Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 189Beleidsdoorlichting KoninkrijksrelatiesNr. 22 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKENEN KONINKRIJKSRELATIES Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 11 februari 2026Onlangs is de Periodieke Rapportage artikel 4 Begrotingshoofdstuk IVKoninkrijksrelaties «Bevorderen sociaaleconomische structuur» over deperiode 2016–2023 opgeleverd. Hierbij bied ik u het eindrapport van dezePeriodieke Rapportage aan, dit is inclusief de onderliggende evaluaties enhet oordeel van de onafhankelijke deskundige. Over de aanpak envoortgang van deze Periodieke Rapportage is uw Kamer eerder geïnfor-meerd (Kamerstuk 33 189, nr. 19, Kamerstuk 36 410 IV, nr. 70, enKamerstuk 36 410 IV, nr. 13).Doel op opzet periodieke rapportageDe Periodieke Rapportage geeft inzicht in de doelmatigheid en doeltref-fendheid van het door mijn ministerie gevoerde beleid op het gebied vanhet bevorderen van de sociaaleconomische structuur in de Caribischedelen van het Koninkrijk. Met dit inzicht kan worden bepaald in hoeverrede beleidsdoelstellingen van het beleidsartikel nog steeds actueel zijn enzo nee, hoe deze kunnen worden aangescherpt. Om tot deze PeriodiekeRapportage te komen, hebben de onderzoekers eerst een aantal projectenop artikel 4 afzonderlijk geëvalueerd. Daarnaast is er in de PeriodiekeRapportage speciale aandacht voor de coördinerende rol die mijnministerie heeft ten aanzien van het rijksbeleid voor de Caribische delenvan het Koninkrijk, en de financieringsinstrumenten die gebruikt wordenvoor Caribisch Nederland.De Periodieke Rapportage is uitgevoerd door het onafhankelijke onder-zoeksbureau DSP-Groep. De onderzoekers hebben daarbij ook gesprekkengevoerd met verschillende stakeholders op Aruba, Curaçao, Bonaire,Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba. Het eindrapport betreft een synthesemet bevindingen die zijn gebaseerd op onderliggende evaluaties. DePeriodieke Rapportage voldoet aan de kwaliteitseisen die zijn opgenomenin de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek. kst-33189-22ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 189, nr. 221 ConclusiesOp pagina 13 van het rapport vatten de onderzoekers de belangrijksteconclusies samen. Als eerste stellen de onderzoekers dat in de periode2016–2023 de jaarlijkse uitgaven op het onderzochte beleidsartikel sterkhebben gefluctueerd, vooral door incidentele uitgaven voor acute criseszoals de coronapandemie. Slechts een klein deel van het budget isstructureel en kon op basis van eigen beleid van BZK worden besteed.Daarnaast stellen de onderzoekers dat er een beperkte samenhang enbeleidslogica is van het artikel 4-beleid en dat een overkoepelendebeleidslogica ontbreekt. Artikel 4 functioneert in de praktijk vooral alsrestartikel: het stelt BZK in staat snel en flexibel te reageren op urgentesituaties en bij te springen waar nodig.De onderzoekers concluderen verder dat het aantal evaluaties wat deonderzoekers konden gebruiken beperkt was. Hierdoor moesten deonderzoekers aanvullend onderzoek doen in deze Periodieke Rapportage.Voor wat betreft doeltreffendheid constateren de onderzoekers dat hetgevoerde beleid wisselend is geweest. In een meerderheid van deonderzochte projecten werden de beoogde resultaten door de inzet vanhet beleid gerealiseerd, maar de beoogde maatschappelijke effecten op delangere termijn werden niet altijd behaald of konden nog niet wordenvastgesteld. Dat kwam vooral doordat veel projecten nog in uitvoeringwaren, en vanwege vertragingen door beperkte uitvoeringscapaciteit vanlokale overheden en als gevolg van lokale politieke besluitvorming enbestuurswisselingen.De doelmatigheid kon in veel gevallen niet worden beoordeeld,o.a. omdat de beoogde effecten nog niet gerealiseerd waren. In diegevallen kon geen duidelijke relatie gelegd worden tussen de bestedemiddelen en de behaalde resultaten. Waar dit wel mogelijk was, werddoelmatigheid vaak positief beoordeeld omdat er voor het gestelde doelgeen ander middel beschikbaar was dan het ingezette beleid. Daarnaastverliep de uitvoering van projecten vaak relatief efficiënt, met nog ruimtevoor betering in de afstemming met lokale partners en de inzet van dejuiste expertise. Ook werd opgemerkt dat sommige projecten vanuit hetMinisterie van BZK werden geleid, terwijl het thema qua inhoud onder deverantwoordelijkheid van andere ministeries viel.Ten aanzien van de coördineerde rol stelt de Periodieke Rapportage datdeze moeilijk uitvoerbaar is vanwege een aantal systemische beper-kingen. Hierbij zien de onderzoekers het als een fundamenteel probleemdat een gezamenlijke rijksbrede toekomstvisie op de relatie met CaribischNederland ontbreekt, waardoor het moeilijk is om prioriteiten te stellen enandere departementen te verbinden aan integrale opgaven.Voor het financieel bekostigen van taken van de openbare lichamenBonaire, Sint Eustatius en Saba blijven de Bijzondere Uitkeringen hunmeerwaarde houden. Wel wijzen de onderzoekers op het knelpunt datbijzondere uitkeringen vaak voor tijdelijke financiering van structurelekosten worden ingezet.Tenslotte concluderen de onderzoekers dat de huidige doelstelling enbenaming van artikel 4 niet passend zijn, omdat deze suggereren dat hetMinisterie van BZK een structurele, inhoudelijke verantwoordelijkheidheeft voor het bevorderen van de sociaaleconomische structuur in deCaribische delen van het Koninkrijk. Veel van de uitgaven onder artikel 4betreffen volgens de onderzoekers echter incidentele of historischeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 189, nr. 222 verplichtingen, of projecten die inhoudelijk thuishoren bij anderedepartementen.AanbevelingenOp basis van de analyse komt DSP-Groep tot een aantal aanbevelingen,die hieronder zijn gegroepeerd en samengevat.Doeltreffendheid en doelmatigheid, beleidsdoelstellingen in perspectief1.Probeer bij de (co)financiering, wanneer de te realiseren voorzieninglokale beheerkosten met zich meebrengt, altijd de begunstigde tecommitteren aan deze beheerkosten;2.Maak samenhangende thema’s het uitgangspunt voor de Strategi-sche Evaluatie Agenda (SEA) en niet de begrotingsartikelen;3.Maak een helder onderscheid tussen thema’s die qua inhoud wel enniet thuishoren bij het departement en stel alleen een PeriodiekeRapportage op voor de eerste categorie;4.Stel naast thematische Periodieke Rapportages ook een PeriodiekeRapportage op die zich richt op de doeltreffendheid en doelmatigheidvan de faciliterende rol van het departement;5.Verleg de evaluatieplicht voor de geadopteerde projecten die inaanmerking komen voor evaluatie naar het inhoudelijk verantwoorde-lijke departement;6.Herformuleer de benaming en doelstelling van artikel 4, zodat dezebeter aansluit bij de inhoud;7.Hevel alle beleidsarme en beleidsvrije verplichtingen over naar éénvan de niet-beleidsartikelen.Coördinerende rol8.Definieer de rol van het Ministerie van BZK in faciliterende termen;9.Formuleer een visie voor DG Koninkrijksrelaties van het Ministerievan BZK;10.Zet escalatie in als strategisch instrument om meer gedaan te krijgen;11.Stationeer een deel van de beleidscapaciteit lokaal in de regio;12.Werk een communicatiestrategie uit voor de afstemming met anderedepartementen;13.Herijk de interdepartementale overlegstructuur;14.Overweeg een meer dwingende consultatieplicht voor anderedepartementen.Financieringsinstrumenten15.Zie toe op systematische nalevingsplicht tot inwinnen van adviesToetsingscommissie Bijzondere Uitkeringen (BU);16.Voeg twee vragen toe aan het Toetsingsformulier BU BES 2022 metbetrekking tot bijdrage aan maatschappelijke opgave en afhankelijk-heid van andere factoren;17.Stel vast in welke gevallen een BU aangewezen is als financieringsin-strument en in welke gevallen een alternatieve vorm van financieringis aangewezen;18.Stel in de bestedingsvoorwaarden van een BU het «wat» centraal;19.Aan de betreffende departementen: verstrek voor structurele kostenalleen structurele financiering;20.Breng de frequentie van voortgangsrapportages terug naar twee keerper jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 189, nr. 223 VervolgIn de komende periode worden de uitkomsten van de PeriodiekeRapportage nader bestudeerd en besproken met betrokkenen, zoals devakdepartementen in Den Haag en het bestuur in Caribisch Nederland ende Caribische Landen. Het is aan een volgend Kabinet om een kabinetsre-actie op te stellen over de inhoud van deze Periodieke Rapportage.De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,E. van MarumTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 189, nr. 224
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
c5f73cd0-bc5b-4817-99dc-6f2e6cf0f813
30debatten
1.345bijdragen
18interrupties
169.383woorden in uitspraken