KamerkringInloggen
Wendy Van Eijk

Officieel Kamerprofiel

Wendy Van Eijk

VVD →
115debatten
1.688bijdragen
1.055interrupties
162.136woorden in uitspraken

Uitspraken in het geselecteerde debat

Open het volledige debat en de tijdlijn →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Dank u wel, voorzitter. We gaan het zien. Vandaag spreken we over de Wet werkelijk rendement box 3. Dat is een wet die niet op zichzelf staat, maar die het resultaat is van jarenlange discussie, juridische correcties en maatschappelijke onvrede. Het huidige box 3-stelsel heeft het vertrouwen in ons belastingstelsel ernstig beschadigd. Burgers zijn geconfronteerd met belastingheffing over rendement dat zij niet hebben behaald, soms zelfs in jaren waarin hun vermogen nauwelijks iets opleverde. Dat is niet uit te leggen en niet houdbaar gebleken. De rechter heeft dat vastgesteld, maar belangrijker nog: de samenleving voelt dat al langer zo. De overstap naar belastingheffing op basis van werkelijk rendement is geen experiment, maar een noodzakelijke correctie. De vraag waar wij vandaag voor staan, is niet óf we moeten veranderen, maar hoe we dat op een verantwoorde manier doen. Voorzitter. Laat ik beginnen met de kern van het VVD-verhaal. De VVD staat voor een belastingstelsel dat rechtvaardig is, dat economische groei ondersteunt, dat uitvoerbaar is voor de overheid en dat begrijpelijk is voor burgers. Deze wet raakt aan al die uitgangspunten. Met de hervorming van box 3 kiest de VVD nadrukkelijk niet voor een ideologische verschuiving in de belastingmix. Het gaat hier niet om het zwaarder belasten van vermogen of het afstraffen van sparen en beleggen, integendeel. Het gaat om het herstellen van een fundamenteel beginsel: inkomen wordt belast naar wat daadwerkelijk wordt verdiend. Voor de VVD is dat de enige eerlijke manier om vermogen te belasten. Voorzitter. De VVD begrijpt dat het kabinet niet heeft gekozen voor een allesomvattende risicovolle stelselherziening. In plaats daarvan ligt er een gerichte hervorming die inspeelt op de uitspraken van de rechter en op de uitvoeringsrealiteit. Tegelijkertijd kijkt de VVD verder vooruit. We hebben altijd gezegd dat als je echt zuiver wilt belasten naar rendement, de vermogenswinstbelasting, heffing bij realisatie, economisch gezien het meest voor de hand ligt. Dat biedt ruimte voor vermogensopbouw, voorkomt liquiditeitsproblemen en sluit aan bij de logica van bijvoorbeeld het pensioenstelsel: eerst laten groeien, daarna belasten. Dat is ook het meest eerlijk: geen belasting over rendement dat mogelijk nooit optreedt. Maar wij zijn ook realistisch. Een volledige vermogenswinstbelasting is op korte termijn niet uitvoerbaar en niet budgettair inpasbaar. Daarom steunen wij deze wet als een noodzakelijke tussenstap. Ik vraag de staatssecretaris expliciet of hij bereid is om die ook zo te benoemen: als een stap op weg naar een toekomstbestendig stelsel, waarbij in de komende jaren samen met de Kamer wordt verkend welke verdere stappen mogelijk zijn zonder de uitvoerbaarheid of stabiliteit van het stelsel in gevaar te brengen. Een toezegging op dit punt zou voor mijn fractie van groot belang zijn. Kan de staatssecretaris toelichten hoe zo'n transitie eruit zou kunnen zien? Je zou bijvoorbeeld stap voor stap specifieke categorieën beleggingen onder de vermogenswinstbelasting kunnen brengen. Voorzitter. Een belangrijk liberaal uitgangspunt is beleggingsneutraliteit. De VVD wil dat kapitaal zijn weg vindt naar de meest productieve bestemmingen op basis van economische afwegingen, niet op basis van fiscale prikkels of barrières. Zo kan iedereen zijn geld beleggen zoals hij dat zelf wil. Dat geldt in het bijzonder voor de keuze tussen rechtstreeks, direct, beleggen en collectief beleggen, via een fonds. Collectief beleggen biedt beleggers schaalvoordelen, risicospreiding, professionele expertise en toegang tot markten die voor individuele beleggers moeilijk bereikbaar zijn. Daarom is het van groot belang dat het fiscale stelsel deze vorm van beleggen niet benadeelt. Nederland kent al jarenlang het uitgangspunt dat het fiscaal geen verschil mag maken of iemand rechtstreeks of via een fonds belegt. Dat principe is verankerd in onder andere de regimes van fiscale en vrijgestelde beleggingsinstellingen. De VVD hecht eraan dat dit uitgangspunt ook onder het nieuwe box 3-stelsel zo veel mogelijk overeind blijft. Vindt de staatssecretaris dat de Wet werkelijk rendement box 3 deze beleggingsneutraliteit respecteert? Kan hij verduidelijken hoe wordt voorkomen dat collectieve beleggingen fiscaal ongunstiger worden behandeld? Dit is belangrijk voor het vertrouwen van beleggers en voor de consistentie van het stelsel. Voorzitter. Een economie die wil groeien en vernieuwen moet ruimte bieden aan startende ondernemers.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Goede vraag. Ik zit hier ook niet om allerlei ramingen ter discussie te stellen, maar ik weet wel dat er heel veel onzekerheid is rondom de ramingen. Er zijn best wel wat veronderstellingen gedaan voor hoe de vermogenswinstbelasting in de toekomst gaat uitpakken en hoe die zich verhoudt tot de vermogensaanwasbelasting. Dat er een periode nodig is om ervoor te zorgen dat je budgettair gezien uiteindelijk uitkomt op hetzelfde niveau of, zoals mijn collega, de heer Grinwis, aangaf, zelfs op een hoger niveau qua structurele opbrengst, ligt ook vast in de ramingen. Ik denk dat we daar met z'n allen goed naar moeten kijken. Veel belangrijker is dat die beweging, als je die, al dan niet gefaseerd, gaat maken, juridisch ook houdbaar is. Daar heb ik zelf nog wel twijfels over, omdat iedere uitzondering die we nu hebben gemaakt, kwetsbaar is. Als je het in stappen doet en iedere keer een categorie aan de vermogenswinst toevoegt, is dat ook kwetsbaar. Eigenlijk zou je in één keer om moeten gaan. Ik denk dat we daar nog even op moeten puzzelen. Het directe antwoord daarop heb ik dus niet, maar ik denk dat er nog wel heel vragen te stellen en antwoorden te geven zijn.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Mijn vragen waren in eerste instantie ook gericht aan de staatssecretaris. Voor een beweging naar volledige vermogenswinst is een bepaalde transitie nodig. Die zal in stappen moeten verlopen. Daar horen ook ramingen bij. Ik wacht het antwoord van de staatssecretaris even af.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Voorzitter. Een economie die wil groeien en vernieuwen moet ruimte bieden aan startende ondernemingen. Start-ups en scale-ups zijn de motor voor onder andere innovatie en digitalisering. Zij zorgen voor nieuwe banen, nieuwe producten en nieuwe verdienmodellen. De VVD is dan ook positief over het feit dat het kabinet in deze wet aandacht heeft voor investeringen in startende ondernemingen. Tegelijkertijd maken wij ons zorgen over de uitwerking. Investeren in start-ups is per definitie risicovol, langdurig en illiquide. Winsten zijn vaak pas na jaren zichtbaar, als er al een exit plaatsvindt. Belastingheffing over een niet-gerealiseerde waardestijging kan investeerders in een onmogelijke positie brengen. Zij kunnen worden geconfronteerd met belastingaanslagen zonder dat zij de middelen hebben om deze te betalen. Dat kan leiden tot gedwongen verkoop, verlies van toekomstig rendement en uiteindelijk minder investeringen in jonge bedrijven. Kan de staatssecretaris bevestigen dat het kabinet het stimuleren van investeringen in start-ups als expliciete doelstelling ziet en dat het nieuwe box 3-stelsel deze investeringen niet mag ontmoedigen? De definitie van start-ups moet dan ook voldoende aansluiten bij de praktijk. In het licht van box 3 zouden de criteria iets moeten zeggen over de daadwerkelijke liquiditeit van aandelen. Veel succesvolle start-ups blijven lang illiquide. Is de staatssecretaris bereid te erkennen dat een termijn van tien tot vijftien jaar, gekoppeld aan een daadwerkelijk realisatiemoment, beter aansluit bij de economische realiteit? Daarnaast roept, zoals ik net ook al zei, elke beperking maar ook elke verbreding in de definitie van start-ups nieuwe vragen op. Hoe verhoudt dit zich tot het staatssteunrecht? Het moet immers uitlegbaar zijn waarom aandelen in een startende onderneming onder het regime van de vermogenswinst vallen en aandelen in het midden- en kleinbedrijf of een familiebedrijf onder het regime van de vermogensaanwas vallen. Hoe wordt voorkomen dat buitenlandse start-ups waarin Nederlandse beleggers investeren, buiten de regeling vallen? Voorzitter. Vastgoed vormt het meest complexe onderdeel van dit wetsvoorstel. De VVD steunt het uitgangspunt om vastgoed te belasten op basis van werkelijk rendement — dat is bijvoorbeeld noodzakelijk om de verhuur van een woning lonend te laten blijven — maar de uitwerking vraagt om zorgvuldigheid. De vastgoedbijtelling bij leegstand van een bedrijfspand of een beperkt eigen gebruik van een tweede woning staat op gespannen voet met het uitgangspunt van werkelijk rendement. Wie geen huur ontvangt, geniet bijvoorbeeld geen rendement. Het forfait van 3,35% is blijkbaar gebaseerd op cijfers uit het verleden; mijn collega Grinwis gaf dit in zijn inbreng al aan. Inmiddels zijn de omstandigheden veranderd. Kan de staatssecretaris reflecteren op de actualiteit van dit percentage en wordt overwogen of het mogelijk en/of wenselijk is om jaarlijks of tweejaarlijks te herijken? Wij overwegen op dit punt een motie, maar ik begrijp dat de heer Grinwis daarop een amendement in voorbereiding heeft, dus we gaan wachten op de appreciaties, denk ik.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Het is een belangrijk punt dat we moeten blijven monitoren. Daarom vraag ik ook of je jaarlijks of tweejaarlijks moet herijken. Het hangt natuurlijk ook af van de ontwikkelingen in de markt hoe urgent zoiets is. Ik heb gezien dat de collega van het CDA een amendement heeft ingediend om de evaluatie in ieder geval naar voren te halen. Ik vind het heel erg belangrijk om dat tijdig te doen. Ik denk dat als die verschillen groot zijn, we inderdaad moeten kijken naar een aanpassing ten aanzien van de budgettaire dekking. Ten aanzien van de budgettaire dekking ben ik heel even overvraagd. Ik wil even de reactie van de staatssecretaris afwachten en eventueel de appreciatie van het amendement van de heer Grinwis. Maar ik vind wel dat op het moment dat je een robuuste wet wil neerleggen en je noodgedwongen nog steeds afhankelijk bent van bepaalde forfaits, die forfaits ook in het kader van de eenvoud altijd zo veel mogelijk de werkelijkheid moeten benaderen. Dan is de vraag hoe je daar het dichtst bij in de buurt komt en wat daarvoor nodig is.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Ik kom hier later in mijn inbreng nog op terug, onder mijn kopje tegenbewijsregeling. We hebben namelijk gezien hoe kwetsbaar de huidige wet- en regelgeving is. In de parlementaire behandeling van de vorige wet is er diverse keren over gesproken of je in de wet al een tegenbewijsregeling zou moeten opnemen. Wat betreft de kwetsbaarheden die in deze wet zitten, zou je op dit specifieke punt, de vastgoedbijtelling en de startwaarde op het moment dat je vastgoed inbrengt, als belastingplichtige naar mijn mening de mogelijkheid moeten hebben om aan te tonen dat die waarde of dat rendement lager is. Daar ligt een deel van de oplossing, los van het feit dat je het vooralsnog met een forfait in de wet kan vastleggen.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Dit forfait is niet willekeurig en zomaar gekozen, hè? Ik stel net als de heer Grinwis vragen over de actualiteit, van: kloppen de cijfers nog? Maar kijkend naar het onderzoek dat gedaan is en het percentage dat nu gekozen is, denk ik dat daar de benodigde zorgvuldigheid en voorzichtigheid in vastligt, waarbij je met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan zeggen dat een heel groot gedeelte van de vastgoedeigenaren met dit percentage prima uit de voeten kan en ook niet uitkomt op een lager rendement. Maar je kunt het actualiseren. In het geval dat je werkelijk rendement lager is of de startwaarde echt substantieel lager is en de wet daar onvoldoende in voorziet, zie ik wel mogelijkheden voor een tegenbewijsregeling, zodat dat alsnog aangetoond kan worden. Ik denk dat dat maar een heel beperkt aantal belastingplichtigen aangaat.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Wat ik zojuist zei ten aanzien van mogelijk tegenbewijs geldt ook voor bijvoorbeeld de startwaarde van vastgoed. Belastingheffing op basis van een waarde die pas achteraf bekend wordt, raakt de rechtszekerheid. Is de staatssecretaris bereid om te kijken naar een alternatief waarbij er vooraf duidelijkheid bestaat voor de belastingplichtige? Tot slot wil ik iets zeggen over de afbakening tussen onderhoud en verbetering. Met de verduurzamingsopgave zullen veel grensgevallen ontstaan. Duidelijke praktische richtlijnen zijn essentieel om uitvoeringsproblemen te voorkomen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: gaan die er komen? Voorzitter. Bij NSW-landgoederen verschuift onder het nieuwe box 3-stelsel het fiscale knelpunt naar het moment van schenking of vererving, wanneer in één keer vermogensbelasting verschuldigd wordt zonder dat daar liquiditeit tegenover staat. Dat vergroot het risico op gedwongen verkoop en verlies van waardevol natuur- en cultuurerfgoed. Vindt de staatssecretaris ook dat de systematiek van de Natuurschoonwet 1928 ook in box 3 moet worden gerespecteerd? Het amendement-Grinwis biedt wellicht een evenwichtige oplossing en ik ben benieuwd naar de appreciatie van de staatssecretaris van dit amendement. Voorzitter. Bij oude kapitaalverzekering in box 1 dreigt door het afschaffen van het overgangsrecht het heffingsmoment naar voren te worden gehaald. Per 1 november '29 zou dan in één keer belasting worden geheven over het volledig opgebouwde rendement, terwijl betrokkenen dit geld niet liquide hebben. Het gaat om een kleine en overzichtelijke groep, maar de impact voor deze mensen is groot. De VVD vindt het onaanvaardbaar dat burgers om reden van uitvoeringseenvoud worden geconfronteerd met onverwachte en hoge aanslagen. Wij pleiten daarom voor een oplossing waarbij de belastingclaim wel wordt vastgesteld per 1 november 2029, maar pas wordt ingevorderd op het moment dat de verzekering daadwerkelijk tot uitkering komt. Ik vraag de staatssecretaris of hij bereid is om op dit punt een toezegging te doen. Voorzitter. Een stelsel dat uitgaat van werkelijk rendement moet ook eerlijk omgaan met verliezen. De VVD begrijpt dat uitvoerbaarheid grenzen stelt. Niet alles kan en niet alles moet, maar het risico bestaat dat belastingplichtigen met fluctuerende rendementen uiteindelijk belasting betalen over een positief rendement, dat zij per saldo nooit hebben gehad. Hoe weegt de staatssecretaris dit risico? Is hij bereid de effecten van de gekozen verliesverrekeningssystematiek actief te monitoren? Kan hij toezeggen dat, als blijkt dat er structureel onrechtvaardige uitkomsten ontstaan, het kabinet bereid is om bij te sturen? Voorzitter. Nederland is een land van spaarders. Dat is op zichzelf een kracht, maar in een tijd van grote investeringsopgaven, van woningbouw tot energietransitie en strategische autonomie, is het ook wenselijk dat meer particulier vermogen zijn weg vindt naar productieve investeringen. De VVD ziet in de overgang naar een stelsel van werkelijk rendement een kans om het gesprek te voeren over hoe particulier beleggen fiscaal kan worden gestimuleerd zonder het stelsel ingewikkeld te maken. Eenvoud is hierbij cruciaal. Burgers haken af als regelingen te complex worden. Andere landen laten zien dat eenvoudige instrumenten, zoals een beleggingsrekening of vrijstelling voor bepaalde vormen van rendement, effectief kunnen zijn. Ik vraag de staatssecretaris of hij bereid is om, parallel aan dit wetstraject, met de Kamer te verkennen welke opties kansrijk zijn voor Nederland. Voorzitter. Nederland is een open economie die afhankelijk is van internationaal talent. Ons vestigingsklimaat staat onder druk en fiscale voorspelbaarheid speelt daarbij een grote rol. De combinatie van heffing over niet-gerealiseerde vermogenswinst en het afschaffen van de partiële buitenlandse belastingplicht dreigt Nederland internationaal uit de pas te laten lopen. Dit vergroot het risico op dubbele belasting en schaadt het vertrouwen van internationaal talent. Het budgettaire voordeel van het afschaffen van de regeling is beperkt, terwijl de economische schade groot kan zijn. Is de staatssecretaris bereid om de effecten van de keuzeregeling voor de partiële buitenlandse belastingplicht opnieuw te wegen en de Kamer hierover te informeren? Voorzitter. Als wij zeggen dat wij belasten naar werkelijk rendement, dan moet er ook ruimte zijn om aan te tonen dat het werkelijk rendement in specifieke gevallen lager is. Zonder een effectieve en uitvoerbare tegenbewijsregeling ontstaat het risico dat er opnieuw belasting wordt geheven over inkomen dat niet is genoten, met alle juridische kwetsbaarheden van dien. Dat geldt nadrukkelijk voor onderdelen waarin forfaits worden toegepast, zoals vastgoed, leegstand, eigen gebruik en waarderingskwesties rondom illiquide vermogensbestanddelen. De VVD begrijpt dat niet elk individueel geval maatwerk kan krijgen en dat uitvoerbaarheid grenzen kent, maar we vinden wel dat de wet een duidelijk begrensde en werkbare mogelijkheid moet bieden om tegenbewijs te leveren in uitzonderlijke situaties. Ik vraag de staatssecretaris daarom of hij bereid is om de mogelijkheid van een tegenbewijsregeling opnieuw te verkennen en te wegen. De reikwijdte daarvan moet zo worden vormgegeven dat nieuwe procedures bij de rechter worden voorkomen. Tot slot, voorzitter.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Zoals ik aangaf in mijn spreektekst is dat vooral daar waar je forfaits gebruikt dan wel bepaalde veronderstellingen, percentages, inbouwt, bijvoorbeeld de 3,35%-vastgoedbijtelling en het 90%-criterium waarin de drie verschillende categorieën zijn onderverdeeld als het om vastgoed gaat. Die vind ik gewoon heel erg kwetsbaar, omdat die zo veel als mogelijk proberen aan te sluiten bij het werkelijk rendement maar dat nog niet zijn. Ik denk dat daar de punten zitten waarover heel veel discussie kan ontstaan en dat je dat zou kunnen voorkomen als je een belastingplichtige de mogelijkheid geeft om aan te tonen dat het anders is. Als je het hebt over de WOZ-wetgeving of als je kijkt naar lagere regelgeving, zie je dat daar best al een aantal ankers in zitten, maar ik vraag me af of we daarin niet verder moeten gaan en het ook in deze wet op een goede manier moeten vastleggen. Er komt sowieso nog een aanpassingswet, dus de mogelijkheden om te kijken waar we bij moeten sturen of waar we zoiets zouden moeten toevoegen, zijn er dus nog volop. Vandaar komt mijn vraag aan de staatssecretaris op dit moment.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Dat is een dilemma. Enerzijds begrijp ik heel goed dat iedere regeling die wij toevoegen de complexiteit kan verhogen. We hebben echter in de afgelopen tien jaar ook gezien hoe kwetsbaar wet- en regelgeving is als je vasthoudt aan bepaalde percentages en forfaits. Die kwetsbaarheid zou je volgens mij deels kunnen oplossen door in specifieke gevallen, waarin we denken dat die kwetsbaarheid heel erg groot is, toch te kijken of je dat er met een tegenbewijsregeling uit kan halen. Ik zei net richting mevrouw Inge van Dijk ook al dat ik denk dat we op heel veel punten daadwerkelijk rendement redelijk goed gaan benaderen. Er is ook voor de nodige voorzichtigheid gekozen bij het invullen van die percentages. We moeten hier niet van wegkijken. Dit niet regelen in de wet is volgens mij namelijk een van de fouten geweest die wij in de afgelopen tien jaar hebben gemaakt.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Het punt is dat we hier naar een stelselwijziging gaan wat betreft de Wet werkelijk rendement. Zeker de verschuiving van vermogensaanwas naar vermogenswinst, die om goede redenen is gekozen, maakt dat er op sommige vermogensbestanddelen daadwerkelijk dubbele heffing optreedt. Ik ben het heel erg met de heer Grinwis eens als het gaat om opmerkelijke belastingconstructies, belastingontwijking en het niet heffen van belasting over bepaalde vermogensbestanddelen. We slaan hier door naar de andere kant. Als je een stelselherziening doet in box 3, dan vind ik dat je in ieder geval opnieuw moet kijken naar de intentie die wij bij de afschaffing van die partiële buitenlandse belastingplicht hadden. Werkt die nog zoals bedoeld of slaat het nu door, waardoor er na invoering van deze wet een onbedoeld effect is opgetreden? Ik denk dat het goed is om daarnaar te blijven kijken.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Ja. De VVD hecht groot belang aan invoering per 1 januari 2028. Dat is noodzakelijk om het huidige stelsel achter ons te laten en om juridische procedures en nieuwe budgettaire opgaven te voorkomen. Ik vraag de staatssecretaris dan ook om volledige transparantie over de uitvoeringsgereedheid. Hoe staat het met de ICT, de uitfasering van oude systemen en de beschikbaarheid van taxateurs en business valuators? Welke wijzigingen zonder risico voor de planning zijn er nog mogelijk? Voor de VVD is het uitgangspunt helder: uitvoerbaarheid en tijdige invoering gaan voor. Beleidswensen kunnen altijd worden meegenomen in een latere aanpassingswet, maar het fundament moet eerst stevig staan. Afsluitend, voorzitter. De VVD steunt de richting van deze wet. We erkennen de noodzaak en waarderen de inzet van het kabinet. Wij willen deze hervorming laten slagen. Tegelijkertijd vragen wij op een aantal punten om toezeggingen en verduidelijking. Dat doen we niet om het proces te blokkeren, maar om het wetsvoorstel beter, eerlijker en toekomstbestendiger te maken. Dank u wel.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Interruptie

Mevrouw Van Eijk (VVD): Ik ga nog een poging wagen. De heer Vlottes en de VVD vinden elkaar als het gaat om de vraag waar we uiteindelijk uit willen komen. We zitten nu in een situatie die suboptimaal is. We zitten op dit moment ook in een situatie waarin het voor beleggers en mensen met vermogen een spel zonder nieten is. Je profiteert van de wet op het moment dat je rendement lager is dan je forfaitair rendement — dan kom je met tegenbewijs — maar als jouw rendement hoger is dan het forfaitair rendement, hoef je daar op dit moment geen belasting over te betalen. Maar als we met elkaar een beweging willen maken naar het belasten van werkelijk rendement, dan is deze wet als tussenstap natuurlijk wel een verbetering ten opzichte van hetgeen we hebben. Ik zou graag de reactie van de heer Vlottes daarop willen horen.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Interruptie

Mevrouw Van Eijk (VVD): Ja. Ik heb inderdaad een hele korte vraag naar aanleiding van de inbreng van de heer Oosterhuis ten aanzien van het stimuleren van beleggen. Dat vinden we allebei belangrijk, maar als je uitgaat van een rendement van 2% op een vermogen van ongeveer €60.000 of €70.000, kom je niet verder dan sparen. Als je een beetje een serieus rendement wilt behalen met investeringen in beleggingen et cetera, zou een verruiming van het heffingsvrije resultaat veel meer voor de hand liggen dan een verlaging daarvan.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Interruptie

Mevrouw Van Eijk (VVD): Dank voor de reactie van de staatssecretaris. Ik had ook wel verwacht dat hij zou denken dat niet meer zelf te kunnen gaan doen, maar je weet het nooit. Ten aanzien van mijn vraag. Ik had ook specifiek gevraagd: gaat dat dan stap voor stap, of in één keer? Komt de staatssecretaris daar nog op? Hoe meer uitzonderingen je toevoegt, hoe kwetsbaarder het stelsel wordt. Dat weten we allemaal. Dat zou bijna suggereren dat je eigenlijk in één keer over moet als je die stap wil maken. Misschien kan de staatssecretaris daar nog iets over zeggen.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Interruptie

Mevrouw Van Eijk (VVD): Ik denk dat de antwoorden die de staatssecretaris en de minister geven niet altijd helemaal gelijk lopen als het gaat over beleggingen, al dan niet in EU-verband. Er is ook nog een fiche over EU-beleggingsrekeningen geweest. Daarin stond heel nadrukkelijk: "We vinden een EU-beleggingsrekening heel interessant. Dat is allemaal hartstikke logisch. We gaan serieus kijken naar een nationale optie na inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3." Het zal dan volgtijdelijk plaatsvinden. Ik zou dat een gemiste kans vinden, dus ik vraag de staatssecretaris nogmaals of het parallel kan gebeuren.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Interruptie

Mevrouw Van Eijk (VVD): Ik weet niet zeker of daarmee het kopje startende ondernemingen klaar is, want ik had daar meer vragen over. Anders heb ik een aantal aanvullende vragen.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Interruptie

Mevrouw Van Eijk (VVD): Oké. Dan specifiek op dit punt. Ik snap dat we naar eenvoud streven. Ik zou het liefst ook eenzelfde definitie hebben in zowel de Wet op de Loonheffing voor de medewerkersparticipatie als in de Wet werkelijk rendement box 3 wat betreft de aandelen in startende ondernemingen. De vraag is echter of dat juridisch houdbaar is, omdat het doel van de uitzondering in de Wet werkelijk rendement een andere is dan de stimuleringsmaatregel rond de medewerkersparticipatie in de Wet op de Loonheffing. Ik vraag mij af of we niet in in allerlei andere discussies terechtkomen als we zo aan die definitie gaan sleutelen dat die niet meer helemaal aansluit bij het doel van de uitzondering in de Wet werkelijk rendement. Volgens mij werd het maken van die uitzondering vooral gedreven door het feit dat het een illiquide karakter heeft. Ik vraag mij af of die dan niet kwetsbaarder wordt. Met andere woorden: ik volg de lijn van eenduidigheid, eenvoud en dezelfde definitie, maar ik denk wel dat we scherp moeten blijven op het eventueel verder inkaderen als het gaat om de Wet werkelijk rendement box 3 om die daar ook juridisch houdbaar te houden en geen discussies te krijgen over aandelen in familiebedrijven, aandelen in mkb's en aandelen in andere bedrijven. Ik maak mij daar zorgen over. Misschien kan de staatssecretaris daar nog iets over zeggen.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Interruptie

Mevrouw Van Eijk (VVD): Welke risico's ziet de staatssecretaris nog als het gaat om de uitfasering van Cool:Gen? Of is er met dat jaar uitstel een dusdanige marge ingebouwd dat dat nog steeds een haalbare datum is, als de Kamer wegblijft van allerlei nieuwe beleidswensen, structuurwijzigingen et cetera?

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Interruptie

Mevrouw Van Eijk (VVD): Ik probeer even mee te denken. Ik bedoel, wij behoorden tot degenen die de regelingen gesloopt hebben, dus dat erken ik hier ook volmondig, maar daarbij waren er natuurlijk twee onderdelen: een extra heffingsvrij vermogen en een heffingskorting. Die zijn allebei technisch gezien in de wet blijven staan, omdat in één keer afschaffen ook niet kan. Met andere woorden, er is nog wel iets. Misschien kan de staatssecretaris dus ook nog ingaan op die varianten, want er waren er twee.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Interruptie

Mevrouw Van Eijk (VVD): Als de staatssecretaris onderscheid maakt tussen directe en indirecte opbrengsten, dan komt hij er volgens mij prima uit. Dan kom je namelijk tot de conclusie dat het aan elkaar gelijk is.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Interruptie

Mevrouw Van Eijk (VVD): Mag ik daaruit afleiden dat dit straks ook geldt voor aandelen in startende ondernemingen en dat het dus niet uitmaakt of het een directe investering is dan wel in een fonds of, zoals het tegenwoordig heet, fonds-in-fonds?

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Dank u wel, voorzitter, en dank ook aan de staatssecretaris voor het beantwoorden van de vragen. Ik ben blij dat we deze wet vandaag behandelen. Ik denk dat het ook goed is dat we gaan doorpakken. Het is een beweging naar het belasten van inkomen uit rendement. Wat ons betreft zouden we daar op termijn nog een stap verder in kunnen gaan. Ik weet dat dat op dit moment niet realistisch is en ook budgettair niet haalbaar is, dus wij zullen deze wet steunen. Ik was er heel even tussenuit, maar in de beantwoording heb ik de antwoorden gemist op de vragen over de partiële buitenlandse belastingplicht en het opnieuw wegen ervan in relatie tot deze nieuwe wet, de Wet werkelijk rendement box 3, inderdaad ook in relatie tot de vermogenswinstbelasting en hoe dat uitpakt in internationaal perspectief. Misschien kan de staatssecretaris daar nog op reageren in zijn schriftelijke beantwoording. En in het algemeen heb ik een oproep gedaan om ook het invoeren van een tegenbewijsregeling, of de mogelijkheid van een tegenbewijsregeling, opnieuw te bekijken, om ervoor te zorgen dat deze wet ook op de langere termijn juridisch houdbaar is in die gevallen dat het aantoonbaar is dat het werkelijk rendement lager is dan een forfait of een bepaalde veronderstelling. Ik heb een viertal moties.

Bron, video en gesprek →
19 jan 2026 · Spreekbeurt

Mevrouw Van Eijk (VVD): Hierbij de opmerking dat het Verbond van Verzekeraars heeft aangedragen, ik neem aan ook op basis van inbreng en input vanuit de verzekeraars, dat het gaat om die overzichtelijke en relatief kleine groep. Misschien dat er dus nog een keer goed gekeken kan worden dan wel navraag gedaan kan worden bij het verbond waarom zij denken dat het wel zou moeten kunnen. Dat zijn tegenstrijdige geluiden. Dan mijn derde motie.

Bron, video en gesprek →