KamerkringInloggen
Hanneke Steen

Officieel Kamerprofiel

Hanneke Steen

CDA →
0debatten
106bijdragen
0interrupties
0woorden in uitspraken

Geboren in 1983 te Hengelo (OV) · Woonplaats: Hengelo OV

Commissies

Eerdere commissies (1)
  • Vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur · 18 nov 2025 – 25 mrt 2026

Contact

X
hannekesteen
LinkedIn
hanneke-steen-klok
Instagram
hannekesteen
Facebook
hannekesteen
Bluesky
hannekesteen

Loopbaan

Geen loopbaangegevens beschikbaar in de Kamerdata.

Opleiding

Geen opleidingsgegevens beschikbaar in de Kamerdata.

Nevenfuncties

  • Terugkeerregeling bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
  • Lid Raad van Toezicht Stichting K.O.E.

Geschenken en reizen

  • Bijgewoond in VIP-box de wedstrijd van PSV. De waarde is onbekend. · 17 mei 2026
  • Ontvangen van De provincie Overijssel het Nieuwspoort een uitnodiging voor het Netwerkdiner. De waarde is onbekend. · 19 dec 2025

Geen geregistreerde reizen beschikbaar in de Kamerdata.

Stemgedrag

Bij een hoofdelijke stemming staat de eigen stem. Anders staat de stem van de fractie waarvan dit Kamerlid op de besluitdatum lid was; dat is geen persoonlijke stem.

Geen stemmingen beschikbaar in de Kamerdata.

Partijen door de tijd: CDA (2025-11-12–heden) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
5 okt 2026 · Kamerstuk

Inbreng Verslag van een schriftelijk overleg   Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister en staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 11 september 2026 ‘Fiche: Mededeling EU-strategie voor de veehouderij’. De voorzitter van de commissie,  Steen   Adjunct-griffier van de commissie,  Bosman       Inhoudsopgave    I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties  Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie  Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie   II Antwoord / Reactie van de minister en staatssecretaris van Landbouw, Visserij,   Voedselzekerheid en Natuur     III Volledige agenda     I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties  Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie  De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het BNC-fiche over de EU-strategie voor de veehouderij. Deze leden zien in de strategie een kans om de Europese veehouderij een helder en toekomstbestendig perspectief te bieden: een sector die bijdraagt aan voedselzekerheid en open strategische autonomie, die produceert binnen de grenzen van natuur, klimaat en dierenwelzijn en waarin boeren een goed verdienvermogen hebben. Nederland kan met zijn kennis, innovatiekracht en ervaring met de opgaven rond stikstof en dierwaardigheid in Europa het voortouw nemen. Deze leden hebben nog enkele vragen. De leden van de D66-fractie lezen dat de meeste lidstaten verdienvermogen en concurrentiekracht lijken te verkiezen boven duurzaamheids- en dierenwelzijnsambities. Deze leden zijn ervan overtuigd dat deze doelen elkaar juist versterken. Zij vragen het kabinet toe te lichten hoe het kabinet in de Landbouw- en Visserijraad coalities vormt met gelijkgezinde lidstaten om die verbinding centraal te stellen en welke lidstaten het kabinet daarbij als natuurlijke partners ziet. Ook lezen deze leden dat het kabinet kritisch is op Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)-aanbevelingen in het Nationaal en Regionale Partnerschapsplannen (NRPP) die de nationale ruimte beperken. Zij vragen hoe het kabinet borgt dat de wens tot nationale ruimte niet leidt tot een lager Europees ambitieniveau en hoe het kabinet aankijkt tegen gemeenschappelijke Europese minimumambities als basis voor een gelijk speelveld. Het kabinet onderstreept terecht dat de Nederlandse context, met een hoge veedichtheid en grote druk op ruimte, verschilt van die van lidstaten waar landverlating het risico is. Deze leden vragen hoe het kabinet zich ervoor inzet dat de strategie ook ruimte en ondersteuning biedt voor extensivering, omschakeling en gebiedsgerichte oplossingen, zoals in het nationale maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof. Kan Europese financiering, bijvoorbeeld via het NRPP of het voorgestelde Europese Investeringsbank (EIB)-instrument, hieraan nadrukkelijk bijdragen? De leden van de D66-fractie verwelkomen dat het kabinet positief tegenover een Europees verbod op kooisystemen staat en pleit voor positief welzijn en het gebruik van dierenwelzijnsindicatoren. Deze leden vragen hoe het kabinet zich ervoor inzet dat de herzieningsvoorstellen voor leghennen, vleeskuikens, varkens en rundvee met een ambitieus en helder tijdpad komen. Hoe verhoudt het Europese tijdpad zich tot de gefaseerde normstelling in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Dierwaardige veehouderij? Ten aanzien van ééndagshaantjes lezen deze leden dat het kabinet met belangstelling kijkt naar een algeheel verbod. Zij vragen wanneer het kabinet tot een standpunt komt en welke voorwaarden het daarbij stelt. Met betrekking tot de export van levende dieren buiten de EU vragen deze leden welke concrete alternatieven het kabinet inbrengt in de dialoog die de EC voert en hoe de minister de verschuiving naar handel in dierlijke producten en genetisch materiaal in Europees verband wil versnellen. De leden van de D66-fractie lezen dat de strategie gelijktijdig is gepresenteerd met het Eiwitactieplan. Deze leden vragen het kabinet hoe beide in samenhang worden uitgewerkt en hoe het kabinet zich ervoor inzet dat veehouders die willen diversifiëren, bijvoorbeeld richting plantaardige eiwitteelt of samenwerking met precisiefermentatie en kweekvlees, daarbij volwaardig worden ondersteund. Deze leden steunen de oproep van het kabinet voor een eigen juridische categorie voor insecten en vragen welke steun het kabinet hiervoor ziet bij andere lidstaten. Tot slot vragen zij hoe het kabinet zich ervoor inzet dat GLB-middelen na 2027 gericht bijdragen aan de transitie, met een sterke positie voor jonge boeren en voor boeren die investeren in dierenwelzijn, natuur en klimaat. Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie  De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche over de EU-strategie voor de veehouderij. Nederland heeft een sterke agrarische sector, met ondernemers die vooroplopen in kennis en innovatie. Deze leden willen dat dat de strategie hen ruimte biedt te ondernemen en te investeren. Zij hebben daarom de volgende vragen. Perspectief voor de veehouderij De leden van de VVD-fractie zijn blij met de inzet van de Europese Commissie (EC) ten behoeve van het creëren van een sterke veehouderij. Deze leden lezen dat het kabinet in zijn beoordeling ook nadruk legt op het verkleinen van de productiecapaciteit. Zij willen dat boeren die hun bedrijf voortzetten kunnen investeren in hun toekomst. Hoe zorgt het kabinet ervoor dat het verdienvermogen van deze ondernemers centraal staat in de Nederlandse inzet? Deelt het kabinet de opvatting dat krimp van de veestapel geen doel op zichzelf is? Hoe krijgen boeren die aantoonbaar hun emissies verminderen ruimte om hun bedrijf voort te zetten en verder te ontwikkelen? Deze leden begrijpen dat de omstandigheden tussen lidstaten kunnen verschillen en dat beleid daarop moet aansluiten. Daarnaast moet een veehouder uit Nederland kunnen concurreren met zijn Europese collega’s. Hoe zorgt het kabinet ervoor dat nationale keuzes het gelijke speelveld niet aantasten? Vergunningverlening en innovatie De leden van de VVD-fractie vragen welke concrete voorstellen het kabinet bij de EC heeft ingebracht ten aanzien van de stresstest van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Deze leden vragen daarnaast wanneer het kabinet de resultaten van de stresstest verwacht en hoe het kabinet van plan is de Kamer te informeren over Nederlandse inzet en uitkomsten. Is het kabinet daarnaast bereid te pleiten voor concrete vervolgmaatregelen die zowel vergunningverlening versnellen als de juridische zekerheid van verleende vergunningen versterken? De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat de EC innovaties sneller wil laten doorstromen naar toepassing in de praktijk. Welke belemmeringen in Europese regelgeving staan de toepassing van kansrijke stal-, voer- en mesttechnieken op dit moment in de weg? Welke inzet pleegt het kabinet om deze belemmeringen weg te nemen? Hoe wordt voorkomen dat ondernemers wel worden gestimuleerd om in emissiereductie te investeren, maar deze reductie vervolgens onvoldoende kunnen benutten bij de vergunningverlening? Doelsturing en de Nitraatrichtlijn De leden van de VVD-fractie steunen een aanpak waarbij ondernemers worden aangesproken op hun resultaten en zelf kunnen bepalen hoe zij de doelen bereiken. Deze leden lezen dat het kabinet positief is over vereenvoudiging en een betere implementatie van de Nitraatrichtlijn. Welke concrete wijzigingen beoogt het kabinet hiermee? Zij vragen hoe het kabinet de wetenschappelijke onderbouwing beoordeelt voor het handhaven van de generieke gebruiksnorm van 170 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare. In hoeverre houdt deze norm rekening met verschillen in bodem en de feitelijke gevolgen voor de waterkwaliteit? Is het kabinet bereid onafhankelijk wetenschappelijk te laten beoordelen hoe deze norm onder verschillende Nederlandse omstandigheden uitwerkt en de resultaten daarvan te betrekken bij haar inzet in Brussel? Welke mogelijkheden ziet het kabinet om binnen de Nitraatrichtlijn meer ruimte te bieden aan bedrijven die aantoonbaar goede waterkwaliteitsresultaten behalen? Welke ruimte bestaat daarvoor binnen de huidige richtlijn en voor welke onderdelen is wijziging van de richtlijn nodig? Is het kabinet bereid hiervoor samen met andere lidstaten voorstellen te doen? De leden van de VVD-fractie zijn blij met de aandacht voor circulaire meststoffen en het verminderen van de afhankelijkheid van kunstmest. Welke knelpunten resteren bij de toepassing van RENURE op Nederlandse bedrijven? Hoe zet het kabinet zich ervoor in dat de geboden Europese ruimte ook daadwerkelijk bruikbaar en betaalbaar wordt voor ondernemers? Dierenwelzijn en een gelijk speelveld De leden van de VVD-fractie steunen verdere verbetering van het dierenwelzijn. Daarbij moeten maatregelen uitvoerbaar en betaalbaar zijn en moeten ondernemers hun investeringen kunnen terugverdienen. Hoe zet het kabinet zich bij de aangekondigde herziening van de Europese dierenwelzijnsregels in voor realistische overgangstermijnen? Deze leden vragen hoe de Europese voorstellen worden afgestemd op het Convenant Dierwaardige Veehouderij en de voorgenomen nationale regelgeving. Hoe voorkomt het kabinet dat Nederlandse ondernemers kort na een aanpassing aan nationale voorschriften opnieuw moeten investeren vanwege afwijkende Europese eisen? Is het kabinet bereid bij de verdere uitwerking te voorkomen dat aanvullende nationale eisen het gelijke speelveld aantasten? De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet de opvatting deelt dat nieuwe Europese dierenwelzijnsregels in alle lidstaten gelijktijdig moeten gaan gelden en op vergelijkbare wijze moeten worden uitgelegd en gehandhaafd. Welke waarborgen wil het kabinet daarvoor in de Europese voorstellen terugzien? Emissiereductie op bedrijfsniveau De leden van de VVD-fractie lezen dat de EC werkt aan een geharmoniseerde methode om broeikasgasemissies op bedrijfsniveau te bepalen. Deze leden zien daarin kansen voor doelsturing, mits de methode betrouwbaar is en ondernemers niet met extra administratie belast. Hoe wordt aangesloten op bestaande Nederlandse instrumenten? Zij zien daarnaast kansen voor mestvergisting om emissies te verminderen en het verdienvermogen van veehouders te versterken. Welke knelpunten in vergunningverlening en financiering belemmeren de toepassing daarvan? Hoe zorgt het kabinet dat ook kleinere bedrijven hiervan gebruik kunnen maken? Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie  De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de EU-strategie voor de veehouderij. Deze leden zullen per pijler van de strategie kort hun opmerkingen uiteenzetten. De leden van de PRO-fractie zijn ten eerste benieuwd in welk tijdsbestek deze EU-strategie is opgesteld. Op welke manier hebben lidstaten invloed gehad op de totstandkoming ervan? In het geval dat het vorige kabinet invloed heeft uitgeoefend, kan het huidige kabinet dan aangeven of haar inzet op alle vlakken hetzelfde is? Zijn er andere accenten die het kabinet nu gaat bepleiten? Weerbaarheid De leden van de PRO-fractie erkennen het belang van een zekere voedselvoorziening voor en binnen Europa. Deze leden vragen het kabinet welke rol het exportbeleid van Europese lidstaten speelt in de EU-strategie. Als strategische autonomie aan belang wint, welke keuzes maakt de EU dan op het gebied van vlees- en voedselexport? Is het groeien van het aandeel Europees voedsel wat binnen lidstaten wordt verkocht en geconsumeerd een doel van de strategie? Zo ja, op welke manier wordt dit doel bereikt? Deze leden dringen aan op een zo autonoom mogelijke voedselvoorziening. Bovendien merken zij op dat naast het vaccineren van dieren in de veehouderij, ook het verbeteren van het dierenwelzijn een effectieve methode is om ziektes te voorkomen. Worden dierenwelzijn en het bestrijden van infectieziektes volgens het kabinet voldoende aan elkaar gekoppeld in deze strategie? Stelt Nederland dierenwelzijnsmaatregelen voor als manier om ziektes te voorkomen? Concurrentiepositie De leden van de PRO-fractie merken op dat EU-lidstaten verschillen in hun strategische positie en omgevingskenmerken. Deze leden menen dat dit leidt tot voor- en nadelen voor verschillende vormen van landbouw die verschillen per lidstaat. Is de EU-strategie erop geënt om ieder land naar eigen kracht bij te laten dragen aan de voedselvoorziening van Europa? Of wordt toegewerkt naar een systeem waarin alle vormen van landbouw in elk land aanwezig (kunnen) zijn? Zij menen dat vormen van landbouw met een groot beslag om de omgeving en de natuur, zoals de intensieve veehouderij, minder geschikt zijn voor een land als Nederland. Is de EU-strategie bedoeld om verschillende vormen van landbouw op termijn anders te verdelen over Europa? De leden van de PRO-fractie zijn van mening dat dit altijd gepaard moet gaan met een gelijk niveau van dierenwelzijn, zodat dieren niet de prijs betalen. Duurzaamheid en dierenwelzijn De leden van de PRO-fractie zijn tevreden dat dierenwelzijn een plek heeft in de EU-strategie. Het is essentieel dat dierenrechten beter worden beschermd. De leden van de PRO-fractie sporen de regering daarom ook aan om zich blijvend in te zetten voor een hogere norm voor dierenwelzijn in de EU-strategie. Daarbij merken deze leden op dat dierenbescherming afdwingbaar moet zijn en niet moet bestaan uit vrijblijvende afspraken. Ziet het kabinet mogelijkheden om de afspraken op dit punt te verbeteren? Hoe werkt Nederland aan dat doel? De leden van de PRO-fractie zijn benieuwd naar de rol van duurzaamheid in de EU-strategie. Deze leden lezen dat er mogelijk ‘nationale GLB-aanbevelingen komen’ voor lidstaten. Zij zijn benieuwd wat dit betekent voor Nederland en welke ruimte er blijft voor lidstaten om GLB-middelen naar eigen inzicht uit te geven. Verandert dat met deze strategie? Diversiteit tussen landen De leden van de PRO-fractie vragen het kabinet om nader in te gaan op deze pijler in samenhang met de pijler ‘concurrentiepositie.’ In hoeverre is deze pijler van toepassing op Nederland? Kent ons land, in de ogen van de EC, ‘plattelandsgemeenschappen’ en ‘plattelandsgebieden’? Zo ja, welke gebieden vallen onder deze definitie? Excellentie De leden van de PRO-fractie steunen het idee om Europese producten herkenbaar en aantrekkelijk te maken. Deze leden vragen welke rol supermarktketens hebben onder deze pijler, gezien hun grote rol in de keten. Hoe ziet de EC het ‘afzetbevorderingsbeleid’ voor zich? Bestaat dit uit dwingende maatregelen of worden er afspraken met producenten, leveranciers en supermarktketens gemaakt om dit te bewerkstelligen? Zo ja, wat is daarbij de rol van lidstaten zelf, aangezien de relevante ketenpartijen per land verschillen? Deze leden willen weten of dit EU-beleid niet ten koste kan gaan van het bevorderen van lokale en nationale inkoop, wat ook belangrijk is voor het verkorten van de afstand tussen boer en bord. Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie Algemeen De leden van de PVV-fractie hebben met verbijstering kennisgenomen van het BNC-fiche inzake de Mededeling over een EU-strategie voor de veehouderij (COM(2026) 576) en hebben dit dus ook met een zeer kritische blik beoordeeld. De leden van de PVV-fractie constateren dat de EC opnieuw een dik bureaucratisch document vol ecologische dwang en verstikkende regelgeving over de Europese agrarische sector uitstort onder het mom van een langetermijnstrategie met 32 sleutelactiviteiten verdeeld over vijf pijlers. Waar onze Nederlandse veehouders behoefte hebben aan zekerheid, perspectief, vergunningen en de ruimte om gewoon te ondernemen, komt Brussel met nog meer klimaatdoelen, milieueisen, kooidictaten en administratieve druk. De leden van de PVV-fractie stoort het mateloos dat het kabinet deze Europese strategie op grote lijnen verwelkomt. In plaats van pal te staan voor onze Nederlandse boeren en de nationale soevereiniteit te verdedigen, kiest het kabinet er opnieuw voor om mee te veren met de Brusselse regelzucht en deze te koppelen aan het afbraakbeleid van het nationale maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof. De leden van de PVV-fractie willen van het kabinet weten hoe het mogelijk is dat een zogenaamd hervormingsgezind beleid de sleutels van onze voedselvoorziening en agrarische toekomst zomaar overhandigt aan ongekozen Brusselse ambtenaren. Kan de minister klip-en-klaar uitleggen waarom het kabinet niet vanaf dag één een keihard veto heeft uitgesproken tegen deze nieuwe Europese inmenging? Vragen naar aanleiding van de vijf pijlers van de EU-strategie Pijler 1: Veerkracht De leden van de PVV-fractie lezen dat de eerste pijler is gericht op het versterken van de weerbaarheid van de sector, onder meer via risicobeheer onder het Meerjarig Financieel Kader (MFK) na 2027 en specifieke aanbevelingen binnen het toekomstige NRPP van het GLB. Kan de minister garanderen dat de voorgestelde GLB-aanbevelingen van de EC op geen enkele wijze dwingend worden opgetuigd en dat Nederland de volledige zeggenschap behoudt over de eigen nationale GLB-gelden en keuzes? Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat deze zogenaamde ‘veerkrachtpijler’ door Brussel misbruikt gaat worden om via de achterdeur aanvullende klimaat- en milieueisen op te leggen aan agrarische ondernemers? Welke concrete stappen gaat het kabinet ondernemen om te voorkomen dat de Diergezondheidsverordening leidt tot extra regeldruk en kosten voor Nederlandse veehouders? Pijler 2: Concurrentievermogen en gelijk speelveld De leden van de PVV-fractie zien dat de EC de mond vol heeft over het versterken van de concurrentiepositie en het scheppen van een gelijk speelveld. In de praktijk zien Nederlandse veehouders dat zij door doorgeslagen nationale en Europese regelgeving kapot worden gecentraliseerd, terwijl goedkope producten van buiten de EU zonder deze loodzware eisen gewoon onze markt op stromen. Kan de minister toelichten hoe het kabinet denkt het concurrentievermogen van Nederlandse boeren te beschermen wanneer de sector in Nederland gebukt gaat onder een acute vergunningsproblematiek die elke verduurzaming en bedrijfsontwikkeling blokkeert? Is het kabinet bereid om bij de EC af te dwingen dat dierlijke producten uit derde landen aan exact dezelfde strenge productienormen moeten voldoen als producten uit de EU, voordat deze tot de Europese markt worden toegelaten? Zo nee, waarom accepteert het kabinet dat Nederlandse boeren oneerlijke concurrentie ondervinden van landen buiten de EU? Pijler 3: Duurzaamheid en dierenwelzijn De leden van de PVV-fractie constateren dat de EC onder deze pijler verstrekkende voorstellen aankondigt op het gebied van dierenwelzijn, kooiverboden, methaanreductie en koolstofcertificering (CRCF). Het kabinet sluit hier naadloos op aan met de AMvB Dierwaardige veehouderij en draconische ammoniak- en methaanreductiedoelen. Kan het kabinet bevestigen dat de voorgenomen ammoniakreducties van 23 tot 25 procent in 2030 en 42 tot 46 procent in 2035 haaks staan op het behoud van een gezonde en levensvatbare Nederlandse veehouderijsector? Hoe verhoudt het enthousiasme van het kabinet over de uitfasering en het verbieden van kooihuisvesting op Europees niveau zich tot de enorme financiële schade en herinvesteringskosten die Nederlandse pluimvee- en varkenshouders hiermee worden aangejaagd? De leden van de PVV-fractie wijzen op de motie-Koorevaar/Den Hollander (Kamerstuk 28286, nr. 1458) over de regeltaken van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) en de verschillen in dierenwelzijnseisen. Welke concrete uitkomsten heeft het overleg met de RDA tot op heden opgeleverd om te voorkomen dat Nederlandse veehouders uit de markt worden gedrukt door strenge nationale koppen? Kan de minister toelichten welke administratieve lasten en regeldruk het introduceren van een geharmoniseerde meetmethodologie voor methaanemissies en de uitbreiding van de verordening CRCF met zich mee gaat brengen voor de individuele boer op het erf? Waarom weigert het kabinet om paal en perk te stellen aan de stapeling van aanvullende milieueisen die voortvloeien uit de herziene EU-richtlijn Luchtkwaliteit en de herziene Richtlijn Industriële Emissies (RIE)? Pijler 4: Territoriale diversiteit De leden van de PVV-fractie merken op dat de strategie van de EC veel aandacht besteedt aan het tegengaan van landverlating in dunbevolkte Europese regio's. Deelt het kabinet de opvatting dat de Nederlandse situatie als klein, dichtbevolkt land met een zeer efficiënte en hoogproductieve veehouderij totaal niet te vergelijken is met uitgestrekte rurale gebieden in Zuid- of Oost-Europa? Kan het kabinet garanderen dat Europese instrumenten gericht op gebiedsgerichte oplossingen er niet toe leiden dat Nederlandse gronden en boerenbedrijven worden opgeofferd voor Europese natuuridealen? Pijler 5: Excellentie De leden van de PVV-fractie lezen onder de vijfde pijler dat de EC voorstelt om de kwaliteit van Europese producten te promoten en er wordt gesproken over een nieuwe Europese term voor excellentie. Kan het kabinet uitleggen wat de daadwerkelijke meerwaarde is van een nieuwe Europese excellentieterm bovenop reeds bestaande keurmerken, anders dan het creëren van extra bureaucratie, certificeringskosten en regeldruk voor onze ondernemers? Is het kabinet bereid om dit specifieke voorstel in Europees verband krachtig af te wijzen? Bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit De leden van de PVV-fractie zijn verbijsterd over de positieve grondhouding van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid, de subsidiariteit en de proportionaliteit van deze mededeling. Waarom oordeelt het kabinet positief over de subsidiariteit, terwijl de EC met deze strategie overduidelijk op de stoel van de nationale overheid gaat zitten en de beleidsruimte van de Nederlandse Staat steeds verder inperkt? Waarom acht het kabinet het optreden van de EU proportioneel, terwijl het voorstel een woud aan nieuwe rapportageverplichtingen, regelingen en inmengingsmechanismen introduceert die de ondernemersvrijheid van Nederlandse veehouders aantasten? Financiële gevolgen en regeldruk De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet in het BNC-fiche aangeeft dat eventuele budgettaire gevolgen moeten passen binnen de afgesproken financiële kaders en op de eigen departementale begroting moeten worden ingepast. Kan het kabinet klip-en-klaar toezeggen dat deze EU-strategie voor de veehouderij niet zal leiden tot hogere financiële afdrachten van Nederland aan de EU of tot extra kosten voor de Nederlandse belastingbetaler? Welke concrete garantie kan het kabinet bieden dat toekomstige wetgevende voorstellen voortvloeiend uit deze strategie geen netto toename van de regeldruk en administratieve lasten voor de Nederlandse agrarische sector tot gevolg zullen hebben? Overige opmerkingen en afsluiting De leden van de PVV-fractie benadrukken dat onze Nederlandse veehouders tot de meest efficiënte, schone en diervriendelijke producenten ter wereld behoren. Het voortdurend opwerpen van Europese en nationale barrières vernietigt het verdienmodel van onze boeren en jaagt de voedselproductie weg naar landen buiten de EU waar nauwelijks regels gelden. De leden van de PVV-fractie roepen het kabinet op om op te houden met het achteraanlopen van Brusselse klimaatdogma’s en in Europees verband onvoorwaardelijk te kiezen voor het belang van de Nederlandse boer, onze voedselzekerheid en onze nationale economie. Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche over de mededeling EU-strategie voor de veehouderij en hebben hierbij enkele vragen. De leden van de CDA-fractie lezen dat de strategie samen met een Eiwitactieplan is gepresenteerd en dat de EU minder afhankelijk wil worden van geïmporteerde eiwitten voor veevoer. Uit berichtgeving over de strategie blijkt dat het aandeel eigen eiwitten voor veevoer van 25 procent in 2025 naar 35 procent in 2035 moet stijgen. Hoe realistisch acht het kabinet dit voor Nederland, met weinig grond en een grote veevoerimport? Welke gevolgen heeft dit voor de voerkosten van Nederlandse veehouders? De leden van de CDA-fractie constateren dat de strategie inzet op een sterkere concurrentiepositie, onder meer via landbouw- en voedseldiplomatie en afzetbevordering, en dat het kabinet positief is over het openen van markten voor hoogwaardige Europese export. Hoe verhoudt de strategie zich tot de Nederlandse exportpositie? Welke concrete acties in de strategie helpen Nederlandse veehouders en verwerkers en op welke punten blijft de strategie vaag? De leden van de CDA-fractie lezen dat de EC gerichte voorstellen aankondigt voor de herziening van de dierenwelzijnsregels voor leghennen, vleeskuikens en varkens en dat het kabinet een Europees verbod op kooisystemen verwelkomt. Welke overgangstermijnen en welke financiële steun acht het kabinet nodig voor Nederlandse pluimvee- en varkenshouders? Hoe zorgt het kabinet dat Nederlandse veehouders, die al hebben geïnvesteerd, niet worden benadeeld ten opzichte van collega's die nog moeten beginnen? De leden van de CDA-fractie zien dat het kabinet inzet op een gelijk speelveld door te eisen dat import van dierlijke producten uit derde landen voldoet aan de EU eisen op het gebied van voedselveiligheid en dierenwelzijn. Hoe verloopt de controle en handhaving op geïmporteerde producten? Hoe gaat het kabinet zorgen dat de er ook naleving van deze eisen kan plaatsvinden? De leden van de CDA-fractie constateren dat er voor deze strategie vanuit Europa nog geen impact assessment is opgesteld. Het kabinet geeft aan aandacht te zullen vragen voor een gedegen impact assessment bij toekomstige voorstellen. Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat de aangekondigde wetsvoorstellen wel een volledige impact assessment krijgen waar onder meer aandacht is voor effecten op het inkomen van boeren en op regeldruk? Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche mededeling EU-strategie voor de veehouderij. Deze leden vinden het goed dat de EC met een strategie voor de veehouderij komt. Zoals de EC ook benoemt is het voor boeren belangrijk dat zij een rechtskader hebben dat langetermijnplanning en investeringen mogelijk maakt. Ook in Nederland staan boeren vanwege de grote druk op natuur, milieu en dierenwelzijn voor een grote transitie. De EC wijst er volgens deze leden terecht op dat dierenwelzijn centraal staat in de zorgen van burgers als het gaat om veehouderij en dat de sector beter moet inspelen op toenemende maatschappelijke verwachtingen, zoals op het gebied van dierenwelzijn. Daarbij signaleert het kabinet in het fiche dat de ‘License to produce’ van de veehouderij onder druk staat en dat het verhogen van dierenwelzijn bijdraagt aan het draagvlak in de maatschappij. Deze leden vinden het daarom verstandig dat de EC het verbeteren van dierenwelzijn een integraal onderdeel maakt van de EU-strategie. Zoals de commissie-Remkes al zei: zorg dat boeren de hele bocht kunnen overzien. Deze leden hebben wel verschillende vragen over de invulling van de strategie en het kabinetsstandpunt hierover. De leden van de PvdD-fractie lezen dat de EC en het kabinet de visie hebben dat investeren in duurzaamheid een investering is in de landbouw op de lange termijn. Onderschrijft het kabinet dat het daarvoor wel een voorwaarde is dat investeringen, zeker omdat de kosten bijna altijd op het bord van de boer of de belastingbetaler belanden, integrale oplossingen moeten bieden om de noodzakelijke omslag naar een toekomstbestendig landbouwsysteem te maken en dat investeringen deze omslag niet in de weg mogen staan? Deelt het kabinet daarbij de mening dat het onverstandig is om in te zetten op innovatie die ten koste gaat van het natuurlijke gedrag en de bewegingsvrijheid van dieren, omdat dit tegen de gewenste integrale aanpak ingaat en in de toekomst kan leiden tot desinvesteringen omdat dergelijke innovaties botsen met een dierwaardige veehouderij? De leden van de PvdD-fractie wijzen in dat kader ook op de risico’s die het stimuleren van mestvergisting kan hebben, zonder dat recht op weidegang is geborgd. Het kabinet wil de EC (die al fors inzet op mestvergisting) aansporen om dat nóg meer te gaan doen. Heeft het kabinet oog voor de risico’s van mestvergisting voor dierenwelzijn, doordat het een financiële prikkel kan gaan vormen om dieren (meer) op stal te houden? De leden van de PvdD-fractie lezen voorts in de beslisnota dat het kabinet “ook enkele kritische kanttekeningen” heeft op de EU-strategie, “o.a. op het gebied van dierenwelzijnseisen en stikstofbeleid’. Kan de regering toelichten welke kanttekeningen hiermee worden bedoeld? Herziening van de dierenwelzijnswetgeving De leden van de PvdD-fractie lezen dat het kabinet vindt dat de EC breder moet inzetten op dierwaardigheid. Deze leden steunen die inzet. Daarbij wijzen zij op de dierenwelzijnsontwikkelingen die in sommige landen plaatsvinden, zoals in Denemarken waar de nieuwbouw en uitbreiding van reguliere varkensbedrijven is bevroren in voorbereiding op regelgeving voor een duurzamere varkenssector met een aanzienlijk hoger niveau van dierenwelzijn (Nieuwe Oogst, 24 september 2026, 'Denemarken bevriest nieuwbouw en uitbreiding reguliere varkensbedrijven' (https://www.nieuweoogst.nl/nieuws/2026/09/24/denemarken-bevriest-nieuwbouw-en-uitbreiding-reguliere-varkensbedrijven)). Ziet het kabinet ruimte om samen met landen uit bijvoorbeeld de Vught-groep op te trekken voor dierwaardigheid? Welke aanpak heeft de regering voor ogen? De leden van de PvdD-fractie lezen dat het kabinet in algemene zin positief is over het openen van marken voor hoogwaardige Europese export, waarbij het niet alleen gaat om producten, maar ook om kennis. Hoe verhoudt dit zich tot de andere inzet van het kabinet om de handel in levende dieren te verschuiven naar handel in producten? Daarbij vragen deze leden of de Kamer kan worden geïnformeerd over de stand van zaken omtrent de herziening van de Verordening diertransport en de kabinetsinzet op dit punt voor de komende tijd. De leden van de PvdD-fractie lezen dat het kabinet kritisch is op het voornemen van de EC voor de introductie van een nieuwe Europese term voor excellentie zonder dat daarbij inzicht is in regeldrukeffecten. Is het kabinet hier ook kritisch op omdat niet duidelijk wordt of, en zo ja welke, normen verbonden worden aan dit predicaat en dat dit geen misleidend beeld mag geven van de productiewijzen van dergelijke producten? Zo nee, waarom niet? Rol van de keten De leden van de PvdD-fractie lezen in de strategie dat de positie van landbouwers in de voedselketen moet worden verbeterd en dat de richtlijn oneerlijke handelspraktijken wordt herzien. Daarbij schrijft de EC dat de opgave vragen oproept over de verdeling van de kosten over de waardeketen. Deze leden constateren dat het fiche de nadruk vrijwel volledig op de veehouder legt. De rol en de verantwoordelijkheid van de rest van de keten komen niet aan bod. Hoe ziet het kabinet de rol en de verantwoordelijkheid van andere partijen in de keten? Daarbij denken deze leden aan onder meer de fokkerij, veevoerindustrie, transportsector, verwerkende industrie, levensmiddelenindustrie, retail, foodservice, banken, investeerders en verzekeraars. Wat doet het kabinet om deze partijen aan te spreken en te betrekken bij de transitie in de landbouw? De leden van de PvdD-fractie lezen dat het kabinetsbeleid voor concurrentievermogen erop is gericht dat geïmporteerde dierlijke producten uit derde landen voldoen aan ten minste equivalente eisen op het gebied van voedselveiligheid en dierenwelzijn. Op welke wijze werkt de regering eraan om de import van dierlijke producten uit derde landen te laten voldoen aan Europese eisen op het gebied van dierwelzijn? Steunt het kabinet Europese productie-eisen voor import, ook als derde landen daar bezwaar tegen maken? De leden van de PvdD-fractie lezen dat het kabinet de ketenbenadering in lijn vindt met het True Value Language-initiatief, met de ambitie om tot eenduidige taal, definities en berekeningsmethodieken te komen voor efficiënte en effectieve publieke doelsturing en private ketensturing. Erkent het kabinet dat dierwaardigheid op dit moment onvoldoende is geborgd in dit initiatief? Wat is de inzet van het kabinet om ervoor te zorgen dat dergelijke aanpakken ook daadwerkelijk integraal zullen zijn? Watergebruik De leden van de PvdD-fractie lezen dat de EC inzet op efficiënter watergebruik binnen de landbouw, maar daarbij maar een zeer beperkte analyse maakt. Deze leden vragen de regering te reflecteren op het waterverbruik voor en door de veehouderij, ook middels de teelt van gewassen voor veevoer, met name in de (toenemende) hete en droge perioden waarin water schaars is. De leden van de PvdD-fractie lezen daarbij dat de EC dierveredelingstechnieken als win-win situatie ziet op economisch en ecologisch vlak. Kan het kabinet aangeven welke technieken hiermee worden bedoeld en hoe dit zich verhoudt tot een dierwaardige veehouderij waarin volgens de Raad voor Dierenaangelegenheden grenzen moeten worden gesteld aan aanpassingen van het dier via fokkerij (RDA, 18 november 2021, ‘Zienswijze Dierwaardige veehouderij’ (https://www.rda.nl/documenten/2021/11/18/zienswijze-dierwaardige-veehouderij))?   Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie De leden van de CU-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de EU-strategie voor de veehouderij. Deze leden hebben nog enkele vragen over doelsturing in relatie tot de evaluatie van de Nitraatrichtlijn. Hoe beoordeelt het kabinet de uitkomsten van de evaluatie van de Nitraatrichtlijn waar het gaat om mogelijkheden voor meer doel- en resultaatgerichte sturing? Hoe beoordeelt het kabinet de wetenschappelijke onderbouwing van de conclusie dat de generieke norm van 170 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare moet worden gehandhaafd? Is het kabinet bereid om deze norm opnieuw tegen het licht te houden gelet op de huidige wetenschappelijke inzichten rondom milieu- en waterkwaliteit en technologische ontwikkelingen? Is het kabinet voornemens om zich in Europees verband in te zetten voor een hogere norm? Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over de Europese strategie voor de veehouderij. Deze leden waarderen het dat de EC de veehouderij nadrukkelijk beschrijft als een sector die van groot belang is voor de voedselvoorziening, de werkgelegenheid en de leefbaarheid van het Europese platteland. De strategie richt zich op weerbaarheid, concurrentievermogen, duurzaamheid, regionale diversiteit en het zichtbaar maken en belonen van de kwaliteit van de Europese veehouderij. De leden van de BBB-fractie zijn geschrokken van de wijze waarop het kabinet deze Europese strategie in het BNC-fiche naast zijn eigen beleid legt. Het kabinet stelt dat de strategie grotendeels aansluit op het Nederlandse beleid en noemt daarbij het aangekondigde nationale stikstofpakket. Tegelijkertijd erkent het kabinet dat onderdelen van dat stikstofpakket leiden tot een kleinere productiecapaciteit. Voor veehouders die door de aangekondigde maatregelen vrezen voor de toekomst van hun bedrijf, hun gezin en het levenswerk van soms meerdere generaties, is het bijzonder wrang dat juist deze plannen worden gepresenteerd als passend bij een Europese strategie die ook tot doel heeft de veehouderij te versterken. De zorgen van deze leden worden versterkt door de reflectie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op het nationale stikstofpakket. Het PBL schrijft dat de nieuwe normeringen het verdienvermogen van veel gezinsbedrijven onder druk zullen zetten, dat de toekomst van deze bedrijven daardoor onzeker wordt en dat de vereiste investeringen voor een deel van de bedrijven niet zijn op te brengen. Het PBL noemt de uitvoering van het pakket bovendien een opgave van historische omvang. De leden van de BBB-fractie vragen de minister hoe hij, tegen deze achtergrond, kan volhouden dat het nationale stikstofpakket grotendeels aansluit bij de ambitie van de EC om veehouders perspectief te bieden. Deze leden zien een wezenlijk verschil tussen het delen van afzonderlijke duurzaamheidsdoelen en het onderschrijven van de Europese strategie als geheel. Zij vragen de minister daarom bij de beantwoording van de onderstaande vragen steeds aan te geven hoe de Nederlandse inzet bijdraagt aan een sterke, toekomstbestendige veehouderij, welke concrete kansen de Europese strategie biedt aan Nederlandse ondernemers en hoe de minister ervoor gaat zorgen dat de beschikbare Europese ondersteuning ook daadwerkelijk bij Nederlandse veehouders terechtkomt. Een weerbare veehouderij De leden van de BBB-fractie zijn positief over de aandacht die de EC besteedt aan diergezondheid, preventie, vroegsignalering en vaccinatie. Deze leden lezen dat ook het kabinet het belang van vaccinatie tegen vogelgriep en de internationale acceptatie van producten van gevaccineerde dieren onderkent. Welke concrete stappen zet de minister om ervoor te zorgen dat vaccinatie in de praktijk kan worden toegepast zonder dat veehouders vervolgens worden geconfronteerd met handelsbelemmeringen? Wat doet de minister om belemmeringen weg te nemen en op welke termijn verwacht hij resultaten? Welke Europese middelen zijn beschikbaar voor de ontwikkeling, beproeving en toepassing van vaccins en hoe zorgt de minister ervoor dat Nederlandse veehouders en onderzoeksinstellingen daarvan gebruik kunnen maken? De leden van de BBB-fractie zijn in dit kader ook verheugd dat Nederland het voortouw heeft genomen bij de internationale samenwerking om handelsbelemmeringen voor producten van tegen vogelgriep gevaccineerd pluimvee weg te nemen. Deze leden vragen de minister of al meer duidelijk is over wat de bijeenkomst van 29 januari 2026 concreet heeft opgeleverd. Zijn er nog verdere stappen gezet in de internationale samenwerking richting het mogelijk maken van AI-vaccinatie? Wat is de stand van zaken van de aangekondigde World Organisation for Animal Health (WOAH)-richtlijnen voor de monitoring van gevaccineerd pluimvee? Welke handelspartners hebben inmiddels concrete toezeggingen gedaan over de acceptatie van producten van gevaccineerd pluimvee? Hoe gaat de minister de Europese veehouderijstrategie benutten om verdere afspraken te bereiken, zodat vaccinatie ook voor Nederlandse pluimveehouders een praktisch en economisch haalbare mogelijkheid wordt? De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast specifiek aandacht voor infectieuze boviene rhinotracheïtis (IBR). Nederland werkt aan het verkrijgen van de Europese IBR-vrije status. Kan de minister bevestigen dat vaccinatie tegen IBR tijdens de bestrijdingsfase mogelijk blijft? Klopt het dat onder de huidige Europese systematiek vaccinatie niet langer is toegestaan zodra de Europese vrije status is verkregen? Zo ja, hoe beoordeelt de minister dat in het licht van de Europese inzet op preventie en vaccinatie? Is de minister bereid bij de EC te onderzoeken of ook na het verkrijgen van de vrije status ruimte kan blijven bestaan voor preventieve vaccinatie tegen IBR en kan hij de Kamer informeren over de mogelijkheden en de uitkomst van dat overleg? De leden van de BBB-fractie wijzen op de Nederlandse infrastructuur voor diergezondheid, waaronder de monitoring en diagnostiek door Royal GD, de Veekijker en de inzet van Nederlandse dierenartsen. Deze leden vinden het van belang dat bij de Europese uitwerking van de strategie wordt aangesloten bij bestaande systemen voor vroegsignalering en preventie. Welke mogelijkheden ziet de minister om Europese financiering te verkrijgen voor het versterken van de Nederlandse diergezondheidsmonitoring, de Veekijker, diagnostiek en de betrokkenheid van dierenartsen? Is hij bereid deze bestaande Nederlandse infrastructuur actief onder de aandacht van de EC te brengen? Welke Europese financieringsinstrumenten komen hiervoor in aanmerking? Wie kan daarop een aanvraag doen en welke ondersteuning biedt de minister aan Nederlandse partijen om die middelen daadwerkelijk te verkrijgen? De leden van de BBB-fractie vinden dat het Nederlandse systeem van diergezondheidsmonitoring met Royal GD, de Veekijker en de inzet van dierenartsen ook op Europees niveau als voorbeeld mag dienen en vragen de minister zich ervoor in te zetten dat dit systeem de erkenning en Europese financiële ondersteuning krijgt die het verdient. De leden van de BBB-fractie wijzen voorts op de grote gevolgen van de blauwtonguitbraken voor Nederlandse veehouders. Heeft Nederland naar aanleiding van deze uitbraken Europese financiële ondersteuning aangevraagd of ontvangen? Welke mogelijkheden zijn onderzocht, ook buiten de Europese landbouwcrisisreserve, en waarom is daarvan al dan niet gebruikgemaakt? Welke ondersteuning hebben andere lidstaten voor de gevolgen van blauwtong aangevraagd of ontvangen? Hoe wil de minister ervoor zorgen dat Nederlandse veehouders bij toekomstige dierziekte-uitbraken daadwerkelijk toegang krijgen tot de Europese instrumenten voor risicobeheer die in de strategie worden aangekondigd? De leden van de BBB-fractie wijzen daarnaast op het rapport Zoönosen in het vizier (Kamerstuk 2021D27687), waarin wordt gesteld dat de kans in absolute zin groter is dat een volgende grote uitbraak buiten Nederland begint dan binnen Nederland. Hoe betrekt de minister deze constatering bij de Nederlandse inzet op Europese en internationale dierziektepreventie en vroegsignalering? Daarbij vragen deze leden ook aandacht voor de mogelijke introductie van antibioticaresistente bacteriën via de internationale handel in dierlijke producten. De Nederlandse veehouderij heeft het antibioticagebruik de afgelopen jaren fors teruggedrongen en gaat zeer terughoudend om met antibiotica die van groot belang zijn voor de humane gezondheidszorg. Dat is een prestatie van de sector die bescherming verdient. Juist daarom vinden deze leden het zorgelijk dat via geïmporteerde dierlijke producten alsnog resistente bacteriën Nederland kunnen binnenkomen, ook uit landen waar minder strenge regels voor antibioticagebruik in de veehouderij gelden. Hoe gaat de minister voorkomen dat de inspanningen van Nederlandse veehouders om antibioticaresistentie tegen te gaan, via de import van resistente bacteriën worden ondergraven? Welke controles vinden bij geïmporteerd vlees plaats op resistente bacteriën, naast controles op residuen van diergeneesmiddelen? Welke mogelijkheden ziet de minister om binnen de Europese strategie de preventie van antibioticaresistentie ook bij import nadrukkelijker te betrekken? Concurrentievermogen en een gelijk speelveld De leden van de BBB-fractie lezen dat de Europese strategie inzet op een concurrerende veehouderij en op eerlijkere concurrentie met producten van buiten de EU. Deze leden lezen eveneens dat het kabinet belang hecht aan gelijkwaardige eisen voor geïmporteerde producten. Zij vinden het van groot belang dat Nederlandse veehouders niet worden geconfronteerd met productie-eisen die voor hun buitenlandse concurrenten niet gelden, terwijl die concurrenten hun producten wel op dezelfde markt kunnen afzetten. Welke concrete voorstellen zal de minister op Europees niveau ondersteunen om de eisen aan geïmporteerde dierlijke producten en de controle daarop te versterken? Hoe wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen eisen aan het eindproduct en eisen aan de wijze waarop dieren worden gehouden en producten worden geproduceerd? Welke mogelijkheden en beperkingen volgen hierbij uit de internationale handelsregels? De leden van de BBB-fractie vragen de minister daarnaast of hij minimumeisen voor zich ziet waaraan controlesystemen in derde landen moeten voldoen om aantoonbaar te maken dat geïmporteerde dierlijke producten zijn geproduceerd volgens standaarden die ten minste gelijkwaardig zijn aan de Europese eisen. Hoe kan daarbij worden gewaarborgd dat niet alleen het eindproduct wordt gecontroleerd, maar ook de naleving van de eisen tijdens het productieproces? De leden van de BBB-fractie vragen de minister om bij de Europese uitwerking van de strategie inzichtelijk te maken hoe de concurrentiepositie van Nederlandse veehouders wordt meegewogen bij handelsafspraken, waaronder het Mercosur-akkoord. Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse veehouders kosten maken om aan hogere productie-eisen te voldoen, terwijl ingevoerde producten afkomstig kunnen zijn uit productiesystemen waarvoor andere eisen gelden? Welke mogelijkheden ziet de minister om te voorkomen dat productie verschuift naar landen buiten de EU, gezien het feit dat de vraag naar dierlijke producten in Nederland al verschillende jaren niet afneemt en die afname ook niet voorzien is? De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese veehouderijstrategie inzet op innovatie, waaronder robotisering in de veehouderij. Deze leden vragen in dat kader specifiek aandacht voor robotisering en automatisering in Nederlandse slachthuizen. Het kabinet heeft een verbod op het in- en uitlenen van arbeidskrachten in de vleessector voorgesteld, wat grote gevolgen kan hebben voor het concurrentievermogen van de Nederlandse veehouderijsector. Welke mogelijkheden biedt de Europese veehouderijstrategie om slachthuizen te ondersteunen bij investeringen in robotisering, automatisering en verbetering van arbeidsomstandigheden? Is de minister bereid zich ervoor in te zetten dat Nederlandse slachthuizen voor die ondersteuning in aanmerking komen en hen actief te helpen bij het benutten van beschikbare Europese financiering? Duurzaamheid en investeringsperspectief De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet het nationale stikstofpakket presenteert als een thematische aansluiting op de Europese strategie. Daarbij stelt het kabinet dat de nationale inzet noodzakelijk is om aan milieu- en natuurdoelen te voldoen en vergunningverlening weer mogelijk te maken. Deze leden vragen de minister daarbij onderscheid te maken tussen Europese verplichtingen, de Nederlandse wettelijke uitwerking daarvan en de beleidskeuzes die het kabinet zelf maakt. Zij beschouwen de huidige impasse rond de vergunningverlening nadrukkelijk ook als een stikstofwetprobleem. Zij wijzen erop dat het PBL aanzienlijke financiële gevolgen van de voorgestelde nationale normeringen voor veehouders beschrijft en aangeeft dat de vereiste investeringen voor een mogelijk groot deel van de bedrijven niet zijn op te brengen. Met name gezinsbedrijven zullen hieronder lijden. Hoe verhoudt de minister deze bevindingen tot de Europese inzet om het verdienvermogen en de toekomst van veehouders te versterken? Hoe zal hij bij de verdere uitwerking van het nationale stikstofpakket inzichtelijk maken wat de voorstellen betekenen voor gezinsbedrijven, de Nederlandse productiecapaciteit en de leefbaarheid van het platteland? Welke mogelijkheden uit de Europese strategie wil de minister benutten om ondernemers te ondersteunen die hun bedrijf willen voortzetten en verduurzamen? De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast aandacht voor de onzekerheid die ontstaat doordat provincies al stikstofmaatregelen hebben vastgesteld, terwijl het kabinet aanvullende landelijke maatregelen voorstelt. De Gelderse en voorgestelde landelijke normen zijn bijvoorbeeld totaal verschillend opgebouwd. Ondernemers weten daardoor niet of investeringen waarmee zij aan provinciale eisen voldoen, ook voldoende zullen zijn om aan eventuele toekomstige landelijke eisen te voldoen. Hoe verenigt de minister deze onzekerheid met de Europese ambitie om veehouders een voorspelbaar kader en investeringszekerheid te bieden? Wanneer krijgen ondernemers duidelijkheid over de verhouding tussen provinciale maatregelen en de landelijke voorstellen? Hoe wil de minister voorkomen dat ondernemers eerst investeren om aan provinciale eisen te voldoen en vervolgens opnieuw moeten investeren vanwege aanvullende landelijke eisen? De leden van de BBB-fractie zien mogelijkheden om emissies te verminderen door innovatie en door ondernemers te ondersteunen bij de toepassing van bewezen technieken. Welke concrete mogelijkheden biedt de Europese strategie om Nederlandse veehouders financieel te ondersteunen bij dergelijke investeringen? Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat Europese middelen daadwerkelijk beschikbaar komen voor Nederlandse ondernemers? Welke belemmeringen bij de erkenning van technieken en de vergunningverlening wil hij wegnemen, zodat ondernemers die willen investeren ook daadwerkelijk verder kunnen met hun bedrijf? De leden van de BBB-fractie zijn positief over de aandacht die de EC besteedt aan het verminderen van methaanemissies en het benutten van mest voor de productie van groen gas. Deze leden lezen dat ook het kabinet hierop wil inzetten, maar missen in het fiche een concrete beschrijving van de wijze waarop de Europese strategie daarvoor zal worden benut. Hoe gaat de minister met behulp van deze strategie de productie van groen gas uit mestvergisting door Nederlandse veehouders stimuleren? Welke Europese financieringsmogelijkheden wil hij daarvoor benutten en hoe gaat hij ervoor zorgen dat Nederlandse ondernemers daar daadwerkelijk toegang toe krijgen? Wil hij daarbij ook de mogelijkheden betrekken om groepen veehouders of andere bedrijven gezamenlijk te ondersteunen bij een grotere vergister waarin mest van verschillende bedrijven wordt verwerkt? De leden van de BBB-fractie vragen de minister daarnaast of hij mogelijkheden ziet om mestvergisters niet alleen via subsidies te ondersteunen, maar ook om deze geheel of gedeeltelijk met publieke middelen te laten realiseren, bijvoorbeeld als onderdeel van een collectieve voorziening voor de productie van groen gas. Is de minister bereid te onderzoeken onder welke voorwaarden dit mogelijk is en welke rol Europese financiering daarbij kan spelen? Deze leden vragen tevens hoe de minister ervoor gaat zorgen dat de bijmengverplichting voor groen gas en de mogelijkheden voor toepassing van groen gas in de transportsector elkaar versterken. Wat is de actuele stand van zaken rond het mogelijk maken van de vergroende LNG-terminalroute op basis van massabalans? Welke inzet pleegt het kabinet bij de herziening van de relevante Europese regels en welke mogelijkheden biedt de Europese veehouderijstrategie om de productie en toepassing van Nederlands groen gas verder te stimuleren? De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast aandacht voor de Europese Nitraatrichtlijn. Deze leden vinden dat de regels voor het gebruik van dierlijke mest beter moeten aansluiten bij de behoefte van het gewas en de omstandigheden van bodem en grondwater. Welke ruimte ziet de minister om bij de Europese herziening van de Nitraatrichtlijn mogelijkheden te creëren voor een hogere gebruiksnorm dan 170 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare, waar de waterkwaliteit en de plaatselijke omstandigheden dat toelaten? Hoe wil hij de Europese veehouderijstrategie benutten om die inzet te ondersteunen? Welke rol ziet hij daarbij voor RENURE en voor een benadering die rekening houdt met aantoonbare verschillen tussen gebieden? Wanneer verwacht de minister hierover Europese besluitvorming en hoe informeert hij de Kamer over de Nederlandse inzet? Regionale diversiteit en een leefbaar platteland De leden van de BBB-fractie lezen dat de EC aandacht besteedt aan regio’s waar veehouderijbedrijven verdwijnen en de economische en maatschappelijke gevolgen daarvan voor het platteland. Deze leden hebben grote moeite met de passage in het BNC-fiche waarin het kabinet deze zorgen vooral op andere lidstaten van toepassing acht, omdat Nederland een relatief hoge veedichtheid heeft. Ook in Nederland kunnen gezinsbedrijven verdwijnen en kunnen dorpen, toeleveranciers en verwerkende bedrijven daarvan de gevolgen ondervinden. Zeker met het door de minister voorgestelde stikstofbeleid is dat een waarschijnlijk scenario. Op welke gegevens baseert het kabinet zijn oordeel dat de door de EC beschreven risico’s in mindere mate voor Nederland gelden? Heeft het kabinet deze interpretatie bij de EC getoetst? Zo nee, is de minister bereid dat alsnog te doen? Deze leden vragen hoe de minister voorkomt dat bij de Nederlandse uitwerking van de Europese strategie vooral die onderdelen worden benut die aansluiten op reeds aangekondigd nationaal beleid, terwijl de Europese aandacht voor behoud van veehouderijbedrijven en een leefbaar platteland in Nederland minder gewicht krijgt. Welke concrete mogelijkheden uit de Europese strategie wil de minister benutten om ook Nederlandse regio’s waar veehouderijbedrijven onder druk staan te ondersteunen? Hoe gaat hij ervoor zorgen dat Nederlandse veehouders en plattelandsregio’s daadwerkelijk in aanmerking komen voor de daarvoor beschikbare Europese middelen? De leden van de BBB-fractie waarderen het dat de Europese strategie aandacht besteedt aan het psychosociaal welzijn van veehouders. Deze leden wijzen op TABOER als voorbeeld van een laagdrempelige voorziening voor boeren die ondersteuning nodig hebben. Tegelijkertijd vragen deze leden aandacht voor de onzekerheid en zorgen die ingrijpende beleidsvoorstellen bij ondernemers en hun gezinnen kunnen veroorzaken. Hoe betrekt de minister deze gevolgen bij de verdere uitwerking van het nationale stikstofpakket? Welke mogelijkheden biedt de Europese strategie om bestaande Nederlandse voorzieningen voor psychosociale ondersteuning, waaronder TABOER, te versterken en hoe wil de minister daarvoor Europese ondersteuning verkrijgen? Excellentie, dierenwelzijn en herkenbare herkomst De leden van de BBB-fractie waarderen de Europese aandacht voor dierenwelzijn, maar vragen nadrukkelijk aandacht voor Nederlandse veehouders die al eerder op eigen kosten hebben geïnvesteerd om aan verdergaande nationale eisen te voldoen. Hoe voorkomt de minister dat ondernemers die dergelijke investeringen al hebben gedaan, financieel worden benadeeld wanneer veehouders in andere lidstaten Europese ondersteuning ontvangen om vergelijkbare aanpassingen alsnog door te voeren? Welke mogelijkheden ziet hij om bij de verdeling van Europese middelen rekening te houden met eerdere investeringen en om ook Nederlandse veehouders voor passende ondersteuning in aanmerking te laten komen? Hoe betrekt hij daarbij de Nederlandse inzet op onder meer het voorkomen van het doden van ééndagshaantjes? De leden van de BBB-fractie lezen dat de Europese strategie mogelijkheden verkent om de herkomst en kwaliteit van Europese dierlijke producten beter zichtbaar te maken. Deze leden vinden het van belang dat consumenten duidelijk kunnen herkennen wanneer een product afkomstig is van Nederlandse veehouders. Welke mogelijkheden ziet de minister om de Nederlandse herkomst van dierlijke producten in winkels beter zichtbaar te maken, ook wanneer het gaat om samengestelde producten? Hoe gaat hij de Europese voorstellen voor herkomstvermelding en gereserveerde aanduidingen benutten om Nederlandse producenten en consumenten daarbij te ondersteunen? De leden van de BBB-fractie vragen de minister daarnaast om de aangekondigde Europese stresstest van de vogel- en habitatrichtlijn nader toe te lichten. Wat is het precieze doel en de reikwijdte daarvan? Worden ook de gevolgen van nationale en provinciale maatregelen voor de productiecapaciteit, de investeringsruimte, het concurrentievermogen en de continuïteit van gezinsbedrijven onderzocht? Hoe worden de gevolgen voor de voedselvoorziening en het platteland meegewogen? Wanneer worden de resultaten verwacht, hoe wordt de Kamer daarover geïnformeerd en hoe zal de minister deze betrekken bij de verdere uitwerking van het Nederlandse veehouderijbeleid? De leden van de BBB-fractie vragen de minister waarom het kabinet nu ingrijpende nationale stikstofmaatregelen aankondigt, terwijl de EC een stresstest uitvoert. Het PBL spreekt bij de uitvoering van het nationale maatregelenpakket van een ‘opgave van historische omvang’. Ligt het dan niet voor de hand om eerst de uitkomsten van die stresstest af te wachten, zodat de gevolgen voor de Nederlandse veehouderij kunnen worden meegewogen voordat het kabinet verdere besluiten neemt? Europese financiering en verdere Nederlandse inzet De leden van de BBB-fractie vragen tot slot hoe de minister gaat waarborgen dat Nederlandse veehouders daadwerkelijk profiteren van de Europese strategie. Welke Europese middelen zijn of komen beschikbaar voor diergezondheid, vaccinatie, monitoring, innovatie, robotisering, mestvergisting, dierenwelzijn, risicobeheer en ondersteuning van het platteland? Welke van deze middelen zijn ook voor Nederlandse veehouders toegankelijk, welke aanvragen zijn al gedaan en welke concrete stappen gaat de minister zetten om Nederlandse ondernemers en organisaties te helpen bij het verkrijgen van deze financiering? De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat Nederland nettobetaler is aan de EU, terwijl Nederlandse boeren gemiddeld het kleinste aandeel van hun inkomen uit landbouwsubsidies ontvangen van alle Europese boeren. Bovendien bestaat een belangrijk deel van dat geld uit betalingen voor ecosysteemdiensten die zij leveren. Tegen die achtergrond vinden deze leden het onverteerbaar als Nederland grote bedragen aan publiek geld uitgeeft om veehouderijen in eigen land te beëindigen, terwijl Nederlandse belastingbetalers via de Europese begroting ook bijdragen aan de bouw of uitbreiding van veehouderijen in andere lidstaten. De leden van de BBB-fractie zijn er mordicus tegen dat met publiek geld Nederlandse familiebedrijven verdwijnen, terwijl met datzelfde publieke geld elders in Europa nieuwe veehouderijcapaciteit wordt opgebouwd. Zeker niet als die bedrijven dan vervolgens ook nog eens concurreren met onze eigen veehouders, omdat hun zwaar gesubsidieerde bedrijven voedsel produceren dat ook bij ons op de markt komt. Kan de minister inzichtelijk maken in hoeverre Europese middelen worden ingezet voor de oprichting of uitbreiding van veehouderijen in andere lidstaten? Hoe voorkomt de minister dat het nationale beleid en de Europese veehouderijstrategie tegen elkaar in werken, waardoor Nederlandse boeren en burgers eerst betalen voor de beëindiging van veehouderijen in eigen land en vervolgens betalen voor de opbouw van veehouderijen elders in Europa? II Antwoord / Reactie van de minister en staatssecretaris van Landbouw, Visserij,   Voedselzekerheid en Natuur III Volledige agenda Fiche: Mededeling EU-strategie voor de veehouderij Kamerstuk 2026Z18710 – Brief minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen – d.d. 11 september 2026 2

Bron, video en gesprek →