Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 793Internationale klimaatafsprakenNr. 267 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL ENONTWIKKELINGSSAMENWERKING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 6 mei 2024De Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) van hetMinisterie van Buitenlandse Zaken heeft een onderzoek afgerond naar hetNederlandse klimaatbeleid voor ontwikkelingslanden in de periode2016–2022. In deze brief bieden wij uw Kamer de beleidsreactie van hetkabinet op deze periodieke evaluatie aan.De IOB-evaluatie getiteld «Een goed klimaat voor ontwikkeling» heeft alshoofdvraag: hoe heeft het Nederlandse internationale klimaatbeleidontwikkelingslanden ondersteund? Het rapport beschrijft de effectiviteitvan beleidsinterventies, de relevantie, duurzaamheid en coherentie vanhet beleid en aspecten van de doelmatigheid ervan. De evaluatie baseertzich hoofdzakelijk op drie door IOB uitgevoerde evaluaties van klimaatfi-nanciering (2021), klimaatdiplomatie (2023) en klimaatadaptatie (2023) dieuw Kamer eerder ontving.1 Daarnaast heeft IOB onderzoek gedaan naarklimaatmitigatie, interdepartementale samenwerking en ontbossing. Totslot is ook gebruik gemaakt van lopend onderzoek voor de periodiekerapportage over beleidscoherentie op het gebied van water, voedselze-kerheid en klimaat.Het Nederlandse internationale klimaatbeleidHet tegengaan van klimaatverandering is een prioriteit van het Neder-landse buitenlandbeleid, in het bijzonder binnen ontwikkelingssamen-werking. In 2016 trad voor Nederland de klimaatovereenkomst van Parijsin werking met daarin onder andere de herbevestiging en verlenging vande internationale verplichting jaarlijks collectief USD 100 miljard temobiliseren voor klimaatactie in ontwikkelingslanden. Deze verplichtingen de andere klimaatdoelstellingen uit dit verdrag hebben als gevolggehad dat ontwikkelingssamenwerking klimaatrelevanter en groener isgeworden. In 2018, met de beleidsnota «Investeren in Perspectief»,1Kamerstukken 32 813, nr. 811, Kamerstuk 31 793, nr. 253, en Kamerstuk 34 124, nr. 30 kst-31793-267ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 793, nr. 2671 werden de Sustainable Development Goals (SDGs) dwarsdoorsnijdendethema’s, met een ambitieuzer klimaatbeleid en een nieuw klimaatfonds.Doordrongen van de wetenschappelijk onderbouwde urgentie heeft hetkabinet de Nederlandse klimaatacties de afgelopen jaren versneld enpubliceerde het in 2022 een rijksbrede internationale klimaatstrategie.Niet eerder vond er een doorlichting van het internationale klimaatbeleidplaats. Het kabinet is de IOB derhalve erkentelijk voor deze evaluatiegezien het belang van het onderwerp – ook voor de nationale context.Immers, klimaat houdt niet op bij de grens.Voornoemde IOB rapportage evalueert het Nederlandse klimaatbeleidbinnen ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2016 tot en met 2021met updates voor 2022. Het kabinet wil hier een kanttekening bij plaatsen.Het internationale klimaatbeleid van Nederland beperkt zich niet alleen totontwikkelingslanden maar kent een bredere inzet zoals bijvoorbeeld metde rijksbrede klimaatdiplomatieke inzet waar Nederland in internationaalverband pleit voor verhoogde ambitie en versnelde klimaatactie metname bij grote uitstoters en opkomende economieën. Daarnaast is demultilaterale inzet op klimaat niet louter en alleen gericht op ontwikke-lingslanden, ook al ligt daar wel de focus van het Ministerie van Buiten-landse Zaken.Algemene reactie op bevindingenHet kabinet verwelkomt de bevinding dat de Nederlandse klimaatdiplo-matie als effectief wordt beoordeeld. De IOB concludeert dat de strategievan de lobbycampagne voor wat betreft haar pleitbezorging voor hogeremitigatieambities, versnelde klimaatacties en evenwichtigere financieringvoor adaptatie gedegen was. Daarnaast wordt geconcludeerd dat demobilisatie van gelijkgezinde netwerken planmatig en de communicatieconsistent was. De meest effectieve ambassades hebben bijgedragen aanhet agenderen van ambitieuze klimaatdoelen en energietransitie in hetland waar zij gevestigd zijn. De IOB stelt vast dat het aannemelijk is datNederland heeft bijgedragen aan hogere klimaatdoelen en de daarmeesamenhangende beleidsvorming.De IOB bevindingen schetsen verder een overwegend positief beeld vande Nederlandse klimaatfinanciering. De algemene beleidsdoelen enstreefcijfers werden behaald, namelijk dat meer dan de helft van depublieke middelen aan adaptatie wordt besteed, er bijzondere aandacht isvoor lage inkomenslanden en dat de private sector de helft van de totaleNederlandse klimaatfinanciering levert. De IOB concludeert dat continu enconsistent (met middelen en menskracht) op deze drie doelen werdingezet.De IOB identificeert een aantal verbeterpunten en koppelt daar aanbeve-lingen aan. Deze conclusies en aanbevelingen vormen de leidraad vooronderstaande reactie.Reactie op conclusies en aanbevelingen1. Aandacht voor kwetsbare groepen en klimaatrisico’s, met analyses enM&E De IOB stelt op basis van haar analyse van door Nederland gefinancierdeprogramma’s dat de klimaatrelevantie ervan vaak onvoldoende (expliciet)is geanalyseerd en onderbouwd, en dat er onvoldoende bekend is oversuccesvol bereik van de beoogde doelgroepen zoals arme mensen,kwetsbare groepen, kleinschalige boeren en vrouwen. Dat laatste zouTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 793, nr. 2672 onder meer worden veroorzaakt door het feit dat een deel van definanciering via ongeoormerkte bijdragen aan internationale financiëleinstellingen en (klimaat)fondsen zoals het Green Climate Fund (GCF) enGlobal Environment Facility (GEF) wordt uitgegeven. Daarnaast, zo merktIOB ook op, is een deel van de fondsen en programma’s voorwaarden-scheppend en leveren ze dus niet zelf diensten en producten.Voor een beter bereik van de beoogde doelgroepen en een beterebescherming van kwetsbare groepen en het bevorderen van genderge-lijkheid beveelt IOB naast een verbetering van ex-anteanalyses vanklimaatrisico’s en kwetsbaarheden (op zowel landen- als programma-niveau), het explicieter integreren van klimaatactie in het ontwerp vanprogramma’s en beter geïntegreerde monitoring en evaluatie, aan omgemarginaliseerde (doel)groepen nauw te betrekken bij het maken van deanalyses en bij de besluitvorming over de door de programma’s te nemenklimaat(adaptatie)maatregelen. Fondsen en uitvoerders die Nederlandsefinanciering ontvangen, zouden ook actiever moeten worden aange-sproken op hun rol en verantwoordelijkheid in deze.Het kabinet onderschrijft het belang van het bereiken en beschermen vande beoogde doelgroepen. Met de toenemende focus en inzet op klimaat-actie en een groeiend bewustzijn bij uitvoerende partijen op dezedoelgroepen, zijn al verschillende aanvullende maatregelen genomen.Concrete voorbeelden daarvan zijn een verdere verbetering van het doorhet ministerie gehanteerde resultatenkader (met daarin ook ruimte voorrandvoorwaardelijke resultaten, kwalitatieve indicatoren en een thema-tische specificering van klimaatresultaten), en verplichte analyse enbeoordeling van programma’s op klimaatrelevantie en de ontwikkelingvan een e-training over klimaatrelevantie voor beleidsmedewerkers.Daarnaast is er de samenwerking met een door een zuidelijke partnergeleide «climate mainstreaming facility» die ambassades en partners kanadviseren bij het mainstreamen van klimaatadaptatie en is een aantalambassades het afgelopen jaar versterkt met lokale beleidsmedewerkersklimaat.In lijn met de IOB aanbevelingen neemt het kabinet zich verder voor omde vraag naar explicietere klimaatrisico- en kwetsbaarheidsanalyses enverbeterde monitoring van kwetsbare groepen, waartoe het kabinet ookde inheemse bevolking rekent, nog nadrukkelijker op te nemen in dekaderinstructies voor onze onderhandelingen binnen internationalefinanciële instellingen (IFIs). Het kabinet is zich tegelijkertijd bewust dat erconsensus nodig is om de inzet van de IFIs en grote fondsen (waarvanenkelen overigens aandacht voor genoemde doelgroepen als explicietbeleid hebben) aan te passen. Daarnaast zijn bij lopende programma’s deaanpassingsmogelijkheden beperkter dan bij te starten programma’s.2. Geïntegreerde lange termijn strategieën op water en voedsel De periodieke rapportage van de IOB benoemt het belang van geïnte-greerde lange termijn strategieën op het gebied van water en voedselze-kerheid. Het kabinet deelt dit belang. Klimaatverandering manifesteertzich op verschillende manieren. Naast opwarming en zeespiegelstijgingleidt het onder meer tot verandering van de hydrologische cyclus enextremer weer zoals heel veel regenval in korte tijd of langere periodesvan droogte. Dit zal geleidelijk aan een steeds grotere invloed op water-en voedselsystemen gaan krijgen. Om daar goed mee om te gaan isvooruitkijken van groot belang.Op het gebied van water wordt in de periodieke rapportage een aantalbelangrijke voorbeelden genoemd van Nederlandse ondersteuning aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 793, nr. 2673 ontwikkeling van zulke strategieën. De ervaring is dat dit lange trajectenzijn die veel geduld vereisen. Dat zien wij ook in Nederland: denk aan detijd die nodig was om het Deltaplan en «Ruimte voor de Rivier» teontwikkelen en uit te voeren.Op het gebied van voedselzekerheid ontwikkelen landen, in het kader vande VN Food Systems Summit van 2022, nationale food system pathwaysom voedselsystemen toekomstbestendig te maken. Omgaan metklimaatverandering is hier expliciet onderdeel van. Nederland ondersteunthet tot stand komen van deze plannen en zal, waar mogelijk, de Neder-landse inzet op voedselzekerheid hiermee in lijn brengen.Een belangrijke kanttekening hierbij is dat, als het gaat om water- envoedselzekerheid van kwetsbare en achtergestelde groepen, hun – enonze – focus ook op de korte termijn is gericht. Het gaat om de goedebalans: met centrale overheden werken aan lange termijn kaders; metdecentrale overheden, private en maatschappelijke actoren werken aankorte termijn resultaten voor kwetsbare groepen.3. Achtergestelde groepen en een rechtvaardige transitie Het kabinet onderschrijft de IOB-conclusie dat Nederland zich – tegelijkmet de bevordering van de energietransitie – moet blijven richten optoegang tot hernieuwbare energie voor arme en achtergestelde groepenin minst ontwikkelde landen en regio’s. Het kabinet blijft hierop inzettenvia fondsen, programma’s en in de dialoog met (internationale) financiëleinstellingen. Het beleid op hernieuwbare energie is een integraalonderdeel van het internationale klimaatbeleid, waarbij dankzij dedoelstelling op energietoegang de focus inherent ligt op het bereiken vangemarginaliseerde en arme groepen. De meeste resultaten worden bereiktmet kleine decentrale zonne-energiesystemen en oplossingen voorschoon koken, waar vooral arme huishoudens, in het bijzonder vrouwen,van profiteren. De oorspronkelijke doelstelling uit 2015 is in 2022verhoogd van 50 naar 100 miljoen mensen die dankzij de inzet van hetkabinet bereikt zouden moeten zijn in 2030. Het kabinet merkt op dat hetbeleid en de uitvoering op koers liggen om deze doelstelling binnen determijn te halen. Nederland speelt internationaal een voortrekkersrol dooreen robuuste monitoring van de gerapporteerde resultaten en uitvoeringvan het beleid, de betrokkenheid van Nederlandse private en maatschap-pelijke partners via het NL Energy Compact en de diplomatieke inzet op deenergietransitie in grote uitstootlanden.Op de aanbeveling om menskracht en financiering beschikbaar te stellenvoor een fonds voor schade en verlies heeft het kabinet stappen gezet.Tijdens de VN klimaatconferentie in Dubai werd het besluit genomen vooroperationalisering van financieringsregelingen inclusief het fonds voorschade en verlies (vaak aangeduid met de Engelse term loss anddamage). Aan dit besluit ging een intensief traject vooraf van eenvoorbereidend comité dat pas op het laatste moment consensus bereikteover aanbevelingen. Nederland heeft als lid van het comité actiefbijgedragen aan de uitkomst. Daarnaast heeft het kabinet een eenmaligebijdrage van EUR 15 miljoen toegezegd voor de opstartkosten van hetfonds. Deze bijdrage wordt gedekt binnen de begrotingen van de bij deVN klimaatconferentie betrokken ministeries. Nederland zal blijveninzetten op het versterken van de coherentie en complementariteit tussenhet fonds en de bredere internationale financiële architectuur aangaandeschade en verlies. Een besluit over aanvullende middelen voor het fondsvoor schade en verlies is aan een volgend kabinet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 793, nr. 2674 Het kabinet onderschrijft de aanbeveling om in het bestuur van en dedialoog met financiële instellingen, fondsen en programma’s en uitvoe-rende organisaties in te zetten op allocatie van klimaatfinanciering aan delanden en groepen die het armst en het meest kwetsbaar voor klimaatver-andering zijn. Het kabinet merkt op dat dit staande beleid, bijvoorbeeld bijde totstandkoming van genoemd fonds, stuit op weerstand vanopkomende economieën en middeninkomenslanden zodat dit slechtsgedeeltelijk kan worden gerealiseerd.Naast bovenstaande reactie op de IOB-evaluatie zal het kabinet binnenkorteen uitgebreidere toelichting gegeven op het thema rechtvaardigetransitie in reactie op het advies «Klimaatrechtvaardigheid als Noodzaak»van de Adviesraad Internationale Vraagstukken2.4. Private investeringen en additionaliteit Het kabinet hecht een grote waarde aan de additionaliteit van gemengdepubliek-private financiering bij ontwikkelingsprogramma’s en laat dat ookterug komen bij de voorwaarden en evaluaties. Het kabinet is van meningdat het met publieke middelen gemobiliseerde private kapitaal zowelfinancieel additioneel als ontwikkelingsadditioneel moet zijn. Dit zijn geenstatische waarden maar steeds context-afhankelijk. De markt voor wind-en zonne-energie is bijvoorbeeld in sommige middeninkomenslanden inde laatste 10 jaar al zo ver ontwikkeld dat er weinig overheidsfinancieringnodig is, terwijl in veel lage inkomenslanden deze projecten niet van degrond komen als er niet tevens publieke steun is. De portefeuilles vanontwikkelingsfondsen passen zich hier op aan. Zo investeert het Access toEnergy Fund – beheerd door FMO – minder in de productie vanhernieuwbare energie voor elektriciteitsnetten in relatief stabieleontwikkelingslanden, maar juist meer in fragiele ontwikkelingslanden enook in «off-grid» oplossingen voor rurale gebieden in Afrika die voor demarkt nog te risicovol zijn zonder publieke steun.Het kabinet onderschrijft de IOB aanbeveling dat Nederland, om zoveelmogelijk resultaat te behalen bij de energietransitie in ontwikkelings-landen, moet blijven inzetten op het mobiliseren van private investeringenmet publieke middelen, omdat op die manier meer financiering vrijkomten marktontwikkeling kan worden gestimuleerd. De noden voor deenergietransitie en het waarborgen van toegang tot energie zijn groot.Doormiddel van het mobiliseren van private financiering maakt hetkabinet gebruik van een hefboom en worden resultaten vergroot. Ook bijklimaatadaptatie kan private financiering een rol spelen, hoewel hier vaakwel meer publieke financiering nodig blijft.Sinds de deelevaluatie klimaatfinanciering heeft Nederland actiefdeelgenomen aan gesprekken binnen de OESO-DAC over waarborgen envoorwaarden voor gemengde publiek-private financiering. Zo speeldeNederland een constructieve rol bij de totstandkoming van versterkteOESO-regels voor de inzet van ODA via innovatieve programma’s, dezogenaamde «Private Sector Vehikels» zoals bijvoorbeeld bovengenoemdAccess to Energy Fund. De nieuwe regels schrijven onder meer voor datde betreffende programma’s worden getoetst op zowel financiëleadditionaliteit als ontwikkelingsadditionaliteit. Nederland zal de nieuweregels, die vanaf 2024 effectief worden, gaan toepassen.Onderdeel van de strategie voor meer private mobilisatie blijft ominnovatieve financiering door te ontwikkelen om private sector investe-ringen te stimuleren, zoals de IOB aanbeveelt. Nederland werkt bijvoor-2Klimaatrechtvaardigheid als noodzaak | Publicatie | Adviesraad Internationale VraagstukkenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 793, nr. 2675 beeld met de Rabobank samen aan garanties voor lange termijn leningenin het Agri3 fonds. In het licht van de meerwaarde van het mobiliserenvan private investeringen om zoveel mogelijk resultaat te behalen bijonder meer duurzame landbouw in ontwikkelingslanden, acht ik hetonverstandig om op dergelijke programma’s te besparen.5. Coherentie Het kabinet omarmt de IOB aanbeveling om producenten en productie-landen te ondersteunen om ontbossing te voorkomen en diplomatie in tezetten om ook niet-EU consumptielanden te bewegen tot het verduur-zamen van waardeketens. De Nederlandse inzet voor ambitieuzewetgevende en niet-wetgevende maatregelen gericht op het vermijdendan wel het minimaliseren van het op de interne markt brengen vanproducten die gerelateerd zijn aan ontbossing of bosdegradatie, heeftmede geresulteerd in de totstandkoming van EU ontbossingsverordening(EUDR). In lijn met de IOB aanbevelingen wordt tevens flankerend beleidingezet om mogelijke negatieve effecten tegen te gaan. Dit mede om tevoorkomen dat met name kleine boeren en producenten van grond-stoffen, waaronder vrouwen en jongeren, van de toeleveringsketenworden uitgesloten en verder in armoede vervallen. Hiervoor heeftNederland op de VN klimaatconferentie in Dubai samen met de EuropeseCommissie, Duitsland en Frankrijk een nieuw Team Europe Initiatiefgelanceerd gericht op versterkte samenwerking met productielanden bijde verordening. Verder is het NISCOPS programma voor duurzamepalmolie voor een tweede fase van 5 jaar verlengd, waarin nadrukkelijkaandacht uit zal gaan naar het mitigeren van mogelijk negatieve effectenvan de EUDR. Deze initiatieven vormen een belangrijk positief signaalrichting productielanden, met name op het terrein van dialoog enondersteuning.De IOB benoemt de spanning tussen enerzijds nationaal beleid, bijvoor-beeld op het gebied van landbouw en circulaire economie, en anderzijdshet internationale klimaatbeleid. Het kabinet is zich bewust van dezespanning en merkt graag op dat hiervoor de afgelopen jaren in onderandere het actieplan beleidscoherentie voor ontwikkeling aandacht is.Hierin is het terugbrengen van de Nederlandse land-, water- en klimaat-voetafdruk een van de thema’s en wordt expliciet verschillend beleidbeschreven dat hieraan bijdraagt. De OECD peer review van het Neder-landse OS-beleid constateert dat het kabinet meer aandacht voorcoherentie heeft. Het hierboven genoemde beleid rond de EUDR is daareen voorbeeld van. Verdere keuzes rond coherentie zijn aan een nieuwkabinet.Tot slot is het kabinet verheugd over de conclusie van de IOB metbetrekking tot de externe coherentie van het beleid en de wijze waarop hetNederlands beleid samenvalt met beleid van ontvangende overheden enandere donoren. De IOB schrijft dit expliciet mede toe aan de langdurigeinzet van het postennetwerk en de daardoor goede relaties met debetrokken overheden.SlotopmerkingenNederland heeft in de onderzochte periode belangrijke resultaten behaaldin een weerbarstige internationale context met verschuivende geopoli-tieke verhoudingen, noord-zuid tegenstellingen en een toenemendepolitisering van het nationale en internationale klimaatdebat. De IOBevaluatie bevat waardevolle bevindingen en aanbevelingen die hetkabinet omarmt en betrekt in toekomstige inspanningen. In die zin vormtde beleidsevaluatie een belangrijk ijkpunt om stil te staan bij aannames,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 793, nr. 2676 resultaten en te trekken lessen om het internationale klimaatbeleid en deuitvoering daarvan verder te verbeteren. De evaluatie blijft dan ookonderdeel van de leeragenda.Het kabinet ziet in de aanbevelingen steun voor de reeds ingezette koersop het gebied van het verbeteren van monitoring- en evaluatiesystemen,de aandacht voor kwetsbare groepen en het ontwikkelen van geïnte-greerde lange termijn ontwikkelingsstrategieën. De reconstructie van hetbeleid is ook een steun voor het staande beleid op het gebied van hetbevorderen van private investeringen die additioneel zijn aan publiekemiddelen alsook met betrekking tot de stappen die recent zijn gezet voorde operationalisering van het fonds voor schade en verlies waarNederland aan heeft bijgedragen. Het belang van coherentie tussen hetbinnenlands en internationale klimaatbeleid past bij de toegenomenaandacht hiervoor in beleidsontwikkeling, waarbij verdere keuzes aan eennieuw kabinet zijn.De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,E.N.A.J. SchreinemacherTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 793, nr. 2677
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
8e30c3c6-b268-4eaa-a306-f1d3c7cc0f6a
61debatten
2.013bijdragen
11interrupties
205.972woorden in uitspraken