KamerkringInloggen

Officieel Kamerprofiel

414501ae-4f6f-4f73-bb8e-495b43605589

13debatten
483bijdragen
1interrupties
43.161woorden in uitspraken

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
10 feb 2026 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 745Wijziging van diverse wetten op het terrein vanhet funderend onderwijs in verband metaanpassing van het toezicht rondom oprichtingvan bepaalde niet bekostigde scholen en hetwegnemen van hardvochtigheden in hetvoortgezet speciaal onderwijs en hetpraktijkonderwijs (Wet startprocedureb3-scholen en hardvochtigheden vso en pro)Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 10 februari 2026 De regering dankt de vaste commissie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap voor het verslag bij het voorstel van wet tot wijziging vandiverse wetten op het terrein van het funderend onderwijs in verband metaanpassing van het toezicht rondom oprichting van bepaalde nietbekostigde scholen en het wegnemen van hardvochtigheden in hetvoortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs (Wet startpro-cedure b3-scholen).De regering is de leden van de fracties van NSC, D66, CDA, ChristenUnie,VDD, GroenLinks-PvdA en BBB erkentelijk voor de gemaakte opmerkingenen de gestelde vragen en heeft daarop in de hiernavolgende tekstgereageerd. Daarbij is zoveel mogelijk de volgorde van het verslagaangehouden. Voor de goede leesbaarheid zijn de gestelde vragen telkenscursief geplaatst.Deze nota naar aanleiding van het verslag wordt gegeven mede namensde Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.InhoudsopgaveIAlgemeen21.Inleiding82.Hoofdlijnen van het voorstel112.1Melding over oprichting b3-scholen112.2Hardvochtigheden voortgezet speciaal onderwijs enpraktijkonderwijs213.Toepassing in Caribisch deel van het Koninkrijk264.Uitvoering, toezicht en handhaving27 kst-36745-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 71 I Algemeen De leden van de NSC-fractie merken op dat de regering in haar reactie ophet advies van de Raad van State slechts wijst op de beperkte omvang encomplexiteit van de voorstellen die zien op het wegnemen van de tweehardvochtigheden. Daarmee lijkt ze de door de Raad van State aange-haalde richtlijn te negeren dat onderdelen van een wetsvoorstel nietdermate omstreden mogen zijn dat de parlementaire behandeling vanandere onderdelen erdoor in het geding komt. Deze leden vragen deregering of ze haar keuze om deze verschillende voorstellen in een wetsamen te voegen alsnog kan verantwoorden met het oog op dezespecifieke richtlijn.De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat de regering met ditwetsvoorstel twee zeer afzonderlijke onderdelen samenvoegt, waarvanéén onderdeel een beperking van de vrijheid van onderwijs betekent.Waarom kiest de regering hiervoor, ondanks dat ze hiermee afwijkt van deAanwijzingen voor de regelgeving? Kan de regering per punt onder-bouwen waarom het samenvoegen van de onderdelen in éénwetsvoorstel gerechtvaardigd zou zijn en de regering dus niet het adviesvan de Raad van State overneemt? Als de regering niet bereid is alsnoghet advies van de Raad van State over te nemen, kan de regering danspecifiek ingaan op waarom het wetsvoorstel zaken samenvoegt waarvanéén een beperking inhoudt van de vrijheid van onderwijs en wat in datkader het samenvoegen van de twee onderdelen betekent voor dekwaliteit van het wetgevingsproces en de constitutionele positie van deEerste Kamer daarin?In beginsel wordt slechts overgegaan tot een wijzigingswetsvoorstelwaarin meerdere inhoudelijke onderwerpen zijn neergelegd, indien dezeonderwerpen samenhang hebben, de complexiteit niet zodanig is dat diteen zelfstandig wetsvoorstel rechtvaardigt, en het op voorhand niet deverwachting is dat één van de onderdelen dermate politiek omstreden isdat een goede parlementaire behandeling van andere onderdelen in hetgeding komt. Dit principe is ook neergelegd in Aanwijzing 6.4 van deAanwijzingen voor de regelgeving.In dit specifieke geval heeft de regering ervoor gekozen om, naast devoorgestelde wijzigingen omtrent de startprocedure van b3-scholen, ookaanpassingen op te nemen van twee bepalingen die in de praktijksporadisch hardvochtig kunnen uitpakken. Met minimale wijzingen kanveel worden betekend voor enkele leerlingen in het speciaal onderwijs envoor enkele nieuwkomers waarvoor het praktijkonderwijs de meestpassende plek is.De regering meende dat de constitutionele rol van de Eerste Kamerhierdoor niet in het geding zou komen, zodat afwijking van het genoemdprincipe te rechtvaardigen was. Dit, ten eerste, omdat de met dezewijzigingsvoorstellen aan te brengen uitzonderingen in de praktijk zeldenzullen worden toegepast (en, hoewel voor die enkele leerlingen grotebetekenis kunnen hebben, in getalsmatig opzicht van geringe betekeniszijn). En, ten tweede, omdat de regering meende dat over deze wijzi-gingen geen of hooguit zeer geringe discussie zou kunnen ontstaan –hetgeen nog wordt onderstreept door het gegeven dat de Afdelingadvisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over dezeonderdelen geen inhoudelijke opmerkingen in haar advies gemaakt heeft.Een zelfstandig wetsvoorstel voor deze twee wijzingen kwam de regeringdan ook ondoelmatig voor, omdat dat meer werk dan nodig zou opleverenvoor alle bij de wetgevingsprocedure betrokken instituties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 72 Met de wijsheid achteraf zou de regering mogelijk een andere afweginghebben gemaakt. Dat neemt niet weg dat de regering het van grootbelang acht dat deze kleine maar desalniettemin essentiële wijzingen tenaanzien van de hardvochtigheden, op korte termijn in de wet wordendoorgevoerd. Het «splitsen» van het wetsvoorstel is in deze fase van dewetgevingsprocedure evenwel onwenselijk. Om de onderdelen tenaanzien van de hardvochtigheden afzonderlijk te regelen, dient hethuidige wetsvoorstel te worden aangepast (door een nota van wijziging ofamendement). Vervolgens kunnen de bepalingen met betrekking tot dehardvochtigheden worden ingevoegd in een ander, bij uw Kameraanhangig wetsvoorstel (wederom door een nota van wijziging ofamendement). Op dit moment zijn er echter geen wetsvoorstellen inbehandeling bij uw Kamer die inhoudelijk aanzienlijk beter aansluiten bijde inhoud van deze twee wijzigingen. De regering ziet deze route daaromniet als begaanbaar.De resterende optie is om de genoemde onderdelen via een separaatwetsvoorstel, dat de gehele procedure van voor af aan moet doorlopen, teregelen. Dit heeft vanzelfsprekend tot gevolg dat de inwerkingtreding vandeze wijzigingen aanzienlijke vertraging oploopt. De regering acht dit(zeer) onwenselijk. Zij kiest er daarom voor de onderdelen in onderhavigwetsvoorstel te handhaven, gelet op het behoud van enig tempo en dezeer beperkte omvang van de wijzigingen.De leden van de D66-fractie merken op dat in reactie op de Raad van Statedoor de regering wordt gesteld dat een intern onderzoek heeft plaatsge-vonden over de manier waarop de poortwachtersfunctie bijniet-bekostigde scholen versterkt kunnen worden. Deze leden vragenwaarom dit onderzoek niet is gedeeld en of de regering het onderzoek kandelen. Deze leden zijn voorstander van maatregelen om de basiskwaliteitop niet-bekostigde scholen beter te borgen, maar vragen gelet op hetadvies van de Raad van State om dit zorgvuldiger te motiveren op basisvan het reeds genoemde onderzoek.Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel uitbreidingbestuurlijk instrumentarium onderwijs van 29 juni 2022 heeft de Ministertoegezegd aan Kamerlid Westerveld (destijds van de fractie GroenLinks)dat zou worden onderzocht of en, zo ja, op welke manier de poortwach-tersfunctie bij b3-scholen versterkt zou kunnen worden.1 Daarop heeft hetministerie intern onderzocht op welke manier de poortwachtersfunctie bijb3-scholen, binnen de kaders van artikel 23 van de Grondwet, tot standzou kunnen worden gebracht. Voorliggend wetsvoorstel is het resultaatvan dat interne onderzoek. De regering beschikt dus niet over eenonderzoeksrapport, of een document van soortgelijke strekking, dat zijmet uw Kamer zou kunnen delen ter nadere motivering van hetwetsvoorstel. De regering merkt in dit verband wel nog het volgende op.Het voorgestelde voorafgaand toezicht zorgt voor betere borging van hetrecht op onderwijs, omdat hiermee een toets wordt verricht ten aanzienvan de vraag of op te richten b3-scholen zullen voldoen aan tweedeugdelijkheidseisen, namelijk de zorgplicht voor de veiligheid en deburgerschapsopdracht. Deze eisen zijn volgens de regering van funda-menteel belang, mede omdat deze voorwaardelijk zijn om tot leren tekunnen komen. Voor de zorgplicht voor de veiligheid spreekt dat voorzich. Ten aanzien van de burgerschapsopdracht geldt dat onderwijs datnalaat respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat tebevorderen of zelfs met die basiswaarden in strijd komt, een bedreigingvormt voor kwalitatief en veilig onderwijs, en zelfs – in extremere gevallen1Handelingen II 2021/22, nr. 98, item 11, p. 14.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 73 – een gevaar kan zijn voor onze democratische rechtsstaat. Momenteelontbreekt elke vorm van toetsing voorafgaand aan de start van hetonderwijs aan b3-scholen, terwijl die voor het bekostigde onderwijs welplaatsvindt.De regering beschouwt het ontbreken van een dergelijke toets daaromook als een weeffout in het systeem: leerlingen op b3-scholen genietennet zo goed het recht op (goed) onderwijs als leerlingen in het bekostigdestelsel. Tegelijkertijd erkent de regering dat uit artikel 23 van de Grondwetvoortvloeit dat de ruimte van de wetgever om de vrijheid van hetniet-bekostigde onderwijs te beperken kleiner is dan die in het bekostigdeonderwijs. Daarom richt het voorafgaande toezicht, zoals voorgesteld inonderhavig wetsvoorstel, zich enkel op de genoemde essentiële deugde-lijkheidseisen, en is deze toets dus beperkter dan die in het bekostigdeonderwijs.Door bovengenoemde weeffout bestaat er momenteel een risico datb3-scholen van start gaan, terwijl getwijfeld kan worden aan, kort gezegd,de rechtsstatelijkheid van de door de school uitgedragen overtuigingen(burgerschap) en/of over de veiligheid van leerlingen. De (voorgenomen)start van specifieke initiatieven zorgde in het verleden al voor maatschap-pelijke onrust, zoals benoemd in eerdere brieven aan uw Kamer.2 In hetbekostigd onderwijs zijn er zijn er in de periode 2021–2025, 20 van de 159aanvragen afgewezen op basis van (onder meer) onvoldoende kwaliteitop burgerschap. Dit betrof zowel po- als vo-scholen.3 Er bestaat dan ookeen reëel risico dat dergelijke onwenselijke situaties zich ook in hetniet-bekostigd onderwijs voordoen.Vanwege continue groei van het aantal b3-scholen neemt dit risico toe. Uitonderzoek van de inspectie van het onderwijs (hierna: de inspectie) naarde beweegredenen van ouders om te kiezen voor b3-scholen blijkt dat hetaantal b3-scholen van 44 scholen in 2015, is gegroeid naar 134 scholen in2023.4 Dat is een toename van ongeveer 204%. Deze ontwikkelingenonderstrepen de noodzaak van een minimale vorm van voorafgaandtoezicht.De leden van de D66-fractie hebben begrip voor de afweging van deregering dat het wegnemen van de twee hardvochtigheden niet vanzodanige omvang is dat het een zelfstandig wetsvoorstel rechtvaardigt,maar deze leden vragen wel waarom het rechtzetten van hardvochtig-heden niet is meegenomen in bijvoorbeeld een reparatiewet.De voorgestelde wijzigingen ten aanzien van de hardvochtigheden zijn,hoewel zij alleen in uitzonderlijke gevallen zullen worden toegepast,beleidsinhoudelijk van aard. De regering acht het daarom minder passendom deze voorstellen mee te nemen in een technische reparatiewet.De leden van de CDA-fractie vragen de regering te reageren op de Raadvan State die stelt dat de vrijheid van schoolstichting wordt beperkt.Tevens stelt de Raad van State dat er een dragende motivering over de2Zie Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 7 en Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 4, p. 6.3Zie onder meer Staatscourant 2025, 18568, p. 2, en Staatscourant 2024, 15612, p. 1 en p. 3. Zievoor de eerdere jaren de cijfers genoemd in de memorie van toelichting van onderhavigwetsvoorstel, Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 7. Tot dusver waren dat vanzelfsprekendnog geen b3-scholen. Zie in dit verband ook de memorie van toelichting bij onderhavigwetsvoorstel, Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 3.4Zie het rapport: Waarom kiezen oprichters, ouders en leerkrachten voor het niet-bekostigdonderwijs? Themaonderzoek naar de beweegredenen van oprichters, ouders en leerkrachten,Inspectie van het Onderwijs 2025, p. 6, vindplaats: https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2025/02/05/rapport-beweegredenen-niet-bekostigd-onderwijs)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 74 noodzaak, proportionaliteit en de uitvoerbaarheid ontbreekt. Deze ledendelen de kritiek van de Raad van State over het inperken van artikel 23 vande Grondwet dat het recht op vrijheid van onderwijs in Nederland regelt.Hoe weegt de regering deze kritiek van Raad van State. Kan de regeringspecifiek ingaan op de noodzaak, proportionaliteit en uitvoerbaarheid vanhet eerste gedeelte van dit onderhavige wetsvoorstel?Ook de regering is van mening dat het voorgestelde voorafgaandetoezicht een beperking van de vrijheid van stichting inhoudt. De regeringheeft in het nader rapport dan ook aangegeven dat de Afdeling terechtopmerkte dat het wetsvoorstel meer behelst dan enkel een procedureleaanscherping.5 De vrijheid van stichting is echter niet absoluut, vindt ookde Afdeling. De wetgever heeft de bevoegdheid om normen te stellen diehet recht op kwalitatief goed onderwijs borgen.6 Naar aanleiding van hetadvies van de Afdeling heeft de regering in de memorie van toelichting deonderbouwing van de noodzaak en proportionaliteit aangevuld.7 Hierovermerkt de regering nog het volgende op.Ten aanzien van de noodzaak staat de overheid voor het recht opkwalitatief en veilig onderwijs voor alle leerlingen, ongeacht de schoolwaar zij naartoe gaan. Zoals reeds aangegeven, is er momenteel geenvoorafgaande toets voor b3-scholen. Dat brengt het risico met zich datdeze scholen onderwijs geven dat niet voldoet aan de meest funda-mentele kwaliteitseisen: de zorgplicht omtrent veiligheid, en de burger-schapsopdracht. Zoals eerder beschreven, worden binnen het bekostigdonderwijs geregeld bekostigingsaanvragen afgewezen omdat deze ondermeer niet voldoen aan de burgerschapseis. In de periode 2021–2025 zijner 20 (van de in totaal 159) aanvragen afgewezen op basis van (ondermeer) onvoldoende kwaliteit ten aanzien van de verplichtingen op hetgebied van burgerschap. Dit betrof zowel po- als vo-scholen.8 Tot dusverwaren dat nog geen b3-scholen,9 maar bij sommige van de initiatievenontstond maatschappelijke onrust over de verhouding tot de democra-tische rechtsstaat.10 Er is dus een reëel risico dat dit zich ook voor zal doenbij b3-scholen. Dit risico neemt toe vanwege continue groei in het aantalb3-scholen. Uit onderzoek van de inspectie naar de beweegredenen vanouders om te kiezen voor b3-scholen blijkt dat het aantal b3-scholen van44 scholen in 2015 is gegroeid naar 134 scholen in 2023.11 Dat is een groeipercentage van 204%. In het belang van de aanhoudende zorg van deregering voor (kwalitatief) onderwijs, bestaat er voldoende aanleiding ennoodzaak om te komen tot de voorgestelde beperking van de vrijheid vanstichting.Ook blijkt de noodzaak uit de wijze waarop de procedure tot het verkrijgenvan de status van school is ingericht voor particuliere initiatieven. In hethuidige systeem is er pas controle op de eisen van veiligheid en burger-schap nadat er van start is gegaan met het onderwijs. Dat kan betekenen5Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 4, p. 5.6Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 4, p. 3.7Zie Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, paragraaf 2.1 en 2.2.8Zie onder meer Staatscourant 2025, 18568, p. 2, en Staatscourant 2024, 15612, p. 1 en p. 3. Zievoor de eerdere jaren de cijfers genoemd in de memorie van toelichting van onderhavigwetsvoorstel, Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 7.9Zie in dit verband ook de memorie van toelichting bij onderhavig wetsvoorstel, Kamerstukken II2024/25, 36 745, nr. 3, p. 3.10Zie Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 4, p. 6 en Aanscherping van het burgerschapsvereistebij nieuwe scholen: betere borging van de democratische rechtsstaat? – Nederland Rechtsstaaten Omstreden oud-bestuurder richt islamitische privéschool op in Den Haag – Omroep West.11Zie het rapport: Waarom kiezen oprichters, ouders en leerkrachten voor het niet-bekostigdonderwijs? Themaonderzoek naar de beweegredenen van oprichters, ouders en leerkrachten,Inspectie van het Onderwijs 2025, p. 6, vindplaats: https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2025/02/05/rapport-beweegredenen-niet-bekostigd-onderwijs)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 75 dat leerlingen anti-rechtstatelijk onderwijs hebben gekregen, of dat zij ineen onveilige schoolomgeving hebben verkeerd. Het inspectiebesluit omde status van school te aan de onderwijsvoorziening te ontnemen, hoeftniet te betekenen dat dergelijke situaties direct zijn opgelost. Tegen hetbesluit staat immers bestuursrechtelijke rechtsbescherming open. Eenschool kan dus bezwaar en beroep instellen, en in dat verband eenvoorlopige voorziening tot schorsing van het besluit vragen. In de praktijkwordt zo’n verzoek in de meeste gevallen toegewezen, zodat hetonderwijs doorgang kan vinden totdat de procedure is afgerond.12Hierdoor bestaat het risico dat leerlingen langer onderwijs krijgen dat instrijd is met de wet. Dit leidt er bovendien toe dat leerlingen, ouders enschoolbesturen lange tijd in onzekerheid kunnen verkeren over de statusvan hun school. Als vervolgens in rechte vast is komen te staan dat eeninitiatief niet voldoet aan de voor b3-scholen gestelde eisen dienenleerlingen alsnog over te stappen naar een andere school, hetgeen voorhen grote impact heeft. Dit vindt de regering een onwenselijke situatie.Het instellen van een voorafgaande toets maakt dat van te voren duidelijkis dat een school niet kan starten en is zodoende een preventievemaatregel.13De noodzaak voor het wetsvoorstel wordt nog eens onderstreept doorhetgeen is bepaald in artikel 2 Eerste Protocol bij het Verdrag totbescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden(EP EVRM) en artikel 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind(IVRK). Voor het effectief kunnen verwezenlijken van het hierinopgenomen recht op onderwijs is van groot belang dat het onderwijsvoldoet aan de fundamentele kwaliteitseisen omtrent burgerschap enveiligheid. Vanzelfsprekend geldt dit voor het gehele (funderend)onderwijsstelsel, dus zowel voor het bekostigde als het niet-bekostigdeonderwijs. Onderhavig wetsvoorstel zorgt er daarom voor dat dit, middelseen aan de start van het onderwijs voorafgaande toets, zo goed mogelijkwordt gewaarborgd.Ook aan het proportionaliteitsvereiste is naar het oordeel van de regeringvoldaan. Dit vereiste verlangt dat een belangenafweging plaatsvindt,waarin de vraag centraal staat of de nadelige gevolgen van een bepaaldemaatregel in een evenredige verhouding staan tot de daarmee te dienendoelen. Om deze belangenafweging te kunnen verrichten, moeten zowelhet gewicht van de met de maatregel te dienen doelen als het gewicht vande nadelige gevolgen ervan worden bepaald. In dit verband kan hetvolgende worden opgemerkt.Ten aanzien van het gewicht van de met de maatregel te dienen doelen, zijopgemerkt dat uit het bovenstaande reeds volgt dat er een gewichtigbelang bestaat bij het introduceren van een toets aan de eisen omtrentburgerschap en veiligheid, voorafgaand aan de start van het onderwijs.De nadelige gevolgen van deze toets zijn ondertussen (zeer) beperkt. Debelangen van initiatiefnemers worden nagenoeg niet geraakt, omdat destichtingsvrijheid nagenoeg intact blijft. In dit verband is ten eersterelevant dat er geen nieuwe inhoudelijke eisen worden voorgesteld. De teintroduceren toets betreft immers eisen waar b3-scholen momenteel ookal aan moeten voldoen, direct vanaf de start van het onderwijs. Tentweede zal de inspectie slechts terughoudend aan deze eisen toetsen.1412Deze situatie doet zich voor indien de inspectie haar besluit vrijwillig schorst (wat in de praktijkmeestal voorkomt) of indien de rechter een voorlopige voorziening toewijst.13Zie hierover ook de memorie van toelichting van onderhavig wetsvoorstel, Kamerstukken II2024/25, 36 745, nr. 3, par. 2.1.1.14Zie hiervoor ook de memorie van toelichting bij onderhavig wetsvoorstel, Kamerstukken II2024/25, 36 745, nr. 3, p. 5–7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 76 Gezien de beperkte nadelige gevolgen van het wetsvoorstel, terwijl hetgewicht van de daarmee te dienen doelen aanzienlijk is, acht de regeringde voorgestelde startprocedure voor b3-scholen dan ook, alles afwegend,in overeenstemming met het proportionaliteitsvereiste.De inspectie heeft dit wijzigingswetsvoorstel tweemaal op uitvoerbaarheidgetoetst en dit voorstel uitvoerbaar geacht. De beoordeling vanmeldingen vergt wel extra capaciteit. Daarom is de minimale termijn diede inspectie heeft voor toetsing voorafgaand aan de start van deb3-school gesteld op twaalf weken, in plaats van de aanvankelijkvoorgestelde acht weken.15De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom er geen evaluatiebe-paling is opgenomen en vragen of de regering alsnog bereid is deze toe tevoegen. Deze leden hechten zeer aan evaluatie, mede omdat één van deonderdelen van het wetsvoorstel een inperking van de vrijheid vaninrichting vormt. Ook vragen deze leden hoe de regering gaat evaluerenof de toepassing van de hardheidsclausule bij 20-jarigen heeft geleid tothet oplossen van de problematiek.De regering is de leden erkentelijk voor de gestelde vragen over ditonderwerp en is het met de leden eens dat het onderdeel van hetwetsvoorstel dat ziet op de wijziging in de startprocedure van b3-scholeneen belangrijke wijziging is, met name omdat deze de grondwettelijkestichtingsvrijheid beperkt.De regering heeft er destijds voor gekozen om geen evaluatiebepaling inhet wetsvoorstel op te nemen. Hoewel de wijziging een ingreep in devrijheid van stichting betreft, meende de regering dat de inperkingdaarvan niet van zodanig fundamentele of indringende aard was dat ernoodzaak bestond voor een wettelijk verplichte evaluatie. In dit verband zijopgemerkt dat al het beleid en de effecten daarvan continu wordengemonitord. Er wordt dan ook binnen twee jaar na inwerkingtreding vande wijziging in de startprocedure van b3-scholen een invoeringstoetsgedaan. Het opnemen van een specifieke wettelijke evaluatiebepaling isdaarvoor niet noodzakelijk.16Bij nader inzien is de regering van mening dat een evaluatiebepaling vantoegevoegde waarde en op haar plaats is, omdat het gaat om een, voorhet niet-bekostigd onderwijs, nieuw instrument. De regering doet daaromuw Kamer, gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag, eennota van wijziging toekomen. Hiermee wordt een evaluatiebepaling metbetrekking tot de startprocedure voor b3-scholen aan het wetsvoorsteltoegevoegd. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar de toelichtingbij die nota van wijziging.Voor de monitoring van de gevolgen en effectiviteit van de hardheidsclau-sules acht de regering een wettelijke evaluatiebepaling minder passend.Deze hardheidsclausules laten de hoofdregels omtrent toelaatbaarheid tothet praktijkonderwijs en verblijfsduur in het speciaal onderwijs vrijwelgeheel in stand. Ook zullen de hardheidsclausules in de praktijk zeldenworden toegepast. De regering zal de toepassing van de hardheidsclau-sules wel monitoren, zeker nu het doel hiervan is eerder geconstateerdehardvochtigheden weg te nemen. In dit verband wordt – indien daar15Zie ook de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 11.16Zie ook artikel 8, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, op basis waarvan deinspectie desgevraagd en uit eigen beweging aan Onze Minister rapporteert over de ontwik-keling van het onderwijs en op grond daarvan beleidswijzigingen aan de Minister kanvoorstellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 77 voldoende gegevens voor beschikbaar zijn – meegenomen of deverlenging van de verblijfsduur van de jongeren met (telkens) één jaar,een afdoende oplossing is voor de gesignaleerde problematiek. Deregering zegt hierbij toe dat Uw Kamer drie jaar na inwerkingtreding vande wet hierover wordt geïnformeerd.171. Inleiding De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoede inspectie zal waarborgen dat de voorafgaande toets meer wordt daneen eenmalige checklist op papier. Hoe wordt bijvoorbeeld voorkomen datinitiatiefnemers met goed uitgewerkte plannen in de praktijk toch eenandere koers varen zodra de school eenmaal is gestart, zo vragen dezeleden.De inspectie verricht een toets, voorafgaand aan de start van hetonderwijs op een b3-school (hierna ook: voorafgaande toets). Eendergelijke toets kan naar zijn aard over niet meer gaan dan over deplannen en intenties van de initiatiefnemers. De inspectie kan hierovermet de initiatiefnemers in gesprek gaan.18 Hiervoor zal de inspectie eensoortgelijke werkwijze hanteren als bij (gesprekken over) aanvragen vanbekostiging van nieuwe scholen. De inspectie gebruikt het gesprek dusom de verstrekte informatie te verifiëren, nadere toelichting te vragen enwaar nodig aandacht te vragen voor de zogeheten overige elementen vankwaliteit.19 Het gesprek dient er daarmee niet alleen toe om de ingediendeplannen goed te kunnen beoordelen, maar ook om initiatieven te helpentot goed onderwijs te komen, bijvoorbeeld door te wijzen op verplich-tingen die op hen zullen komen te rusten en daarover tekst en uitleg tegeven.Zo spoedig mogelijk na de start van een b3-school zal de inspectieonderzoek doen of in de praktijk aan de wettelijke eisen wordt voldaan.20Is dat niet het geval, dan zal de inspectie de school niet erkennen alsschool in de zin van de Leerplichtwet 1969 (hierna: de Leerplichtwet). Zo’nbesluit komt in feite neer op sluiting van de onderwijsvoorziening, omdat(ouders van) kinderen niet aan de leerplicht kunnen voldoen door hunkind aldaar onderwijs te laten volgen – dat kan immers alleen op scholenin de zin van de Leerplichtwet.Zowel door het gesprek aan te gaan alsmede door naderhand een bezoekte brengen aan de school wordt voorkomen dat de toets louter eenpapieren werkelijkheid betreft. Hiermee wordt immers in de praktijkonderzocht of ingediende plannen worden uitgevoerd en of de wet wordtnageleefd.De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering voorstelt om dehuidige procedure rond de start van b3-scholen aan te vullen met deverplichting om vooraf een melding te doen aan de Minister en bij diemelding ook het voorgenomen beleid te overleggen over de wijzewaarom aan de eisen rondom burgerschap en veiligheid zal worden17Uiteraard mits het wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt.18Zie het voorgestelde artikel 11b, zevende lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, Kamer-stukken II 2024/25, 36 745, nr. 2, p. 1–2.19De aanvraag om bekostiging wordt niet getoetst aan deze wettelijke kwaliteitseisen. Zodra deschool van start gaan, zullen zij echter wel van toepassing zijn en is de school verplicht totnaleving ervan. Zie de Beleidsregel advieskader nieuwe scholen 2023, paragrafen 1.2 en 5.3.20Momenteel vindt dit zogenoemde «adviesbezoek» plaats nadat de initiatiefnemers de Ministerin kennis hebben gesteld van de oprichting van een b3-school o.g.v. het huidige artikel 5 vande Wet op het primair onderwijs (zie het Onderzoekskader 2022 niet bekostigd primaironderwijs van de Inspectie van het Onderwijs, p. 8).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 78 voldaan. Daarbij gaat het niet om nieuwe (kwaliteits-)eisen. Het momentwaarop door de inspectie aan deze eisen wordt getoetst, wordt veranderd:voor aanvang van het onderwijs in plaats van na aanvang. De leden vande CDA-fractie vragen hoeveel van deze aanvragen de regering in een jaardenkt te ontvangen?Het aantal meldingen per jaar is lastig te voorspellen. Ter indicatie ishieronder daarom het aantal kennismakingsgesprekken over de afgelopenvier jaar weergegeven in tabel 1. Het betreft gesprekken met initiatief-nemers die mogelijk een b3-school willen stichten. In deze gesprekkenworden de eisen die de wet aan b3-scholen stelt toegelicht. Dit leidt ersoms toe dat het initiatief niet wordt doorgezet. De inspectie heeft echterthans niet de bevoegdheid om de start van een initiatief tegen te houden.Tabel 1. Aantal kennismakingsgesprekken met potentiële initiatiefnemers van eenb3-school en het aantal adviesbezoeken aan een nieuw opgerichte b3-school.2021202220232024Aantal kennismakingsgesprekken26412616Aantal adviesbezoeken15392011 Zoals eerder aangegeven blijkt uit onderzoek van de inspectie dat hetaantal b3-scholen van 44 scholen in 2015 is gegroeid naar 134 scholen in2023 – een toename van ongeveer 204%.21 De regering verwacht dat degroei van het aantal b3-scholen zich gestaag doorzet.De leden van de CDA-fractie vragen de regering te reageren op de reactievan de inspectie over de nut en noodzaak van de onderhavige wet? Oppapier kan namelijk worden voldaan aan de gestelde eisen terwijl na destart van de school in de praktijk kan blijken dat anders wordt gehandeld.Kortom, er wordt een extra «toets-moment» ingebouwd dat geenzekerheid biedt. Hoe ziet de regering dit punt? Snapt zij het gevoelen vandeze leden dat hiermee «schijnveiligheid» wordt gecreëerd?De inspectie heeft in haar uitvoeringstoets gewezen op het feit dat met devoorgestelde startprocedure slechts sprake is van een beperkte toets,omdat het nodig is om een school eerst daadwerkelijk in werking te zienom te kunnen oordelen of al dan niet voldaan wordt aan de wettelijkeeisen die via de Leerplichtwet aan b3-scholen worden gesteld. Het kaninderdaad voorkomen dat een b3-school in de praktijk anders blijkt tewerken dan voorafgaand aan de start van de school was beschreven.Mede daarom zal de inspectie het «adviesbezoek», zo kort mogelijk22 nade start van de b3-school, onverminderd blijven verrichten. Voor zoverblijkt dat de ingediende plannen geen realistische weergave zijn van hetdaadwerkelijk geboden onderwijs, geldt uiteraard dat de inspectie kanbepalen of het initiatief de status van school houdt of dat deze daaraanwordt ontzegd. Van het laatste kan uiteraard slechts sprake zijn indienblijkt dat de school niet voldoet aan de toepasselijke wettelijke vereisten.Dat maakt de voorafgaande toets echter niet tot een kwestie van schijnvei-ligheid. Uit de praktijk rondom bekostigd onderwijs blijkt immers, zoalseerder aangegeven, dat er wel degelijk meerwaarde zit in zo’n toetsvooraf. Al is het alleen maar omdat de inspectie dan vooraf in overleg kan21Zie het rapport: Waarom kiezen oprichters, ouders en leerkrachten voor het niet-bekostigdonderwijs? Themaonderzoek naar de beweegredenen van oprichters, ouders en leerkrachten,Inspectie van het Onderwijs 2025, p. 6, vindplaats: https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2025/02/05/rapport-beweegredenen-niet-bekostigd-onderwijs)22Zie artikel 11b, zevende lid, van de Wet op het onderwijstoezicht. Het wetsvoorstelvernummert dit lid tot negende lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 79 treden en waar nodig op de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs ende veiligheid kan bijsturen.Vervolgens lezen de leden van de CDA-fractie in de memorie vantoelichting dat de toets op voorhand een terughoudende toets zal zijn endat die in het overgrote merendeel van de gevallen niet tot een negatiefbesluit zal leiden. Wat bedoelt de regering met een terughoudende toets?Kan de regering dit uitgebreid toelichten? Wat wordt er dan verwacht vande inspectie als zij terughoudend moeten toetsen?De inspectie toetst de melding en de stukken die moeten wordenmeegezonden voorafgaand aan de start van b3-scholen, meer specifiek demeldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, een uiteenzetting vanhet voorgenomen beleid ten aanzien van burgerschapsonderwijs in hetbeoogde schoolplan en het veiligheidsbeleid. Door slechts te toetsen opde minimale eisen ten aanzien van burgerschap en veiligheid en eenterughoudende toets uit te voeren voorafgaand aan de start van de schoolwordt rekening gehouden met het bijzondere karakter van hetniet-bekostigde onderwijs en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot (tenopzichte van het bekostigde onderwijs) meer terughoudende reguleringdoor de overheid.23 De terughoudendheid van de toets houdt in dat enkelals «aantoonbaar» blijkt dat de school niet zal voldoen aan deze kwaliteits-eisen, kan besluiten dat het initiatief niet van start mag gaan. Met hetwoord «aantoonbaar» wordt bedoeld dat de inspectie meer dan aanne-melijk moet kunnen maken dat het initiatief niet zal voldoen aan degenoemde kwaliteitseisen. Dit is dus een wat zwaardere bewijsmaatstafdan in het reguliere (niet-punitieve) bestuursrecht, waarin slechts«aannemelijk» als bewijsmaatstaf geldt.24 Wanneer daarvan sprake is,hangt af van de omstandigheden van het geval en is dus casuïstisch. Deinspectie betrekt in haar beoordeling van de omstandigheden deinformatie uit de stukken die moeten worden meegezonden bij demelding en uit een eventueel gesprek.De toets voorafgaand aan de start van een b3-school is minder uitgebreiddan de toets bij de oprichting van bekostigde scholen. Voor de toets bijbekostigingsaanvragen geldt immers de reguliere bewijsmaatstaf.Bovendien betreft deze veel meer eisen (zoals de bevoegdheid vanleraren, de wijze waarop invulling wordt gegeven aan een doorlopendeleerlijn en alle kerndoelen, en een meerjarenbegroting).25 De voorgesteldetoets ziet op veel minder eisen (burgerschap en veiligheid). De reden voordit verschil in benadering is mede gelegen in artikel 23 van de Grondwet.Zie nader het antwoord op de vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie overdit onderwerp onder 2.1 Melding over de oprichting van b3-scholen.Voorbeelden waar aantoonbaar blijkt dat een school niet zal voldoen aande kwaliteitseisen zijn: een initiatief dat geen voorgenomen beleid tenaanzien van het burgerschapsonderwijs in het beoogde schoolplan heeftopgenomen, een initiatief waarbij de samenhang in of coherentedoelstelling van het beleid ontbreekt, of een initiatief waarvan de visieoverduidelijk bepaalde basiswaarden van de democratische rechtsstaatveronachtzaamt. Zoals eerder aangegeven zal de inspectie nadat hetinitiatief als school van start is gegaan onderzoeken of de wet wordtnageleefd. Deze toets is intensiever dan de terughoudende toets in het23Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 6.24Het is echter een (substantieel) lichtere bewijsmaatstaf dan die in het strafrecht, waarin alsmaatstaf «buiten redelijke twijfel» geldt.25Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 6. Zie ook de artikelen 3, 8, 9 en 74 derde lid,onderdeel e, Wet op het primair onderwijs en de artikelen 1.4, tweede lid, 2.2, 4.5a, derde lid,onderdeel e, en 7.11, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 710 voortraject, aangezien deze betrekking heeft op het onderwijs dat op deschool in de praktijk wordt gebracht. Zodoende kan de inspectie op basisvan directe waarnemingen zonder terughoudendheid toetsen aan dewettelijke vereisten; hier geldt de lichtere bewijsmaatstaf van aanneme-lijkheid.De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering een vergelijkingmaakt tussen afgewezen aanvragen in het bekostigd onderwijs die zijnafgewezen omdat (onder meer) niet werd voldaan aan de burgerschap-seisen. Aangezien bij het niet-bekostigd onderwijs geen subsidierelatie is,zijn de eisen die gesteld worden lager. Deze leden vragen waarom deregering deze vergelijking gebruikt en waarom zij vindt dat deze verge-lijking op gaat.Het klopt dat voor niet-bekostigd onderwijs in algemene zin minder eisengelden dan voor bekostigd onderwijs. Uit de Leerplichtwet volgt echterdat de burgerschapsopdracht, zoals die geldt voor het bekostigdeonderwijs, net zozeer van toepassing is op het niet-bekostigdeonderwijs.26 Hetzelfde geldt voor een aantal andere vereisten, waaronderde zorgplicht voor de veiligheid.27 De regering acht de vergelijking methet bekostigd onderwijs, waarin immers ook het burgerschaps- enveiligheidsbeleid wordt betrokken bij de aanvraagprocedure, dan ook ophaar plaats.2. Hoofdlijnen van het voorstel 2.1 Melding over de oprichting van b3-scholen De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat initiatiefnemers vannieuwe b3-scholen voortaan bij de melding van kennisgeving ook devolgende zaken moeten meezenden: de meldcode huiselijk geweld enkindermishandeling, de uiteenzetting van het voorgenomen beleid ten aanzien van burgerschapsonderwijs in het beoogde schoolplan en hetveiligheidsbeleid. Hoe vaak wordt dit nu al meegezonden of gebeurt datnu totaal niet? Binnen welke tijdsperiode na het starten van de schoolhebben startende b3-scholen deze zaken nu op orde?Na navraag bij DUO blijkt dat enkele b3-scholen in oprichting voor de startvan het onderwijs het schoolplan en/of veiligheidsbeleid aan de Ministertoezenden.28 Deze b3-scholen in oprichting zijn daartoe momenteel nietverplicht, maar moeten dit wel meteen vanaf de start van het onderwijsop orde hebben. Als gezegd, verricht de inspectie zo snel als mogelijk nade aanvang van het onderwijs het adviesbezoek om (onder meer) dit tecontroleren.De leden van de fractie GroenLinks-PvdA lezen dat het gaat om eenterughoudende toets; kan de regering nader uitleggen wat een terughou-dende toets precies betekent? Wat maakt dit anders dan een regulieretoets?26Zie artikel 1a1, eerste lid, onderdeel a, van de Leerplichtwet 1969, dat onder meer verwijst naarartikel 8, eerste tot en met vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs. De verwijzingbetreft mede de burgerschapsopdracht, die in het derde lid en lid 3a van laatstgenoemdebepaling is opgenomen. Zie in soortgelijke zin voor het voortgezet onderwijs artikel 1a1, eerstelid, onderdeel b, van de Leerplichtwet 196927Zie eveneens artikel 1a1, eerste lid, onderdelen a en b, van de Leerplichtwet 1969.28In de periode 2023–2025 werd er bij 3 van de 78 meldingen (po en vo) bij DUO ook hetschoolplan meegestuurd. Slecht één keer werd ook het veiligheidsbeleid meegestuurd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 711 De inspectie toetst de melding van de oprichting van een b3-school en destukken die moeten worden meegezonden. Het betreft de meldcodehuiselijk geweld en kindermishandeling, een uiteenzetting van hetvoorgenomen beleid ten aanzien van het burgerschapsonderwijs, en hetveiligheidsbeleid. Als aantoonbaar blijkt dat de school niet zal kunnenvoldoen aan de kwaliteitseisen op het gebied van burgerschap enveiligheid die gelden voor b3-scholen, zal de inspectie het besluit nemendat het initiatief niet de status van school verkrijgt. Daaruit volgt deterughoudendheid. De inspectie toetst alleen op de kwaliteitseisen vanburgerschap en veiligheid en kan enkel als zij meer dan aannemelijk kanmaken dat een initiatief niet zal voldoen aan de wettelijke vereisten,besluiten dat het initiatief niet van start kan gaan.29 Voor een uitgebreiderantwoord op deze vraag verwijst de regering naar de beantwoording vande vraag van de CDA-fractie over de terughoudende toets onder 1.Inleiding.De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen hoe wordt gedefinieerddat niet wordt voldaan aan de wettelijke eisen? Is dat bij het ontbreken ofonvoldoende uitgewerkt zijn van één van drie bovenstaande onderdelenof pas bij alle drie?Het voorgestelde artikel 11b, achtste lid, van de Wet op het onderwijstoe-zicht, bepaalt dat indien uit de melding en/of het overleg naar oordeel vande inspectie aantoonbaar volgt dat niet zal worden voldaan aan een ofmeer van de genoemde wettelijke voorschriften, de inspectie kanbesluiten de school niet aan te merken als school in de zin van deLeerplichtwet.30De initiatiefnemer zal dus aan de voor b3-scholen gestelde kwaliteitseisenvoor burgerschap en veiligheid moeten voldoen om als school in de zinvan de Leerplichtwet aangewezen te kunnen worden. Het is aan deinspectie om te beoordelen of er aantoonbaar niet wordt voldaan aan dewettelijke vereisten. In het antwoord op de vraag van de CDA-fractie overde terughoudende toets onder 1. Inleiding, zijn voorbeelden genoemd.Genoemde voorbeelden zijn een initiatief waarin de samenhang ofcoherente doelstelling van het onderwijs ontbreekt of een initiatiefwaarvan de visie overduidelijk bepaalde basiswaarden van de democra-tische rechtsstaat veronachtzaamt. Met deze voorbeelden is het meer danaannemelijk dat een school niet voldoet aan de kwaliteitseisen.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie lezen dat sinds het in werkingtreden van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen is gebleken dat eentoets voorafgaand aan de start van de school een bruikbaar en nuttiginstrument is geweest, aangezien er aanvragen tot bekostiging zijnafgewezen wegens onvoldoende kwaliteit van de plannen op onderandere burgerschapsgebied. Hoe vaak zijn aanvragen afgewezen wegensonvoldoende kwaliteit van de plannen op burgerschapsgebied? Kan deregering voorbeelden geven van wat er aan de plannen ontbrak?In de periode 2021–2025 zijn er 20 van de 159 aanvragen (mede) op dezegrond afgewezen. Dit betrof zowel po- als vo-scholen.31 Bij afwijzing blijktuit de aanvragen en de daaropvolgende gesprekken bijvoorbeeld nietaltijd dat het onderwijsaanbod zich herkenbaar richt op de bevordering29Zie in dit verband ook de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3,p. 14).30Zie Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 2, p.1 en Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 14.31Zie onder meer Staatscourant 2025, 18568, p. 2, en Staatscourant 2024, 15612, p. 1 en p. 3. Zievoor de eerdere jaren de cijfers genoemd in de memorie van toelichting van onderhavigwetsvoorstel, Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 712 van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. De initiatief-nemers geven dan wel aan dat het onderwijs zich zal richten op debevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, maarniet hoe hier doelgericht naar wordt gehandeld binnen het onderwijs.32 Zois er uit gesprekken en documenten bijvoorbeeld niet gebleken welkeleerdoelen de initiatiefnemers met de leerlingen willen behalen en hoedeze doelen zijn verdeeld over de verschillen leerjaren.De leden van de fractie GroenLinks-PvdA lezen dat de toets in hetbekostigd onderwijs uitvoeriger is dan de voorgestelde toets in hetniet-bekostigd onderwijs. Waar zit het verschil tussen de twee toetsen?Kan de regering dat specifiek uiteenzetten? Moet de kwaliteit vanonderwijs niet bij zowel bekostigd als niet-bekostigd op orde zijn?Het uitgangspunt in het niet-bekostigd onderwijs is dat de wetgever zichterughoudender opstelt en derhalve alleen minimale grenzen bepaalt omde kwaliteit van het onderwijs te waarborgen.33 In tegenstelling tot hetbekostigd onderwijs bestaat in het niet-bekostigd onderwijs immers geenbekostigingsrelatie met de overheid. Om die reden gaat artikel 23 van deGrondwet er dan ook van uit dat de overheid minder invloed dient uit teoefenen op het niet-bekostigde onderwijs. De voorschriften die aanniet-bekostigde scholen worden gesteld hebben daarbij ook niet tot doel,zoals stichtingsnormen in het bekostigd onderwijs dat wel hebben, debeschikbare publieke middelen zo rechtvaardig mogelijk te verdelen.34De grondwettelijk vereiste terughoudendheid werkt op twee manierendoor in onderhavig wetsvoorstel. Ten eerste is de reikwijdte van devoorgestelde voorafgaande toets ten aanzien van het niet-bekostigdonderwijs beperkter. Deze ziet, zoals eerder aangegeven, alleen op deeisen omtrent burgerschap en veiligheid. In het bekostigd onderwijs kentde toets een grotere reikwijdte. Daar wordt, onder meer, getoetst op dewettelijke eisen rondom de bevoegdheid van leraren, de wijze waaropinvulling wordt gegeven aan een doorlopende leerlijn en alle kerndoelen,en een meerjarenbegroting.35 Ten tweede is de voorgestelde toets van opte richten b3-scholen terughoudend van aard. Enkel indien aantoonbaarblijkt dat een initiatief niet voldoet aan de kwaliteitseisen van veiligheid enburgerschap, kan het initiatief niet van start gaan.36 Voor de toelichting opeen vergelijkbare vraag verwijst de regering naar de beantwoording vande vraag van de CDA-fractie over de terughoudende toets onder 1.Inleiding, in deze nota naar aanleiding van het verslag.De leden van de VVD-fractie merken op dat in de memorie van toelichtingwordt verwezen naar ontwikkelingen rondom bewegingen die zichantidemocratisch of antirechtsstatelijk opstellen. Deze leden maken zich algeruime tijd zorgen over dit soort ontwikkelingen. Zij vragen de regering32Dat is een vereiste op grond van artikel 8, derde lid, onderdeel a, Wet op het primair onderwijsen artikel 2.2 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.33Ten aanzien van het niet-bekostigd onderwijs dient de wetgever zich te beperken tot het stellenvan de basale minimumeisen ten aanzien van financiële stabiliteit, kwaliteit en veiligheid. Degrondslag tot het stellen van dergelijke eisen is gelegen in artikel 23, tweede lid, van deGrondwet. De vrijheid van onderwijs kan beperkt worden met het oog op het belang van hettoezicht. Het begrip «toezicht» dient daarbij uitgelegd te worden in het licht van de zorgplichtin artikel 23, eerste lid, van de Grondwet en de internationaalrechtelijke verplichtingen die opde regering rusten om de deugdelijkheid van het onderwijs te borgen. Kamerstukken II2011/12, 32 007, nr. 18, p. 10.34Zie ook Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 6.35Zie de artikelen 3, 8, 9 en 74 derde lid, onderdeel e, Wet op het primair onderwijs en deartikelen 1.4, tweede lid, 2.2, 4.5a, derde lid, onderdeel e, en 7.11, van de Wet voortgezetonderwijs 2020.36Zie Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 14.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 713 welke mogelijkheden de inspectie reeds heeft of krijgt om op dergelijkesignalen te acteren, ook wanneer dit nog in een voorfase van oprichtingspeelt.B3-scholen moeten ook nu al voldoen aan de wettelijke burgerschapsop-dracht, die onder andere van scholen eist om te waarborgen dat hetonderwijs in overeenstemming is met de basiswaarden van de democra-tische rechtsstaat.37 Onder de huidige wetgeving kan de inspectie, indienzij voorafgaand aan de oprichting van een b3-school signalen ontvangtwaaruit volgt dat de school (mogelijk) antidemocratisch of antirechtsta-telijk gedachtegoed beoogt te verspreiden, daar alleen op acteren door deinitiatiefnemer erop aan te spreken. De inspectie heeft geen instrumentenom daar, op dat moment, consequenties aan te verbinden.38 Uiteraard zalde inspectie in dergelijke gevallen wel hoge prioriteit geven aan hettoezicht op dergelijke scholen. Het zogeheten adviesbezoek zal in dit soortgevallen zeer kort na de start van de school worden afgelegd.39 Wanneerblijkt dat inderdaad sprake is van onderwijs dat in strijd is met deburgerschapsopdracht, zal de inspectie besluiten (al dan niet nadat zij eenherstelopdracht heeft gegeven) dat de onderwijsvoorziening de status vanschool wordt ontnomen, waarmee deze in feite zal ophouden te bestaan.De leden van de VVD-fractie vragen of er voordat een b3-school wordtgesticht, wordt onderzocht of in de nabije omgeving al eenzelfde typeb3-school aanwezig is.Initiatiefnemers van scholen die voor rijksbekostiging in aanmerkingwillen komen, moeten aantonen dat er voldoende belangstelling is voorde school.40 Daarmee kan worden aangetoond dat het doelmatig is om opde gewenste locatie een school te starten en daar bekostiging voor teverstrekken. Voor particuliere scholen geldt dat vereiste niet, omdat zijgeen bekostiging ontvangen. Om die reden wordt niet onderzocht of er inde nabije omgeving al eenzelfde type b3-school aanwezig is.De leden van de NSC-fractie lezen in de toelichting dat het onderhavigewetsvoorstel geen wijzigingen aanbrengt in de (kwaliteits-)eisen waaraande inspectie zal toetsen. Dat neemt niet weg dat in een ander recentwetsvoorstel, het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs, de regering weldegelijk een verdere wettelijke aanscherping en concretisering van inieder geval de veiligheidseisen op scholen beoogt. Deze leden vragen ofde regering in haar toelichting op het onderhavig wetsvoorstel daaromniet iets wezenlijks buiten beschouwing laat. Kan de regering hier eenreactie op geven en kan zij onderbouwen waarom het niet relevant is hetwetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs bij de behandeling van het onder-havige wetsvoorstel in overweging te nemen? Wat zijn de gevolgen vanhet wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs voor de criteria waarop, met hetonderhavige voorstel, voortaan vooraf kan worden getoetst? Wat zijn deimplicaties van inwerkingtreding van het wetsvoorstel Vrij en veiligonderwijs op het onderhavige voorstel? Waarin bestaat de overlap tussendeze twee wetsvoorstellen? Kan de regering in ieder geval een volledig engedetailleerd overzicht geven van de specifieke criteria waarop nieuwe37Zie artikel 1a1, eerste lid, onderdeel a, van de Leerplichtwet 1969, dat onder meer verwijst naarartikel 8, eerste tot en met vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs. De verwijzingbetreft mede de burgerschapsopdracht, die in het derde lid en lid 3a van laatstgenoemdebepaling is opgenomen. Zie in soortgelijke zin voor het voortgezet onderwijs artikel 1a1, eerstelid, onderdeel b, van de Leerplichtwet 1969.38Zie, 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 3.39Zie artikel 11b, zevende lid, van de Wet op het onderwijstoezicht. Het wetsvoorstelvernummert dit lid tot negende lid.40Zie artikel 74, tweede lid, onderdeel a en artikel 74a van de Wet op het primair onderwijs enartikel 4.5a, tweede lid, onderdeel a en artikel 4.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 714 aanvragen voor erkenning van b3-scholen zullen worden getoetst enwelke gegevens initiatiefnemers in verband daarmee dienen aan televeren bij de inspectie? Kan de regering hetzelfde doen voor het gevalwaarin het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs in combinatie met hetonderhavige voorstel in werking zou treden?De samenhang tussen onderhavig wetsvoorstel en het wetsvoorstel vrijen veilig onderwijs41 is beperkt. Het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijsheeft evenwel wel enige gevolgen voor onderhavig wetsvoorstel. Opgrond van de huidige onderwijswetgeving is het bevoegd gezag van eenniet-bekostigde school reeds verplicht om – gelijk aan het bevoegd gezagvan een bekostigde onderwijsinstelling – veiligheidsbeleid te voeren. Ditwetsvoorstel introduceert voor deze scholen de verplichting bij demelding, voorafgaand aan de start van het onderwijs, een beschrijvingvan het veiligheidsbeleid te voegen.Het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs biedt nadere regels over demanier waarop het bevoegd gezag het veiligheidsbeleid moet vormgeven.Dit wetsvoorstel zorgt er daarmee voor dat de inhoud van het veiligheids-beleid verandert en heeft daarom, indien het tot wet wordt verheven,(vanzelfsprekend) ook consequenties voor de inhoud van de beschrijvingvan het veiligheidsbeleid die bij de in onderhavig wetsvoorstel voorge-stelde melding moet worden overgelegd. Voor het niet-bekostigdonderwijs betreft het de meld- en registratieplicht voor (ernstige)veiligheidsincidenten, de uitbreiding van de reeds bestaande meld-,overleg en aangifteplicht met betrekking tot seksuele misdrijven metseksuele intimidatie, en aanpassingen rondom de leerlingmonitorveiligheid op school.In de beschrijving van zijn veiligheidsbeleid zal de initiatiefnemer zich –indien beide voorstellen van wet tot wet worden verheven – rekenschapmoeten geven van deze verplichtingen en moeten aangeven hoe zijvoornemens is hier invulling aan te geven.De in het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs opgenomen verplichtingentot het aanwijzen van een interne en externe vertrouwenspersoon en hetinrichten van een klachtenregeling zijn overigens niet van toepassing ophet niet-bekostigd onderwijs. In zoverre is dus geen sprake vandoorwerking van dat wetsvoorstel op het onderhavige.42Zoals gezegd zijn de leden van de NSC-fractie zeer kritisch op het gebrekaan enige samenhang tussen de verschillende onderdelen van hetonderhavige wetsvoorstel. Des te verbazingwekkender vinden deze ledenhet daarom dat het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs, dat op belang-wekkende wijze inhoudelijk lijkt samen te hangen met het onderhavigevoorstel, daarentegen wel als afzonderlijke wet is ingediend. Kan deregering uiteen kan zetten waarom zij ervoor kiest om onderwerpen dieinhoudelijk sterk samenhangen in afzonderlijke wetsvoorstellen onder tebrengen, terwijl onderwerpen die slechts beperkt of niet inhoudelijksamenhangen juist in één wetsvoorstel zijn samengebracht? Kan de41Kamerstukken II, 2024/25, 36 777, nr. 2 en 3.42Ten aanzien van het niet-bekostigd onderwijs dient de wetgever zich te beperken tot het stellenvan de basale minimumeisen ten aanzien van financiële stabiliteit, kwaliteit en veiligheid. Degrondslag tot het stellen van dergelijke eisen is gelegen in artikel 23, tweede lid, van deGrondwet. De vrijheid van onderwijs kan beperkt worden met het oog op het belang van hettoezicht. Het begrip «toezicht» dient daarbij uitgelegd te worden in het licht van de zorgplichtin artikel 23, eerste lid, van de Grondwet en de internationaalrechtelijke verplichtingen die opde regering rusten om de deugdelijkheid van het onderwijs te borgen. Kamerstukken II2011/12, 32 007, nr. 18, p. 10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 715 regering toelichten hoe deze keuze zich verhoudt tot de eisen vanwetgevingskwaliteit en systematiek?In het antwoord op de voorgaande vraag is al naar voren gebracht datbeide wetsvoorstellen wel aan elkaar raken, maar dat de doorwerking vanhet wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs op onderhavig wetsvoorstelbeperkt is. Het was en is naar het oordeel van de regering dan ook nietnodig de inhoud van beide wetsvoorstellen samen te brengen in éénwetsvoorstel. Beide wetsvoorstellen kunnen separaat van elkaar op huneigen merites worden beoordeeld.De keuze van de regering om twee beperkt met elkaar samenhangendeonderwerpen in het voorliggende wetsvoorstel te regelen, kwam voort uitde wens de hardvochtigheden voor leerlingen in het speciaal onderwijs zosnel mogelijk weg te nemen. Het betrof kleine wijzigingen, die echter voorenkele leerlingen van grote betekenis kunnen zijn. De regering verwachttehierover dan ook weinig of geen discussie. Laatstgenoemde verwachtingis tot nu toe uitgekomen. Zo heeft de Afdeling geen enkele inhoudelijkeopmerking over deze wijzigingen gemaakt. Wel zou de regering met dewijsheid van nu wellicht destijds een andere keuze hebben gemaakt.Echter, het maken van een nieuw wetsvoorstel of het opnemen van debetreffende bepalingen in een ander wetsvoorstel met meer inhoudelijkesamenhang, zouden beide tot gevolg hebben dat het onderdeel van dehardvochtigheden aanzienlijke vertraging oploopt. Dat vindt de regeringzeer onwenselijk. Voor een uitgebreidere toelichting verwijst de regeringnaar de beantwoording van de eerste vraag, van de NSC- enChristenUnie-fractie, in deze nota naar aanleiding van het verslag.De leden van de NSC-fractie vragen op welke wijze in het wetsvoorstel (incombinatie met bestaande wetgeving) wordt gekeken naar eventuelebuitenlandse financieringsstromen en of deze onderdeel zijn van hetonderzoek door de inspectie. Is bestaande wetgeving nu toereikend omonwenselijke beïnvloeding van radicale organisaties uit het buitenland tekunnen dwarsbomen?De inspectie houdt geen toezicht op dit soort financieringsstromen. Ditwetsvoorstel brengt daar geen verandering in aan. De regering werkt welaan het vergroten van de mogelijkheden om onwenselijke beïnvloedingvanuit organisaties uit het buitenland steviger tegen te gaan. De regeringheeft hiertoe het wetsvoorstel transparantie en tegengaan ondermijningdoor maatschappelijke organisaties aanhangig gemaakt. Dit voorstel is opdit moment nog in behandeling bij de Eerste Kamer.43De leden van de NSC-fractie hebben nog enkele vragen over deaanmelding van een nieuwe particuliere school bij DUO. Wanneer krijgteen instelling de «status van school» voor de leerplichtwet en hoe wordtdeze procedure met dit wetsvoorstel aangepast? Kan de regeringaangeven wat nu exact de procedure is voor aanmelding van een nieuweschool en op wat met dit wetsvoorstel de nieuwe procedure zou zijn?Onder huidige wetgeving is een b3-school vanaf de oprichting een schoolin de zin van de Leerplichtwet, totdat anderszins wordt besloten.44 Deleerplicht kan er dus worden vervuld vanaf het moment dat het onderwijsop de school van start gaat; een voorafgaande melding of aanvraag isdaar niet voor vereist. In de huidige systematiek is het echter wel zo dat43Kamerstukken I 2020/21, 35 646, nr. A.44Zie artikel 11b, zevende lid, van de Wet op het onderwijstoezicht. Onderhavig wetsvoorstelvernummert dit lid tot negende lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 716 de inspectie zo snel mogelijk45 na de start van het onderwijs onderzoekdoet op de school (het zogeheten «adviesbezoek») en bepaalt of deonderwijsvoorziening de status van school behoudt of niet. Mede tenbehoeve van het afleggen van het adviesbezoek dienen initiatiefnemersvan b3-scholen binnen vier weken na de oprichting de Minister daarvan inkennis te stellen.46 Onderhavig wetsvoorstel brengt hierin geen verande-ringen aan.Omdat het moment van oprichting van de school en het moment van destart van het onderwijs niet hoeven samen te vallen, verduidelijktvoorliggend wetsvoorstel dat deze kennisgeving binnen vier weken na destart van het onderwijs dient plaats te vinden, in plaats van binnen vierweken «na de oprichting» van de school, zoals de huidige wetgevingbepaalt.47 Indien de status van school aan de onderwijsvoorziening wordtontnomen, welke beslissing overigens geldt als besluit in de zin van deAlgemene wet bestuursrecht en waartegen bestuursrechtelijke rechtsbe-scherming openstaat, kan de leerplicht aldaar niet meer worden vervuld.Dit betekent in de praktijk dat de onderwijsvoorziening de deuren moetsluiten. Een initiatiefnemer kan dit proberen te voorkomen door hangendede bodemprocedure een voorlopige voorziening tot schorsing van hetbesluit van de inspectie te vragen.48Indien blijkt dat de kwaliteit op orde is en het adviesbezoek dus eengunstige afloop kent, geldt vanaf dan uiteraard het «reguliere» onderwijs-toezicht. De inspectie doet onderzoek of de school in kwestie voldoet aande wettelijke voorschriften en of de kwaliteit van het onderwijs voldoendeis. Indien er tekortkomingen zijn kan de inspectie een herstelopdrachtgeven. Bij ernstige tekortkomingen kan Onze Minister besluiten dat destatus van school aan de onderwijsvoorziening wordt ontnomen.49Onderhavig wetsvoorstel introduceert de plicht de voorgenomenoprichting van een b3-school ten minste twaalf weken voorafgaand aande beoogde start van het onderwijs aan de Minister te melden. Daarbijmoeten documenten met betrekking het voorgenomen beleid inzake deburgerschapsopdracht, veiligheid en de meldcode huiselijk geweld enkindermishandeling worden overgelegd.50 Het initiatief voor een nieuweparticuliere school verkrijgt vervolgens de status van «school» in de zinvan de Leerplichtwet twaalf weken nadat het initiatief bij de Minister isaangemeld, tenzij binnen deze twaalf weken door de inspectie explicietwordt besloten dat het initiatief niet de status van school krijgt.Hoewel het wetsvoorstel zelf redelijk duidelijk hierover is, wekt detoelichting bij de leden van de NSC-fractie hier de indruk dat hetwetsvoorstel evenwel ruimte laat aan de inspectie om bij een meldingvooralsnog niet over te gaan op een voorafgaande toets. Kan de regeringzeggen of dit laatste klopt? Zo ja, op basis waarvan zal de inspectie dezeafweging maken bij ontvangst van een nieuwe melding, zo vragen dezeleden.45Artikel 11b, zevende lid, van de Wet op het onderwijstoezicht. Het wetsvoorstel vernummertdit lid tot negende lid.46Zie het huidige artikel 5 van de Wet op het primair onderwijs en het huidige artikel 3.27, eerstelid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.47Zie het voorgestelde artikel 5, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 3.27,derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 3.48Zie artikel 8:81 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht.49Zie artikel 1a1, derde lid, van de Leerplichtwet 1969 jo. artikel 14 van de Wet op hetonderwijstoezicht.50Zie het voorgestelde artikel 5, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 3.27,eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 2, p. 2–3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 717 Het doel van onderhavig wetsvoorstel is het versterken van de poortwach-tersfunctie bij b3-scholen, zodat eerder kan worden ingegrepen bijzorgelijke signalen. Het wetsvoorstel regelt daartoe dat b3-scholen tenminste twaalf weken voorafgaand aan de start van het onderwijs eenmelding dienen te doen aan de Minister, en bij die melding ook hetvoorgenomen beleid te overleggen over de wijze waarop aan de eisenrondom burgerschap en veiligheid zal worden voldaan. Om de poort-wachtersfunctie te versterken en daadwerkelijk in te kunnen grijpen bijzorgelijke signalen is het van belang dat de inspectie daadwerkelijk demelding en de bijbehorende documenten onderzoekt. In verband met deuitvoerbaarheid is de termijn die de inspectie heeft voor toetsingvoorafgaand aan de start van de b3-school in het wetsvoorstel aangepastnaar twaalf weken in plaats van de aanvankelijk voorgestelde acht weken.Deze twaalfwekentermijn stelt de inspectie in staat om ook in drukkeperiodes en periodes waarin minder capaciteit beschikbaar is, deovergelegde stukken te bekijken, daarover eventueel een gesprek tevoeren en op basis daarvan te beoordelen of uit die informatieaantoonbaar volgt niet zal worden voldaan aan de kwaliteitseisen rondomburgerschap of veiligheid.51De leden van de fractie BBB vragen de regering om een nadere toelichtingop de uitvoerbaarheid van de toetsingsprocedure. Hoe wordt geborgd datde inspectie beschikt over voldoende capaciteit en expertise om dezebeoordeling binnen twaalf weken zorgvuldig uit te voeren? Hoe wordtvoorkomen dat goedwillende initiatiefnemers worden ontmoedigd dooronduidelijke of bureaucratische procedures?De inspectie heeft het wetsvoorstel in haar uitvoeringstoets beoordeeldals uitvoerbaar. De beoordeling van meldingen vergt extra capaciteit bijde inspectie. Daarom is, zoals in het antwoord op de vorige vraag reedsaangegeven, de minimale termijn die de inspectie heeft voor toetsingvoorafgaand aan de start van de b3-school aangepast naar twaalf wekenin plaats van de aanvankelijk voorgestelde acht weken.52 De nieuweprocedure zal via heldere informatievoorziening onder de aandachtworden gebracht, zodat het voor het veld duidelijk is wat van hen wordtgevraagd. Het risico op ontmoediging van goedwillende initiatiefnemersziet de regering niet: de voorgestelde meldingsprocedure vraagt immersalleen dat initiatiefnemers documenten die zij reeds onder het huidigewettelijke regime voorhanden moeten hebben zodra het onderwijs vanstart gaat, wat eerder gereed hebben en tijdig aan de overheid toesturen.Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat de Raad van Stateheeft geadviseerd om de onderdelen over b3-scholen en vso/pro tesplitsen. Kan de regering toelichten waarom hiervan is afgeweken en hoede inhoudelijke samenhang tussen beide onderdelen wordt gewaarborgd?De keuze van de regering om twee beperkt met elkaar samenhangendeonderwerpen in het voorliggende wetsvoorstel te regelen, kwam voort uitde wens de hardvochtigheden voor leerlingen in het speciaal onderwijs zosnel mogelijk weg te nemen. Het betreft kleine wijzigingen, die echtervoor enkele leerlingen van grote betekenis kunnen zijn. Achteraf bekeken,zou de regering destijds wellicht een andere keuze hebben gemaakt. Indeze fase meent de regering er beter aan te doen de bepalingen inonderhavig wetsvoorstel te behouden, omdat het separeren van dezebepalingen tot aanzienlijk tijdsverlies zullen leiden. Zie hierover nader debeantwoording van de eerste vraag, van de NSC- en ChristenUnie-fractie,in deze nota naar aanleiding van het verslag.51Zie ook de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 11.52Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 718 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om nogmaals denoodzaak en proportionaliteit van de voorgestelde maatregel te onder-bouwen. Waarom is een inperking van de vrijheid van oprichtinggerechtvaardigd, ondanks dat er geen enkele aanleiding naar voren wordtgebracht dat de voorgestelde maatregel noodzakelijk zou zijn?De afgelopen jaren is maatschappelijke onrust ontstaan over tweestartende b3-scholen.53 In die gevallen bestond de zorg dat aldaarantirechtsstatelijke overtuigingen werden overgedragen. Anders dan hetuitnodigen van een initiatiefnemer voor een vrijwillig gesprek, kan deinspectie bij dergelijke zorgen momenteel niet ingrijpen. Dit vindt deregering extra zorgelijk nu het aantal b3-scholen de afgelopen jaren sterkis toegenomen. Zoals eerder genoemd is het aantal b3-scholen van 44scholen in 2015 gegroeid naar 134 scholen in 2023.54 Dat is een groei van204%. De regering verwacht dat het aantal b3-scholen gestaag zal blijventoenemen. De regering ziet voldoende aanleiding en noodzaak omonderhavig wetsvoorstel te rechtvaardigen.55 Voor een uitgebreidereonderbouwing van nut, noodzaak en proportionaliteit van onderhavigwetsvoorstel verwijst de regering naar de beantwoording van de vragenvan D66- en CDA-fractie over die onderwerpen, onder I Algemeen.De ChristenUnie-fractie vraagt de regering om alsnog inzichtelijk makenhoe zij het recht op onderwijs concreet afweegt tegen de vrijheid vanonderwijs.De vrijheid van onderwijs, neergelegd in artikel 23, tweede lid, van deGrondwet, omvat mede de vrijheid van stichting, die waarborgt dat eenieder de vrijheid heeft om een school op te richten.56 De vrijheid vanstichting geeft daarmee ook uitdrukking aan het ouderlijk opvoedings-recht.57 De vrijheid van stichting is niet absoluut, de wetgever is bevoegddit recht te beperken. De wetgever heeft de bevoegdheid om normen testellen die het recht op onderwijs van voldoende kwaliteit borgen.58 Demaatregel moet wel proportioneel en noodzakelijk zijn om een beperkingte kunnen rechtvaardigen.59Momenteel ontbreekt elke vorm van voorafgaande toetsing voorb3-scholen, terwijl die voor het bekostigde onderwijs wel geldt. Deregering beschouwt dat als een weeffout in het systeem: leerlingen opb3-scholen genieten net zo goed recht op kwalitatief onderwijs alsleerlingen in het bekostigde stelsel. Door genoemde weeffout is er eenrisico dat er scholen starten waar bij de inspectie twijfels bestaan over,kort gezegd, de rechtsstatelijkheid van de door de school uitgedragenovertuigingen (burgerschap) en over de veiligheid van leerlingen. Deregering is van mening dat onderwijs dat nalaat respect voor de basis-waarden van de democratische rechtsstaat te bevorderen, of zelfs met die53Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 7.54Zie het rapport: Waarom kiezen oprichters, ouders en leerkrachten voor het niet-bekostigdonderwijs? Themaonderzoek naar de beweegredenen van oprichters, ouders en leerkrachten,Inspectie van het Onderwijs 2025, p. 6, vindplaats: https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2025/02/05/rapport-beweegredenen-niet-bekostigd-onderwijs).55Zie ook de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, par. 2.1 en 2.2.56P. Zoontjens, Onderwijsrecht, 2023, p. 51; S. Philipsen, De vrijheid van schoolstichting (diss.EUR), Rotterdam: Erasmus Universiteit 2017, p. 73–74; P. Huisman e.a., Vrijheid van stichting,2011, p. 46. Zie ook B.P. Vermeulen, Constitutioneel onderwijsrecht, Den Haag: Elsevierbedrijfsinformatie 1999, p. 39; HR 17 december 1934, NJ 1935, 39257Zie artikel 2, tweede volzin, van het eerste protocol van het Verdrag van de rechten van deMens.58S. Philipsen, De vrijheid van schoolstichting (diss. EUR), Rotterdam: Erasmus Universiteit2017, p. 77.59Zie ook het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State op onderhavigwetsvoorstel (Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 4, p. 3).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 719 basiswaarden in strijd komt, een bedreiging vormt voor de veiligheid vanleerlingen en hun recht op onderwijs, en zelfs – in extremere gevallen –een gevaar kan zijn voor onze democratische rechtsstaat. Daarnaast zijn erde afgelopen jaren in het bekostigd onderwijs, zoals eerder genoemd,meerdere aanvragen afgewezen in verband met de beoordeling van hetvoorgenomen beleid omtrent de burgerschapseis. Er is geen enkele redente veronderstellen dat zo’n risico niet zou bestaan bij b3-scholen. Het komtde regering daarom onwenselijk voor om deze weeffout in het systeemniet te herstellen, mede gezien de groei van het aantal b3-scholen,waardoor dit risico toeneemt. Deze ontwikkelingen onderstrepen denoodzaak van een minimale vorm van voorafgaand toezicht.60Dit wetsvoorstel vormt in beperkte mate een inperking op de vrijheid vanstichting.Het voorliggende wetsvoorstel regelt immers dat voorafgaand aan destart van het onderwijs op een b3-school door de inspectie kan wordengetoetst of aan de wettelijke kwaliteitseisen ten aanzien van burgerschapen veiligheid zal worden voldaan. Op het moment dat een initiatiefaantoonbaar niet voldoet aan deze eisen, zal dat tot gevolg hebben dat ditniet als school wordt aangemerkt. Hierdoor kunnen (ouders van)leerplichtige jongeren niet aan de leerplicht voldoen door onderwijs tevolgen op deze onderwijsvoorziening.Dit te introduceren voorafgaande toezicht is slechts in beperkte matebelastend voor (nieuw op te richten) b3-scholen, omdat met hetwetsvoorstel geen nieuwe kwaliteitseisen op b3-scholen van toepassingworden verklaard. De voorafgaande toets is daarnaast terughoudend vanaard, omdat, pas wanneer het meer dan aannemelijk is dat het initiatiefniet zal voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen de inspectie kan besluitendat het initiatief niet van start kan gaan. Zo’n besluit heeft tot gevolg dathet initiatief, ook als het toch overgaat tot het geven van onderwijs, nietals school wordt aangemerkt en de leerplicht er dus niet kan wordenvervuld. Daarnaast ziet de toets slechts op de twee genoemde, reedsbestaande, kwaliteitseisen van burgerschap en veiligheid. B3-scholenmoeten hier nu ook al aan voldoen, maar dan vanaf de start van hetonderwijs. Zij worden bovendien zo spoedig mogelijk na de start van hetonderwijs, hierop gecontroleerd door de inspectie tijdens het zogehetenadviesbezoek. Het gaat dus om een minimale beperking van de vrijheidvan stichting.61Deze minimale beperking van de vrijheid van stichting acht de regeringmede in het licht van het recht op onderwijs gerechtvaardigd. Op basisvan artikel 2 van het EP EVRM en artikel 28 van het IVRK, is de regeringgehouden om het recht op onderwijs te garanderen. Het Europees Hofvoor de Rechten van de Mens heeft bovendien meermaals overwogen dathet recht op onderwijs een dominante positie inneemt in relatie tot hetouderlijk opvoedingsrecht.62 Belangrijke randvoorwaarden om dezeEuropeesrechtelijke en internationaalrechtelijke verplichtingen te kunnenvervullen zijn, naar het oordeel van de regering, dat het onderwijs inveiligheid en in overeenstemming met de basiswaarden van de democra-tische rechtsstaat plaatsvindt, zodat kinderen zich volledig kunnenontwikkelen en ontplooien. Alleen dan kan er van effectieve uitoefeningvan het recht op onderwijs sprake zijn. De in onderhavig wetsvoorstel60Zie over de noodzakelijkheid van dit wetsvoorstel ook de memorie van toelichting, Kamer-stukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, par. 2.1 en 2.2.61Zie ook het nader rapport van dit wetsvoorstel, Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 4, p. 6.62Zie hiertoe EHRM 29 juni 2007, Folgerø and Others v. Norway, r.o. 84, onder d: «Article 2 ofProtocol No. 1 constitutes a whole that is dominated by its first sentence.»Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 720 voorgestelde voorafgaande toets op eisen van veiligheid en burgerschapbiedt daartoe een ondergrens.63 Deze ondergrens wordt continu bewaakt,door middel van het toezicht na de start van het onderwijs, wanneer deeisen daadwerkelijk in de onderwijscontext moeten worden nageleefd.Deze weging van het recht op onderwijs vormt een deel van de rechtvaar-diging voor de inperking van de vrijheid van stichting. Zie voor eenuitgebreid antwoord over de proportionaliteit en de noodzaak vanonderhavig wetsvoorstel het antwoord op de vraag van de CDA-fractieonder I Algemeen.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering bereid is omhet onderzoek dat een intern heeft plaatsgevonden naar de vraag of en zoja, op welke manier de poortwachtersfunctie bij niet-bekostigde scholenversterkt zou kunnen worden, naar de Kamer te sturen? Zo nee, waaromniet?Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel uitbreidingbestuurlijk instrumentarium onderwijs van 29 juni 2022 heeft de Ministertoegezegd aan Kamerlid Westerveld (GL/PvdA) dat zou worden onder-zocht of en, zo ja, op welke manier de poortwachtersfunctie bij b3-scholenversterkt zou kunnen worden.64 Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap heeft intern onderzocht op welke manier de poortwachters-functie bij b3-scholen, binnen de kaders van artikel 23 van de Grondwet,tot stand zou kunnen worden gebracht. Voorliggend wetsvoorstel is hetresultaat van dat interne onderzoek. Zie hierover ook de beantwoordingvan de vraag van de D66-fractie onder I. Algemeen.2.2 Hardvochtigheden voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering uit te leggenhoe de motie van de leden Westerveld en Van den Hul 65 over eengarantie dat vso-leerlingen hun huidige opleiding mogen afmaken, isuitgevoerd?De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de motie Westerveld enVan den Hul is uitgevoerd. Zoals ook in de motie staat, is momenteelwettelijk vastgelegd dat leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs(hierna: vso) mogen blijven tot het eind van het schooljaar waarin zijtwintig jaar worden. Met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk dat ookleerlingen in het uitstroomprofiel dagbesteding een ontheffing kunnenkrijgen als een langer verblijft helpt om naar een passendere plek in dedagbesteding door te kunnen stromen. Voor de andere profielen bestaatal een uitzondering.66 Het is niet mogelijk om te garanderen dat eenleerling zijn of haar opleiding op welke schoolsoort dan ook af magmaken. Dit zou tot een onbepaalde verblijfsduur in het onderwijs kunnenleiden. De regering meent met de voorgestelde uitzondering afdoendevoorzieningen in het leven te zullen roepen om deze groep leerlingentegemoet te komen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de definitie van«uitzonderlijke gevallen» is? Wie vallen daar wel onder en wie niet?Waarom is er gekozen om dit alleen in uitzonderlijke gevallen toe te staan63Het gaat dan specifiek om de criteria die in artikel 1a1, eerste lid, onderdeel a van deLeerplichtwet 1969 worden gesteld aan b3-scholen. Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 652 nr. 3,p 1.64Handelingen II 2021/22, nr. 98, item 11, p. 14.65Kamerstukken II 2020/21, 35 570 VIII, nr. 170.66Zie het huidige artikel 39, vijfde lid, Wet op de expertisecentra. Dit lid wordt met onderhavigwetsvoorstel vervat in het nieuwe artikel 39a, eerste lid, onderdeel b. Zie Kamerstukken II2024/25, 36 745, nr. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 721 en alleen bij het uitstroomprofiel dagbesteding? Deze leden zijn ookbenieuwd waarom er gekozen is voor één jaar langer onderwijs, waarkomt die lengte vandaan? Op welke manier gaat de regering er naaanname van dit wetsvoorstel voor zorgen dat alle scholen en leerlingenen ouders hiervan op de hoogte zijn? Wie zal deze verlenging aanvragen,gaat dat vanuit de school of vanuit de leerlingen of ouders zelf?Onder uitzonderlijke situaties wordt verstaan dat de inspectie enkel kanbesluiten om af te wijken van de regel dat de leerlingen het voortgezetspeciaal onderwijs (hierna: vso) moeten verlaten uiterlijk aan het eindevan het schooljaar waarin deze de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt,67indien de leerling meer onderwijstijd nodig heeft om diens opleiding af teronden, dan wel leidt tot een verhoging van zijn arbeidsgeschiktheidgerichte behandeling, dan wel naar een beter passende plek in dedagbesteding door te stromen en het niet langer deelnemen aan het vsozou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.Het uitstroomprofiel dagbesteding bereidt leerlingen voor op het zozelfstandig mogelijk functioneren in vormen van dagactiviteiten die zomogelijk arbeidsmatig worden ingevuld.68 Een langere verblijfsduur in hetvso kan voor een aantal leerlingen betekenen dat zij kunnen uitstromennaar een dagbestedingsplek die beter past bij hun mogelijkheden,bijvoorbeeld naar arbeidsmatige dagbesteding in plaats van activiteitge-richte dagbesteding. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij leerlingen dieop latere leeftijd instromen in het vso, omdat zij (met hun ouders) naarNederland zijn gevlucht.69 Vasthouden aan de algemene regel zou deleerling in dat soort gevallen aanzienlijk nadeel en schrijnende situatieskunnen opleveren en kan een ontheffing worden verleend. Het bevoegdgezag vraagt een ontheffing aan voor de leerling(en) in kwestie, waaropde inspectie een besluit neemt. Het ligt voor de hand om dit in overlegmet de leerling zelf en de ouders te bepalen.Het wetsvoorstel regelt slechts een uitzondering op de maximaleverblijfsduur voor het uitstroomprofiel dagbesteding, omdat voor deandere profielen reeds een uitzondering bestaat70 en het ontbreken vanzo’n ontheffingsmogelijkheid voor leerlingen in het profiel dagbestedingals hardvochtigheid naar voren is gekomen bij de inventarisatie van dehardvochtigheden in 2022.71 De verlenging is telkens mogelijk voor éénjaar; de verblijfsduur kan dus in theorie meerdere jaren verlengdworden.72 Zo wordt jaarlijks overwogen of het een langer verblijf voor deleerling op het vso noodzakelijk is met het oog op doorstroom naar eenmeer passende plek binnen de dagbesteding en het vasthouden aan deleeftijdsgrens voor de leerling nog steeds leidt tot een onbillijkheid vanoverwegende aard. Daarnaast sluit de maximale duur van één jaar perkeer dat een ontheffing wordt verleend aan bij de huidige systematiek vandit type ontheffingsgronden in de sectorwetgeving: daarvoor geldtstandaard een termijn van een jaar. Die termijn ligt overigens ook voor dehand omdat daarmee de leerling wordt toegestaan een volledigschooljaar te volgen.67Zie het huidige artikel 39, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra.68Kamerstukken II 2010/11, 32 812, nr. 3, p. 16.69Zie Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 8.70Zie het huidige artikel 39, vijfde lid, Wet op de expertisecentra. Dit lid wordt met onderhavigwetsvoorstel vervat in het nieuwe artikel 39a, eerste lid, onderdeel b. Zie Kamerstukken II2024/25, 36 745, nr. 2.71Kamerstukken II 2022/23, 36 200 VIII, nr. 181.72Zie het voorgestelde artikel 39a, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra, Kamerstukken II2024/25, 36 745, nr. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 722 Gezamenlijk met de Sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs worden allescholen voor voortgezet speciaal onderwijs ingelicht over deze wetswij-ziging. De procedure voor een verlenging blijft gelijk, dat betekent hetbevoegd gezag een aanvraag tot ontheffing indient bij de inspectie.De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoeveel leerlingen naarverwachting gebruik zullen maken van de voorgestelde hardheidsclausulein het voortgezet speciaal onderwijs en op welke wijze wordt voorkomendat de uitzondering de regel wordt.Met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk dat leerlingen in het uitstroom-profiel dagbesteding een ontheffing kunnen krijgen van de maximaleleeftijd van twintig jaar, om zo meer tijd te krijgen om naar eenpassendere plek in de dagbesteding door te stromen. De wettelijkegrondslag bestaat momenteel nog niet en er zijn daarom geen preciezeaantallen te noemen. De inspectie geeft aan dat het naar verwachting gaatom een zeer beperkt aantal leerlingen per jaar. Die verwachting strooktmet het beeld dat de regering heeft van het totaal aantal leerlingen vantwintig jaar en ouder in het vso. Uit de data van DUO over de periode2022–2025 blijkt dat het aantal twintigjarigen en ouder dat onderwijs inhet vso ontvangt, erg klein is (zie tabel 2).Tabel 2. Aantal leerlingen in het vso naar leeftijdscategorie. Bron: DUO.Leeftijd op 1 oktober202220232024202511 of jonger333367323317124.4144.5884.8234.581136.4866.7826.9357.040147.1217.3997.5857.710157.2767.7557.9318.097166.2476.1176.3056.341174.2054.1013.9264.028181.4451.3041.1581.122195354163483432011111085852156525053221930333823 of ouder26293537*Bij leerlingen van 21 jaar en ouder gaat het in de huidige situatie dus om leerlingen met een uit-stroomprofiel anders dan dagbesteding. Daarbij gaat het om een casusafhankelijke afweging. Het bevoegd gezagzal, al dan niet in samenspraak met de commissie van begeleiding, perleerling bekijken of langer verblijven noodzakelijk is en of het vasthoudenaan de algemene regel (dat een leerling het vso moet verlaten in hetschooljaar waarin de leeftijd van twintig is bereikt) leidt tot een onbil-lijkheid van overwegende aard. De inspectie zal hierop toetsen en kandaarbij desgewenst verzoeken om toelichting en een rapport van deleerling opvragen bij de commissie van begeleiding. Omdat het moetgaan om een situatie die voor de leerling daadwerkelijk leidt tot eenonbillijkheid van overwegende aard, is de verwachting is dat het aantalleerlingen dat in aanmerking komt, beperkt blijft.Leerlingen in het uitstroomprofiel dagbesteding stromen in beginsel doornaar een instelling voor al dan niet arbeidsmatige dagbesteding. Dat isvoor degenen die het uitstroomprofiel dagbesteding hebben gevolgd enouder dan twintig zijn, de meest passende plek, waar zij binnen hunmogelijkheden werken aan hun ontwikkeling. Het is niet de bedoeling vanhet wetsvoorstel dat vso-scholen die functie van instellingen voordagbesteding overnemen of zich onder druk gezet voelen om daartoeover te gaan. Daarom is de ontheffingsmogelijkheid alleen toepasbaar opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 723 een leerling (van twintig of ouder) die ernstig zou worden benadeeld alsdeze het vso zou moeten verlaten (met andere woorden: een onbillijkheidvan onredelijke aard) en waarbij er een langere verblijfsduur bijdraagt aandiens perspectief op arbeidsmarktgerichte dagbesteding. Dit is een relatiefhoge drempel, maar deze biedt wel voldoende ruimte om hardvochtigeuitwerking van wetgeving te vermijden.De leden van de NSC-fractie hebben enkele vragen over de noodzaak enhet voordeel van de mogelijkheid langer op het vso te blijven dan dehuidige uitstroom op 20-jarige leeftijd. Kan de regering enkele concretevoorbeelden geven in welke situaties dit meerwaarde heeft en wie dezemeerwaarde beoordeelt? Kan de regering zeggen om hoeveel gevallenhet jaarlijks naar verwachting gaat? Hoe vaak kan de inschrijving wordenverlengd? Op welke wijze wordt dit beperkt en betekent het schrappen vande leeftijdsgrens van 20 dat er in theorie helemaal geen leeftijdsgrensmeer is? In hoeveel procent van de leerlingen acht de regering dit vanmeerwaarde? Zijn er vergelijkbare hardvochtigheden met harde leeftijds-grenzen in het onderwijs die onwenselijk zijn? Zijn er ook hardvochtig-heden voor de leerplichtwet waar het bijvoorbeeld beter zou zijn om eenleerling eerder te ontslaan van deze plicht?Er kan zich een situatie voordoen dat een leerling binnen het vso deleeftijd van twintig jaar heeft bereikt en op grond van het huidigeartikel 39, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra het vso moetverlaten, maar dat deze leerling nog niet kan doorstromen naar eenpassende plek in de dagbesteding. Een langere verblijfsduur in het vsokan voor een aantal leerlingen betekenen dat zij kunnen uitstromen naareen dagbestedingsplek die beter past bij hun mogelijkheden. Een dergelijkgeval zal zich in het bijzonder voordoen bij leerlingen die op latere leeftijdinstromen in het vso, bijvoorbeeld omdat zij (met hun ouders) naarNederland zijn gevlucht.73 Op dit moment ontbreekt voor deze leerlingende mogelijkheid om iets langer de tijd te krijgen zich te ontwikkelen enkunnen uitstromen naar een uiteindelijk meer passende plek in dedagbesteding. De regering is van mening dat deze regel voor de leerlingin uitzonderlijke situaties kan leiden tot een onbillijkheid van overwegendeaard. De rechtvaardiging van de voorgestelde hardheidsclausule zit in hetfeit dat hiermee een onbillijke uitwerking van een algemene wettelijkeregel op een individueel geval voorkomen kan worden.Het bevoegd gezag doet een aanvraag voor verlenging van deverblijfsduur bij de inspectie. Deze toetst of wordt voldaan aan dewettelijke voorwaarden van een ontheffing en dus of een verlengingnoodzakelijk is. De verlenging is telkens mogelijk voor één jaar, en deverblijfsduur kan dus in theorie meerdere jaren verlengd worden.74 Deverwachting is dat het toestaan van een dergelijke ontheffing niet zalleiden tot een sterke groei van het aantal twintigjarigen met als uitstroom-profiel dagbesteding, gelet op het totaal aantal twintigjarigen en ouder inhet vso (zie tabel 2) en de eis dat het moet gaan om een situatie die voorde leerling leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Er zal dekomende jaren goed gemonitord worden hoeveel leerlingen daadwer-kelijk gebruik maken van de mogelijkheid tot verlenging van deverblijfsduur. Deze mogelijkheid tot ontheffing neemt niet weg dat deleeftijdsgrens van twintig jaar nog steeds de hoofdregel is voor dejongeren in het uitstroomprofiel dagbesteding in het vso.73Zie de memorie van toelichting van onderhavig wetsvoorstel, Kamerstukken II 2024/25, 36 745,nr. 3, p. 8.74Zie het voorgestelde artikel 39a, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra, Kamerstukken II2024/25, 36 745, nr. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 724 Ten slotte vraagt de NSC-fractie of er vergelijkbare hardvochtigheden metharde leeftijdsgrenzen in het onderwijs zijn die onwenselijk zijn en of ernog hardvochtigheden zijn in het kader van de Leerplichtwet. Eind 2022 isuw Kamer geïnformeerd over de uitkomst van een onderzoek naarhardvochtigheden in de wet- en regelgeving waar het Ministerie van OCWverantwoordelijk voor is.75 Er zijn, ook nadien, geen andere hardvochtig-heden met harde leeftijdsgrenzen of hardvochtigheden in het kader vande Leerplichtwet gesignaleerd.De leden van de BBB-fractie vragen hoe wordt geborgd dat de beoor-deling van taalvaardigheid bij nieuwkomers op een uniforme en objec-tieve wijze plaatsvindt. Is er een landelijke richtlijn of toetsinstrumentbeschikbaar? Hoe wordt voorkomen dat scholen verschillend omgaan metdeze beoordeling, wat kan leiden tot rechtsongelijkheid?Voor het beoordelen van de taalvaardigheid van nieuwkomers is geenlandelijke richtlijn of toetsinstrument beschikbaar. Dit komt omdat er geenlandelijke richtlijn of referentieniveau Nederlands voor het praktijkon-derwijs geldt. Het voorgestelde artikel 2.30 van de WVO 2020 schrijft voordat het moet gaan om een situatie dat de leerling het Nederlands«kennelijk voldoende machtig is»; er moet, met andere woorden, sprakezijn van een evident voldoende beheersing van de Nederlandse taal.76 Deregering is van mening dat het bevoegd gezag van de school waarpraktijkonderwijs wordt gegeven het beste kan inschatten of hiervansprake is om het bestaande onderwijsaanbod binnen de school te kunnenvolgen.De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij kan toelichtenwaarom zij ervoor kiest beide voorstellen in een wetsvoorstel aan deKamer aan te bieden.De keuze van de regering om twee beperkt met elkaar samenhangendeonderwerpen in het voorliggende wetsvoorstel te regelen, kwam voort uitde wens de hardvochtigheden voor leerlingen in het speciaal onderwijs zosnel mogelijk weg te nemen. De regering zou met de wijsheid achterafwellicht een andere keuze hebben gemaakt. Echter, het maken van eennieuw wetsvoorstel of het opnemen van de betreffende bepalingen in eenander wetsvoorstel met meer inhoudelijke samenhang, zouden beide totgevolg hebben dat het onderdeel van de hardvochtigheden aanzienlijkevertraging oploopt. Dat vindt de regering zeer onwenselijk. Voor uitge-breide toelichting op deze keuze verwijst de regering naar de beant-woording van de eerste vraag van de NSC- en ChristenUnie-fractie overde samenvoeging van de twee onderdelen in het dit wetsvoorstel, onder I.Algemeen, van deze nota.De leden van de CDA-fractie merken op dat in de praktijk blijkt dat insommige gevallen leerlingen meer onderwijstijd nodig hebben om naareen beter passende plek in de dagbesteding door te stromen. Kan deregering aangeven op hoeveel leerlingen dit jaarlijks betrekking heeft?Met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk dat leerlingen in het uitstroom-profiel dagbesteding een ontheffing kunnen krijgen van de maximaleleeftijd van twintig jaar, om zo meer tijd te krijgen om naar een beterpassende plek in de dagbesteding door te stromen. De wettelijkegrondslag bestaat momenteel nog niet en er zijn daarom geen preciezeaantallen te noemen. Uit de data van DUO over de periode 2022–2025blijkt dat het aantal twintigjarigen en ouder dat onderwijs in het vso75Kamerstukken II 2022/23, 36 200 VIII, nr. 181.76Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 725 ontvangt, erg klein is (zie tabel 2). Daarnaast moet het gaan om eensituatie die voor de leerling daadwerkelijk leidt tot een onbillijkheid vanoverwegende aard en is de verwachting dat het aantal leerlingen dat inaanmerking komt voor de ontheffing, daarom ook beperkt blijft. Ziehiertoe ook het antwoord van de VVD-fractie onder 2.2 Hardvochtighedenvoortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs.De leden van de CDA-fractie vraagt de regering uiteen te zetten waaromzij kiest voor een hardheidsclausule.Voor nagenoeg alle leerlingen is de ruimere leeftijdsgrens van twintig jaarvoldoende om individuele afwegingen te maken over de eindleeftijdwaarop zij het onderwijs verlaten en door te stromen naar de vervolgbe-stemming. Alleen in de gevallen waarin de twintigjarige leerling door hetvasthouden aan deze maximale verblijfsduur ernstig zou wordenbenadeeld, en het onderwijs nog kan bijdragen aan diens ontwikkelingkan richting arbeidsmatige invulling van de dagbesteding, is er aanleidingom af te wijken van de maximale verblijfsduur. Hoewel er dus zeer goederedenen moeten zijn om af te wijken van de maximale verblijfsduur, wordtdaarmee voldoende ruimte geboden om hardvochtige uitwerking vanwetgeving te vermijden. Zie hiertoe ook het antwoord op de vragen vande GroenLinks-PvdA-fractie en de VVD-fractie onder 2.2 Hardvochtighedenvoortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs.De leden van de CDA-fractie merken ten tweede op dat in artikel 2.30 vande WVO 2020 een uitzondering mogelijk wordt gemaakt voor vreemde-lingen die het Nederlands kennelijk voldoende machtig zijn. De regeringdenkt dan aan kinderen/ jongeren uit bijvoorbeeld Suriname. Deze ledenkunnen zich wat voorstellen bij kinderen uit Suriname. Nu vinden dezeleden «kennelijk» een rekbaar begrip. Zij kunnen zich wat voorstellen bijde voorbeelden die de regering schetst, zoals kinderen uit Suriname, maarer zullen ook grensgevallen zijn. Kan de regering uiteenzetten hoe zij kijktnaar de grens van het begrip «kennelijk»?Voor het beoordelen van de taalvaardigheid van nieuwkomers is geenlandelijke richtlijn of toetsinstrument beschikbaar. Dit komt omdat er voorhet praktijkonderwijs geen landelijke richtlijn of referentieniveau Neder-lands geldt. Onder «kennelijk» voldoende machtig wordt verstaansituaties waarin evident is dat een leerling de taal voldoende beheerst. Hetbevoegd gezag van de school kan uit het contact met de leerling bepalenof een leerling het Nederlands kennelijk voldoende machtig is om hetbestaande onderwijsaanbod binnen de school te kunnen volgen. Voor eenuitgebreide toelichting op het begrip kennelijk zie het antwoord op devraag van de BBB-fractie onder 2.2 Hardvochtigheden voortgezet speciaalonderwijs en praktijkonderwijs.3. Toepassing in Caribisch deel van het Koninkrijk De leden van de CDA-Fractie vragen wat de reden is dat het wetsvoorstelniet regelt dat de hardvochtigheden in het vso en pro ook voor CaribischNederland worden weggenomen.In Caribisch Nederland is zowel het voortgezet speciaal onderwijs als hetpraktijkonderwijs anders georganiseerd. Over toelating tot het praktijkon-derwijs kan het bevoegd gezag in Caribisch Nederland beslissen. Ditgebeurt op grond van artikel 11.8 van de WVO 2020. Hier zijn, behalve dathet bevoegd gezag een indicatieprocedure moet hebben, geen verderewettelijke eisen aan gesteld, nieuwkomers kunnen daarom ook waarnodig direct instromen in het praktijkonderwijs. Caribisch Nederland kentTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 726 geen (wettelijk) vso, alleen daarom al kan het wetsvoorstel niet toezien ophet vso in Caribisch Nederland.4. Uitvoering, toezicht en handhaving De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt vastgesteld of een leerlingde Nederlandse taal voldoende machtig is om direct in het praktijkon-derwijs te starten. Hoe wordt een eenduidige en objectieve toepassingvan dit criterium geborgd?Voor het beoordelen van de taalvaardigheid van nieuwkomers is geenlandelijke richtlijn of toetsinstrument beschikbaar. Onder «kennelijk»voldoende machtig wordt verstaan situaties waarin evident is dat eenleerling de taal voldoende beheerst.77 De regering is van mening dat deschool voor praktijkonderwijs het beste kan inschatten of een leerling hetNederlands voldoende machtig is om het bestaande onderwijsaanbodbinnen de school te kunnen volgen.De leden van de BBB-fractie vragen of er mogelijkheden zijn om het beleidtussentijds bij te stellen indien blijkt dat de toetsingsprocedure leidt totonbedoelde neveneffecten, zoals het ontmoedigen van kleinschalige ofinnovatieve onderwijsinitiatieven.Omdat het in dit geval gaat om de aanpassing van een procedure diewettelijk verankerd is, is het niet mogelijk om die procedure tussentijds bijte stellen zonder wetswijziging.Wel voegt de regering een evaluatiebepaling toe aan het wetsvoorstel,voor zover dit ziet op de startprocedure voor b3-scholen. Daartoe heeft deregering, gelijktijdig met deze nota naar aanleiding het verslag, een notavan wijziging bij uw Kamer ingediend. Daarnaast zal binnen twee jaar eeninvoeringstoets worden gedaan. Waar onbedoelde neveneffecten zichaandienen, zal ook worden gekeken wat er binnen de kaders van de wetkan worden gedaan om dergelijke effecten te verzachten. Hierbij kangedacht worden aan het gerichter verspreiden van informatie over destichtingsprocedure voor niet-bekostigde scholen.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat DUO een voorstel heeftgedaan waarbij scholen voor alle nieuwkomers in het pro nieuwkomers-bekostiging categorie 2 ontvangen, maar dat de regering dit voorstel nietheeft overgenomen, ondanks dat het voorstel van DUO uitvoeringstech-nisch makkelijker zou zijn. Deze leden vragen de regering kan toelichtenhoe hoog de kosten van de systeemaanpassing bij DUO zijn en hoeveelhoger deze kosten zijn dan de kosten uit het voorstel van DUO.DUO heeft in de uitvoeringstoets een alternatief voorstel gedaan voor debekostiging van nieuwkomers die als gevolg van dit wetsvoorstel eerderkunnen instromen in het praktijkonderwijs. Dit alternatief is weliswaartechnisch eenvoudiger, maar als financieel ondoelmatig beoordeeld. Omdie reden is het voorstel niet overgenomen.DUO heeft in de uitvoeringstoets aangegeven 750 uur nodig te hebbenom de door OCW voorgestelde variant te kunnen realiseren. De verander-kosten voor het door DUO geschetste alternatieve voorstel bedroegen 450uur. Het wetsvoorstel is ook in de ingediende vorm voor DUO uitvoerbaar.De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,K.M. Becking77Kamerstukken II 2024/25, 36 745, nr. 3, p. 9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 745, nr. 727

Bron, video en gesprek →