ter beschikking gesteld. De school kan die geaggregeerderesultaten dan doorgeven aan de inspectie.44 Het gaat dus om tweeverschillende aggregatiewijzen van dezelfde uitkomsten per school: éénset geaggregeerde resultaten voor de school om de veiligheid en hetbeleid daaromtrent te kunnen evalueren en één set geaggregeerde37Artikel 4c, vierde lid, WPO; artikel 5a, vierde lid, WEC; artikel 3.40, vierde lid, WVO 2020. In hetWetsvoorstel vrij en veilig onderwijs staat de betreffende verplichting in het derde lid vandezelfde artikelen.38Artikel 4c, tweede lid, onderdeel b, WPO; artikel 5a, tweede lid, onderdeel b, WEC; artikel 3.40,tweede lid, onderdeel b WVO 2020.39Artikel 4c WPO; artikel 5a WEC en artikel 3.40 WVO, gezamenlijk met de daaronder hangendebepalingen op amvb-niveau.40Artikel 4c, derde lid, WPO; artikel 5a, derde lid, WEC; en artikel 3.40, derde lid, WVO 2020. Inhet Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs staat de betreffende verplichting in het vierde lid vandezelfde artikelen.41Zie Stb. 2020, 209 en het Besluit uitbreiding monitor funderend onderwijs zoals dat reedsaanhangig is gemaakt bij de Afdeling advisering van de Raad van State.42Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs (Kamerstukken II 2024/25, 36 777, nrs. 2 en 3).43Op grond van het zesde lid van de respectieve bepalingen over de LVM. De kans op herleid-baarheid is bijvoorbeeld groter als de betreffende school klein is.44Artikel 4c, derde lid, WPO; artikel 5a, derde lid, WEC; artikel 3.40, derde lid, WVO 2020(uitgaande van het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs, Kamerstukken II 2024/25, 36 777,nr. 2; Kamerstukken II 2025/26, 36 777, nr. 8).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 313 resultaten bedoeld voor verstrekking aan de inspectie voor het toezicht opde zorgplicht van het bevoegd gezag voor een veilig schoolklimaat.Naast de leerlingmonitoringsverplichting, is het bevoegd gezag metinwerkingtreding van de Wet vrij en veilig onderwijs ook verplicht deveiligheidsbeleving van personeel te betrekken bij de jaarlijkse evaluatievan het veiligheidsbeleid.45 Om aan deze evaluatieverplichting te voldoen,dient het bevoegd gezag inzichten of bronnen te gebruiken die voldoendeinformatie bevatten om het veiligheidsbeleid te evalueren. Voor descholen waar de LVM wordt afgenomen, bevat de schoolrapportage ookgegevens over de veiligheidsbeleving van het personeel. Het bevoegdgezag van deze school kan deze gegevens vervolgens betrekken bij dehiervoor genoemde evaluatieverplichting.46 Bij ministeriële regeling wordtvastgelegd welke gegevens de schoolrapportage bevat over hetpersoneel.Indien het bevoegd gezag van de school meewerkt aan het afnemen vande LVM, betekent dat niet dat het bevoegd gezag verantwoordelijk wordtvoor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de LVM. Dieverantwoordelijkheid ligt bij de Minister die de LVM uitvoert, tot en methet verstrekken aan het bevoegd gezag van de schoolrapportage. Hetbevoegd gezag is vervolgens, in lijn met de reeds bestaande verplich-tingen in de Wet vrij en veilig onderwijs, verantwoordelijk voor hoe zij degegevens in die schoolrapportage verwerkt.2.4.6 Ministeriële regeling Vanwege de gevoelige aard van de gegevensverwerking biedt het voorstelop wetsniveau bescherming van rechten en vrijheden van betrokkenen,die hiervoor zijn toegelicht. In aanvulling daarop is het noodzakelijk om devoorzienbaarheid van de verwerking van persoonsgegevens en de goedeuitvoering van de LVM verder te concretiseren en om extern toetsbarekaders vast te stellen op basis van een zorgvuldige belangenafweging. Hetgaat daarbij om regels voor de uit te vragen onderwerpen en achtergrond-kenmerken die noodzakelijk zijn om inzicht te verkrijgen in de aandachts-gebieden van de veiligheid op school, het uitvoeringsproces en de inhoudvan zowel de landelijke rapportage als de schoolrapportage. Om daarin tevoorzien regelt dit wetsvoorstel dat deze kaders bij ministeriële regelingworden vastgesteld. Hierbij geldt vanzelfsprekend dat de regeling inovereenstemming moet zijn met de AVG en dat de beginselen vandataminimalisatie en doelbinding leidend zijn. De uitwerking van deministeriële regeling zal met de betrokken vertegenwoordigende(sector)organisaties en de inspectie worden afgestemd.Onderwerpen binnen de aandachtsgebieden en achtergrondkenmerkenMet regels over de uit te vragen achtergrondkenmerken en onderwerpenvan de LVM wordt in de eerste plaats gedoeld op een nadere invulling vande eerdergenoemde aandachtsgebieden. Daarbij is vanzelfsprekend deeerder omschreven begrenzing door de wettelijke definitie van de (sociale,psychische en fysieke) veiligheid op school leidend. Op deze manier wordtenerzijds gewaarborgd dat de juiste onderwerpen aan bod komen bij hetmonitoren van veiligheid en dat de afname van de vragenlijst kan wordentoegespitst op de context van personeel en de ontwikkelingsfase,45Artikel 4c, tweede lid, onderdeel b, WPO; artikel 5a, tweede lid, onderdeel b, WEC; artikel 3.40,tweede lid, onderdeel b, WVO 2020. Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs (Kamerstukken II2024/25, 36 777, nr. 2 en nr. 3, p. 31–32).46Deze gegevens kunnen daarnaast ook door de school worden betrokken bij de inventarisatieen evaluatie van risico’s, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 314 belevingswereld en ondersteuningsbehoefte van leerlingen.47 In detweede plaats wordt gedoeld op het nader bepalen van de achtergrond-kenmerken die nodig zijn voor het vormen van een gedifferentieerdlandelijk beeld. Hiermee wordt gewaarborgd dat de resultaten op de juistemanier kunnen worden uitgesplitst voor het zicht op de veiligheid vanspecifieke doelgroepen.48UitvoeringsprocesMet regels over het uitvoeringsproces wordt gedoeld op de werkzaam-heden die verricht dienen te worden om de doelstellingen van de LVM terealiseren, inclusief de wijze van afname van de LVM. Ook kan wordengedacht aan een bepaling over de mogelijkheid om gesloten dan welopen antwoordmogelijkheden op te nemen in de LVM-vragenlijsten ofover de manier waarop de indirect herleidbare brondata geaggregeerdworden om de dataset te anonimiseren en om daarbij de vergelijk-baarheid over meerdere edities zo goed mogelijk te waarborgen.Inhoud van de landelijke en schoolrapportagesBij regeling zullen nadere kaders worden gegeven voor de inhoud van delandelijke rapportage en schoolrapportages, bijvoorbeeld om te borgendat scholen met de schoolrapportage kunnen voldoen aan de leerlingmo-nitorverplichting. Daarbij zal bepaald worden op welk aggregatieniveauresultaten in de schoolrapportage worden gepubliceerd, waarbij in iedergeval geen sprake zal zijn van direct identificerende persoonsgegevens.Voor de landelijke rapportage zal in ieder geval vastgelegd worden welkeinhoud deze moet weergeven om te borgen dat edities vergelijkbaar zijnen geen persoonsgegevens bevatten.3. Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden Dit wetsvoorstel voorziet tevens in een wettelijke grondslag om gegevensover personeel te leveren aan de PO- en VO-raad (hierna: sectorraden).Deze gegevenslevering aan de sectorraden is van groot maatschappelijkbelang, vanwege hun ondersteuning van schoolbesturen. De sectorradendragen hiermee namelijk bij aan de kwaliteit, toegankelijkheid endoelmatigheid van het onderwijs, en derhalve aan een goed functio-nerend onderwijsbestel. De sectorraden ondersteunen schoolbesturen ensamenwerkingsverbanden bij het afleggen van verantwoording in devorm van informatieproducten zoals benchmarks, dashboards enlandelijke overzichten met informatie over individuele instellingen en overde sector als geheel.49 Op deze manier maken schoolbesturen trans-parant, via de sectorraden, welke resultaten zij behalen en welke keuzes zijmaken, zodat zij daarover met hun directe omgeving in gesprek kunnen.47Bijvoorbeeld in de vorm van vragenlijsten voor po-leerlingen, vo-leerlingen en personeel.Hierbij kan bijvoorbeeld ten aanzien van het aandachtsgebied feitelijke veiligheid wordengedacht aan regels over welke onveilige uitingsvormen (zoals verschillende vormen vanseksueel grensoverschrijdend gedrag) uitgevraagd worden binnen welke doelgroep. Aanpersoneel zullen andere vragen moeten worden gesteld dan aan leerlingen. En aan leerlingenin het vo is het wellicht nodig om andere vragen te stellen dan aan po-leerlingen.48Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bepaling dat uitgevraagd kan worden naaronderwerpen zoals schoolsoort, geboortegeslacht, maar ook seksuele gerichtheid of anderebijzondere persoonsgegevens.49Dit was ook van belang voor de sectorakkoorden van de PO-raad en de VO-raad met deMinister van 2014–2020, zie Kamerstukken II 2020/21, 31 293, nr. 549.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 315 3.1 Aanleiding Bevoegde gezagen en samenwerkingsverbanden zijn wettelijk verplichthun resultaten en beleid, mede in relatie tot de inzet van hun personeel,openbaar te verantwoorden in het jaarverslag.50Passend onderwijs legt een zorgplicht bij schoolbesturen. Dat betekent datzij ervoor verantwoordelijk zijn om alle leerlingen die extra ondersteuningnodig hebben een goede onderwijsplek te bieden. Hiervoor werkenreguliere en speciale scholen samen in samenwerkingsverbanden, die ookzelfstandig rechtspersoon zijn met taken op grond van de sectorwet-geving.51 In de handreiking voor monitoring en verantwoording door enbinnen samenwerkingsverbanden passend onderwijs staat alsuitgangspunt beschreven dat het samenwerkingsverband verantwoordingaflegt af over alle middelen die het tot haar beschikking heeft in relatie totbeoogde doelen en bereikte resultaten.52 Dit is dus ook het geval wanneerfinanciële middelen worden uitgegeven aan personeel.In dit hoofdstuk worden schoolbesturen en samenwerkingsverbandengezamenlijk genoemd als partijen waaraan de sectorraden ondersteuningbieden bij de verantwoording en vergelijking. Voor de leesbaarheid wordtin het vervolg alleen gesproken over schoolbesturen, waar – metbetrekking tot de gegevensverstrekking aan de sectorraden – telkensbevoegde gezagen en samenwerkingsverbanden wordt bedoeld.De bekostiging dient doelmatig te worden aangewend, en daarover moetintern en extern verantwoording worden afgelegd.53 Met deze informatiekrijgen betrokkenen, zoals ouders, leerlingen en personeel, de samen-leving, specifiek: intern toezicht en medezeggenschap, beter inzicht in deverdeling van de middelen over de scholen die onder een bevoegd gezagressorteren.54 Dit bevordert bovendien de horizontale verantwoordingtussen scholen binnen een bestuur en tussen schoolbesturen onderling inhet kader van een bredere publieke verantwoording. Via horizontaleverantwoording kan invulling worden gegeven aan het stelsel vankwaliteitszorg van schoolbesturen en kan effectiever en uitgebreiderworden voldaan aan de verplichtingen jegens de interne toezichthouderen de medezeggenschapsraad.55 Tot slot kan horizontale verantwoordingop lokaal niveau de betrokkenheid van belanghebbenden vergroten endaarmee de maatschappelijke legitimering van de instelling.5650Zie artikel 165 WPO, artikel 5.46 WVO 2020 en artikel 141 WEC; artikel 6.19 UitvoeringsbesluitWvo 2020; Regeling jaarverslaggeving onderwijs. Zie ook Code goed bestuur in het primaironderwijs, p. 14; Code goed onderwijsbestuur vo 2019, p. 8.51Artikel 18a WPO; artikel 2.47 WVO 2020.52https://www.steunpuntpassendonderwijs-povo.nl/wp-content/uploads/2021/08/Handreiking-Monitoring-en-verantwoording.pdf.53Artikel 8, waarvan in het bijzonder het tweede lid, onderdeel f, en derde en vierde lid, van deWet medezeggenschap op scholen. Zie ook artikel 12 WMS; artikel 17c WPO; artikel 3.3 WVO2020 en artikel 28i WEC.54Artikel 165, lid 5, onderdeel c WPO; artikel 3.2, lid 1, onderdeel c WVO 2020. Zie ook Onder-wijsraad, Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden, 2018, p. 71–74.55Artikel 8 en artikel 12 WMS; artikel 10, artikel 12, eerste en vierde lid, artikel 13, eerste lid,onderdeel o, en artikel 17c WPO; artikel 2.87, artikel 2.88, tweede lid, onderdeel c, artikel 2.91,en artikel 3.3 WVO 2020; artikel 19, artikel 21, eerste en vierde lid, artikel 22, eerste lid,onderdeel l en artikel 28i WEC.56Onderwijsraad, Publieke belangen dienen, 2013, p. 32–33; Regioplan, Eindrapport Breedgesprek governance en (mede)zeggenschap, 2023, p. 40–44.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 316 In opdracht van hun leden en gesubsidieerd door de Minister hebben desectorraden de afgelopen jaren ter ondersteuning van de schoolbesturendiverse informatieproducten gemaakt onder de naam «Vensters».57 Desectorraden vervullen hierin een maatschappelijke rol door hun leden (deschoolbesturen) te ondersteunen bij de verantwoording en onderlingevergelijking van hun gegevens. Dit is conform de statutaire doelen van desectorraden waarin is vastgelegd dat zij de belangen behartigen van deschoolbesturen ten aanzien van de kwaliteit en ontwikkeling van hetonderwijs in hun sector. De sectorraden vertegenwoordigen bijgelegenheid de besturen in hun sector en zijn ook voor de Ministerbelangrijke gesprekspartners. In het verleden hebben zij bestuurs- ensectorakkoorden met de Minister afgesloten en over de resultaten daarvanrichting politiek en maatschappij verantwoording afgelegd via deinformatieproducten. Dit is dus ook een relevante informatiebron voorzowel de regering als het parlement.58De gegevens waarmee de informatieproducten van de sectorradenworden gevuld komen vanuit diverse bronnen. Deze worden deelsopgevraagd bij het schoolbestuur zelf, maar er wordt ook gebruikgemaaktvan gegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Dit betreft deelsopen data, maar ook maatwerkleveringen van basisgegevens overonderwijsdeelnemers en personeel. Voor het verstrekken van dezebasisgegevens over onderwijsdeelnemers aan de sectorraden is in hetverleden een wettelijke grondslag gecreëerd in artikel 23, derde lid, van deWet Register Onderwijsdeelnemers (WRO). Voor het verstrekken vangegevens over personeel aan de sectorraden bestaat momenteel geenwettelijke grondslag. Dit wetsvoorstel voorziet in een dergelijke grondslagom gegevens over personeel te leveren aan de sectorraden.3.2 Probleembeschrijving De Minister stimuleert de afgelopen jaren beleidsmatig sterk tot eenbetere verantwoording van schoolbesturen tot op het niveau van scholen.Om meer inzicht te krijgen in de gegevens op schoolniveau is het vanbelang dat cijfers over de wijze waarop schoolbesturen hun middelenverdelen openbaar worden.59 Daarvoor wordt ingezet op het ontwikkelenvan informatieproducten, zoals de benchmarks.3.2.1 Verantwoording en vergelijking De noodzaak van interne en externe verantwoording volgt uit de wettelijketaken van onderwijsinstellingen.60 Hierin staat dat onderwijsinstellingenzorg moeten dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, dat het beleidhieromtrent moet worden uitgewerkt in een schoolplan, waarin ondermeer aandacht is voor het personeelsbeleid, meer in het bijzonder metbetrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel vande school. Daarnaast behelst die taak een doeltreffend en doelmatigfinancieel beheer en de verantwoording daarover. Onderwijsinstellingenmoeten hun bekostiging doelmatig aanwenden, ook met betrekking tot desamenstelling van de formatie van de school/scholen, en daarover intern57Kamerstukken II 2015/16, 31 293, nr. 273. Voorbeelden zijn: scholenopdekaart.nl (SODK),schoolbesturenopdekaart.nl (SBODK) en vensters.nl (analyse).58Vgl. Kamerstukken II 2021/22, 35 963, nr. 3, p. 12–15.59Kamerstukken II 2018/19, 35 000 VIII, nr. 11.60Verantwoording over het personeelsbeleid door onderwijsinstellingen volgt onder meer uit deartikelen 2.87, 2.88, tweede lid, onderdeel c, 2.90, 2.91 en 7.2, vijfde lid, van de WVO 2020 enartikelen 10, 12, derde en vierde lid, 13, eerste lid, onderdeel o, en 29, zevende lid, van deWPO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 317 en extern verantwoording afleggen, meer in het bijzonder in hetjaarverslag.613.2.2 Informatieproducten Binnen het programma «Vensters» werken de sectorraden daarom samenaan informatieproducten om schoolbesturen te ondersteunen bij hunverantwoording over de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid vanhet primair en het voortgezet onderwijs. Het gaat zowel om openbareinformatieproducten («Scholen op de kaart» en «Schoolbesturen op dekaart») alsmede informatieproducten achter een login («Analyse»).62 Hetdoel van de openbare informatieproducten is de relevante stakeholders enandere geïnteresseerden informatie te verschaffen over scholen enschoolbesturen. Het doel van de informatieproducten achter de beveiligdeomgeving is om door middel van uniform weergegeven indicatoreninzicht te geven in de prestaties van zowel het schoolbestuur alsdaaronder ressorterende scholen. Dit is bedoeld voor interne verant-woording in de richting van de medezeggenschapsraad en de raad vantoezicht.63 Ook biedt het de schoolbesturen de mogelijkheid om de eigenprestaties te vergelijken met vergelijkbare schoolbesturen zonder dat zijkunnen zien welke schoolbesturen dit betreft. De betreffende data dragenzowel vanuit het perspectief van de verantwoordingsfunctie als devergelijkende functie bij aan het stelsel van kwaliteitszorg van schoolbe-sturen.Scholen op de kaartDe website «Scholen op de kaart» (hierna: SODK) ondersteunt allescholen in het funderend onderwijs bij de totstandkoming en publicatievan hun schoolplan. Het schoolplan kan zo worden gedeeld met belang-hebbenden, waaronder de medezeggenschapsraad en de inspectie.64 Inhet schoolplan dient het personeelsbeleid te worden toegelicht door hetbevoegd gezag met onder andere cijfers over evenredige vertegenwoor-diging van vrouwen in leidinggevende posities.65 Schoolbesturen kunnengebruik maken van de gegevens die zij kunnen vinden via SODK. Met dezegegevens kunnen zij hun eigen school gemakkelijk vergelijken metvergelijkbare scholen. Ook draagt SODK bij aan de uitoefening van hetschoolkeuzerecht van ouders en leerlingen.66 Met 1,75 miljoen bezoekers(kalenderjaar 2024) biedt SODK de beste mogelijkheid om ouders over hetschoolplan en het bijbehorende personeelsbeleid te informeren. Datouders deze informatie relevant vinden voor schooloriëntatie en/ofinformatie over de huidige school wordt bevestigd door het in 2021uitgevoerde bezoekersonderzoek.6761Dit volgt onder meer uit de artikelen 8 en 12 van de WMS, artikelen 3.3, 5.4, 5.46 en 5.48 vande WVO 2020, artikelen 17c en 165 van de WPO, artikel 28i van de WEC en artikel 3, eerste lid,onderdeel c en d, van de WOT.62Zie scholenopdekaart.nl (SODK), schoolbesturenopdekaart.nl (SBODK) en vensters.nl(analyse).63Artikel 8, tweede lid, onderdeel f en g, derde, vierde en vijfde lid, en artikel 12 van de WMS.64Artikel 13a, eerste lid, van de WPO; artikel 2.88, vijfde lid, van de WVO 2020; en artikel 8 van deWMS.65Artikel 12, derde lid, van de WPO en artikel 2.90, onderdeel d, van de WVO 2020.66Artikel 23 van de Grondwet en artikel 2 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag vande Rechten van de Mens.67Bezoekersonderzoek Scholen op de kaart 2021 – Vensters.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 318 Schoolbesturen op de kaartDe website «Schoolbesturen op de kaart (hierna: SBODK)» ondersteuntschoolbesturen bij de verantwoording over het personeelsbeleid endoelmatige besteding van de publieke bekostiging. Hier wordt onder meergetoond hoe de kengetallen van financiën en het personeelsbeleid zichverhouden tot landelijke benchmarks. De personele kengetallen bevattengegevens over de leeftijdsopbouw van medewerkers, zodat inzichtelijk isof er sprake is van vergroening of vergrijzing in het personeelsbestand, opbasis waarvan gestuurd kan worden op het personeelsbeleid. Tevenswordt hier inzichtelijk gemaakt welk beleid het bevoegd gezag uitvoertmet betrekking tot de omvang van de tijdelijke en vaste formatie.Schoolbesturen kunnen onderling vergeleken worden en tegen devolgende benchmarkgroepen: sector, bestuursgrootte, randstad,provincie, gemeente en plaats. Met behulp van de benchmarks kunnenschoolbesturen een betekenisvol gesprek voeren met externe en internebelanghebbenden.AnalyseVia «Analyse» – de besloten omgeving achter de publieke websites –wordt de informatie (zoals getoond op de publieke websites) verderinzichtelijk gemaakt voor sturing en verantwoording door schoolbesturen.Hier wordt nadere informatie beschikbaar gemaakt over de eigen situatieen trends inclusief bijbehorende benchmarks. Deze gegevens gebruikenschoolbesturen ook voor het geïnformeerde gesprek met de inspectieover onder andere besturing, kwaliteitszorg en ambitie (Onderzoekskaderinspectie, BKA1) en evaluatie, verantwoording en dialoog (Onderzoeks-kader inspectie, BKA3).68 De inspectie verwacht van schoolbesturen dat zijzoveel mogelijk gebruik maken van de mogelijkheden voor openbareverantwoording. Bij het toezicht op besturen start het onderzoek van deinspectie bij de analyse van het bestuur zelf.De sectorraden ontvangen subsidies om de hierboven beschreveninformatieproducten te kunnen ontwikkelen. De informatieproducten vande sectorraden moeten tot stand komen op basis van gegevens uitopenbare data van DUO en maatwerkleveringen over onderwijsdeel-nemers en personeel. De open data die DUO momenteel beschikbaar steltover het personeel in het funderend onderwijs zijn niet toereikend, omdatgedetailleerde uitsplitsing naar functiecategorieën ontbreekt.69 Ook zijn bij(minder gedetailleerde) functiegroepen met in omvang minder dan vijfpersonen, de gegevens niet zichtbaar in de open data, wat betekent dat dedatasets incompleet zijn. Hierdoor beschikken de sectorraden momenteelniet over de benodigde gegevens over het personeel in het funderendonderwijs. Zij kunnen daarom niet voor de gehele sector (primair dan welvoortgezet onderwijs) de kengetallen berekenen die nodig zijn voorverantwoording en vergelijking, terwijl van schoolbesturen wel wordtgevraagd om zich te verantwoorden respectievelijk van elkaar te leren.3.3 Doel van het voorstel Het doel van dit onderdeel van het wetsvoorstel is om op basis vaninformatieproducten (waaronder benchmarks) van sectorraden, diepersoonsgegevens over personeel bevatten, bij te dragen aan verant-woording, vergelijking en kennisgedreven beleid door schoolbesturen.68Er zijn 3 standaarden van het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA):BKA-1: Visie, ambities en doelen; BKA-2: Uitvoering en kwaliteitscultuur; BKA-3: Evaluatie,verantwoording en dialoog.69Zie paragraaf 3.4.1 voor een toelichting op de benodigde personeelsgegevens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 319 Daartoe regelt dit wetsvoorstel dat geaggregeerde gegevens op school-niveau over personeel door DUO aan de sectorraden mogen wordengeleverd, zodat zij in staat zijn om benchmarks te creëren voor schoolbe-sturen. Daarmee kan inzicht worden verkregen in kengetallen over hetpersoneel, zoals de verdeling man/vrouw in het bestuur, zodat schoolbe-sturen op een uniforme wijze personeelsgegevens kunnen vergelijken enverantwoorden. Op basis daarvan kunnen schoolbesturen vervolgensweer kennisgedreven beleid voeren met name in brede zin op het vlak vankwaliteit, doelmatigheid en toegankelijkheid, hetgeen bijdraagt aan hetstelsel van kwaliteitszorg en daarmee aan kwalitatief goed onderwijs.3.4 Kern van het voorstel Dit wetsvoorstel creëert een wettelijke grondslag voor de Minister omgeaggregeerde gegevens over personeel te leveren aan de sectorradenvoor de ondersteuning van schoolbesturen en samenwerkingsverbandenbij hun verantwoording over en vergelijking van de kwaliteit, toeganke-lijkheid of doelmatigheid van het onderwijs.De rechtsgrond waarop de verstrekking en verwerking is gebaseerd isartikel 6, eerste lid, onder e, van de AVG, inhoudende dat de verstrekkingnoodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang ofvan een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dataan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. Het algemeenbelang in dit geval is de transparantie en verantwoording van publiekbekostigde onderwijsinstellingen over de resultaten en het gevoerde(personeels)beleid. Ook is het in het algemeen belang dat onderwijs-instellingen zich onderling kunnen vergelijken omwille van de verbeteringvan het te voeren onderwijsbeleid en derhalve de onderwijskwaliteit. Bijde beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doelverenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijkzijn verzameld is rekening gehouden met de vraag of er andere belang-rijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of lidstaat relevantzijn.70 Belangrijke doelstellingen van de Unie, alsmede de lidstaten, zijnterug te zien in de Sustainable Development Goals (SDG’s). Eén hiervan(nummer 4) is kwaliteitsonderwijs en daarmee verenigbaar met hetbovengenoemde doel.3.4.1 Benodigde gegevens personeel Om de benodigde verantwoordingsfunctie en vergelijkingsfunctie tekunnen waarmaken moeten de informatieproducten van de sectorraden,naast openbaar beschikbare gegevens, zowel gegevens van onderwijs-deelnemers als personeel bevatten. De Wet Register Onderwijsdeel-nemers voorziet in de grondslag voor de levering van gegevens overonderwijsdeelnemers aan de sectorraden, die voor hetzelfde doel gebruiktworden in de informatieproducten.71Wat betreft personeel wordt er in dit wetsvoorstel een grondslaggecreëerd om de volgende gegevens te leveren: gegevens over depersoon en over de arbeidsrelatie. In bijlage 2, behorende bij artikel 2.68van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 en bijlage 1, onderdeel c, van hetBesluit informatievoorziening WPO/WEC is geregeld welke gegevens deMinister met betrekking tot deze categorieën ontvangt.In de categorie «persoon» betreft het gegevens over het geslacht en deleeftijd van het personeel. Gegevens over het geslacht kunnen worden70Artikel 23, eerste lid, onder e, van de AVG.71Zie artikel 23, derde lid, onderdeel a en b, van de Wet register onderwijsdeelnemers. Zie ookStb. 2022, nr. 177; Kamerstukken II 2021/22, 35 963, nrs. 2 en 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 320 gebruikt om de man/vrouw verdeling te berekenen, bijvoorbeeld vanpersoneel in bestuursfuncties. Gegevens over de leeftijd kunnen wordengebruikt om inzicht te krijgen in de vergroening en vergrijzing van hetpersoneelsbestand binnen een schoolbestuur of samenwerkingsverband.In de categorie arbeidsrelatie betreft het gegevens over de betrekkings-omvang en het soort dienstverband. Met gegevens over de betrekkings-omvang (fte) kan een schoolbestuur zich verantwoorden en vergelijkenover de grootte van de personeelsformatie. Hiermee kunnen tevensdiverse kengetallen worden berekend zoals verdeling leeftijd of verdelingman/vrouw op basis van fte. Met het gegeven «soort dienstverband» kaninzicht worden gegeven in de verhouding tussen vaste en tijdelijkecontracten bij het personeel.In dit wetsvoorstel wordt de levering van direct identificerende persoons-gegevens (geslachtsnaam, de voornamen, het adres, BSN, de geboorte-datum van het personeel) uitgesloten. Er wordt geen uitzonderinggecreëerd voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens (zoalsziekte en verlof) of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard van hetpersoneel. Tevens is het gegeven salaris niet opgenomen in ditwetsvoorstel. De reden dat alleen gegevens over de persoon en arbeidsre-latie in dit voorstel zijn opgenomen en niet het gegeven salaris is gelegenin de bescherming van de privacy van onderwijspersoneel. Bij aggregatieop niveau van functiecategorie speelt een (groter) risico op indirecteidentificatie van personen door de verwerker. Binnen een aantal functieca-tegorieën, waarvan er achttien zijn, zal er relatief vaak maar één persoonwerkzaam zijn op een instelling. Bijvoorbeeld binnen de functiecategorievan directeur. Omdat het salarisgegeven een gevoelig persoonsgegevenis, wordt dit niet wenselijk geacht.3.4.2 Niveau van aggregatie Er zijn verschillende aggregatieniveaus waarop de bovengenoemdegegevens over het personeel door DUO aan de sectorraden kunnenworden geleverd. Daarbij is van belang om te bepalen welk aggregatie-niveau noodzakelijk is om aan de doelstelling van dit wetsvoorstel tekunnen voldoen.Alvorens DUO de gegevens over personeel kan verstrekken aan desectorraden, ontvangt zij gegevens op individueel niveau van schoolbe-sturen. DUO maakt vervolgens gebruik van een onderverdeling vanpersoneel in vijf functiegroepen die weer zijn onderverdeeld in achttienfunctiecategorieën. In de gegevenslevering aan DUO geeft het schoolbe-stuur tevens aan op welke instelling/school van het bestuur demedewerker werkzaam is. Er zijn dus verschillende aggregaties mogelijkvan de gegevens: functiecategorie (1), functiegroep (2), instelling (3) enbestuur (4). Voor de berekening van kengetallen ten behoeve vanverantwoording en vergelijking is beschikbaarheid van gegevens opindividueel niveau niet nodig en onwenselijk. Op welk aggregatieniveaude geleverde gegevens verstrekt worden aan de raden is afhankelijk vande vraag of de verstrekking van de betreffende gegevens noodzakelijk isvoor de ondersteuning van bevoegde gezagen of samenwerkingsver-banden bij hun verantwoording en onderlinge vergelijking betreffende dekwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs. In demeeste gevallen is de verwachting dat het leveren van de gegevens opschoolniveau, dan wel instellingsniveau voldoende zal zijn voor de radenom het schoolbestuur te ondersteunen. Ten aanzien van enkele specifiekegegevens geldt dat deze nader kunnen worden uitgesplitst. Het gaatdaarbij om de gegevens over het geslacht en de betrekkingsomvang.Hieronder is dit nader toegelicht. Bij alle gegevensverstrekkingen geldt datalleen de gegevens worden verstrekt voor zover de sectorraad in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 321 verzoek tot gegevensverstrekking aantoont dat de te verstrekkengegevens noodzakelijk zijn voor het te bereiken doel. Dit heeft ookbetrekking op het niveau van aggregatie. Waar mogelijk worden gegevensdus op een zo hoog mogelijk aggregatieniveau verstrekt.GeslachtSchoolbesturen zijn verplicht om in hun schoolplan als onderdeel van debeschrijving van het personeelsbeleid inzicht te geven in de vertegen-woordiging van vrouwen in leidinggevende posities.72 Voor de benchmarkachter de login («Analyse») is het daarom noodzakelijk om het gegeven«geslacht» te leveren op het aggregatieniveau van functiegroep (ook wel«F-groep»). Management en middenmanagement is een aparte groep opbasis waarvan dit gegeven kan worden berekend. In geval van kleineformaties kan dit leiden tot herleidbaarheid naar personen. Op de publiekewebsite SODK wordt op instellingsniveau de personele opbouw in ftevoor het geslacht in percentages weergegeven.BetrekkingsomvangVoor het tonen van de fte per functiegroep op SODK zijn personelegegevens op het aggregatieniveau van Functiecategorie (ook wel «FCAT»genoemd) noodzakelijk. Aggregatie op het niveau van functiegroepvolstaat hiervoor niet, omdat in de door DUO gehanteerde indeling vanfunctiegroep geen onderscheid gemaakt wordt tussen direct en indirectonderwijsondersteunend personeel.Het onderscheid tussen «direct Onderwijs Ondersteunend Personeel»zoals de functie onderwijsassistent en therapeutische- en zorgfuncties73en «indirect Onderwijs Ondersteunend Personeel» zoals beheerfuncties enadministratieve functies74 is van groot belang. Dit is namelijk vereist vooreen inhoudsrijke dialoog met belanghebbenden (waaronder de medezeg-genschapsraad en de raad van toezicht) en voor verantwoording over deinrichting van het onderwijs, bijvoorbeeld inzake hoeveel personeel ervoor de klas staat, en over een doelmatige besteding van middelen.Tevens is het voor het bewaken en verbeteren van de datakwaliteit metbetrekking tot de indeling van personeel in functiecategorieën van belangvoor onderwijsinstellingen om deze op het niveau van functiecategorie tekunnen analyseren en hierop te kunnen sturen.4. Verstrekking gegevens ROD aan NWO 4.1 Aanleiding en probleembeschrijving Met dit wetsvoorstel wordt artikel 23 van de Wet register onderwijsdeel-nemers (hierna: WRO) gewijzigd in verband met het uitbreiden van dewettelijke grondslagen voor de verwerking van gegevens uit het registeronderwijsdeelnemers (hierna: ROD). Dit betreft het verstrekken vangegevens uit het ROD voor uitvoering van taken van de NederlandseOrganisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (hierna: NWO).7572Zie artikel 12, derde lid, onderdeel b en artikel 30 WPO en artikel 2.90, onderdeel d, enartikel 7.7 WVO 2020.73FCAT 16 en 17 in Bijlage 6, 2.4.2 bij de Regeling informatievoorziening WPO/WEC; FCAT 12 en13 in Bijlage 4, paragraaf 2.4 bij de Regeling informatievoorziening WVO.74FCAT 20 en 21 in Bijlage 6, 2.4.2 bij de Regeling informatievoorziening WPO/WEC; FCAT 16 en17 in Bijlage 4, paragraaf 2.4 bij de Regeling informatievoorziening WVO.75Voor eerdere uitbreiding van de wettelijke grondslagen voor de verwerking van gegevens inhet kader van het register onderwijsdeelnemers, waaronder ook voor onderzoeksactiviteiten inalle onderwijssectoren (artikel 23 WRO), zie Stb. 2022, nr. 177; Kamerstukken II 2021/22, 35 963,nr. 2 en 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 322 Aanleiding voor (dit onderdeel van) het voorstel is dat gebleken is datNWO, meer specifiek haar onderdeel het Nationaal KennisinstituutOnderwijs (hierna: NKO; voorheen het Nationaal Regieorgaan Onderwijs-onderzoek), niet de benodigde gegevens kan opvragen uit het ROD voorde onderzoeken binnen het onderwijsdomein waarvoor NWO deverwerkingsverantwoordelijke is. Nu ontbreekt een wettelijke grondslagvoor gegevensleveringen aan NWO voor dergelijk onderzoek, waaronderhet Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO).4.2 Doel en kern van het voorstel Het wetsvoorstel regelt de rechtsgrondslag voor verstrekking vanpersoonsgegevens aan de NWO om als verwerkingsverantwoordelijkeonderzoeksactiviteiten te kunnen laten realiseren. Dat betreft onderzoekwaartoe NWO het doel en de middelen bepaalt, waarbij gegevensnoodzakelijk zijn over onderwijsdeelnemers die in het ROD zijn geregis-treerd.De NWO financiert onderzoeksactiviteiten, onder meer via het NKO, dateen specifieke taak heeft voor het onderwijsonderzoek. Dit geschiedt metinachtneming van de taken van de NWO zoals beschreven in artikel 3 vande Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.Het NKO is een herkenbaar organisatieonderdeel van NWO, naast dedomeinen, instituten en regieorganen die deel uitmaken van NWO. HetNKO verbetert de kennisinfrastructuur voor onderwijs door samenhang inhet onderzoek, een vraaggestuurde programmering, goede verspreidingen het optimaal benutten van resultaten van onderwijsonderzoek tebevorderen. Deze onderzoeksactiviteiten van NKO vinden plaats conformhet Convenant Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek 2020–2030van 8 juni 2020 (Stcrt. 2020, 32113).76Om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren of te verrijken iskennisgedreven beleid één van de pijlers. Daarbij wordt beleid ontwikkelden uitgevoerd dat effectief en efficiënt is en dat is gebaseerd op bewezenpraktijken en de best beschikbare kennis uit onderzoek. Om kennisge-dreven beleid te kunnen voeren moeten scholen over actuele,betrouwbare en accurate gegevens beschikken. Daartoe financiert hetNKO onderzoeksactiviteiten en stimuleert de benutting van wetenschap-pelijke kennis.Het NKO kan onderzoek en kennisbenutting financieren en doen uitvoerenover alle onderwijssectoren. De programmering van de onderzoeksactivi-teiten komt tot stand op basis van zowel de perspectieven van hetonderwijsveld, onderwijsbeleid als de wetenschap. Dergelijk onderzoekwordt uitgevoerd door een onderzoeksinstituut. Het NKO treedt daarbijwaar nodig en wenselijk op als regisseur in het onderwijsonderzoek.Daarbij kan het NKO (als onderdeel van de rechtspersoon NWO) voorbepaalde onderzoeksactiviteiten het doel en de middelen bepalen.Daarmee draagt NWO de verantwoordelijkheid voor de verwerking vanpersoonsgegevens.Eén van de onderzoeksactiviteiten waarbij NWO (voor haar organisatieon-derdeel NKO) in ieder geval de verwerkingsverantwoordelijkheid heeftbetreft het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (hierna: NCO). Het NCOresulteert jaarlijks in school- en leergroeirapportages voor scholen. Hetbetreft een onderzoek naar de prestaties en onderwijsloopbanen vanleerlingen in het primair onderwijs (inclusief speciaal onderwijs) en76Artikel 3, onderdeel a, e, f en g van het Convenant Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek2020–2030.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 323 voortgezet onderwijs. De jaarlijkse schoolrapportage geeft voor elkeschool in het primair en voortgezet onderwijs inzicht in hoe de leerlingenpresteren op de eigen school en in het vervolgonderwijs, mede afgezettegen het landelijk gemiddelde en een fictieve referentieschool. Daarnaastkrijgen scholen met leergroeirapportages specifiek inzicht in de leergroeivan leerlingen op het gebied van begrijpend lezen, spelling en rekenen-wiskunde (basisvaardigheden). Deze rapportages zijn noodzakelijk voorscholen om kennisgedreven beleid te kunnen voeren zoals voorzien in hetHerstelplan Kwaliteit Onderwijs en het Masterplan Basisvaardigheden.Om specifiek de ontwikkeling van bepaalde groepen leerlingen, bijvoor-beeld met een migratieachtergrond of ondersteuningsbehoeften, tekunnen volgen kan het noodzakelijk zijn om gebruik te maken vanbijzondere persoonsgegevens. Zo wordt bijvoorbeeld in het Registeronderwijsdeelnemers ook geregistreerd of leerlingen eenniet-Nederlandse culturele achtergrond hebben, welke ondersteuningsca-tegorie ze hebben, of ze een ontwikkelingsperspectief hebben, deelnameaan het (voortgezet) speciaal onderwijs, of ze onderwijs volgen aan eentijdelijke nieuwkomersvoorziening, of ze voor- en vroegschoolse educatiehebben genoten, en of ze op een orthopedagogisch-didactisch centrumzijn geplaatst.77 Deze gegevens zouden ook kunnen worden verstrekt voorspecifieke NCO-rapportages. Dit is noodzakelijk om de effectiviteit vanbeleid gericht op deze groepen leerlingen te kunnen evalueren. Conformde systematiek van artikel 23 van de WRO zal deze noodzaak ook moetenworden aangetoond voor een verzoek van NWO voor verstrekking vandeze bijzondere persoonsgegevens ten behoeve van een specifiekonderzoek, voorzien van een DPIA en de benodigde maatregelen enwaarborgen.Bij de totstandkoming van de schoolrapportages wordt gebruik gemaaktvan gegevens uit het ROD. Dit wetsvoorstel regelt een rechtsgrondslagvoor verstrekking van persoonsgegevens uit het ROD aan de NWO (voorhaar organisatieonderdeel NKO) om als verwerkingsverantwoordelijkespecifieke onderzoeksactiviteiten en genoemde rapportages te kunnenrealiseren. Deze gegevens kunnen worden verstrekt aan een onderzoeks-instituut (waarbij NWO verwerkingsverantwoordelijke blijft). Dit isnoodzakelijk voor scholen om kennisgedreven beleid te kunnen voeren opbasis van deze rapportages.Daartoe wordt het bestaande artikel 23 van de WRO uitgebreid opdatNWO (ten behoeve van haar organisatieonderdeel NKO) onderzoek kanlaten doen naar de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van hetprimair onderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs, voortgezetalgemeen volwassenenonderwijs of hoger onderwijs, met gegevensafkomstig uit het ROD. De persoonsgegevens uit het ROD kunnenvervolgens op grond hiervan worden geleverd door DUO aan hetonderzoeksinstituut dat hiervoor is aangewezen en wordt gefinancierddoor NWO. De NWO zal niet zelf deze persoonsgegevens ontvangen enverwerken, maar is wel verwerkingsverantwoordelijke, op grond van haarinhoudelijke en coördinerende rol ten aanzien van de betreffendeonderzoeken, zoals het NCO.Bij de verstrekking van gegevens voor onderzoeksactiviteiten op grondvan artikel 23 van de WRO worden geen direct tot personen herleidbaregegevens verstrekt maar enkel gepseudonimiseerde persoonsgegevensdie indirect tot de persoon herleidbaar zijn (zie ook artikel 29a van hetBesluit register onderwijsdeelnemers).77Artikel 6, eerste lid, onderdeel b, e en f, tweede lid, derde lid, onderdeel m en n, en artikel 8van het Besluit register onderwijsdeelnemers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 324 Daarmee is de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zoveel mogelijkbeperkt. Het (gepseudonimiseerd) verstrekken van (bijzondere) persoons-gegevens aan NWO geschiedt op grond van een taak van (zwaarwegend)algemeen belang (artikel 3 van de Wet op de NWO). Voor onderzoek opgrond van artikel 23 van de WRO kan het noodzakelijk zijn persoonsge-gevens, inclusief indirect tot de persoon herleidbare bijzondere persoons-gegevens, te moeten verwerken.Deze verwerkingen van (bijzondere) persoonsgegevens vinden plaats opgrond van een taak van (zwaarwegend) algemeen belang als bedoeld inartikel 6, eerste lid, onderdeel e en artikel 9, tweede lid, onderdeel g vande AVG. Bij een beroep op deze artikelen moeten waarborgen wordengetroffen om de belangen van betrokkenen te beschermen. Dezemaatregelen zijn reeds voorzien in artikel 23 van de WRO en hieropgebaseerde regelgeving, en bestaan uit:•Een limitatieve lijst van organisaties die een aanvraag kunnenindienen.•Een inkadering van het doel waarvoor persoonsgegevens verwerktmogen worden;•Een aanvraag per specifiek onderzoek waarin de noodzaak moet zijnonderbouwd;•Het vergezeld laten gaan van de aanvraag aan OCW van een DPIA vande aanvragende organisatie op de specifieke verwerking;•De mogelijkheid om aanvullende waarborgen te verplichten;•De mogelijkheid om de verstrekking in te trekken bij onrechtmatighe-den;•Publicatie van het besluit in de Staatscourant.5. Verhouding tot hoger recht 5.1 Algemeen wettelijk kader De verwerking van persoonsgegevens is een beperking van het grond-recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsge-gevens. Dit recht is verankerd in internationaal, Europees en nationaalrecht: het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten(artikel 17), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 8),het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikelen 7 en 8)en de Grondwet (artikel 10).Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsge-gevens is niet absoluut. De inperking van dit recht is toegestaan, mitsvoldaan is aan een aantal vereisten: de beperking is bij de wet voorzien, isnoodzakelijk in een democratische samenleving en er is voldaan aan deeisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij proportionaliteit wordtgekeken of de inbreuk op de belangen van de betrokkene niet oneven-redig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel. Of andersgezegd: het doel van de verwerking van de persoonsgegevens dient inverhouding te staan met de inbreuk op de privacy. Bij het subsidiariteits-beginsel wordt beoordeeld of er minder ingrijpende alternatievenvoorhanden zijn om het beoogde doel te kunnen bereiken.Naast de hierboven genoemde grondrechtelijke bepalingen bieden deAVG en de daarbij behorende Uitvoeringswet Algemene verordeninggegevensbescherming (hierna: UAVG) kaders voor de verwerking vanpersoonsgegevens. De belangrijkste beginselen voor de verwerking vanpersoonsgegevens zijn: doelbinding (persoonsgegevens mogen alleenworden verwerkt conform een vooraf welbepaald, uitdrukkelijkomschreven en gerechtvaardigd doel en mogen niet verder wordenverwerkt voor onverenigbare doelen) en de beginselen van noodzake-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 325 lijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Het beginsel van noodzake-lijkheid komt onder andere tot uiting in dataminimalisatie. Bij dataminima-lisatie gaat het erom dat gegevens slechts worden verwerkt indien ditnoodzakelijk is voor het beoogde doel. Hierbij wordt dus gekeken naar hetdoel van de verwerking, waarbij bepaald moet worden dat er niet te veel,maar ook niet te weinig gegevens worden verwerkt, waardoor er tenonrechte een onvolledig beeld van de betrokkene kan ontstaan.Om te voldoen aan de AVG is voor de verschillende onderdelen van ditwetsvoorstel ook een DPIA uitgevoerd, waarin mitigerende maatregelenzijn genoemd om de inbreuk op het recht op bescherming van persoons-gegevens te minimaliseren. Deze DPIA’s zijn intern getoetst door de ChiefPrivacy Officer (CPO) en de Functionaris Gegevensbescherming (FG).5.2 Landelijke veiligheidsmonitor In dit hoofdstuk worden de gevolgen van dit wetsvoorstel voor de rechtenen vrijheden van de betrokkenen bij de LVM in het kader van de AVGtoegelicht. Er wordt ingegaan op de rechtsbeginselen noodzakelijkheid enproportionaliteit, waarbij uiteengezet wordt welke maatregelen getroffenworden om die rechten en vrijheden zo goed mogelijk te beschermen enwelke alternatieven in het kader van dit wetsvoorstel overwogen zijn.5.2.1 Verhouding tot het wettelijk kader Doelen verwerking gegevensDoor de verwerking van persoonsgegevens bij het uitvoeren van de LVMwordt het recht op privacy van betrokkenen beperkt. Het recht op privacyis vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten vande Mens (hierna: EVRM) en in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet. Eenbeperking van dit recht kan gerechtvaardigd zijn indien deze geregeld isbij wet, een legitiem doel nastreeft en noodzakelijk en proportioneel is inrelatie tot het doel dat wordt nagestreefd met de verwerking.Algemene verordening gegevensbeschermingEr is sprake van verwerking van persoonsgegevens, omdat het inuitzonderlijke gevallen mogelijk is om de identiteit van een deelnemer teherleiden door de betreffende antwoorden te combineren met andere(eventueel publiek beschikbare) gegevens. Het verwerken van persoons-gegevens is op grond van de AVG toegestaan indien dat noodzakelijk isvoor het uitvoeren van een (wettelijke) taak van algemeen belang(artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de AVG). Verder is het op grond vande AVG in beginsel verboden om bijzondere persoonsgegevens teverwerken, tenzij een beroep kan worden gedaan op één van de in de AVGgenoemde uitzonderingsgronden.78 Eén van die uitzonderingen iswanneer dat noodzakelijk is voor een zwaarwegend algemeen belang opgrond van Unierecht of lidstatelijk recht.79 Daarnaast is het verwerken vanpersoonsgegevens van strafrechtelijke aard alleen toegestaan wanneer deverwerking geschiedt onder verantwoordelijkheid van de overheid ofwanneer dat is toegestaan bij wetgeving die ook passende waarborgenbiedt voor de rechten en vrijheden van de betrokken personen.80 Met ditwetsvoorstel wordt een beroep gedaan op deze uitzonderingsgronden.8178Zie artikel 9 van de AVG en artikel 22 van de UAVG.79Artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de AVG.80Artikel 10 van de AVG.81Zie paragraaf 3.2.1 voor de omschrijving van het zwaarwegend algemeen belang en zieparagraaf 5.3.3 voor de mitigerende maatregelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 326 5.2.2 Noodzaak & proportionaliteitsafweging Door persoonsgegevens te verwerken wordt het recht op privacy en hetrecht op gegevensbescherming van de betrokkenen beperkt. Dezebeperking dient noodzakelijk en proportioneel te zijn.De LVM is gericht op het ontwikkelen van een geaggregeerd en niet totpersonen herleidbaar, gedifferentieerd landelijk totaalbeeld. In de eersteplaats betreft dat een beeld op basis van gegevens over het veiligheids-klimaat zelf, zoals hoe vaak verschillende uitingsvormen van onveiliggedrag voorkomen of hoe de veiligheid in het algemeen door dedeelnemers ervaren wordt. Maar zoals eerder is genoemd, kan deveiligheidsbeleving in het onderwijs alleen op een doeltreffende manier inbeeld worden gebracht door de resultaten aan de hand van indirectidentificerende gegevens (achtergrondkenmerken) te groeperen. Het gaathier ten eerste bijvoorbeeld om gegevens zoals leeftijd, (geboorte)ge-slacht, onderwijssoort of de regio van de school. Hiervoor wordt eenberoep gedaan op de grondslag taak van algemeen belang. Alleen eendergelijke manier van groeperen van de dataset maakt het mogelijkgedifferentieerd in beeld te krijgen welke (verschillende) problemen erprecies spelen bij bepaalde groepen en onderwijssoorten. En alleen op diemanier kunnen relevante aangrijpingspunten voor doeltreffend endoelmatig landelijk beleid worden geïdentificeerd.82Bovendien is het noodzakelijk om de veiligheid in het onderwijs van eenaantal minderheden specifiek in beeld te brengen en te kunnen vergelijkenmet de veiligheid van andere deelnemers. Het gaat hierbij om devolgende groepen: migranten en hun in Nederland geboren kinderen,personen die tot bepaalde niet-Nederlandse etnische groeperingenbehoren, lhbtiq+-personen, personen met een religieuze achtergrond ofidentiteit en personen met een beperking.83 Personen die tot dezeminderheden behoren lopen een verhoogd risico om slachtoffer teworden van pesten, discriminatie of andere uitingsvormen van onveiliggedrag. Dit heeft negatieve gevolgen voor hun welbevinden en prestaties,zowel op school als op de werkvloer. Ook kan het veiligheidsklimaat vanéén specifieke groep verslechteren als gevolg van maatschappelijkespanningen. Om het veiligheidsklimaat voor deze minderheden in beeld tekunnen brengen is het noodzakelijk de resultaten van de LVM uit tesplitsen op basis van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Hetgaat hierbij om persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst ofreligieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken, en gegevensover gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueelgedrag of seksuele gerichtheid.84Daarnaast is het noodzakelijk om bijzondere categorieën van persoonsge-gevens te kunnen verwerken om deelnemers te kunnen bevragen op hetgebied van hun mentaal welbevinden en hun ervaringen met seksueelgrensoverschrijdend gedrag, omdat die gegevens noodzakelijk zijn om deveiligheid in beeld te brengen.82Een voorbeeld is de situatie waarin lhbtiq+-leerlingen vaker dan niet-lhbtiq+-leerlingen gepestworden en als hun meldingen vervolgens niet serieus worden genomen en de betreffendeleerlingen de overtuiging hebben dat melden geen zin heeft. Een dergelijke situatie zou gerichtbeleid vergen, maar komt niet aan het licht als de resultaten van de LVM niet gegroepeerdkunnen worden aan de hand van gegevens over onder andere seksuele gerichtheid.83Aan het einde van deze paragraaf (5.2.2) volgt per categorie bijzondere persoonsgegevens deonderbouwing van de noodzaak om het veiligheidsklimaat van betreffende minderheidsgroe-pering in beeld te brengen.84Zie artikel 9, eerste lid, van de AVG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 327 Het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens dientaldus het zwaarwegende algemeen belang van het borgen van een veiligschoolklimaat en de kwaliteit van het onderwijs. Dat levert namelijk eennoodzakelijke bijdrage aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van hetbeleid dat is bedoeld om scholen zo goed mogelijk in staat te stellen deveiligheid op school te borgen. Op die manier levert de LVM, en dedaarvoor noodzakelijke verwerking van bijzondere persoonsgegevens,uiteindelijk een noodzakelijke, positieve bijdrage aan kwalitatief goedonderwijs en aan de ontwikkeling van de leerlingen.Hoewel de LVM niet tot doel heeft om zicht te krijgen op de prevalentievan strafbare feiten, valt niet uit te sluiten dat (in uitzonderlijke gevallen,in combinatie met andere gegevens) een strafbaar feit uit de antwoordenkan worden afgeleid, dat aan de identiteit van een leerling gekoppeld zoukunnen worden. Sommige vragen van de LVM betreffen namelijkuitingsvormen van onveilig gedrag die in bepaalde gevallen strafbaar zijn.Van het verwerken van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard kan inhet bijzonder sprake zijn wanneer een respondent aangeeft zelf dergelijkgedrag te hebben vertoond.85 En in zeer uitzonderlijke gevallen zou deidentiteit van een mogelijke verdachte of dader kunnen worden herleidwanneer een deelnemer aangeeft slachtoffer te zijn geweest vanbijvoorbeeld fysiek geweld. Omdat de LVM niet tot doel heeft ompersoonsgegevens van strafrechtelijke aard van leerlingen te verwerken,wordt de LVM zo ingericht dat het verkrijgen van deze gegevens zoveelmogelijk wordt voorkomen.Een LVM waarbij het niet mogelijk is bijzondere categorieën persoonsge-gevens of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard te verwerken zouleiden tot een sterk veralgemeniseerd en daarmee ongenuanceerd beeldvan het veiligheidsklimaat. Dat zou niet het benodigde, gedifferentieerdezicht op de specifieke veiligheidsproblematiek opleveren. Op basis hiervanwordt de verwerking van (bijzondere en strafrechtelijke) persoonsge-gevens noodzakelijk geacht.Seksuele gerichtheid en genderidentiteitVoor de LVM is het noodzakelijk om de veiligheid specifiek voor de groeplhbtiq+-personen in beeld te brengen. Mensen in deze groep hebben invergelijking met anderen vaker te maken met onveilige situaties.86 Uit demeest recente LVM (2021–2022) bleek bovendien dat lhbt-leerlingen inzowel het po als vo vaker incidenten meemaken op het gebied vanverbaal, psychisch, sociaal, fysiek of materieel geweld.87 Dit onderstreeptde noodzaak om de veiligheid binnen deze groep gericht in kaart tebrengen en de uitkomsten van de LVM hiervoor apart te kunnenuitsplitsen. Om te bepalen welke monitoringsgegevens zijn ingevuld doordeelnemers die tot deze groep gerekend kunnen worden, is het noodza-kelijk om, naast gegevens over bij de geboorte toegewezen geslacht(hierna: geboortegeslacht), gegevens te verwerken over seksuelegerichtheid en genderidentiteit.8885Bijvoorbeeld wanneer een leerling aangeeft zelf een wapen te hebben meegenomen naarschool.86Panteia, Movisie & Ipsos I&O. (2024). Lhbtiqa+-monitor 2024. Zoetermeer: Panteia. Bijlage bijKamerstukken II, 2024–25, 30 950, 426.87ResearchNed (2023). LVM 2021–2022, Bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29 240, nr. 133.88Dit gebeurt bijvoorbeeld door uit vragen of de deelnemende leerling wel eens verliefd isgeweest op een jongen dan wel een meisje, en die gegevens te combineren met het uitge-vraagde geboortegeslacht. Voor gegevens over genderidentiteit geldt dat bijvoorbeeld kanworden uitgevraagd naar of de deelnemer zich jongen, meisje of geen van beide voelt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 328 In het geval van gegevens over genderidentiteit hangt het van deomstandigheden af ze onder één van de categorieën bijzondere persoons-gegevens vallen. Wanneer in de antwoorden van een deelnemer eenincongruentie bestaat tussen het geboortegeslacht en de genderidentiteit(bijvoorbeeld de deelnemer geeft aan geboortegeslacht meisje te hebben,maar voelt zich jongen), kan worden gesproken van genderincongruentieen is mogelijk sprake van transgenderidentiteit of intersekse identiteit.Vanwege de gevoeligheid verdienen dergelijke gegevens dezelfde matevan bescherming als (andere) bijzondere persoonsgegevens en dient hieronder alle omstandigheden zeer zorgvuldig mee te worden omgegaan.Migratieachtergrond, etniciteit of huidskleurUit een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (hierna: SCP)bleek dat Nederlanders met een migratieachtergrond op alle terreinen forsmeer discriminatie ervaren dan Nederlanders zonder migratieachter-grond.89 Dat was vooral het geval onder migranten met een niet-westerseachtergrond. Daarbij werd vaak aangegeven dat het ervaren van discrimi-natie ernstige gevolgen had ten aanzien van hun onderwijscarrière. Verderbleek uit een peiling van UNICEF Nederland dat bijna de helft van allekinderen en jongeren in Nederland aangaf getuige te zijn geweest vandiscriminatie op basis van huidskleur of afkomst. Ook bleek de drempelom daarvan op school een melding te maken te hoog.90 Een vergelijkbaarbeeld kwam naar voren in een rapport over discriminatie van het SCP.91Meer dan 50% van de leerlingen met een Turks-, Marokkaans-, Surinaams-en Antilliaans-Nederlandse achtergrond gaf aan discriminatie te ervarendoor zowel klasgenoten als docenten of begeleiders. Daarbij gaat het omuitingsvormen zoals uitschelden, pesten, bedreigen, schoppen en slaan.Ten slotte blijkt uit een analyse van de dossiers van de Kinderombudsmandat de meeste registraties over discriminatie gaan over herkomst, waarbijhet relatief vaak gaat over pestgedrag op school op basis van herkomst.92Hieruit blijkt dat verschillen in migratieachtergrond, etniciteit of huidskleurbelangrijk zijn in relatie tot het veiligheidsklimaat op school en dat hetnoodzakelijk is om op basis van gegevens daarover de resultaten van deLVM uit te kunnen splitsen.Religieuze achtergrond of identiteitHetzelfde geldt voor gegevens over religieuze achtergrond of identiteit.Ten aanzien van religieuze achtergrond bleek uit het rapport van het SCPdat moslims aanzienlijk meer discriminatie ervaren dan christenen enniet-gelovigen, en dat de discriminatie zich bij hen ook vaker uitstrekt overmeerdere terreinen en als chronisch ervaren wordt.93 Daarnaast zijn dezorgen over zowel moslimdiscriminatie als antisemitisme in Nederlandsterk toegenomen sinds de oorlog in Gaza vanaf 2023. Verder is van allediscriminatiemeldingen bij de politie in 2023 het aandeel dat verbandhield met antisemitisme met 25% procent toegenomen vergeleken met2022. En van de discriminatiemeldingen in verband met godsdienst betrof94% moslimdiscriminatie.9489Sociaal en Cultureel Planbureau (2020). Ervaren discriminatie in Nederland II.90Opiniepeiling UNIFEF Nederland: 1 op 2 jongeren in Nederland ziet discriminatie op basis vanhuidskleur of afkomst. Te raadplegen op: https://www.unicef.nl/nieuws/2023-12-15-unicef-1-op-2-jongeren-in-nederland-ziet-discriminatie-op-basis-van-huidskleur-of-afkomst91Sociaal en Cultureel Planbureau (2020). Ervaren discriminatie in Nederland II.92Discriminatie in cijfers (2023). Bijlage bij: Kamerstukken II 2023/24, 30 950, nr. 366.93SCP (2020). Ervaren discriminatie in Nederland II.94Discriminatie in cijfers (2023). Bijlage bij: Kamerstukken II 2023/24, 30 950, nr. 366.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 329 Gegevens over gezondheidOver de veiligheid van leerlingen met een beperking is niet veel bekend.In verschillende bronnen wordt echter wel ingegaan op de constateringdat jongeren met een licht verstandelijke beperking tegen verschillendebelemmeringen aanlopen, waaronder op het gebied van veiligheid.95 Inde meest recente LVM (2021–2022) konden vanwege een te lage responshelaas geen conclusies worden getrokken over leerlingen in het speciaalonderwijs.96 Maar in verschillende bronnen wordt wel ingegaan op deconstatering dat jongeren met een licht verstandelijke beperking tegenverschillende belemmeringen aanlopen, waaronder op het gebied vanveiligheid.97 Uit een rapport van de Kinderombudsman 2022 blijktbovendien dat ongeveer 12% (n = 37) van de 439 kinderen die aangavengepest te worden, aangaf dat dit was vanwege een ziekte of handicap.98 Inde uitvoering zal extra aandacht worden besteed aan het borgen van derespons van deze doelgroep.5.2.3 Geschikt middel voor het te bereiken doel De Minister van OCW is verwerkingsverantwoordelijke voor deverwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de LVM. Met de LVMwordt door de Minister inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging vanhet privéleven van de deelnemers.99 Een dergelijke inmenging in deprivésfeer is op grond van artikel 8, EVRM, alleen toegestaan indien datnoodzakelijk is in het belang van een aantal doelen.100 Met de LVM wordtaansluiting gevonden bij de doelen: openbare veiligheid, het voorkomenvan wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van degezondheid of de goede zeden en de bescherming van de rechten envrijheden van anderen. Bij deze doelen wordt aangesloten in paragraaf 2.1«Aanleiding» en paragraaf 2.2 «Probleembeschrijving».5.2.4 Belangenafweging De LVM levert onmisbare informatie om zicht te krijgen op welke aspectenvan de landelijke veiligheid op scholen op landelijk niveau maatregelennoodzakelijk zijn voor het borgen van een veilig schoolklimaat. Uiteindelijkdient dat de veiligheid en het welbevinden van leerlingen en personeels-leden in het algemeen in het funderend onderwijs. Daar heeft de Ministerals stelselverantwoordelijke belang bij. Ook schoolbesturen hebben daarbelang bij, omdat zij wettelijk verantwoordelijk zijn voor de veiligheid opschool en zorgdragen voor de kwaliteit van het onderwijs op school.95SCP (2019). Meer meedoen. Inzicht in de onderwijs- en arbeidsmarktdeelname van mensenmet een licht verstandelijke beperking.; Moonen & Verstegen (2006). LVG-jeugd met ernstigegedragsproblematiek in de verbinding van praktijk en wetgeving. In: Onderzoek en Praktijk.96Bijlage bij: Kamerstukken II 2022/23, 29 240, nr. 133.97Sociaal en Cultureel Planbureau (2019). Meer meedoen. Inzicht in de onderwijs- en arbeids-marktdeelname van mensen met een licht verstandelijke beperking; Moonen & Verstegen(2006). LVG-jeugd met ernstige gedragsproblematiek in de verbinding van praktijk enwetgeving. In: Onderzoek en Praktijk.98De Kinderombudsman (2022). In eenzaamheid gepest Kinderen over hun ervaringen metpesten en (het gebrek aan) hulp bij pesten. Publicatienummer: KOM007/202299Artikel 8, eerste lid, EVRM.100Artikel 8, tweede lid EVRM, luidt: «Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan inde uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratischesamenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheidof het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbarefeiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van derechten en vrijheden van anderen.».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 330 Daarnaast zijn de gegevensverwerkingen voor de LVM ook in het belangvan de deelnemende leerlingen, indien de LVM als leerlingmonitoringsin-strument wordt ingezet. Door gegevens in te vullen over hun ervaringenmet de veiligheid op school kunnen zij namelijk invloed uitoefenen op hetveiligheidsbeleid van de eigen school. Het bevoegd gezag van de aan deLVM meewerkende school zal de schoolrapportage namelijk dienen tebetrekken bij de jaarlijkse verplichte evaluatie van het veiligheids-beleid.101 Verder wordt de toename van het risico voor de privacy van debetrokkenen, ten opzichte van de huidige (juridische) situatie, relatief kleiningeschat, vanwege de reeds bestaande leerlingmonitorverplichting (zieparagraaf 2.4.5) en de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om de LVM indat bestaande wettelijke kader toe te passen.Tegenover het veiligheidsbelang bij de LVM staat het individueleprivacybelang van de betrokken deelnemers. Er worden veel gevoeligegegevens uitgevraagd en het risico bestaat dat deze onbedoeld bekendworden bij derden, bijvoorbeeld als gevolg van een datalek of wanneeriemand meekijkt tijdens het invullen van de vragenlijst door dedeelnemers. Dit draagt ook een risico in zich dat de sociale veiligheid vanbetrokkenen wordt aangetast.102De gevolgen voor de betrokken deelnemers kunnen groot zijn als degegevens onbedoeld bekend zouden raken bij derden. Evenwel wordt hetrisico op een dergelijke situatie laag ingeschat, omdat daartoe de nodigerisico-mitigerende maatregelen worden getroffen (zie paragraaf 5.2.5).Uit het bovenstaande volgt dat het veiligheidsbelang zwaarder weegt dande inbreuk in het concrete geval op de persoonlijke levenssfeer van deindividuele betrokkenen, die zo minimaal mogelijk is mede door devoorgestelde risico-mitigerende maatregelen (zie paragraaf 5.2.5). Hetbelang om de sociale veiligheid te waarborgen van de overheid enschoolbesturen weegt daarmee zwaarder dan de inperking van de rechtenvan de betrokkenen.5.2.5 Proportionaliteitswaarborgen: risico-mitigerende maatregelen Om te zorgen dat de beperking van privacy van betrokkenen zo minimaalmogelijk blijft, zijn in dit wetsvoorstel de volgende proportionaliteitswaar-borgen in acht genomen. Deze maatregelen zijn onderdeel van de kernvan het voorstel en zijn daarom eerder al uiteengezet. Ten behoeve van deproportionaliteitsweging worden ze hierna nogmaals kort omschreven.Maatregel 1: Minimale herleidbaarheid – geen uitvraag van directidentificerende persoonsgegevensAls de identiteit van de betrokkenen bij derden bekend wordt levert datextra risico’s op voor de rechten en vrijheden van betrokken. Daarnaast iskennis over hun identiteit gezien de doeleinden van de LVM ook nietnoodzakelijk. Er worden daarom maatregelen genomen om te voorkomendat hun identiteit bekend wordt. Wettelijk wordt vastgelegd dat er alleendirect identificerende persoonsgegevens verwerkt worden voor zover ditnoodzakelijk is om deelnemers uit te nodigen voor deelname aan de LVM.101Zie de evaluatieverplichting in het bij koninklijke boodschap van 23 juni 2025 ingediendevoorstel van wet tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met de versterkingvan het veiligheidsbeleid op scholen (Wet vrij en veilig onderwijs) (Kamerstukken 36 777),waarin is bepaald dat de schoolmonitor moet worden meegenomen in de jaarlijkse evaluatievan het veiligheidsbeleid.102Als er bijvoorbeeld informatie over de seksuele gerichtheid van een leerling ongewild enongewenst bekend wordt bij diens medeleerlingen, zou dat kunnen leiden tot pestgedrag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 331 Daarmee wordt uitgesloten dat direct identificerende persoonsgegevensworden uitgevraagd bij de afname van de LVM.Maatregel 2: Maximale bewaartermijn en anonimiseren persoonsge-gevensOp grond van de AVG geldt dat persoonsgegevens niet langer dannoodzakelijk bewaard mogen worden. Om de volledige afronding van ééneditie van de LVM redelijkerwijs en zo goed mogelijk te waarborgen is hetnoodzakelijk om de persoonsgegevens maximaal drie jaar te kunnenbewaren. De duur van één editie van de LVM, van de uitvraag van degegevens tot het opleveren van de eindrapportage, is maximaal twee jaar.In het geval dat onvoorziene bijzondere omstandigheden leiden totbijvoorbeeld een vertraging van het onderzoek, is het onwenselijk dat degegevens verwijderd moeten worden vóórdat het onderzoek kan wordenafgerond. Daarom is het noodzakelijk om één extra jaar in te bouwen en iservoor gekozen om een bewaartermijn van maximaal drie jaar wettelijkvast te leggen. Zo vroeg mogelijk na het opleveren van de landelijkerapportage, maar in ieder geval na drie jaar, moeten de persoonsge-gevens worden geanonimiseerd. Dit betekent dat de schoolrapportagesook vóór die tijd verstrekt dienen te worden.Het anonimiseren van de landelijke dataset zal gebeuren door die teaggregeren. Daarbij wordt gestreefd naar een manier van aggregeren diezorgt dat de vergelijkbaarheid van de resultaten over verschillende editiesvan de LVM op landelijk niveau zo goed als mogelijk behouden blijft.Indien noodzakelijk om de anonimiteit van de dataset te waarborgen,zullen zo veel als nodig concessies worden gedaan aan de vergelijk-baarheid van de geaggregeerde ofwel geanonimiseerde datasets.103Maatregel 3: Limitatieve opsomming van de categorieën bijzonderepersoonsgegevensEr wordt voor een aantal categorieën bijzondere persoonsgegevens geenuitzondering op het verwerkingsverbod gecreëerd voor de LVM. Het gaatom de categorieën genetische gegevens, biometrische gegevens,gegevens over lidmaatschap van een vakbond en gegevens over politiekeopvattingen. Deze gegevens zijn niet noodzakelijk om de doelstellingenvan de LVM te realiseren.Maatregel 4: Beperking van mogelijk te verwerken persoonsgegevensOp grond van de AVG mogen enkel persoonsgegevens worden verwerktvoor zover dat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij wordenverwerkt (dataminimalisatie).104 In dat kader is expliciet vastgelegd datuitsluitend persoonsgegevens verwerkt mogen worden die behoren tot deachtergrondkenmerken en onderwerpen die noodzakelijk zijn om inzicht tegeven in de aandachtsgebieden van de LVM.103Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de volgende situatie. Vanwege maatschappelijkeontwikkelingen blijkt pas bij een latere editie dat bepaalde informatie belangrijk was om deveiligheid van subgroep lhbtiq+-meisjes over meerdere jaren te vergelijken. Doordat debrondata verwijderd is en op één specifieke manier geaggregeerd is, kan die vergelijking nietmet voorgaande jaren gemaakt worden. De manier van aggregeren zal dan moeten wordengewijzigd en in opvolgende jaren moeten worden gelijkgetrokken. Op die manier kan diespecifieke vergelijking met de resultaten van toekomstige edities mogelijk worden gemaakt,maar nieuwe vergelijkingen met voorgaande edities worden hiermee bemoeilijkt.104Artikel 5, onderdeel c, van de AVG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 332 Maatregel 5: Verwerkingsverantwoordelijke en DPIAIn het wetsvoorstel is opgenomen dat de Minister van OCW verwerkings-verantwoordelijke is. Als verwerkingsverantwoordelijke is de Ministerverplicht om voorafgaand aan de verwerking van de persoonsgegevensten behoeve van de LVM een DPIA uit te voeren.105 Dit gebeurt ookwanneer de Minister één opdracht voor meerdere LVM-edities verstrekt.Het opdrachtnemende onderzoeksbureau levert als verwerker op grondvan de AVG alle benodigde informatie aan voor de uitvoering van de DPIAen over de verdere technische en organisatorische beveiligingsmaatre-gelen.Maatregel 6: Informeren leerlingen en personeel, geen verplichting omdeel te nemen aan de LVMDeelname aan de LVM is niet verplicht; scholen, leerlingen en personeelhoeven niet mee te doen. Voordat besloten wordt tot deelname aan deLVM, dienen leerlingen, hun ouders en personeel voldoende geïnformeerdte worden over het belang en de doelstellingen van de LVM, als ook derisico’s met betrekking tot de gegevensverwerkingen. Bovendien is vanbelang dat helder gecommuniceerd wordt over de rechten van betrok-kenen, in het bijzonder dat deelname niet verplicht is. Daartoe regelt ditwetsvoorstel dat de Minister de leerlingen, hun ouders, voogden enverzorgers en het personeel informeert over de afname van de LVM, en inhet bijzonder dat deelname niet verplicht is. Leerlingen onder de zestienjaar hebben met betrekking tot hun persoonsgegevens recht op specifiekebescherming, aangezien zij zich allicht minder bewust zijn van hunrechten en de benodigde waarborgen in verband met de verwerking vanhun persoonsgegevens en minder goed kunnen overzien welke gevolgenen risico’s hun eventuele deelname mogelijk heeft.106 Om die redenworden ook de ouders, voogden en verzorgers van de leerlingen onder dezestien jaar geïnformeerd over de LVM, zodat zij kunnen beslissen overhun deelname.Maatregel 7: Aggregatie van resultaten voor de schoolrapportagesAan de LVM meewerkende scholen ontvangen een schoolrapportage dieinzicht geeft in de vier aandachtsgebieden (de feitelijke veiligheid, deervaren veiligheid, het welbevinden en het veiligheidsbeleid). Daarmeekunnen zij voldoen aan de eigen monitor- en evaluatieverplichting in hetkader van de zorgplicht voor de veiligheid op school.107 Het is in principeniet de bedoeling dat een school er via deze schoolrapportage achterkomt welke leerling of welk personeelslid wat precies heeft ingevuld.Daarom is in het wetsvoorstel opgenomen dat de persoonsgegevens in deschoolrapportage worden geaggregeerd. Hierbij zal in ieder geval geensprake zijn van direct identificerende persoonsgegevens en het risico opindirecte herleidbaarheid zal beperkt zijn.Maatregel 8: beperkte toegang tot de brondataIn het wetsvoorstel is opgenomen dat de persoonsgegevens die verwerktworden ten behoeve van de LVM bewaard worden op een plek dieuitsluitend toegankelijk is voor door de Minister van OCW geautoriseerdepersonen. Daarbij geldt dat uitsluitend personen die de gegevens nodig105Op grond van artikel 35 van de AVG dient de verwerkingsverantwoordelijke een DPIA uit tevoeren wanneer een verwerking waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten envrijheden van natuurlijke personen.106Overweging 38 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.107Zie paragraaf 2.4.4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 333 hebben voor de uitvoering van de LVM, toegang hebben tot de gegevens.De Minister zelf heeft in beginsel geen toegang, tenzij dat noodzakelijk isom te voldoen aan een wettelijke verplichting, zoals het uitvoeren van eeninzageverzoek.108 Ook dan geldt het uitgangspunt dat de Minister alleendie gegevens ontvangt die daarvoor nodig zijn.109 Andere partijen, zoalsde bevoegde gezagen van scholen en de inspectie hebben geen toegangtot de gegevens die op landelijk niveau zijn verzameld met de LVM. Welkrijgen zij logischerwijs inzage in de landelijke rapportage van de LVM(zonder tot de persoon en tot scholen herleidbare gegevens).5.2.6 Subsidiariteitsbeginsel: alternatieven Met het oog op het subsidiariteitsbeginsel kan de LVM in redelijkheid nietop een andere, voor de betrokkene minder nadelige wijze wordenverwezenlijkt. Om tot deze conclusie te komen zijn in het kader van LVMverschillende opties overwogen waarbij minder of geen bijzonderepersoonsgegevens verwerkt hoeven te worden.Alternatief 1: volledig anonieme LVMEr is overwogen om een volledig anonieme LVM uit te voeren. In dat gevalzou de AVG niet van toepassing zijn. Zoals omschreven in paragraaf 2.2,zou dat echter betekenen dat het niet mogelijk is om voldoende zicht tekrijgen op het veiligheidsklimaat en de juiste aangrijpingspunten voor hetlandelijke beleid te identificeren.Alternatief 2: uitvoeren op basis van uitdrukkelijke toestemmingOok is overwogen om de LVM in te richten en uit te voeren op basis vande in de AVG genoemde grondslag «(uitdrukkelijke) toestemming» zoalsbedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, juncto artikel 9, tweede lid, ondera, van de AVG. Deze grondslag is evident niet van toepassing in het gevalvan de LVM, omdat toestemming in vrijheid dient te worden verleend endat niet mogelijk is wanneer sprake is van ongelijke machtsverhoudingen.In de eerste plaats is sprake van een ongelijke machtsverhouding tussenoverheid-burger. Daarnaast is ook sprake van een ongelijke machtsver-houding tussen school en leerling vanwege het feit dat scholen een rolkrijgen bij de afname van de LVM en het bevoegd gezag daarmee aan deeigen monitoringsverplichting kan voldoen. Bovendien kan de grondslagtoestemming in een later stadium problemen opleveren, als deelnemershun toestemming tussentijds zouden intrekken.Alternatief 3: wetenschappelijke bronnenEr is verkend of de doelstellingen van dit wetsvoorstel gerealiseerdkunnen worden door gebruik te maken van eventuele andere (weten-schappelijke) bronnen. Bronnen die een vergelijkbaar beeld met de LVMgeven zijn echter niet bekend.110 Daarnaast is het noodzakelijk om metenige frequentie te meten om zicht te krijgen op trends en trendver-108Zie artikel 34 van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming.109De kans dat opvolging gegeven kan worden door de Minister aan een dergelijk inzageverzoekis overigens klein. Doordat de monitoringsgegevens van de LVM niet gekoppeld worden aandirecte persoonsgegevens, kan naar verwachting in de meeste gevallen niet achterhaaldworden welke gegevens behoren tot de indiener van het verzoek. Volgens artikel 11 van deAVG is de Minister dan ook niet verplicht om aan een verzoek op grond van artikel 15 t/m 20van de AVG te voldoen, tenzij de betrokkene aanvullende gegevens verstrekt die het mogelijkmaken hem te identificeren.110Gegevens die bijvoorbeeld door het CBS of het HBSC verzameld worden geven te weinigzicht op de verschillende dimensies van het veiligheidsklimaat. Het zou daarom niet meergoed mogelijk zijn om gericht en doeltreffend beleid te ontwikkelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 334 schillen in het veiligheidsklimaat. Het Ministerie van OCW is de enigeorganisatie waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden een dergelijkonderzoek structureel te laten uitvoeren en te financieren.Alternatief 4: Gegevens van de leerlingmonitor via de inspectieEr is overwogen of de beleidsdoelstellingen kunnen worden gerealiseerdop basis van de leerlingmonitorresultaten die scholen verplicht zijn aan deinspectie te leveren.111 Om verschillende redenen is dit alternatief nietwenselijk.Ten eerste zijn de geaggregeerde resultaten inhoudelijk te beperkt om eenbruikbaar landelijk beeld van het veiligheidsklimaat mee te vormen.Schoolbesturen zijn verplicht hun leerlingmonitorresultaten aan deinspectie te leveren, geaggregeerd per aandachtsgebied (ervarenveiligheid, feitelijke veiligheid en welbevinden) en per vestiging (in het po)of per schoolsoort per vestiging (in het vo). In de praktijk moet hetschoolbestuur dan drie gemiddelde cijfers (één per aandachtsgebied)leveren.112De tweede reden is dat het scholen op grond van de vrijheid vanonderwijs vrij staat om op de markt een monitorinstrument te kiezen dathet best bij hun eigen situatie past, als dat instrument maar aan dewettelijke eisen voldoet. Veel scholen gebruiken voor hun jaarlijkseleerlingmonitor een minder gedetailleerde vragenlijst dan die van de LVM.Die gegevens kunnen dan meestal niet worden uitgesplitst per specifiekedoelgroep en dat is wel noodzakelijk voor het zicht op het landelijkeveiligheidsklimaat. Daarnaast is het in de huidige situatie zo dat deverschillende instrumenten die in de praktijk worden gebruikt voor dejaarlijkse leerlingmonitor niet zonder meer met elkaar te vergelijken zijn.De gemiddelden per aandachtsgebied worden bij verschillende monito-ringsinstrumenten op een andere manier tot stand gebracht en hebbendus een andere betekenis. Samenvoegen van die andersoortige gemid-delden zou dus tot een vertekend en onbetrouwbaar landelijk beeldleiden.Een mogelijkheid is het reguleren van de leerlingmonitor, zodat deresultaten daarvan wel bruikbaar zijn voor het creëren van een landelijkbeeld van het veiligheidsklimaat. Dat is echter niet wenselijk, omdat datzou leiden tot een hogere regeldruk voor scholen dan noodzakelijk,doordat er dan meer eisen moeten worden gesteld aan de instrumentendie scholen gebruiken om te voldoen aan hun verplichting jaarlijks deveiligheidsbeleving te monitoren. Een alternatief daarvoor zou kunnen zijnom schoolbesturen te verplichten gebruik te maken van één monitorin-strument. Maar dat acht de regering een te vergaande beperking van degrondwettelijke vrijheid van onderwijs.5.2.7 Conclusie Gelet op de voorgestelde mitigerende maatregelen, de uiteenzetting vande overwogen alternatieven, de belangenafweging, als ook de onder-bouwing van de noodzaak, wordt de inbreuk op het recht op eerbiedigingvan het privéleven van de deelnemers proportioneel geacht. Daaromconcludeert de regering dat de verwachte positieve uitwerking op hetveiligheidsklimaat – zowel op de betreffende school en voor de betrok-111Artikel 4c, vierde lid, WPO, artikel 5a, vierde lid, WEC, artikel 3.40, vierde lid, WVO 2020(huidige wetgeving, voor mogelijke inwerkingtreding van de Wet vrij en veilig onderwijs).112Daarnaast moeten zij de spreiding per gemiddelde meeleveren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 335 kenen zelf als in het funderend onderwijs in het algemeen – dezeinperking van de rechten en vrijheden van de betrokkenen rechtvaardigt.5.3 Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden 5.3.1 Doel Dit onderdeel van het wetsvoorstel betreft de verwerking van persoonsge-gevens van personeel. Het doel van de verwerking van personeelsge-gevens is de ondersteuning van bevoegde gezagen en samenwerkingsver-banden bij hun verantwoording en vergelijking omtrent de kwaliteit,toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs. Dit betreft de eigenonderwijsinstelling, maar ook de verhouding tot vergelijkbare instellingen.5.3.2 Verhouding tot wettelijk kader Aangezien het om geaggregeerde gegevens op functiegroep per instellinggaat, zullen de gegevens in veel gevallen tot de persoon herleidbaar zijn.Dit zal met name het geval zijn in de functiegroepen waar minder dan vijfpersonen zijn ingedeeld. Dit doet zich weer met name voor bij kleineinstellingen in bijvoorbeeld de functiegroep management. In dergelijkegevallen zal er sprake zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.Daar tegenover staat het algemeen belang van de transparantie enverantwoording van publiek bekostigde onderwijsinstellingen over deresultaten en het gevoerde (personeels)beleid. Ook is het in het algemeenbelang dat onderwijsinstellingen zich onderling kunnen vergelijkenomwille van de verbetering van het te voeren onderwijsbeleid en derhalvede onderwijskwaliteit.5.3.3 Mitigerende maatregelen Er worden in wet- en regelgeving mitigerende maatregelen genomen omde inbreuk op het recht op de bescherming van de persoonlijke levens-sfeer en persoonsgegevens zo veel mogelijk te beperken. Zo bepaalt hetwetsvoorstel dat de Minister per verzoek vóór de gegevensleveringbeoordeelt of de noodzaak in het concrete geval voldoende is onder-bouwd. Bij het verzoek zal ook een DPIA moeten worden aangeleverddoor de aanvrager, in casu de sectorraden. Direct tot personen herleidbaregegevens zijn uitgesloten van levering door DUO. Daarmee is de inbreukop de persoonlijke levenssfeer beperkt.Procedurele waarborgenGelet op de doeluitbreiding, heeft de regering ervoor gekozen om eenaantal extra (procedurele) vereisten in te bouwen, gericht op hetwaarborgen van een zo zorgvuldig mogelijke omgang met gegevens overhet personeel en transparantie over de gegevensverstrekkingen. Ditbetreffen extra procedurele waarborgen, omdat de betrokken organisatiesals verwerkingsverantwoordelijken volgens de AVG ook al moetenvoldoen aan de normale procedurele waarborgen die de AVG stelt, zoalsdataminimalisatie en informatiebeveiliging.Aanwijzing organisaties bij wetMet het oog op de voorzienbaarheid, rechtszekerheid en privacybe-scherming is ervoor gekozen om de organisaties die in aanmerkingkomen voor gegevensverstrekking over het personeel op het niveau vande wet in formele zin aan te wijzen. Wat betreft het doel «ondersteunen bijverantwoording en vergelijking» worden de organisaties die inaanmerking komen voor gegevensverstrekking limitatief in de wet zelfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 336 opgenomen. Het gaat om de twee verenigingen van schoolbesturen,namelijk de PO-raad en VO-raad. Zij ondersteunen, conform hun statutairedoelstellingen, hun leden reeds geruime tijd bij de verantwoording.113Besluit MinisterAan de sectorraden kunnen pas persoonsgegevens worden verstrekt alsdat noodzakelijk is voor de doelen die onder het eerste lid van artikel 167aWPO vallen (ondersteunen van bevoegde gezagen en samenwerkingsver-banden bij hun verantwoording en vergelijking). Hiervoor is in hetwetsvoorstel een waarborg ingebouwd: de gegevens kunnen pas wordenverstrekt als de Minister daarover een besluit heeft genomen. Daarvoormoet de betreffende sectorraad een verzoek indienen waarin wordtaangegeven voor welke doelen persoonsgegevens benodigd zijn, en omwelke gegevens het gaat. Verder moet de sectorraad aantonen dat depersoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de beoogde doelen. De Ministerneemt vervolgens een besluit. In het besluit wordt, naast de doeleindenen de te verstrekken gegevens, tevens de bewaartermijn voor degegevens opgenomen. Op deze manier wordt gewaarborgd dat degegevens niet langer dan noodzakelijk worden bewaard bij de sectorraad.Aan het besluit worden daarnaast beperkingen en voorschriftenverbonden met het oog op een zorgvuldige en doelmatige gegevensver-werking. Te denken valt aan voorschriften over de wijze van verstrekkingof het verlenen van medewerking aan privacy-audits. Het besluit wordtgepubliceerd in de Staatscourant waarmee de verstrekking kenbaar wordtvoor eenieder. De Minister kan een verstrekkingsbesluit in ieder gevalintrekken indien de sectorraad de gegevens voor een ander dan hetbeoogde doel gebruikt of de voorschriften en beperkingen die zijnverbonden aan het verstrekkingsbesluit niet naleeft.UitvoeringspraktijkVoor wat betreft de gegevens die achter een login beschikbaar wordengemaakt voor besturen, geldt dat alle persoonsgegevens al in het bezitzijn van de schoolbesturen die de oorspronkelijke bron van de gegevenszijn. Deze gegevens worden vergeleken met gemiddelden van verge-lijkbare besturen zonder dat zichtbaar is welke instellingen dit betreft. Datmaakt dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen bijdeze verstrekking beperkt is.Om daadwerkelijk iets aan de informatie te hebben zijn er in een aantalgevallen fijnmazige gegevens nodig. De gegevens die DUO inwint uit deadministraties van de schoolbesturen zijn onderverdeeld in vijf functie-groepen die weer zijn onderverdeeld in achttien functiecategorieën. In deaanvraagprocedure voor de verstrekking van de gegevens aan de radenzal moeten worden onderbouwd waarom op welk niveau de gegevensover de persoon of de arbeidsrelatie nodig zijn om de beoogde doelen tebehalen. Er worden geen gegevens verstrekt over het salaris zelf. Hetuitgangspunt is dat de gegevens dusdanig worden geaggregeerd datenerzijds de beoogde doelen kunnen worden behaald (verantwoorden envergelijken) en anderzijds de kans op indirecte herleidbaarheid wordtgeminimaliseerd.113Artikel 2, eerste lid en tweede lid, onderdeel f statuten PO-raad; artikel 3, eerste lid en tweedelid, onderdeel g en i, statuten VO-raad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 337 5.3.4 Noodzaak Inzicht in de doelmatigheid van de besteding van budget en verant-woording hierover heeft een grote meerwaarde. Op basis hiervan kanduiding worden gegeven aan de prestaties van een bestuur en onderwijs-instelling. Schoolbesturen kunnen dit momenteel ook al met hun eigensystemen, maar hebben hiermee geen inzicht in hoe zij zich verhouden totvergelijkbare besturen. Ook zijn de gegevens niet één op één verge-lijkbaar, doordat de manier van rapporteren niet overeenkomt. Juist dezevergelijking biedt grote meerwaarde voor de onderwijssector omdat hetschoolbesturen in staat stelt hun prestaties te vergelijken met die vanandere schoolbesturen in dezelfde sector. Het biedt inzicht in waar zestaan en helpt kansen voor verbetering te identificeren. Het kan daarmeewaardevolle inzichten opleveren voor schoolbesturen voor de kwali-teitszorg en sturing op de onderwijskwaliteit. Daarnaast verantwoordenschoolbesturen zich op deze manier richting ouders en leerlingen, en ookhun werkgever, het intern toezicht, door hun resultaten vergelijkbaar temaken met andere schoolbesturen. Door deze vergelijking mogelijk temaken, wordt de mogelijkheid om als werkgever van de schoolbesturen ingesprek te gaan over de resultaten van het schoolbestuur versterkt. Alslaatste kan dit ook zeer waardevolle informatie opleveren voor de(gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad om in gesprek te gaan methun schoolbestuur over de resultaten in vergelijking met de omgeving.De noodzaak van de verstrekking en verwerking van deze gegevens ligt inuniforme verantwoording. Ook kunnen toezichthouders via vergelijkingennagaan of het schoolbestuur gelden voldoende doelmatig heeft besteed.Het levert veel informatie op, zodat geld mogelijk doelmatiger kan wordeningezet in een volgend kalenderjaar. Schoolbesturen en samenwerkings-verbanden zijn wettelijk verplicht hun resultaten en beleid, mede in relatietot de inzet van hun personeel, openbaar te verantwoorden en er wordttevens van hen verwacht dat zij kennisgedreven handelen. Door infor-matie op schoolniveau transparant te maken krijgen belanghebbenden(breed: ouders, leerlingen en personeel, de samenleving, specifiek: interntoezicht en medezeggenschap) daarom beter inzicht in de schoolresul-taten, de besteding van middelen bij die specifieke school en wordenbelanghebbenden ook in staat gesteld om deze te vergelijken met anderescholen. Op deze manier is de horizontale verantwoording beteringeregeld en kan er effectiever en uitgebreider worden voldaan aan deverplichtingen tegenover de interne toezichthouder en de medezeggen-schapsraad, en worden deze beter in staat gesteld om gericht vragen testellen. Tot slot kan horizontale verantwoording op lokaal niveau debetrokkenheid van belanghebbenden vergroten en daarmee demaatschappelijke legitimering van de instelling.Indien deze informatie niet beschikbaar wordt gesteld, noch op eenandere wijze aan de sectorraden ter beschikking wordt gesteld, moetenschoolbesturen de benodigde gegevens voor verantwoording perinstelling achterhalen en berekenen op basis van gegevens uit eigen(decentrale) systemen. In dat geval is het niet mogelijk voor schoolbe-sturen om gegevens op uniforme wijze te vergelijken met het onder-wijsveld. Zij beschikken namelijk niet over de gegevens van vergelijkbareschoolbesturen. Het gevolg hiervan is dat het lerend effect van hetonderling vergelijken tussen schoolbesturen verloren gaat. Daarnaastloopt de verantwoording door de sector zelf dan alleen via individueleschoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Het risico bestaat datkengetallen op een niet-uniforme manier worden berekend en dehorizontale verantwoording wordt bemoeilijkt. Een groot deel van hetlerend potentieel gaat daarmee verloren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 338 5.3.5 Proportionaliteit De personeelsgegevens die de sectorraden nodig hebben om debenodigde informatie voor de onderwijsinstellingen beschikbaar te makenbevatten – ook na alle toegepaste maatregelen in het kader van datamini-malisatie – informatie op zodanig detailniveau (functiegroep/functiecategorie) dat (indirecte) herleidbaarheid naar personen nietvolledig voorkomen kan worden. Voor wat betreft de personele gegevenszijn de betrokkenen het personeel dat werkzaam is bij de onderwijs-instellingen en de bevoegd gezagsorganen. De benodigde personeelsge-gevens omvatten geen bijzondere persoonsgegevens.Bevoegde gezagen en samenwerkingsverbanden zijn wettelijk verplichthun resultaten en beleid, mede in relatie tot de inzet van hun personeel,openbaar te verantwoorden in het jaarverslag.114 De bekostiging dientdoelmatig te worden aangewend, ook bij de samenstelling van depersoneelsformatie van scholen en daarover moet intern en externverantwoording worden afgelegd.115 Onderdeel van het maken van hetjaarverslag is het maken van een jaarrekening. Deze jaarrekeningenbieden inzicht in gegevens op bestuursniveau, maar niet op schoolniveau.Hoewel verantwoording tot op schoolniveau op zichzelf niet wettelijkverplicht is, is dit wel van belang. Leraren, leerlingen en ouders voelenzich veelal meer verbonden met een school dan met een schoolbestuur.Bovendien kan bijvoorbeeld de kwaliteit van onderwijs verschillen tussende scholen die ressorteren onder één schoolbestuur. Inzicht in deprestaties van een individuele school helpt daarom ouders en leerlingenom een schoolkeuze te maken, of om via bijvoorbeeld de medezeggen-schapsraad gericht met het schoolbestuur in gesprek te gaan oververbeterplannen. Door informatie op schoolniveau transparant te makenkrijgen belanghebbenden (breed: ouders, leerlingen en personeel, desamenleving, specifiek: intern toezicht en medezeggenschap) daarombeter inzicht in de schoolresultaten, de besteding van middelen bij diespecifieke school en worden belanghebbenden ook in staat gesteld omdeze te vergelijken met andere scholen.116 Op deze manier is dehorizontale verantwoording beter geregeld en kan er effectiever enuitgebreider worden voldaan aan de verplichtingen jegens de internetoezichthouder en de medezeggenschapsraad, en worden deze beter instaat gesteld om gericht vragen te stellen.117 Tot slot kan horizontaleverantwoording op lokaal niveau de betrokkenheid van belanghebbendenvergroten en daarmee de maatschappelijke legitimering van deinstelling.118Op de publieke websites (SODK, SBODK) worden op basis van depersonele gegevens kengetallen getoond inzake het personeelsbeleid opinstellings- en bestuursniveau, inclusief vergelijking met landelijkebenchmarks. Hierbij worden persoonsgegevens in aantallen kleiner danvijf weergegeven als «<5» waardoor de gepresenteerde informatie niet114Zie artikel 165 WPO, artikel 5.46 WVO 2020 en artikel 141 WEC; artikel 6.19 UitvoeringsbesluitWvo 2020; Regeling jaarverslaggeving onderwijs. Zie ook Code goed bestuur in het primaironderwijs, p. 14; Code goed onderwijsbestuur vo 2019, p. 8.115Artikel 8, waarvan in het bijzonder het tweede lid, onderdeel f, en derde en vierde lid, van deWet medezeggenschap op scholen. Zie ook artikel 12 WMS; artikel 17c WPO; artikel 3.3 WVO2020 en artikel 28i WEC.116Artikel 165, lid 5, onderdeel c WPO; artikel 3.2, lid 1, onderdeel c WVO 2020. Zie ook Onder-wijsraad, Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden, 2018, p. 71–74.117Artikel 8 en artikel 12 WMS; artikel 10, artikel 12, eerste en vierde lid, artikel 13, eerste lid,onderdeel o, en artikel 17c WPO; artikel 2.87, artikel 2.88, tweede lid, onderdeel c, artikel 2.91,en artikel 3.3 WVO 2020; artikel 19, artikel 21, eerste en vierde lid, artikel 22, eerste lid,onderdeel l en artikel 28i WEC.118Onderwijsraad, Publieke belangen dienen, 2013, p. 32–33; Regioplan, Eindrapport Breedgesprek governance en (mede)zeggenschap, 2023, p. 40–44.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 339 herleidbaar is tot personen. Deze maatregel wordt standaard toegepastvoor de publieke websites.In de besloten omgeving «Analyse» worden, in specifieke gevallen,personele gegevens in geval van aantallen kleiner dan vijf niet geaggre-geerd. Hierdoor kunnen de in «Analyse» gepresenteerde gegevens invoorkomende gevallen (indirect) herleidbaar zijn tot personen. Het gaathierbij in de eerste plaats om gegevens waarvoor de onderwijs-instellingen verwerkingsverantwoordelijke zijn (aangeleverd aanOCW/DUO in het kader van artikel 167 van de WPO en artikel 2.111 van deWVO 2020). Het betreft dus eigen en reeds bekende informatie van deonderwijsinstellingen, die door de raden verwerkt wordt in combinatiemet (openbare) financiële gegevens en instellingsgegevens teneindegoede sturings- en verantwoordingsinformatie beschikbaar te maken.Aggregatie tot een niveau waar de herleidbaarheid naar personen volledigwordt voorkomen, resulteert hier in onvoldoende gedetailleerde infor-matie om inhoudsrijk te kunnen verantwoorden richting interne enexterne belanghebbenden, waaronder de medezeggenschapsraad, deraad van toezicht en de inspectie. Hoewel de medezeggenschapsraad ende Raad van Toezicht deze gegevens op grond van de huidige wetgevingal krijgen zijn deze interne gegevens niet één op één vergelijkbaar met deexterne gegevens. Door het leveren van de gegevens aan de sectorradenkrijgen alle actoren binnen de school uniforme benchmarks over deprestaties van het schoolbestuur waarover ze in dialoog kunnen gaan.Daarnaast kunnen schoolbesturen deze gegevens ook inzien vanvergelijkbare schoolbesturen. Daarbij wordt echter niet bekend gemaaktom welke schoolbesturen het gaat en wordt de anonimiteit van degegevens gewaarborgd.De data die de sectorraden gebruiken om de benodigde informatie vooronderwijsinstellingen beschikbaar te maken, bevatten zo min mogelijkgegevens aan de hand waarvan een persoon (indirect) herleidbaar is. Ditwordt onder andere voorkomen door aggregatie van de gegevens doorDUO, voordat de personele gegevens geleverd worden voor verwerkingdoor de raden.5.3.6 Subsidiariteit: Overwogen alternatieven Een alternatief voor de gegevenslevering van DUO naar de sectorraden isdat de sectorraden de personeelsgegevens rechtstreeks bij de schoolbe-sturen opvragen. Er wordt echter verwacht dat dit niet tot een volledigdekkend bestand zal leiden. Vanwege de extra administratieve lasten diedit met zich brengt is de verwachting namelijk dat niet alle schoolbesturende gegevens op vrijwillige basis volledig aan zullen leveren, waarbij alsmeerdere schoolbesturen niet meedoen met een benchmark, demogelijkheid om te vergelijken wegvalt en het nut om überhauptgegevens te leveren daardoor ook wegvalt. Dit leidt er toe dat debenchmarks naar verwachting niet duurzaam houdbaar zijn. Daarnaastzou zelfstandige aanlevering door de schoolbesturen een nieuwegegevensstroom creëren, schoolbesturen moeten dan immers degegevens ook aanleveren richting de sectorraden. Dergelijke gegevens-stromen brengen op zichzelf ook gegevensbeschermingsrisico’s met zich.Bij het verzamelen en verstrekken van de gegevens om de levering vanpersoonsgegevens vanuit schoolbesturen richting de sectorradenmogelijk te maken kunnen – zoals bij elke gegevensverstrekking –beveiligingsrisico’s optreden. Ook door individuen in het proces kunnenfouten worden gemaakt die een risico vormen voor de privacy vanbetrokkenen. Verder is er een ander voordeel aan het meervoudig gebruikvan de reeds bestaande personeelsleveringen. De gegevenslevering aande sectorraden zorgt voor een zogenaamde feedbackloop naar deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 340 instellingen. Wanneer schoolbesturen en samenwerkingsverbanden zichniet herkennen in de berekende kengetallen kunnen zij dit uiteindelijkherleiden naar de door hun aangeleverde basisgegevens aan DUO. Dezekunnen dan worden aangepast en datakwaliteit kan hierdoor wordenvergroot. Deze feedbackloop is van toepassing op alle gegevens dieaangeleverd worden.In aanvulling hierop is overwogen om DUO de gegevens op geünifor-meerde wijze terug te laten leveren aan de schoolbesturen ten behoevevan verstrekking aan de sectorraden. Dit zou de administratieve lastenvoor het bevoegd gezag met betrekking tot de aanlevering bij desectorraden kunnen drukken en daarmee de bereidwilligheid tot aanle-vering kunnen vergroten. De schoolbesturen zouden dan wel zelfstandigkunnen besluiten om deze gegevens vervolgens al dan niet aan te leverenbij de sectorraden. Voordeel hiervan zou zijn dat de overheid nietgegevens die binnen het publieke domein zijn verzameld zelfstandigdoorgeeft aan de sectorraden, maar dat dit een eigen afweging is van hetschoolbestuur. Hiertoe is overwogen dat met de gegevenslevering aan desectorraden, en de daaruit voortvloeiende openbare verantwoording envergelijking, een breder maatschappelijk belang gediend is. Het wordtonwenselijk geacht indien een deel van de scholen ervoor zou kiezen degegevens niet aan te leveren, gezien het belang van een gedegenverantwoording en onderlinge vergelijking voor de kwaliteit van hetonderwijs.Een ander mogelijk alternatief is om de informatieproducten door DUO telaten verzorgen. Wanneer DUO voor deze informatie zorgt, zou hetdaarmee een bepaalde bijdrage leveren aan de publieke verantwoordingdoor de onderwijsinstellingen. Deze rol vanuit DUO past echter niet goedbij de rolverdeling tussen overheid, onderwijsinstellingen en sectororgani-saties. De overheid gaat zich dan immers mengen in de gegevens die deschoolbesturen ook gebruiken om zich ten opzichte van de overheid teverantwoorden. Daarnaast wordt DUO dan een uitvoerende partij van desectorraden, om een berekening uit te voeren die niet overeen hoeft tekomen met de verantwoording die vervolgens vanuit DUO en de overheidgevraagd wordt. Schoolbesturen zijn wettelijk verplicht zich te verant-woorden, bijvoorbeeld in hun jaarverslag. Er zijn kaders opgesteld waardeze verantwoording aan dient te voldoen. Ten aanzien van de financiënmoet er bijvoorbeeld een accountantsverklaring worden opgesteld. Demanier waarop schoolbesturen hun verantwoording inrichten is aanhenzelf. Daarnaast ontvangt DUO alleen gegevens uit de administratiesvan scholen. De sectorraden vragen aan scholen om de gegevens teverrijken wanneer er opvallende getallen uit de berekeningen komen.Door deze verrijking zijn de benchmarks veel minder foutgevoelig. Beideredenen maken dat het beleggen van de informatievoorziening bij DUOgeen wenselijk alternatief is. Daar komt bij dat de sectorraden inmiddelsruime ervaring hebben opgedaan met het inrichten van de benodigdeinformatieproducten en de benodigde infrastructuur hebben ingericht.DUO beschikt daarentegen niet over de capaciteit die benodigd is omuitvoering te geven aan deze taken. Ook dit maakt dat het wenselijker isdeze taak bij de sectorraden te behouden.Tot slot is ook de nuloptie overwogen. Wat zou er gebeuren indien dezeinformatie niet beschikbaar wordt gesteld, noch op een andere wijze aande sectorraden ter beschikking wordt gesteld. Het gevolg hiervan zal zijndat schoolbesturen de benodigde gegevens voor verantwoording perinstelling moeten achterhalen en berekenen op basis van gegevens uiteigen (decentrale) systemen. In dat geval is het niet mogelijk voorschoolbesturen om gegevens op uniforme wijze te vergelijken met hetonderwijsveld. Zij beschikken namelijk niet over de gegevens vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 341 vergelijkbare schoolbesturen. Het gevolg hiervan is dat het lerend effectvan het onderling vergelijken tussen schoolbesturen verloren gaat.Daarnaast loopt de verantwoording door de sector zelf dan alleen viaindividuele schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Het risicobestaat dat kengetallen op een niet-uniforme manier worden berekend ende horizontale verantwoording wordt bemoeilijkt. Een groot deel van hetlerend potentieel gaat daarmee verloren.5.4 Verstrekking gegevens ROD aan NWO 5.4.1 Noodzaak In paragraaf 4.2 van deze memorie van toelichting is inzake de toevoegingvan NWO aan artikel 23 van de WRO ingegaan op doelbinding en denoodzaak van de gegevensverwerking. Daarbij is uiteengezet waaromverwerking van (bijzondere) persoonsgegevens uit het register noodza-kelijk is voor de goede taakuitvoering en op correcte wijze invullingkunnen geven aan de verwerkingsverantwoordelijkheid. Het belang vande gegevensverwerkingen voor onderzoeken zoals het NCO, en daaropgebaseerde rapportages, voor kennisgedreven beleid van scholen isaanzienlijk. Dit rechtvaardigt naar de opvatting van de regering deinperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeeren persoonsgegevens, binnen de hiervoor geschetste en ook al bestaandekaders van de WRO.5.4.2 Aansluiting bij systematiek Wet register onderwijsdeelnemers Met de opname van NWO in artikel 23 van de WRO wordt aangesloten bijde bestaande systematiek van deze wet. Dit betekent dat persoonsge-gevens alleen worden verstrekt als voor de specifieke aanvraag kanworden aangetoond dat het verwerken van persoonsgegevens voor ditdoel noodzakelijk is. Om te voorkomen dat meer gegevens wordenverstrekt dan noodzakelijk, zijn in artikel 23 van de WRO procedurelewaarborgen ingebouwd. Er moet door in dit geval NWO een verzoekworden ingediend waarin doelbinding en noodzaak voldoende zijnonderbouwd. De procedure in artikel 23 van de WRO betekent dat getoetstzal worden of verstrekking van persoonsgegevens in dat specifieke gevalnodig is. Bij de toetsing zal gekeken worden naar noodzakelijke gegevensen dataminimalisatie. De Minister neemt daarover een besluit.119 Bij hetbesluit wordt in ieder geval bepaald voor welke doeleinden gegevensworden verstrekt, welke gegevens het betreft en welke bewaartermijnvoor de gegevens moet worden gehanteerd.120 Aan het besluit wordenvoorschriften en beperkingen verbonden in het belang van eenzorgvuldige en doelmatige gegevensverwerking, waaronder inzakeinformatiebeveiliging en verwerkingslocaties.121Onder verwijzing naar artikel 23, tweede lid, van de WRO kan wordenvastgesteld dat NWO een rechtspersoon (zelfstandig bestuursorgaan) metvolledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk is. Bij de inrichtingvan en de afweging om te komen tot het NKO, als onderdeel van NWO, isrekening gehouden met het streven van de regering naar het verbeterenvan de kwaliteit van het onderwijs door middel van een eenduidige, sterkeen efficiënt werkende kennisinfrastructuur en diverse adviezen terzake, zoblijkt ook uit het convenant over het NRO (voorganger van het NKO).119Artikel 23, vijfde, zesde en zevende lid, van de WRO.120Artikel 23, achtste lid, van de WRO.121Artikel 23, negende lid, van de WRO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 342 5.4.3 Subsidiariteit: alternatief Als alternatief is bezien of de Minister als verwerkingsverantwoordelijkezou kunnen optreden voor onder andere de rapportages aan scholen opbasis van het NCO, in plaats van NWO. Dit is niet conform de huidigedoelbinding van de Minister geformuleerd in artikel 15 van de WRO inzakehet ten nutte van beleids- en begrotingsvoorbereiding inzetten vangegevens uit het ROD. De grondslag voor de Minister zou kunnen wordenuitgebreid voor rapportages aan scholen op basis van onderzoekspro-gramma’s zoals het NCO, maar dit wordt niet wenselijk geacht vanwegede afhankelijke positie van scholen ten opzichte van de Minister. Tevensbetreft het mogelijke onderwijsonderzoek niet alleen het bestel, maar ookafzonderlijke onderwijsinstellingen; de Minister heeft een stelselverant-woordelijkheid. Aangezien NWO (NKO) deze onafhankelijke positie welheeft en kan nemen, ook voor afzonderlijke onderwijsinstellingen, wordthet maken van een grondslag voor NWO (NKO) gezien als de meestefficiënte optie.5.4.4 Conclusie Derhalve voldoet dit wetsvoorstel aan de hiervoor genoemde eisen dievoortvloeien uit internationaal, Europees en nationaal recht en is debeperking van het recht op de bescherming van de persoonlijke levens-sfeer gerechtvaardigd.Ten overvloede merkt de regering op dat dit wetsvoorstel niets wijzigt inen geen afbreuk doet aan de rechten van betrokkenen, zoals het recht opinzage in en correctie van gegevens die over hem zijn opgenomen in hetROD.6. Verhouding tot nationale regelgeving 6.1 Verstrekking gegevens ROD aan NWO Samenhang met wetsvoorstel aansluiting onderwijs-arbeidsmarktVoor de onderzoeksactiviteiten die NWO via haar organisatieonderdeelNKO laat realiseren kan het nodig zijn om ook gebruik te kunnen makenvan gegevens die zijn geregistreerd bij CBS en waarvoor publicatie oponderwijsinstellingsniveau is voorzien. Dit betreft bijvoorbeeld dereferentiewaarden, bedoeld in het wetsvoorstel aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt.122 Voor de rapportages voor het NCO worden, naastgegevens uit het ROD, verschillende CBS-data gebruikt voor achtergrond-gegevens van een populatie leerlingen en ouders, waarmee vervolgensreferentiewaarden kunnen worden gemaakt. De voorspeldereferentiewaarde-indicator betreft een berekening op basis van dezegegevens. Daarbij worden op schoolniveau de meest waarschijnlijkeuitkomsten bepaald op basis van gegevens over de school en leerlingen-populatie. Met het wetsvoorstel verbetering aansluitingberoepsonderwijs-arbeidsmarkt wordt voorzien in de mogelijkheid om dereferentiewaarde gerelateerd aan een afzonderlijke onderwijsinstelling teberekenen en te publiceren. Deze referentiewaarde kan NWO/NKO (laten)benutten bij door haar gefinancierde onderzoeksactiviteiten die resulterenin publicaties op schoolniveau, zoals het NCO.122Kamerstukken II 2024/25, 36 670, nr. 2, artikel X; Kamerstukken II 2024/25, 36 670, nr. 3,p. 30–32, 73–74.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 343 7. Gevolgen 7.1 Landelijke veiligheidsmonitor De gevolgen voor de (feitelijke) regeldruk en het doenvermogen vanburgers zijn beperkt. In de volgende paragraaf wordt hier nader opingegaan.7.1.1 Gevolgen voor het doenvermogen Mede in het licht van de reeds bestaande leerlingmonitorverplichtingbrengt dit wetsvoorstel geen of amper nieuwe verplichtingen met zichmee voor leerlingen, personeel of scholen. Voor deze groepen betekent ditwetsvoorstel dat het instrument waarmee zij te maken krijgen in het kadervan de reeds bestaande jaarlijkse leerlingmonitorverplichting, mogelijk deLVM zal zijn.Doenvermogen van de leerlingBij de LVM worden leerlingen gevraagd antwoord te geven op gevoeligevragen, onder andere over hun seksuele gerichtheid, religieuze oflevensbeschouwelijke overtuigingen, eventuele migratieachtergrond alsook vragen die raken aan hun (psychische of lichamelijke) gezondheid.Mogelijk brengt het behandelen van deze onderwerpen mentale lastenmet zich mee voor deelnemers, bijvoorbeeld omdat die herinnerd wordenaan vervelende gebeurtenissen. Daarom is het belangrijk dat leerlingentijdens het beantwoorden van de vragen toegang hebben tot (pedago-gische) ondersteuning. Het is aan schoolbesturen om daar op gepastewijze invulling aan te geven. Gezien de zorgplicht voor de veiligheid opschool die voor schoolbesturen geldt, ligt het voor de hand dat die ervoorzorgen dat een (pedagogisch onderlegde) leerkracht aanwezig is bij hetinvullen van de vragenlijsten door de leerlingen. De Minister maakt inaanvulling daarop afspraken met het uitvoerende onderzoeksbureau overeen handreiking voor begeleiding tijdens het invullen, om zo veel mogelijkte waarborgen dat de afname zorgvuldig en in een veilige settingverloopt. Indien de LVM niet in samenwerking met scholen wordtafgenomen, bijvoorbeeld wanneer de vragenlijst digitaal bij de leerlingenthuis wordt ingevuld, kunnen de ouders ervoor zorgen dat hun kinddaarbij de juiste ondersteuning krijgt. In dat geval zal ook hierover richtingde ouders en de leerlingen op gepaste wijze gecommuniceerd worden.Indien de LVM in samenwerking met een school wordt afgenomen, zalafname plaatsvinden in een door het onderzoeksbureau vastgesteldeperiode. Het is de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag om eenjuist moment te kiezen, waarbij ook de mogelijke mentale belasting voorde leerlingen meegewogen moet worden. De periodes op school die opzichzelf al meer stressvol zijn, zoals toetsperiodes, kunnen van invloed zijnop de mentale belastbaarheid van de leerlingen. Om een cumulatie vanstressfactoren zo veel mogelijk te voorkomen is het verstandig metdergelijke periodes rekening te houden.Vanwege één aspect van de LVM zal dit wetsvoorstel, ten opzichte van dehuidige situatie, een groter beroep doen op het doenvermogen van debetrokken leerlingen. De vragenlijst van de LVM is over het algemeen ietsuitgebreider in vergelijking met sommige andere instrumenten dieschoolbesturen kunnen gebruiken om de veiligheidsbeleving te monitorenom te voldoen aan de leerlingmonitorverplichting. Er is bij eerdere editiesvan de LVM niet onder deelnemers geëvalueerd na het invullen van demonitor. Wel is er in 2022 een evaluatie uitgezet onder deelnemendescholen aan de monitor in 2021. Daar namen 13 scholen aan deel,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 344 voornamelijk uit het primair onderwijs. Harde conclusies konden dus nietgetrokken worden. Wel kwam het signaal naar voren dat een deel van descholen de vragenlijst voor leerlingen aan de lange kant vond. Dit signaalzal worden meegenomen in de uitvoering van de LVM.Voor de volledigheid is het belangrijk om te vermelden dat deelname nietverplicht is. De leerling kan er altijd voor kiezen om niet deel te nemen aande LVM. Daartoe is een verplichting opgenomen voor de Minister omleerlingen en hun ouders daarover te informeren.Doenvermogen van personeelsledenDe personeelsleden die belast zijn met de taak een groep leerlingen tebegeleiden bij het invullen van de betreffende vragenlijst, moeten daargenoeg tijd en ruimte voor krijgen. Omdat de LVM gebruikt kan wordenom aan genoemde verplichting te voldoen, leidt dit wetsvoorstel niet toteen significant verschil in doenvermogen voor deze personeelsleden.Daarnaast zal het personeel zelf in het kader van de LVM in staat wordengesteld om de vragenlijst in te vullen. Zoals ook het geval is bij leerlingen,kan het beantwoorden van deze vragen voor het personeel een mentalebelasting met zich meebrengen. Aangenomen wordt dat de mentalebelasting voor het personeel over het algemeen aanzienlijk lager is danvoor de deelnemende leerlingen. Personeelsleden zijn namelijk volwassenen begeven zich in een professionele setting. Daarom kan van personeels-leden verwacht worden dat zij tot op zekere hoogte beter in staat zijn omhet gesprek over veiligheid op hun school en hun ervaringen daarmee aante gaan.Ook voor het personeel geldt dat zij niet verplicht zijn deel te nemen aande LVM. Een personeelslid kan er altijd voor kiezen niet deel te nemen aande LVM. Daartoe is vastgelegd dat de Minister personeel daaroverinformeert.7.1.2 Gevolgen voor de regeldruk De gevolgen voor de regeldruk worden onderscheiden in structureleregeldrukkosten en eenmalige regeldrukkosten voor leerlingen en hetbevoegd gezag.123 Deze regeldrukkosten worden per doelgroep en persector uiteengezet.Bij de structurele regeldrukkosten is ook een feitelijke toename berekendten opzichte van de situatie vóór de inwerkingtreding van hetwetsvoorstel. Aangezien scholen de LVM kunnen inzetten om te voldoenaan de reeds bestaande monitoringsverplichtingen die zij hebben in hetkader van de zorgplicht veiligheid op school, maken zij een groot deel vande regeldrukkosten al.124 Deze regeldrukkosten staan ook reedsbeschreven in de memorie van toelichting van het Besluit uitbreiding vande monitoringsverplichting leerlingen funderend onderwijs125 en het123Onder de regeldrukkosten van het bevoegd gezag vallen zowel de kosten voor het bevoegdgezag zelf als ook de tijd die het bevoegd gezag beschikbaar moet stellen aan het personeel.124Artikel 4c, tweede lid, sub b WPO; artikel 5a, tweede lid, sub b, WEC; en artikel 3.40, tweedelid, sub b, WVO 2020.125Besluit tot de wijziging van het Besluit bekostiging WPO BES 2022, het InrichtingsbesluitWPO, het Onderwijskundig besluit WEC en het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 houdenderegels ten aanzien van een uitbreiding van de monitoringsverplichting in het funderendonderwijs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 345 Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs.126 Daarom wordt bij de berekeningvan de feitelijke regeldrukkosten uitgegaan van het verschil in de tijd diehet kost om de vragenlijst van de LVM en de leerlingmonitor in te vullen,namelijk 15 minuten (0,25 uur).127 Dit verschil komt voort uit het feit datde vragenlijst van de LVM langer en breder is dan de gemiddeldeleerlingmonitor.Voor de eenmalige kennismakingskosten geldt dat scholen zich zullenvergewissen van de vernieuwde LVM en mogelijk tot het besluit komenhet instrument te gebruiken. Hierin bestaat ook een overlap met deregeldrukkosten die reeds voortkomen uit de bestaande monitoringsver-plichting voor leerlingen. Binnen deze verplichting staat het scholen vrijeen instrument te kiezen en van instrument te wisselen. Eventueleregeldrukkosten ten aanzien van het wisselen van instrument komen dusvoort uit de reeds bestaande monitoringsverplichting. In dit kader zijnenkel de eenmalige kennisnamekosten in kaart gebracht.De totale feitelijke toename van de regeldrukkosten bedraagt:Tabel: overzicht totale feitelijke toename regeldrukkosten per doelgroepDoelgroepFeitelijke toenamevan de structureleregeldrukkostenFeitelijke toename vande eenmaligeregeldrukkostenLeerlingen€ 90.033€ 0Personeel1€ 95.407€ 0Bevoegd gezag (eenmalige regeldrukkosten)€ 0€ 934Totaal€ 185.440€ 9341 Het bevoegd gezag moet tijd vrijmaken voor het personeel om de vragenlijst in te vullen en deleerlingen te begeleiden. Daarom vallen deze regeldrukkosten onder het bevoegd gezag. Zeworden apart aangegeven en berekend om de herkomst van de regeldrukkosten te duiden. Percentage deelnemende scholen:Het percentage van scholen dat deelnam aan de laatste editie van deLandelijke Veiligheidsmonitor in het primair en voortgezet onderwijs wasongeveer 2%.128 Dit is vergelijkbaar met voorgaande jaren. Bij deberekening van de regeldrukkosten wordt uitgegaan van een situatiewaarin dit percentage ook voor de komende edities 2% blijft. Het aantaldeelnemende leerlingen zal per jaar kunnen verschillen afhankelijk van degrootte van de scholen die deelnemen aan de LVM. In dat kader wordt hetpercentage van 2% deelnemende scholen ook doorgevoerd op delandelijke leerling- en personeelspopulatie.Toename regeldrukkosten leerlingenKinderen tot 14 jaar worden niet meegenomen in de berekening van degevolgen van de regeldruk. Daarom is de regeldruk niet berekend voor hetbasisonderwijs en speciaal (basis-)onderwijs. In het voortgezet onderwijsen (voortgezet) speciaal onderwijs is deze scheiding moeilijker te maken.Daarom zijn alle leerlingen in deze sectoren meegenomen in de126Het bij koninklijke boodschap van 23 juni 2025 ingediende voorstel van wet tot wijziging vaneen aantal onderwijswetten in verband met de versterking van het veiligheidsbeleid opscholen (Wet vrij en veilig onderwijs) (Kamerstukken 36 777).127De gemiddelde vragenlijst van de schoolmonitor kost naar schatting 15 minuten om in tevullen. De vragenlijst van de LVM kost naar schatting 30 minuten om in te vullen.128Dit percentage is gebaseerd op cijfers van ResearchNed, het onderzoeksbureau dat de laatsteedities van de Landelijke veiligheidsmonitor heeft uitgevoerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 346 berekening. De ingeschatte structurele regeldrukkosten voor het invullenvan de vragenlijst door de leerlingen zullen neerkomen op:in het voortgezet speciaal onderwijs:€ 17 x 0,5 (uur) x 2% x 107.100 (aantal leerlingen in het (v)so)129 =€ 18.207in het voortgezet onderwijs:€ 17 x 0,5 (uur) x 2% x 952.100 (aantal leerlingen in het vo)130 = € 161.857De feitelijke toename van de structurele regeldrukkosten voor het invullenvan de vragenlijst door de leerlingen zullen neerkomen op:in het voortgezet speciaal onderwijs:€ 17 x 0,25 (uur) x 2% x 107.100 (aantal leerlingen in het (v)so)131 =€ 9.104in het voortgezet onderwijs:€ 17 x 0,25 (uur) x 2% x 952.100 (aantal leerlingen in het vo)132 = € 80.929De totale feitelijke toename van de structurele regeldrukkosten voorleerlingen in het funderend onderwijs komt daarmee uit op:€ 9.104 + € 80.929 = € 90.033Toename regeldrukkosten personeelOok voor het personeel worden regeldrukkosten verwacht, omdat ook hetpersoneel de monitor invult. Daarnaast zijn regeldrukkosten te verwachtenvoor het bevoegd gezag, dat het een en ander moet regelen om leerlingenen personeel in staat te stellen om de monitor in te vullen. De ingeschattestructurele regeldrukkosten voor het invullen van de vragenlijst door hetpersoneel zullen neerkomen op:in het primair onderwijs:€ 54 x 0,5 (uur) x 2% x 136.200 (personeelssterkte po in fte’s)133 = € 73.548En in het voortgezet onderwijs:€ 54 x 0,5 (uur) x 2% x 87.000 (personeelssterkte vo in fte’s)134 = € 46.980De ingeschatte structurele regeldrukkosten voor het personeel vanwegehet invullen van de vragenlijst in de les door leerlingen bedragen:in het primair onderwijs:€ 54 x 0,5 (uur) x 2% x 80.606 (geschat aantal klassen in het po)135 =€ 43.527129Gebaseerd op de referentieraming 2023 en uitgaande van het standaard tarief van € 15 voorburgers uit het handboek meting regeldrukkosten.130Gebaseerd op de referentieraming 2023 en uitgaande van het standaard tarief van € 15 voorburgers uit het handboek meting regeldrukkosten.131Gebaseerd op de referentieraming 2023 en uitgaande van het standaard tarief van € 17 voorburgers uit het handboek meting regeldrukkosten.132Gebaseerd op de referentieraming 2023 en uitgaande van het standaard tarief van € 17 voorburgers uit het handboek meting regeldrukkosten.133Gebaseerd op de cijfers van DUO over de salarisadministraties van instellingen over het jaar2022 en uitgegaan van het intern uurtarief voor hoogopgeleide medewerkers bij bedrijven uithet handboek meting regeldrukkosten.134Gebaseerd op de cijfers van DUO over de administraties van instellingen over het jaar 2022en uitgegaan van het intern uurtarief voor hoogopgeleide medewerkers bij bedrijven uit hethandboek meting regeldrukkosten.135Aantal klassen, berekend op basis van de referentieraming van 2023 en uitgaande van23,5 leerlingen per klas in het po en 6 leerling in het (v)so.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 347 in het voortgezet onderwijs:€ 54 x 0,5 (uur) x 2% x 49.553 (geschat aantal klassen in het vo)136 =€ 27.559De ingeschatte feitelijke toename van de structurele regeldrukkosten voorhet invullen van de vragenlijst door het personeel zullen neerkomen op:in het primair onderwijs:€ 54 x 0,25 (uur) x 2% x 136.200 (personeelssterkte po in fte’s)137 =€ 36.774En in het voortgezet onderwijs:€ 54 x 0,25 (uur) x 2% x 87.000 (personeelssterkte vo in fte’s)138 = € 23.490De ingeschatte feitelijke structurele regeldrukkosten voor het personeelvoor het invullen van de vragenlijst in de les door leerlingen:in het primair onderwijs:€ 54 x 0,25 (uur) x 2% x 80.606 (geschat aantal klassen in het po)139 =€ 21.764in het voortgezet onderwijs:€ 54 x 0,25 (uur) x 2% x 49.553 (geschat aantal klassen in het vo)140 =€ 13.379De totale feitelijke toename van de structurele regeldrukkosten voor hetpersoneel in het funderend onderwijs komt daarmee uit op:€ 36.774 + € 23.490 + € 1.612 + € 13.379 = € 95.407Toename feitelijke regeldrukkosten bevoegd gezagHet bevoegd gezag zal eenmalige kennisnamekosten hebben om zich tevergewissen van de vernieuwde LVM en de nieuwe wettelijke eisen diedaaraan zijn gesteld. Uitgaande van een gedegen en overzichtelijkecommunicatie door OCW wordt verwacht dat een schoolbestuur hier 1uur aan zal besteden. De eenmalige regeldrukkosten voor het bevoegdgezag zijn dan ook:141in het primair onderwijs:€ 54 x 1 (uur) x 2% x 857 (aantal besturen primair onderwijs) = € 634in het voortgezet onderwijs:€ 54 x 1 (uur) x 2% x 278 (aantal besturen voortgezet onderwijs) = € 300Totale eenmalige regeldrukkosten: € 634 + € 300 = € 934136Aantal klassen, berekend op basis van de referentieraming van 2023 en uitgaande van19 leerlingen per klas.137Gebaseerd op de cijfers van DUO over de administraties van instellingen over het jaar 2022en uitgegaan van het intern uurtarief voor hoogopgeleide medewerkers bij bedrijven uit hethandboek meting regeldrukkosten.138Gebaseerd op de cijfers van DUO over de administraties van instellingen over het jaar 2022en uitgegaan van het intern uurtarief voor hoogopgeleide medewerkers bij bedrijven uit hethandboek meting regeldrukkosten.139Aantal klassen, berekend op basis van de referentieraming van 2023 en uitgaande van23,5 leerlingen per klas in het po en 6 leerling in het (v)so.140Aantal klassen, berekend op basis van de referentieraming van 2023 en uitgaande van19 leerlingen per klas.141Het aantal besturen in het funderend onderwijs is gebaseerd op data van ocwincijfers.nl.Geraadpleegd op 16 mei 2025 vanhttps://www.ocwincijfers.nl/sectoren/primair-onderwijs/instellingen/aantal-scholen-in-het-primair-onderwijs en https://ocwincijfers.nl/sectoren/voortgezet-onderwijs/instellingen/aantal-vo-scholen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 348 Naast de eenmalige regeldrukkosten is er ook sprake van structureleregeldrukkosten voor het bevoegd gezag om leerlingen en personeel teinformeren over de LVM. Dit zal georganiseerd en gecommuniceerdmoeten worden. Daarvoor wordt uitgegaan van twee uur per bevoegdgezag. De structurele regeldrukkosten voor het bevoegd gezag komendaarmee neer op:142in het primair onderwijs:€ 54 x 2 (uur) x 2% x 857 (aantal besturen primair onderwijs) = € 1.268En in het voortgezet onderwijs:€ 54 x 2 (uur) x 2% x 278 (aantal besturen voortgezet onderwijs) = € 600De feitelijke structurele regeldrukkosten gaan uit van het verschil tussende leerlingmonitor en de LVM in de tijd die het kost om te regelen datleerlingen en personeel de vragenlijsten kunnen invullen. De verwachtingis dat hier geen verschil in is en daarmee betreft de totale feitelijketoename van de structurele regeldrukkosten: € 07.2 Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden Vanuit het perspectief «eenmalige uitvraag, meervoudig gebruik» heeft ditwetsvoorstel een positief effect op de administratieve lasten vanschoolbesturen. Zij hoeven niet opnieuw de gegevens aan te leveren aande sectorraden over het onderwijspersoneel omdat gebruik wordtgemaakt van de gegevens die zij al aan DUO aanleveren. Beoogd wordtom eenzelfde aanvraagprocedure in te richten als bij artikel 23 van deWRO. Hiervoor wordt uitgegaan van 16 uur per aanvraag en een uurtariefvan € 50 per aanvraag wat de totale administratieve last voor deaangewezen organisatie € 800 maakt. Van een mentale belasting vanburgers (in het kader van doenvermogen) is in dit wetsvoorstel geensprake.7.3 Verstrekking gegevens ROD aan NWO In de memorie van toelichting bij artikel 23 van de WRO is destijds over deadministratieve lasten voor de aangewezen organisaties opgemerkt datuitgaande van een 16 uur per aanvraag en een uurtarief van € 50 sprake isvan administratieve lasten van € 800.143 Daarbij werd uitgegaan van eenseparaat opgestelde DPIA voorafgaand aan het opstellen van de aanvraaggegeven uitvoering van de WRO en onderliggende wet- en regelgeving opeen transparante wijze. Wezenlijk is daarbij ook het aansluiten bij determinologie in de wet- en regelgeving opdat helder is welke gegevensprecies worden verwerkt en verstrekt.8. Uitvoering, toezicht en handhaving Dit wetsvoorstel werd gelijktijdig aan de internetconsultatie ter toetsingvoorgelegd aan DUO, de inspectie en de Auditdienst Rijk.DUO heeft op 16 juni 2025 een uitvoeringstoets uitgebracht over ditwetsvoorstel. Daarbij is ook input van de IvhO meegenomen. De conclusievan DUO is dat dit wetsvoorstel uitvoerbaar is. Daarbij hebben DUO en deIvhO wel enkele punten onder de aandacht gebracht, die zijn verwerktofwel waar nader overleg en uitwerking op zal plaatsvinden. Hieronder zalop deze punten worden gereageerd.142Het aantal besturen in het funderend onderwijs is gebaseerd op de open onderwijsdata vanDUO over het jaar 2024.143Kamerstukken II 2021/22, 35 963, nr. 3, p. 38.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 349 8.1 Landelijke veiligheidsmonitor De conclusie van DUO is dat dit wetsvoorstel op het onderdeel van deLVM geen consequenties heeft voor haar uitvoeringstaken.Dit wetsvoorstel heeft daarnaast geen directe gevolgen voor de uitvoeringvan het toezicht door de inspectie. Wel stelt de inspectie dat de syste-matiek van de LVM voldoende afgestemd dient te zijn op de leerlingmo-nitor. De inspectie houdt namelijk toezicht op de leerlingmonitor en heeftenkele zorgen geuit over de overlap in de systematiek. Daarnaast wijst deinspectie op een aantal punten die nadere uitwerking of uitleg behoeven.Ten slotte vraagt de inspectie aandacht voor de personeelsmonitor dievoorheen was opgenomen in het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs.Systematiek van de LVM en de leerlingmonitorDe inspectie wijst op de overlap in de systematiek van de LVM en deleerlingmonitor en dat die voldoende op elkaar afgestemd dienen teworden. De inspectie geeft aan dat de formulering ten aanzien van hetuitnodigen van deelnemers verwarring wekt en zij niet begrijpt waaromhet verwerken van persoonsgegevens in dat kader noodzakelijk is. Ook uitzij zorgen over de juridische basis voor het doorzenden van de resultatenaan de inspectie. Ten slotte benadrukt de inspectie dat in de jaren waarinde LVM niet wordt afgenomen de verantwoordelijkheid voor deverwerking van persoonsgegevens bij het bevoegd gezag ligt.Ten aanzien van het uitnodigen van deelnemers benadrukt de regering dater twee scenario’s zijn voor de uitvoering van de LVM: klassikaal afnemenmet medewerking van scholen en thuisafname zonder medewerking vanscholen. Bij klassikale afname zal inderdaad geen sprake zijn van hetverwerken van direct identificerende gegevens. Dit is de huidigewerkwijze. De regering is voornemens om de LVM in de toekomst ook opdeze wijze te organiseren. Bij afname zonder medewerking van scholenzullen de betrokken deelnemers op een andere manier worden geworven,bijvoorbeeld door leerlingen een uitnodigingsbrief te versturen. Voor hetwervingsproces is het verwerken van direct identificerende persoonsge-gevens noodzakelijk. Dit tweede scenario is nader toegelicht.Ten aanzien van de systematiek voor het doorsturen van de resultatennaar de inspectie, zet de regering in het wetsvoorstel nadrukkelijk in opeen aansluiting bij de systematiek van de leerlingmonitor. Dit betekent datwanneer het bevoegd gezag besluit de schoolrapportage te gebruiken omte voldoen aan de wettelijke monitoringsverplichting, zij ook verantwoor-delijk is voor het sturen van de resultaten aan de inspectie. Het bevoegdgezag kan in dit geval ook de aanbieder van de monitor (in dit geval hetonderzoeksbureau dat in opdracht van de Minister de LVM uitvoert)mandateren de resultaten namens het bevoegd gezag naar de inspectie testuren. Een randvoorwaarde hiervoor is het opstellen van een verantwoor-dingsdocument door het onderzoeksbureau waarin duidelijk wordt dat hetinstrument valide, gestandaardiseerd en betrouwbaar is. De LVM zal bijdeze huidige systematiek aansluiten en het uitvoerende onderzoeks-bureau zal opdracht gegeven worden hieraan te voldoen. Ten slotte geldtdat in de jaren dat de LVM niet plaatsvindt het bevoegd gezag zelfverantwoordelijk is voor de afname van een monitoringsinstrument omaan de jaarlijkse monitoringsverplichting te voldoen en de daarvoorbenodigde verwerking van persoonsgegevens. In de tussenliggende jarenvan de meest recente edities van de LVM werd door het uitvoerendeonderzoeksbureau een beperktere versie van de LVM aangeboden. Op diemanier werden minder persoonsgegevens verwerkt en was de inbreuk opde privacy ook beperkter. Tegelijkertijd werd daarmee gezorgd voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 350 continuïteit en een zekere mate van vergelijkbaarheid met betrekking totde resultaten van de monitors in de opeenvolgende jaren.Nadere uitleg en uitwerkingDe inspectie wijst in haar uitvoeringstoets op een aantal punten waarbij zijeen nadere uitwerking wenselijk acht. Daarbij doelt zij onder andere op deaggregatie en de uitsplitsing van de resultaten in de schoolrapportage enwelke verwerkingen van persoonsgegevens nodig zijn voor het uitvoerenvan de LVM. De inspectie geeft daarbij ook aan dat dit een detailniveau iswat beter zou passen in een algemene maatregel van bestuur.De regering heeft naar aanleiding van de uitvoeringstoets en de reactievan de sectorraden op het voorstel besloten een delegatiegrondslag op tenemen om per ministeriële regeling nadere regels te stellen over eenaantal zaken. Die regels betreffen de onderwerpen binnen de aandachts-gebieden, het uitvoeringsproces, en de inhoud van de landelijkerapportage en schoolrapportage. Bij de totstandkoming van deze regelingzal de inspectie worden betrokken en zal haar inbreng in de uitvoerings-toets meegenomen worden.PersoneelsmonitorDe inspectie geeft in haar uitvoeringstoets aan dat nog wordt uitgegaanvan een monitoringsverplichting voor het bevoegd gezag in hetWetsvoorstel vrij en veilig onderwijs met betrekking tot de veiligheid vanhet personeel, terwijl deze recent is geschrapt naar aanleiding van hetadvies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna:Afdeling). In de consultatieversie van dit wetsvoorstel is inderdaaduitgegaan van de situatie waarin de wijzigingen met betrekking tot demonitorverplichting in het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordendoorgevoerd. Het wetsvoorstel was namelijk al ter consultatie aange-boden voordat de Afdeling haar advies over het Wetsvoorstel vrij en veiligonderwijs had uitgebracht. Naar aanleiding van het advies van deAfdeling is besloten om de verplichting voor scholen in het Wetsvoorstelvrij en veilig onderwijs om de veiligheid van het personeel tweejaarlijks temonitoren te schrappen. In plaats daarvan is een bepaling toegevoegd datde veiligheidsbeleving van het personeel bij de jaarlijkse evaluatie van hetveiligheidsbeleid dient te worden betrokken.144 Op grond van dezebepaling worden de gegevens over de veiligheid van het personeelverstrekt via de schoolrapportage. Het bevoegd gezag kan deze gegevensgebruiken ten behoeve van haar evaluatieplicht. Dat besluit heeftconsequenties voor de gegevens die over de veiligheid van het personeelaan scholen verstrekt kunnen worden. In de ministeriële regeling zal naderbepaald worden wat er wat dat betreft wel en niet kan.8.2 Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden DUO constateert dat het aanleveren van gegevens over het onderwijsper-soneel uitvoerbaar is. Dit betreft de gegevens over de gehele sector,aangezien in de openbare informatieproducten informatie over alleschoolbesturen en instellingen beschikbaar is. Er is dus geen sprake vanextra werkzaamheden naast de werkzaamheden die zij momenteel alverricht in dit kader. Tevens maakt DUO in de uitvoeringstoets een aantaloverige opmerkingen over het wetsvoorstel. Op basis hiervan isaanpassing aangebracht in het wetsvoorstel (het schrappen vanverwijzing naar een wetsartikel) en op een aantal andere punten zal144Kamerstukken II 2024/25, 36 777, nr. 2 (artikel 4c, tweede lid, onderdeel b, WPO; artikel 5a,tweede lid, onderdeel b, WEC; en artikel 3.40, tweede lid, onderdeel b, WVO 2020).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 351 separaat worden ingegaan in de opdrachtverstrekking op basis van dezeuitvoeringstoets.Tevens maakt de inspectie een opmerking over de variant van scholen opde kaart voor samenwerkingsverbanden (samenwerkingsverbandenopde-kaart.nl). Dit informatieproduct is onderdeel van Vensters en ook in beheervan de PO-raad en de VO-raad.8.3 Verstrekking gegevens ROD aan NWO DUO heeft enige zorg over de mogelijk grotere hoeveelheid werkvanwege het feit dat nu ook de NWO aanvragen kan doen voor gegevensop basis van artikel 23 van de WRO. Het wetsvoorstel is voor DUOuitsluitend uitvoerbaar als dit in de praktijk beperkt blijft tot eenmaal perjaar een aanvraag ten behoeve van het Nationaal CohortonderzoekOnderwijs (NCO), zoals in de onderbouwing van het wetsvoorstel isbeschreven. Voor het afhandelen van meer aanvragen geeft DUO aangeen capaciteit beschikbaar te hebben.Vooralsnog beperken mogelijke aanvragen op basis van de grondslagvoor NWO in artikel 23 WRO zich tot gegevens voor het NCO, maar voorde toekomst valt niet uit te sluiten dat andere onderzoeken er ook onderkunnen gaan vallen. De regering houdt hierbij rekening met de capaciteitvan DUO bij de aanvraag en in de uitvoering. Ook in bestuurlijkeoverleggen met NWO zal aandacht worden gevraagd voor deze mogelijkecapaciteitsbeperking.9. Financiële gevolgen Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting.10. Caribisch Nederland 10.1 Landelijke veiligheidsmonitor Voor Caribisch Nederland geldt het uitgangspunt «comply or explain». Datwil zeggen dat de regelgeving die in Europees Nederland geldt ook vantoepassing is in Caribisch Nederland, tenzij er aanleiding is om van datuitgangspunt af te wijken. Ten aanzien van de LVM ziet de regering redenom de wetgeving in dit voorstel niet van toepassing te verklaren voorCaribisch Nederland.De context van Caribisch Nederland en Europees Nederland verschiltdusdanig dat zowel de inhoud als de formulering van de vragenlijsten vande LVM zouden moeten worden aangepast voor Caribisch Nederland. Ditmaakt het onmogelijk om de resultaten te vergelijken en tot éénbetrouwbaar landelijk beeld te komen dat recht doet aan beide delen vanNederland. Het apart uitsplitsen naar scholen in Caribisch Nederland isdaarom overwogen, maar dat stuit op bezwaren. Door de kleinschaligheidvan het funderend onderwijs en de scholen in Caribisch Nederland en debrede uitvraag in de vragenlijsten is het risico op herleidbaarheid daargroot. Dat zou grote risico’s vormen voor de rechten en vrijheden van debetrokkenen.Daarnaast is de LVM niet noodzakelijk om voldoende inzicht te krijgen inde veiligheid op scholen in Caribisch Nederland ten behoeve van debeleidsvorming. Door de kleinschaligheid is dit voldoende af te leiden uitde bestaande monitoringsverplichtingen omtrent leerling en personeelvoor het bevoegd gezag én het laagdrempelige contact met de afdelingOCW bij de Rijksdienst Caribisch Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 352 10.2 Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden Dit onderdeel van het wetsvoorstel heeft ook geen betrekking op CaribischNederland. Het betreft de levering van personeelsgegevens door DUO aande sectorraden in Nederland. Dit heeft geen betrekking op gegevens vanschoolbesturen in Caribisch Nederland.10.3 Verstrekking gegevens ROD aan NWO Dit onderdeel van het wetsvoorstel heeft vooralsnog geen betrekking opCaribisch Nederland. Bij toekomstige inwerkingtreding van de WRO voorCaribisch Nederland worden de bekostigde BES-scholen aangesloten ophet ROD. Nadien zouden ook de gegevens van deze scholen aan NWOgeleverd kunnen worden voor het doel van onderzoek naar de kwaliteit,toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs.11. Advies en consultatie Voor dit wetsvoorstel is op verschillende manieren gebruik gemaakt vande expertise van actoren binnen het funderend onderwijsveld. Opmeerdere momenten zijn er gesprekken gevoerd met vertegenwoordigersvan de sectorraden, bonden, docenten, expertiseorganisaties en deinspectie.Naast de informele (ambtelijke) gesprekken is het voorstel voor internet-consultatie voorgelegd. Daarnaast zijn de Dienst Uitvoering Onderwijs(hierna: DUO) en de Inspectie van het Onderwijs (hierna: IvhO) gevraagdom een geïntegreerde uitvoeringstoets uit te brengen. Ook is er om eenadvies gevraagd van de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) en hetAdviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR). De resultaten van deformele consultaties en adviezen worden hieronder nader toegelicht.11.1. Internetconsultatie Het wetsvoorstel is vanaf 31 maart 2025 tot en met 30 april 2025 ininternetconsultatie geweest. De consultatie heeft 7 reacties opgeleverd,waarvan 6 openbare. De reacties onder naam zijn onder andere ingedienddoor belangenorganisaties als Ouders & Onderwijs en de sectorraden(PO-Raad, VO-raad, Sectorraad GO, Sectorraad PRO). Ook heeft de ATRéén reactie ingediend en zijn er reacties van burgers.In algemene zin wordt gemengd gereageerd op het wetsvoorstel. Hierbijwordt onder andere gewezen op de grootschalige verwerking vanbijzondere categorieën persoonsgegevens.11.1.1 Landelijke Veiligheidsmonitor In de internetconsultatie is door Ouders & Onderwijs (hierna: O&O) en desectorraden kritisch gereageerd op de maatregelen omtrent de LVM. Naaraanleiding van deze reacties is de wet aangepast en ook de toelichting opeen aantal punten verduidelijkt.Ministeriële regelingDe sectorraden stellen in hun reactie dat het wetsvoorstel onvoldoendeduidelijk maakt hoe de uitvoering van de LVM en de verwerking vanpersoonsgegevens eruit komt te zien en welke concrete maatregelengetroffen zullen worden om de rechten en vrijheden van de betrokkenente waarborgen. Ze zijn daarnaast kritisch op de beperkte betrokkenheidvan het onderwijsveld bij dit wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 353 De regering hecht grote waarde aan een zorgvuldige weging van depersoonsgegevens die noodzakelijk zijn om tot een landelijk beeld tekomen van de veiligheid op scholen in Nederland. Onderdeel van dezeweging is goed overleg met het onderwijsveld. Het is van belang dattransparant is welke persoonsgegevens voor welk doel of proces verwerktworden. Mede naar aanleiding van deze reactie is besloten een delegatie-grondslag op te nemen in het wetsvoorstel voor een ministeriële regelingwaarin nadere regels gesteld zullen worden over de achtergrondken-merken en onderwerpen binnen de aandachtsgebieden, het uitvoerings-proces en de inhoud van de landelijke rapportage en schoolrapportage.De regering is voornemens om bij de concrete uitwerking van dezeregeling zorgvuldig af te stemmen met de vertegenwoordigendeorganisaties van de betrokkenen bij dit wetsvoorstel.Privacyrechtelijke verantwoordelijkhedenDe sectorraden stellen dat onvoldoende duidelijk is hoe de privacyrechte-lijke rol- en verantwoordelijkheidsverdeling is geregeld wanneer deafname van de LVM via scholen wordt georganiseerd.De regering begrijpt de zorgen van de sectorraden op dit punt. DeMinister is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking vanpersoonsgegevens ten behoeve van de landelijke veiligheidsmonitor. Ditis geëxpliciteerd in het wetsvoorstel. Onder deze verantwoordelijkheidvallen ook de verwerkingen van persoonsgegevens die noodzakelijk zijnvoor de uitvoering van de LVM. Scholen dragen hierin dus geen verant-woordelijkheid. De Minister verstrekt deelnemende scholen een school-rapportage waarmee zij kunnen voldoen aan de wettelijke monitoringsver-plichting en verplichting tot het versturen van resultaten en gegevens aande inspectie.145 Ook kan het bevoegd gezag met de schoolrapportagevoldoen aan diens wettelijke verplichting om de veiligheidsbeleving vanhet personeel te betrekken bij de evaluatie van het veiligheidsbeleid.146De schoolrapportage kan mogelijk tot de persoon herleidbare informatiebevatten. Vanaf ontvangst van de rapportage draagt de school deverantwoordelijkheid voor een zorgvuldige borging van de privacy vanbetrokkenen en dient voldoende waarborgen te treffen voor een veiligeopslag en eventuele vernietiging van de rapportage wanneer het bewarenvan de rapportage niet langer noodzakelijk is. Dit is verduidelijkt in detoelichting.Druk op leerlingen en pedagogische begeleidingO&O wijst in haar reactie op het risico dat er druk wordt uitgeoefend opleerlingen om deel te nemen aan de LVM. Daarnaast wijst zij op hetbelang van een zorgvuldige klassikale afname waarbij leerlingen toeganghebben tot (pedagogische) ondersteuning. Zij geven aan dat ouderseventueel deze ondersteuning kunnen bieden wanneer de LVM thuiswordt afgenomen.De regering onderschrijft het belang van een vrijwillige en zorgvuldigeafname. Daarom is in de toelichting nader uitgewerkt dat er goedeinformatie moet zijn over het feit dat deelname aan de LVM niet verplichtis. In geval van leerlingen onder de 16 jaar zullen de ouders worden145Artikel 4c, eerste en derde lid, WPO; artikel 5a, eerste en derde lid, WEC; artikel 3.40, eerste enderde lid, WVO 2020 (zie ook Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs, Kamerstukken 36777).146Artikel 4c, tweede lid, onderdeel b, WPO, artikel 5a, tweede lid, onderdeel b, WEC, artikel 3.40,tweede lid, onderdeel b WVO 2020 (Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs, Kamerstukken36777).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 354 geïnformeerd over de LVM, zodat zij kunnen beslissen over hun deelname.Ook is in de toelichting nader uitgewerkt dat het wenselijk is dat er een(pedagogisch onderlegde) leerkracht aanwezig is bij het invullen van devragenlijsten door de leerlingen. Daarnaast zullen afspraken wordengemaakt met het uitvoerende onderzoeksbureau over een handreikingvoor begeleiding tijdens het invullen, ook om zo veel mogelijk tevoorkomen dat leerlingen druk ervaren om de vragenlijst in te vullen.Verwerking persoonsgegevens LVM in relatie tot de leerlingmonitor enbetrouwbaarheid van het beeldO&O wijst in haar reactie op het risico dat in het kader van de LVM meerpersoonsgegevens aan scholen worden verstrekt dan scholen op grondvan hun jaarlijkse leerlingmonitorverplichting zijn toegestaan om teverwerken. Ook stelt O&O dat wanneer leerlingen zich niet veilig voelenom sociale veiligheid te melden, zij dit door middel van vragen in demonitor waarschijnlijk ook niet zullen doen.De regering heeft het wetsvoorstel op basis van deze punten nietaangepast. Ten aanzien van de monitoringsverplichting verstrekt deMinister deelnemende scholen een schoolrapportage die inzicht geeft inverschillende aspecten van de veiligheid van leerlingen op school.Daarmee is deze rapportage doelmatig in relatie tot de monitoringsver-plichting en kunnen persoonsgegevens op basis van deze verplichtingdoor de school worden verwerkt.Hoewel de regering het risico onderkent dat niet alle leerlingen demonitor eerlijk zullen invullen, bieden de uitkomsten belangrijke aangrij-pingspunten om het gesprek over veiligheid verder te voeren, op landelijkniveau en binnen de school. Daarnaast zet de regering met hetWetsvoorstel vrij en veilig onderwijs in op het verbeteren van deveiligheid op school.11.1.2. Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden De PO-Raad, VO-raad en Sectorraad PRO spreken in hun reactie op deinternetconsultatie hun waardering uit voor de voorgenomen wetswij-ziging waarmee de grondslag voor de levering van personeelsgegevensaan de sectorraden in het funderend onderwijs wordt geborgd. Tegelij-kertijd tekenen zij bezwaar aan tegen het uitsluiten van salarisgegevens inhet wetsvoorstel. De kern van het bezwaar is dat de uitsluiting vansalarisgegevens de beoogde bijdrage van de sectorraden aan verant-woording, vergelijking en kennis gedreven personeelsbeleid doorschoolbesturen ernstig zou belemmeren. De sectorraden geven aan datschoolbesturen zonder de verstrekking van deze informatie aan desectorraden hun interne en externe verantwoordingsplicht slechts ten delekunnen invullen.De reden dat de regering alleen gegevens over de persoon en arbeidsre-latie in het wetsvoorstel opneemt en niet het gegeven salaris, is gelegenin de bescherming van de privacy van onderwijspersoneel. De regeringerkent het belang van het gebruik van salarisgegevens door schoolbe-sturen voor hun interne en externe verantwoording. Het feit dat ditgegeven op het niveau van functiecategorie wordt gevraagd en datdaarmee de salarisgegevens van individuen zichtbaar kunnen worden ishet doorslaggevende argument in de keuze om dit onderdeel niet op tenemen in onderhavig wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 355 Bij aggregatie op niveau van functiecategorie speelt een (groter) risico opindirecte identificatie van personen. Binnen een aantal functiecategorieën,waarvan er achttien zijn, zal er relatief vaak maar één persoon werkzaamzijn bij een instelling. Bijvoorbeeld binnen de functiecategorie vandirecteur. Ondanks het feit dat er geen naam of andere direct identifice-rende gegevens zouden worden verstrekt aan de sectorraden, bestaat dande kans dat die persoon te identificeren is door medewerkers van desectorraden. Omdat het salarisgegeven een gevoelig persoonsgegeven is,wordt dit niet wenselijk geacht. In tegenstelling tot geaggregeerdegegevens over het aantal fte en geslacht zijn deze gegevens nooit eerderverstrekt.De sectorraden geven aan dat salarisgegevens essentieel zijn om inzichtte krijgen in de doelmatigheid van personeelsinzet en de overheadkostenvan scholen. Volgens de sectorraden kunnen schoolbesturen zonder dezeinformatie hun interne en externe verantwoordingsplicht slechts ten deleinvullen. In reactie hierop geeft de regering aan dat het volgende vanbelang is. De geconsolideerde gegevens uit de jaarrekening over hetsalaris zijn reeds openbaar beschikbaar via DUO. Vanaf kalenderjaar 2016levert ieder schoolbestuur de jaarcijfers via XBRL bij DUO aan. Degegevens zijn afkomstig uit de jaarrekeningen van de schoolbesturen overhet jaar voorafgaand aan het jaar van aanleveren. Deze gegevens kunnenworden gebruikt in de informatieproducten van de sectorraden met alsdoel interne en externe verantwoording alsmede het maken van vergelij-kingen.Daarnaast wordt er gewerkt aan een norm voor de omvang van overheadin het onderwijs en voor onderwijspersoneel.147 Hiermee zal eenduidelijke norm worden gesteld over de mate waarin van schoolbesturenwordt verwacht dat het geld daadwerkelijk in de klas landt. Schoolbe-sturen krijgen daarmee inzicht in hoe ze zich verhouden ten opzichte vande norm. Ook kan hierover een goed gesprek binnen de schoolorganisatieworden gevoerd. Het onderwijsveld wordt betrokken bij de uitwerking vande normen.In de uitvraag van beleidsinformatie via het XBRL-onderwijsportaal wordtbij het onderwerp allocatie van middelen wel gevraagd wat de verhoudingis tussen het personeel primair proces/docerend personeel en het totaalaantal fte. In de reactie van de sectorraden op de internetconsultatie wordtaangegeven dat het niet leveren van salarisgegevens tot gevolg heeft datgegevens over inhuur en personeel-niet-in-loondienst in de toekomstgeen onderdeel van de benchmark kunnen worden, omdat personeel-niet-in-loondienst alleen in euro’s wordt uitgedrukt, en niet in fte. Onderwijs-instellingen kunnen dan dus slechts gedeeltelijk inzicht krijgen en biedenover personeel, en in het bijzonder de overhead. De regering merkt op dataan schoolbesturen echter wel wordt gevraagd om de totale omvanginhuur in uren van het desbetreffende meetjaar over het personeel-niet-in-loondienst aan te leveren. Dit kan worden vertaald naar aantal fte engebruikt worden voor de berekening.11.1.3 Verstrekking gegevens ROD aan NWO Voor dit onderdeel is één inhoudelijke reactie binnengekomen vanuit hetAdviescollege toetsing regeldruk (ATR), zie paragraaf 11.3.147Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 762.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 356 11.2. Autoriteit Persoonsgegevens De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is om advies gevraagd. De AP heeftgeen aanmerkingen op het concept.11.3. Adviescollege Toetsing Regeldruk Het wetsvoorstel is ter advisering voorgelegd aan het Adviescollegetoetsing regeldruk (hierna: ATR). Het ATR heeft vijf adviezen meegegevenover het wetsvoorstel, hieronder wordt per onderdeel een reactie gegevenop de adviezen.11.3.1. Landelijke veiligheidsmonitor Het college adviseert om aandacht te besteden aan de werkbaarheid vanhet wisselende beleid voor veiligheidsmonitoring door scholen. Deregering merkt op dat de LVM vanaf 2006 en vóór 2023 tweejaarlijks werduitgevoerd door een onderzoeksbureau (met uitzondering van de periodegedurende de COVID-19-pandemie). Ook voorheen werd de LVM alsinstrument ingezet in het kader van de verplichte leerlingmonitor. In depraktijk verandert dat aspect dus niet (afgezien van het stopzetten van deLVM sinds 2023). Voor in ieder geval de drie meest recente edities van deLVM geldt dat het uitvoerende onderzoeksbureau in de tussenliggendejaren ook een veiligheidsmonitor als leerlingmonitor aanbood. Dit betrofdan een beperktere versie van de LVM in opdracht van OCW. Dezebeperktere monitor voldeed dan aan de wettelijke eisen in het kader vande Wet veiligheid op school. Het stopzetten van de LVM betekende dusniet per se dat de scholen als gevolg daarvan op zoek moesten naar eennieuwe aanbieder. Naar het oordeel van de regering is het betreffendebeleid niet inconsistent en ontstaan er als gevolg van de uitvoering van ditwetsvoorstel geen problemen voor de werkbaarheid voor scholen.Ook adviseert het college om de verhouding tussen enerzijds landelijkbeleid en anderzijds lokaal beleid te verduidelijken. De regering consta-teert dat scholen verantwoordelijk zijn voor de veiligheid op school en omdat te borgen moeten zij de veiligheid op school monitoren en daaropgebaseerd veiligheidsbeleid voeren.148 Dat dient altijd toegespitst te zijnop de eigen populatie en situatie. Vanuit de vrijheid van onderwijs staathet scholen vrij om zelf te bepalen hoe zij de veiligheid op school borgen.Daarin mogen dus ook verschillen bestaan. De zorgplicht is ook geenresultaatsverplichting, maar een inspanningsverplichting. Zo kan eenschool gedegen en goed veiligheidsbeleid voeren, maar kunnen ervanwege de lokale context of leerlingpopulatie nog wel veiligheidsinci-denten plaatsvinden. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid van OCW ishet landelijke beleid gericht op het versterken van de invulling die scholengeven aan hun zorgplicht voor de veiligheid op school. Zo kunnenlandelijke inzichten in specifieke vormen van onveiligheid aanleidinggeven de ondersteuning voor scholen op deze veiligheidsaspecten teversterken zodat zij hier, in de lokale context, werk van kunnen maken.Doordat met de LVM ook aandacht wordt besteed aan het monitoren vanhet veiligheidsbeleid dat scholen voeren, kan het landelijk beleid op hetgebied van sociale veiligheid ook gericht kaders stellen voor de school endiens veiligheidsbeleid.Verder adviseert het college om de regeldrukberekening (voor de LVM),overeenkomstig de Rijksbrede methodiek, aan te vullen. Hierop heeft deregering aangevuld door de eenmalige kennismakingskosten voorscholen voor het overwegen van de deelname aan de LVM uit te werken.148Artikel 4c WPO, artikel 5a WEC en artikel 3.40 WVO 2020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 357 Daarbij is uitgegaan van de tijd die het scholen kost om zich in te lezen inde monitor en dit in overweging te nemen. Administratieve lasten enregeldrukkosten die voortvloeien uit het wisselen van monitoringsin-strument zijn niet opgenomen. Deze lasten komen al voort uit debestaande wettelijke verplichting voor het gebruiken van een instrumentom de veiligheidsbeleving van leerlingen te monitoren. Daarnaast zijn ookde administratieve lasten en regeldrukkosten voor het ontvangen enverwerken van de resultaten niet meegenomen. Ook deze kosten vloeienvoort uit de reeds bestaande monitoringsverplichting en de evaluatiever-plichting en zijn reeds uitgewerkt in het Besluit uitbreiding monitorfunderend onderwijs149 en de Wet vrij en veilig onderwijs150, waar hetadviescollege al over heeft geadviseerd.11.3.2 Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden Het college adviseert voor het onderdeel personeelsgegevens om teverduidelijken op welke wijze gedetailleerder referentiekaders enoverzichten uiteindelijk leiden tot kwalitatiever, toegankelijker endoelmatiger onderwijs. De regering merkt op dat inzicht in de samen-stelling van het personeelsbestand voor diverse actoren waardevolleinformatie kan bevatten. De openbare informatie op de informatiepro-ducten van de sectorraden (scholenopdekaart.nl en schoolbesturenopde-kaart.nl) bieden ouders, leerlingen en andere geïnteresseerden inzicht inde instellingen. Juist deze transparantie is belangrijk bijvoorbeeld bij hetmaken van een keuze voor een bepaalde school. Interne belangheb-benden zoals de medezeggenschapsraad kunnen deze informatiegebruiken om het gesprek aan te gaan over bijvoorbeeld eenevenwichtige man/vrouw verdeling in het bestuur van een instelling. Ditdraagt bij aan kwantitatief goed onderbouwde gesprekken over ditonderwerp en zal een positieve impact hebben op de kwaliteit van degesprekken en beslissingen.Verder wordt het gegeven fte gebruikt om verantwoording af te leggenover de allocatie van middelen. In de invulinstructieXBRL-onderwijsportaal beleidsinformatie wordt de volgende vraaggesteld: «Wat is de verhouding tussen het personeel primair proces/docerend personeel en het totaal aantal fte?». Deze verhouding zegt ietsover de doelmatige besteding van middelen.Ook het voorstel rondom de verstrekking van personeelsgegevens aan desectorraden is in de memorie van toelichting nu conform de Rijksbredemethodiek over regeldrukberekening opgeschreven.Daarnaast vraagt het college een inschatting van de kosten voor hetontvangen en verwerken van de extra informatie. De regering constateertdat er geen extra kosten zijn verbonden aan het leveren van de informatieomdat dit al staande praktijk is. De sectorraden ontvingen deze geaggre-geerde informatie in het verleden al, maar hiervoor ontbrak een wettelijkegrondslag. Tevens is er geen sprake van het vervallen van een minderefficiënte levering van de gegevens omdat de sectorraden de gegevens inhet verleden niet op minder efficiënte wijze hebben ontvangen. Wel is ersprake van kosten die de sectorraden moeten maken in het kader van de149Het besluit tot de wijziging van het Besluit bekostiging WPO BES 2022, het InrichtingsbesluitWPO, het Onderwijskundig besluit WEC en het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 houdenderegels ten aanzien van een uitbreiding van de monitoringsverplichting in het funderendonderwijs, zoals dat reeds aanhangig is gemaakt bij de Afdeling advisering van de Raad vanState.150Het bij koninklijke boodschap van 23 juni 2025 ingediende voorstel van wet tot wijziging vaneen aantal onderwijswetten in verband met de versterking van het veiligheidsbeleid opscholen (Wet vrij en veilig onderwijs) (Kamerstukken 36 777).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 358 aanvraagprocedure. In de toelichting bij artikel 23 van de WRO is destijdsover de administratieve lasten voor de aangewezen organisatiesopgemerkt dat uitgaande van een 16 uur per aanvraag en een uurtariefvan € 50 sprake is van administratieve lasten van € 800.151 Omdat ditwetsvoorstel éénzelfde aanvraagprocedure beoogt is bovenstaande ookopgenomen in deze memorie van toelichting.Tot slot maakt het college nog een opmerking over een inschatting van dekosten in de regeldrukberekening. Ze geeft hierbij aan dat in de regeldruk-berekening een inschatting mist van de kosten die sectorraden moetenmaken vanwege het ontvangen en verwerken van meer (en gedetail-leerder) informatie. De regeldrukberekening geeft volgens haar evenmininzicht in de vermindering van de kosten die worden bespaard doordat deminder efficiënte levering van gegevens komt te vervallen. De regeringmerkt nogmaals op dat de kosten die de sectorraden moeten makenvanwege het ontvangen en verwerken van meer gedetailleerde informatieniet aan de orde zijn. De sectorraden ontvangen en gebruiken dezegeaggregeerde informatie al, zij hoeven hiervoor dus geen extra kosten temaken. Tevens is er geen sprake van een minder efficiënte levering van degegevens omdat dit geen opportuun alternatief is gebleken.11.3.3 Verstrekking gegevens ROD aan NWO Het ATR concludeert dat NWO straks direct gegevens geleverd gaatkrijgen om onderzoek te kunnen (laten) uitvoeren en stelt dat de huidigewijze van levering niet de meest efficiënte is. Het wetsvoorstel zorgtervoor dat het met de verstrekking van persoonsgegevens aan de NWOmogelijk wordt om als verwerkingsverantwoordelijke, voor organisatieon-derdeel NKO, onderzoeksactiviteiten te kunnen laten realiseren. Dat ditefficiënter is blijkt volgens ATR niet uit de memorie van toelichting. Deregering merkt op dat het bestaande artikel 23 van de WRO wordtuitgebreid opdat NWO/NKO onderzoek kan laten doen naar de kwaliteit,toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs, met gegevensafkomstig uit het ROD. Deze persoonsgegevens uit het ROD kunnenvervolgens op grond hiervan worden geleverd door DUO aan hetonderzoeksinstituut dat hiervoor is aangewezen en wordt gefinancierddoor NWO. De grondslag voor de Minister zou kunnen worden uitgebreidvoor rapportages aan scholen op basis van onderzoeksprogramma’s zoalshet NCO, maar dit is niet wenselijk geacht vanwege de afhankelijke positievan scholen ten opzichte van de Minister. De NWO (NKO) heeft dezeonafhankelijke positie wel en kan deze ook nemen voor afzonderlijkeonderwijsinstellingen. Het maken van een grondslag voor NWO (NKO)wordt daarom gezien als een efficiënt(er) alternatief en dit is in dememorie van toelichting verduidelijkt.12. Inwerkingtreding Het tijdstip van inwerkingtreding wordt bij KB bepaald en kan voor deverschillende onderdelen verschillend worden vastgesteld. Beoogd is omhet wetsvoorstel per 1 januari 2027 in werking te laten treden.151Kamerstukken II 2021/22, 35 963, nr. 3, p. 38.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 359 II. Artikelsgewijs deel Begripsbepaling Algemene verordening gegevensbeschermingArtikel I, onderdeel A (artikel 1 WPO), Artikel II, onderdeel A (artikel 1WEC), Artikel III, onderdeel A (artikel 1.1 WVO 2020)Aan de sectorwetten wordt een begripsbepaling van de Algemeneverordening gegevensbescherming (AVG) toegevoegd, opdat kortheids-halve zo naar deze wet kan worden verwezen, omwille van deleesbaarheid en duidelijkheid van de toe te voegen bepalingen.Landelijke veiligheidsmonitorArtikel I, onderdeel B (artikel 4e WPO), Artikel II, onderdeel B (artikel 5cWEC), Artikel III, onderdeel B (artikel 3.41a WVO 2020)Eerste en tweede lidHet eerste lid bevat een opdracht aan de Minister om de veiligheid opschool te monitoren door middel van de Landelijke Veiligheidsmonitor(LVM). Het gaat daarbij om het monitoren van de sociale, psychische enfysieke veiligheid van leerlingen en het personeel op scholen in hetfunderend onderwijs. In het primair onderwijs en het speciaal onderwijswordt de veiligheid van leerlingen vanaf het zesde leerjaar gemonitord.Met het tweede lid worden eisen gesteld aan de LVM als instrumentwaarmee de veiligheid wordt gemonitord, namelijk: gestandaardiseerd,valide en betrouwbaar. Daarbij moet de LVM inzicht geven in degenoemde aandachtsgebieden: de feitelijke veiligheid, de ervarenveiligheid, het welbevinden en het veiligheidsbeleid van scholen.Daarmee wordt aangesloten bij de eisen en aandachtsgebieden die ookverplicht zijn gesteld voor de leerlingmonitor met betrekking tot deveiligheid op school.152 Niet van toepassing is de uitsplitsing die wordtvoorgesteld te maken naar vormen van feitelijke onveiligheid in hetBesluit uitbreiding monitor funderend onderwijs.153 Dat betekent niet datdeze vormen van feitelijke veiligheid geen onderdeel kunnen uitmakenvan de landelijke veiligheidsmonitor, slechts dat dit niet bij wet wordtvoorgeschreven. Wel zal bij ministeriële regeling een uitsplitsing wordengemaakt van de achtergrondkenmerken en onderwerpen binnen degenoemde aandachtsgebieden, zie de toelichting bij het zevende lid. Bij deuitvoering van de landelijke veiligheidsmonitor dient afgewogen teworden welke gegevens noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van dewettelijke taak; te weten het monitoren van de sociale, psychische enfysieke veiligheid op school.In aanvulling op de aandachtsgebieden feitelijke veiligheid, ervarenveiligheid en welbevinden dient de LVM ook het veiligheidsbeleid vanscholen in beeld te brengen. Het gaat daarbij om de vraag hoe hetveiligheidsbeleid op school door de leerlingen en het personeel wordtervaren en in hoeverre zij bepaalde elementen van goed veiligheidsbeleidop school in de praktijk terugzien. Te denken valt aan vragen over of dedeelnemer melding heeft gedaan van een incident, of er iets met diemelding is gedaan en of het probleem werd opgelost. Zie ook de152Stb. 2020, 209.153Besluit van ... tot wijziging van het Besluit bekostiging WPO BES 2022, het InrichtingsbesluitWPO, het Onderwijskundig besluit WEC en het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 houdenderegels ten aanzien van een uitbreiding van de monitoringsverplichting in het funderendonderwijs zoals deze aanhangig is gemaakt bij de Afdeling advisering van de Raad van State.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 360 delegatiebepaling naar de ministeriële regeling in het zevende lid over deonderwerpen binnen de genoemde aandachtsgebieden.Derde lidHet derde lid expliciteert dat de Minister van OCW verwerkingsverant-woordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoevevan de landelijke veiligheidsmonitor. Dit is van belang gelet op de plichtendie dit met zich brengt vanwege het recht op bescherming van persoons-gegevens, in het kader van de AVG. De Minister is verantwoordelijk voorde naleving van de AVG en het waarborgen van de bescherming van derechten van deelnemers door middel van technische en organisatorischemaatregelen.154Vierde lidMet het vierde lid wordt de bevoegdheid van de Minister tot hetverwerken van persoonsgegevens voor de uitvoering van de LVMingekaderd en worden op wetsniveau maatregelen getroffen vanwege hetrecht op bescherming van de persoonsgegevens van leerlingen enpersoneel.Onderdeel AVastgelegd is dat er slechts direct identificerende gegevens mogenworden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de uitnodiging totdeelname. Er zullen dan ook geen direct identificerende persoonsge-gevens, zoals naam, adres of geboortedatum, worden uitgevraagd bij deafname van de LVM of gekoppeld worden aan de andere uitgevraagdegegevens. Het verwerken van direct identificerende persoonsgegevenskan wel noodzakelijk zijn voor het uitnodigen voor deelname aan de LVM.Gedacht kan worden aan e-mailadressen die gebruikt worden voor hetuitzetten van de LVM. Indien de Minister ervoor kiest om de LVM af tenemen zonder verdere tussenkomst van scholen, dan kan hij voor deuitnodiging tot deelname van leerlingen gebruikmaken van de gegevensdie zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers conformartikel 15, tweede lid, laatste volzin, van de Wet register onderwijsdeel-nemers.Zie verder paragraaf 2.4.3 over verwerken persoonsgegevens enparagraaf 5.2.2 over herleidbaarheid van gegevens.Onderdeel BDe persoonsgegevens die worden verwerkt ten behoeve van het afnemenvan de LVM worden uiterlijk drie jaar na het moment van afnameverwijderd. Zie paragraaf 5.2.5 over de maximale bewaartermijn.Onderdeel CDaarnaast is bepaald dat de volgende bijzondere categorieën persoonsge-gevens kunnen worden verwerkt indien dat noodzakelijk is, in afwijkingvan het verwerkingsverbod in artikel 9, eerste lid van de AVG, namelijkpersoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, of religieuze oflevensbeschouwelijke overtuigingen blijken, of gegevens overgezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag ofseksuele gerichtheid. De noodzaak voor verwerking van deze categorieënvan gegevens is gelegen in het zwaarwegende algemeen belang van het154Artikel 5, tweede lid, en artikel 32 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 361 borgen van een veilig schoolklimaat en de kwaliteit van het onderwijs.Dezelfde noodzaak kan in uitzonderlijke gevallen gelden voor deverwerking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, als bedoeldin artikel 1 van de UAVG dat weer verwijst naar artikel 10 van de AVG.Artikel 10 van de AVG bepaalt onder andere dat persoonsgegevensbetreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmeeverband houdende veiligheidsmaatregelen alleen mogen wordenverwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking istoegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen diepassende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenenbieden.Onderdeel DUitsluitend persoonsgegevens kunnen worden verwerkt die behoren totde achtergrondkenmerken en onderwerpen die noodzakelijk zijn voor hetinzicht in de aandachtsgebieden bedoeld in het tweede lid. Deze achter-grondkenmerken en onderwerpen worden uitgewerkt in de ministeriëleregeling (zie het zevende lid).Onderdeel EDe Minister van OCW bewaart de persoonsgegevens op een plaats dieuitsluitend toegankelijk is voor door hem geautoriseerde personen. Detoegang is op grond van artikel 28 van de AVG reeds beperkt tot door deMinister aangestelde instanties, zijnde verwerkers. De verdere uitwerkinghiervan volgt in de ministeriële regeling (zie het zevende lid).Vijfde lidLeerlingen en de ouders, voogden of verzorgers155 van leerlingen die deleeftijd van zestien jaar nog niet hebben bereikt, en het personeel, wordengeïnformeerd over de afname van de landelijke veiligheidsmonitor.Voordat besloten wordt tot deelname aan de LVM, dienen zij voldoendegeïnformeerd te worden over het belang en de doelstellingen van de LVM,als ook de risico’s met betrekking tot de gegevensverwerking. Bovendienis van belang dat helder gecommuniceerd wordt over de rechten vanbetrokkenen, in het bijzonder dat deelname niet verplicht is.Zesde lidHet zesde lid legt de koppeling tussen de LVM en de schoolrapportage. DeLVM kan in samenwerking met een school worden afgenomen. Gedoeldwordt daarmee op de situatie dat een school medewerking verleent aande onderzoekers die de LVM afnemen door de LVM bijvoorbeeld onderschooltijd aan de leerlingen in de klas voor te leggen. Op het moment datde afname van de LVM via een school verloopt dan verstrekt de Ministeraan het schoolbestuur een schoolrapportage, waarmee de betreffendeschool kan voldoen aan de in de sectorwetten opgenomen verplichtingvoor het bevoegd gezag om jaarlijks de veiligheid van leerlingen opschool te monitoren. Daarbij dient de Minister de gegevens te verstrekkendie het bevoegd gezag nodig heeft om te voldoen aan zijn verplichting tothet verzenden van de resultaten van de leerlingmonitor aan de inspectie.Tevens kan het bevoegd gezag door middel van de schoolrapportage deveiligheidsbeleving van schoolpersoneel in kaart brengen en betrekken bijde jaarlijkse evaluatie van haar veiligheidsbeleid.155Het wetsvoorstel bevat de term «ouders», volgens de definitie in het eerste artikel van desectorwetten WPO, WEC en WVO 2020 wordt daaronder ook begrepen (met het gezag overde leerling belaste) «verzorgers» of «voogden».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 362 Zevende lidHet zevende lid geeft een delegatiebepaling naar ministeriële regelingwaarin nadere regels aan de LVM zullen worden gesteld ter inkaderingvan de inhoud en uitvoering van de monitor. In paragraaf 2.4.6 zijn deaspecten waarover nadere regels zullen worden gesteld verder uiteen-gezet.Onderdeel AHet betreft de achtergrondkenmerken en de onderwerpen die binnen deaandachtsgebieden (de feitelijke veiligheid, de ervaren veiligheid, hetwelbevinden en het veiligheidsbeleid van scholen, zie tweede lid) in demonitor aan de orde zullen komen, alsmede de wijze waarop (minder-heids)groepen geïdentificeerd zullen worden en hoe de onderwerpen aande orde zullen komen.Onderdeel BOver het uitvoeringsproces en dus de wijze van afname van de LVM doorscholen ofwel thuis, zullen ook nadere regels worden gesteld. Wanneerscholen de LVM afnemen, zullen ook regels gelden over de levering vande schoolrapportage.Onderdelen C en DBij ministeriële regeling zullen nadere kaders worden gegeven voor deinhoud van de landelijke rapportage en schoolrapportage (zie ook hetzesde lid), waaronder het aggregatieniveau waarop resultaten wordengepubliceerd, waarbij in ieder geval geen sprake zal zijn van directidentificerende persoonsgegevens.Achtste lidHet achtste lid bepaalt dat de Minister, indien bijzondere omstandighedendaartoe noodzaken, kan besluiten om de tweejaarlijkse cyclus teverlengen. Voor bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld wordengedacht aan een situatie zoals ten tijde van de COVID-pandemie.Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorradenArtikel I, onderdeel C, (artikel 167a WPO), Artikel II, onderdeel C(artikel 143a WEC), Artikel III, onderdeel C (artikel 2.112 WVO 2020)Eerste, tweede en derde lidHet eerste lid geeft de Minister een grondslag om gegevens over hetpersoneel op scholen te verstrekken aan de betreffende sectorraad (ofsectorraden) als zij daarom verzoekt(en). Dit betreffen gegevens over depersoon en de arbeidsrelatie. Op basis van het tweede lid worden dezegegevens slechts verstrekt aan de sectorraad voor zover dit noodzakelijk isvoor de ondersteuning van de bevoegde gezagen of de samenwerkings-verbanden. Deze noodzaak kan gelegen zijn in twee doelen, namelijkverantwoording en onderlinge vergelijking. Beide doelen kunnen zowelbetrekking hebben op de kwaliteit, toegankelijkheid als doelmatigheid vanhet onderwijs. In het derde lid wordt vervolgens de verstrekking van directidentificerende persoonsgegevens uitgesloten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 363 Vierde en vijfde lidOp grond van het vierde lid moeten de gegevens die de Minister verstrektaan de sectorraden ten minste worden geaggregeerd op schoolniveau,dan wel instellingsniveau. In het vijfde lid wordt hierop een uitzonderinggemaakt voor specifieke gegevens. Het gaat daarbij om gegevens inzakehet geslacht en de betrekkingsomvang. Deze gegevens kunnen naderworden uitgesplitst naar functiegroep of functiecategorie. Welke functieca-tegorieën dan wel functiegroepen er zijn is nader uitgewerkt in deRegeling informatievoorziening WPO/WEC en de Regeling informatievoor-ziening WVO.156 Voor functiecategorie gaat het bijvoorbeeld om deindeling naar «vakleraar» of «leraar in opleiding» of «adjunct- ofwaarnemend» directeur. Deze functiecategorieën worden vervolgensgegroepeerd in verschillende functiegroepen «management», «midden-management», «onderwijsgevend personeel», «onderwijsondersteunendpersoneel» en «beheer en administratief personeel».Zesde tot en met negende lidHet zesde lid bepaalt dat een verstrekking steeds een expliciet besluit vande Minister vereist.Het zevende en achtste lid geven nadere voorschriften over het besluitvan de Minister. Alvorens gegevens uit het register verstrekt kunnenworden dient de Minister op verzoek van de sectorraad daartoe eenbesluit te nemen. Het verzoek moet op grond van het zevende en achtstelid een aantal elementen bevatten.–Het doel of de doelen van de gegevensverstrekking. Deze doelenmoeten vallen binnen het in het eerste en derde lid genoemde doel.–De persoonsgegevens waarop het verzoek betrekking heeft.–Onderbouwing waarom persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor hetbeoogde doel of de beoogde doelen.Voorafgaand aan het verzoek kan door de Minister een aanvraagformulierbeschikbaar worden gesteld. Het verzoek wordt vervolgens door deMinister getoetst, waarbij in ieder geval bepalend is of en in hoeverre deverstrekking van de gegevens noodzakelijk is voor de beoogde doelen(achtste lid). Hierbij wordt steeds de afweging gemaakt tussen het belangvan bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevensvan de personen, van wie de sectorraad gegevens verstrekt wenst tekrijgen, en het belang van de sectorraad, om de gegevens te ontvangenvoor de in het verzoek beschreven doeleinden. Gekeken wordt of de in hetverzoek vermelde gegevens noodzakelijk zijn voor de in het verzoekvermelde doelen.Na toetsing van het verzoek neemt de Minister een besluit ten behoevevan de sectorraad. Volgens het achtste lid worden aan het besluit van deMinister voorschriften en beperkingen verbonden in het belang van eenzorgvuldige en doelmatige gegevensverstrekking. Het kan bijvoorbeeldgaan om technische voorschriften (zoals de wijze van gegevens-verstrekking, bijvoorbeeld dat deze via het beveiligde zakelijk portaal vanDUO plaatsvindt, of de tijdstippen van de verstrekking), maar ook deperiode waarop de gegevensverstrekking betrekking heeft, maatregelenom gegevensbeveiliging te waarborgen of medewerking aan privacy-audits. In het besluit wordt in ieder geval bepaald voor welke doeleindengegevens worden verstrekt, welke gegevens worden verstrekt, en welkebewaartermijn geldt voor de te verstrekken gegevens (achtste lid).156Regeling informatievoorziening WPO/WEC, bijlage 6, paragraaf 2.4.2; Regeling informatie-voorziening WVO, bijlage 4, paragraaf 2.4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 364 Het is overigens mogelijk dat herhaalde gegevensverstrekkingen vandezelfde set gegevens voor dezelfde doelen op basis van één besluitgeschieden. Het besluit kan voor een bepaalde periode (bijvoorbeeld tweejaar) worden afgegeven. Binnen die periode kunnen dan bijvoorbeeldjaarlijks of twee keer per jaar de set gegevens die in het besluit zijngenoemd worden verstrekt voor de doelen die in het besluit zijngenoemd. Op die manier wordt voorkomen dat een sectorraad voordezelfde set gegevens en voor dezelfde doelen steeds een nieuw verzoekmoet indienen. Indien echter binnen de periode waarin het besluit geldtde betreffende sectorraad een wijziging van de set gegevens of het doelwil aanbrengen, dan moet wel een nieuw verzoek worden ingediend.Het negende lid regelt de bevoegdheid voor de Minister om het besluit inte trekken. De intrekking kan in ieder geval op de twee genoemdegronden. De eerste is als de gegevens waarop het besluit betrekking heeftvoor andere doeleinden worden verwerkt dan die in het besluit zijngenoemd. De tweede grond is als niet wordt voldaan aan de voorschriftenen beperkingen die aan het besluit zijn verbonden. De aanduiding vanintrekkingsgronden is niet uitputtend; onder omstandigheden is intrekkingop andere gronden mogelijk.Het intrekkingsbesluit heeft tot gevolg dat de betreffende sectorraad degegevens die op basis van het verstrekkingsbesluit zijn ontvangenonverwijld moet vernietigen. Het besluit van de Minister tot verstrekkingvan gegevens, bedoeld in het zesde lid, is namelijk een voorwaarde vooreen rechtmatige verstrekking van de gegevens door de Minister aan desectorraad. Het zesde lid bepaalt immers dat de verstrekking vanbasisgegevens plaatsvindt voor zover dit is bepaald bij besluit van deMinister. Daarmee is het verstrekkingsbesluit van de Minister eveneenseen voorwaarde voor een rechtmatige verwerking van de desbetreffendepersoonsgegevens door de sectorraad die ze ontvangt. Onder verwerkingvan persoonsgegevens dient een breed scala van handelingen te wordenbegrepen, waaronder het vastleggen en opslaan van persoonsgegevens(artikel 4, onderdeel 2, van de AVG). Met de intrekking van het verstrek-kingsbesluit komt, gelet op het voorgaande, de juridische basis teontvallen aan het vastleggen en opslaan van de desbetreffende persoons-gegevens door de sectorraad. Wanneer een besluit tot verstrekking wordtingetrokken, rust op de desbetreffende sectorraad dan ook de verplichtingom gegevens die op basis van het besluit ontvangen zijn, onverwijld tevernietigen.Tiende lidHet besluit tot verstrekking wordt toegezonden aan de sectorraad enwordt daarnaast gepubliceerd in de Staatscourant (tiende lid). Dit geldtook voor een besluit tot intrekking van een verstrekkingsbesluit. Dezebesluiten zijn besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht envatbaar voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden bij deze besluiten zijnin ieder geval de desbetreffende sectorraad en betrokkenen wienspersoonsgegevens worden verstrekt aan de sectorraad. Verwacht wordtdat er weinig tot geen bezwaar zal worden gemaakt tegen deze besluiten.Betrokkenen kunnen hun rechten op grond van de AVG onverkortuitoefenen, zoals het recht op inzage en het recht op rectificatie vanonjuiste persoonsgegevens. Een verzoek daartoe kan worden ingediendbij de Minister van OCW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 365 Elfde lidHet elfde lid bepaalt dat de Minister de bevoegdheid heeft in eenministeriële regeling nadere regels te stellen over de indiening van eenverzoek om personeelsgegevens van de sectorraden als bedoeld in heteerste lid. Hierbij kan gedacht worden aan het beschikbaar stellen van eenformulier die de sectorraden dienen te gebruiken voor het verzoek. Hetgaat dan bijvoorbeeld om organisatiegegevens en informatiebeveiliging.Dit in aansluiting op de systematiek voor de aanvraag van gegevens overonderwijsdeelnemers in het kader van de Wet register onderwijsdeel-nemers.Caribisch NederlandArtikel III, onderdelen D en E (artikelen 11.32a en 11.40a WVO 2020)De verschillende onderdelen in dit wetsvoorstel zijn niet van toepassingop Caribisch Nederland. Met deze bepalingen in de Wet voortgezetonderwijs 2020 worden de voorgestelde artikelen met betrekking tot deLVM en de verstrekking van personeelsgegevens aan de sectorraden danook niet van toepassing verklaard voor de openbare lichamen Bonaire,Sint Eustatius en Saba.Verstrekking gegevens ROD aan NWOArtikel IV (artikel 23, eerste lid, onderdeel e, WRO)Aan artikel 23 van de WRO wordt NWO toegevoegd, als organisatiewaaraan gegevens uit het ROD kunnen worden verstrekt. Het wetsvoorstelregelt de rechtsgrondslag voor verstrekking van persoonsgegevens aande NWO om als verwerkingsverantwoordelijke onderzoeksactiviteiten tekunnen laten realiseren. Dat betreft onderzoek waartoe NWO het doel ende middelen bepaalt, waarbij gegevens noodzakelijk zijn over onderwijs-deelnemers die in het ROD zijn geregistreerd. Zie verder paragraaf 4.2 vande memorie van toelichting.De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,K.M. BeckingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 903, nr. 366
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
414501ae-4f6f-4f73-bb8e-495b43605589
13debatten
483bijdragen
1interrupties
43.161woorden in uitspraken
Commissies
Geen huidige commissielidmaatschappen beschikbaar in de Kamerdata.
Contact
Contactgegevens worden alleen getoond voor zittende Kamerleden.
Loopbaan
Geen loopbaangegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Opleiding
Geen opleidingsgegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Nevenfuncties
Geen nevenfuncties beschikbaar in de Kamerdata.
Geschenken en reizen
Geen geregistreerde geschenken beschikbaar in de Kamerdata.
Geen geregistreerde reizen beschikbaar in de Kamerdata.
Stemgedrag
Bij een hoofdelijke stemming staat de eigen stem. Anders staat de stem van de fractie waarvan dit Kamerlid op de besluitdatum lid was; dat is geen persoonlijke stem.
Geen stemmingen beschikbaar in de Kamerdata.