KamerkringInloggen
Eppo Bruins

Officieel Kamerprofiel

Eppo Bruins

35debatten
2.637bijdragen
7interrupties
221.832woorden in uitspraken

Partijen door de tijd: ChristenUnie (2015-12-02–2021-03-30) ·

Bijdragen bij de geselecteerde bron

Open de volledige bron →
4 jul 2025 · Kamerstuk

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 1211 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 4 juli 2025Van 1 september 2017 tot 1 september 2023 heeft een experimentflexstuderen plaatsgevonden, na een voorstel van de Landelijke Studen-tenvakbond (LSVb). Het experiment beoogde om studenten te latenbetalen per studiepunt voor het onderwijs dat zij van plan zijn te volgen,naar rato van het wettelijke collegegeld met een toeslag van 15% vooradministratiekosten. Het idee was dat hiermee de keuzevrijheid enzelfontplooiing van de student meer centraal komen te staan.Het experiment flexstuderen heeft nuttige inzichten opgeleverd. Flexstu-deren kan voor sommige studenten in bijzondere omstandigheden eenverschil maken. Deze studenten hebben baat bij een flexibel studietempo.Echter kan ik op basis van de uitgevoerde nadere verkenning niet andersdan concluderen dat een wettelijke verankering van het experimentflexstuderen voor initieel vervolgonderwijs niet voor de hand ligt. Het isgeen doelmatig en doeltreffend instrument om de specifieke doelgroepente ondersteunen. In het vervolg van deze brief licht ik toe hoe ik tot dezeconclusie ben gekomen aan de hand van de inzichten uit de nadereverkenning.Hiermee kom ik tegemoet aan de toezegging gedaan tijdens debat hogeronderwijs en DUO op 23 april 20251 (Kamerstuk 31 288, nr. 1203). Eerderheeft mijn voorganger, tijdens de behandeling van het wetsvoorstelleeruitkomsten op 7 maart 2024, uw Kamer toegezegd een contourenbriefte sturen over het beleidstraject flexstuderen2. Met deze brief beschouw ikbeide toezeggingen en de in de bijlage benoemde moties als afgedaan.1TZ202504-1382TZ202403-013 kst-31288-1211ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12111 VerkenningGedurende de looptijd van dit experiment heeft uw Kamer enkele motiesaangenomen over flexstuderen. De motie Wiersma c.s.3 riep (onderandere) op flexstuderen te verankeren in een wetsvoorstel dat uiterlijkseptember 2023 in werking zou moeten treden. De motie Van der Woudec.s.4 vraagt om te verkennen of er behoefte bestaat aan betalen perstudiepunt onder reguliere studenten, en dit mee te wegen in het(voorgenoemde) wetsvoorstel. De motie Kwint c.s.5 verzoekt omonderzoek te doen naar de gevolgen van brede invoering vanflexstuderen.Naar aanleiding van deze moties is eind 2023 een verkenning gestart naarde behoefte aan flexstuderen binnen het initieel vervolgonderwijs en degevolgen daarvan. In totaal hebben 5 instellingen gereageerd, verspreidover het land.6 Deze instellingen hebben tevens allen deelgenomen aanhet experiment flexstuderen. De uitkomsten van de verkenning sluitengrotendeels aan bij de resultaten uit de eindevaluatie van het experimentflexstuderen.7BehoefteHet bleek dat bij de huidige studentpopulatie van initiële opleidingenbinnen deze instellingen vooral sprake was van behoefte aan betalen perstudiepunt onder een beperkte, diverse groep van (met name) studentendie te maken hebben met bijzondere omstandigheden. Zelfs bij deinstellingen met een open inschrijving, dat wil zeggen waarbij allestudenten zich konden aanmelden voor betalen per studiepunt, bleef hetaantal flexstudenten laag (minder dan 5%).Vrijwel alle studenten die hiervoor kozen hadden een reden waardoor zeniet binnen de nominale studieduur (konden) afstuderen. Daarbij was hetafronden van de studie een van de meest genoemde redenen: studentenkozen om financiële redenen voor betalen per studiepunt, omdat ze nogmaar enkele studiepunten moesten behalen. Daarnaast kozen studentenmeestal om persoonlijke redenen voor betalen per studiepunt, zoals eenchronische aandoening of functiebeperking, gezondheid (burn-out),zorgtaken (mantelzorg), zwangerschap, topsport en het combineren vanwerk en studie. Verder bleek uit de verkenning dat eerstejaarsstudentenen deeltijdstudenten slechts zeer beperkt gebruik hebben gemaakt vanbetalen per studiepunt.8 In overgrote meerderheid (meer dan 90%) ginghet om voltijd ouderejaarsstudenten.UitvoerbaarheidDe verkenning heeft ook uitgewezen dat flexstuderen binnen het huidigebekostigingssysteem voor initiële opleidingen alleen uitvoerbaar is indienwe kunnen garanderen dat maximaal 10% van de totale studentpopulatiebinnen een instelling hiervan gebruik maakt. Wordt die 10% limietoverschreden, dan zal dat grote gevolgen hebben voor de administratie,3Kamerstukken II 2019/2020, 31 288, nr. 8414Kamerstukken II 2021/2022, 31 288, nr. 9565Kamerstukken II 2021/2022, 31 288, nr. 957.6Universiteit van Amsterdam, Tilburg University, Universiteit Utrecht, Hogeschool Utrecht enHogeschool Windesheim.7https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/11/15/onderzoeksrapport-eindevaluatie-experiment-flexstuderen.8Bij één instelling (Hogeschool Utrecht) ging het bij 30% van de flexstudenten om deeltijdstu-denten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12112 organisatie en financiën van de instelling.9 Voor het inregelen vanflexstuderen kan namelijk geen gebruik worden gemaakt van bestaandesystemen, maar is maatwerk nodig. Dit terwijl dit kabinet de administra-tieve lasten voor instellingen juist wil verlagen.AfbakeningEr is daarom ook onderzocht of het mogelijk is om de 10% limiet tegaranderen door wettelijk vast te leggen welke studenten gebruik mogenmaken van flexstuderen. Hiertoe is bekeken welke specifieke doelgroepener het meeste gebruik van zouden maken. Daaruit kwam naar voren datstudenten met een handicap of chronische ziekte (5–10%) of studenten diemantelzorg verlenen (6–8%) verreweg de twee grootste groepen zijn.10Het blijkt helaas niet mogelijk om bij wet een sluitende definitie te gevenvan deze doelgroepen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld studenten met eenbestuursfunctie of studenten die topsport beoefenen.Zonder een sluitende definitie van de twee groepen studenten, bestaat hetrisico bij invoering dat het percentage flexstudenten op termijn boven de10% kan uitkomen met ingrijpende financiële en uitvoeringstechnischegevolgen voor de instellingen, DUO en Studielink. Dit risico staat helaasniet in verhouding tot de relatief beperkte doelgroep die gebruik zalmaken van flexstuderen. Niet omdat de behoefte onder deze doelgroepaan flexstuderen wordt betwijfeld, maar omdat brede invoering binnenhet huidige systeem voor initiële opleidingen te ingrijpende gevolgenheeft.De hogere kosten en onzekerdere inkomsten voor instellingen staan ookhaaks op de wens voor stabiliteit in de bekostiging. Ik refereer hierbij aanmijn recente Beleidsbrief11 waarin een verkenning wordt aangekondigdnaar aanpassingen in de bekostigingssystematiek.StudiefinancieringDaarnaast bestaat er een spanningsveld tussen flexstuderen en hetstudiefinancieringsstelsel. Flexstuderen faciliteert in deeltijd studeren voorstudenten in initiële opleidingen, terwijl het studiefinancieringsstelsel isgebaseerd op voltijd studeren. Bij studeren in deeltijd worden studentengeacht in het eigen levensonderhoud en in de kosten voor de studie tevoorzien. Ook biedt flexstuderen ruimte om langer te studeren, terwijl hetstudiefinancieringsstelsel juist stimuleert om nominaal of binnen eenredelijke termijn af te studeren. Bij een grote uitrol van flexstuderen zoudit grote consequenties hebben voor het studiefinancieringsstelsel.Flexstuderen vraagt mogelijk om fundamentele aanpassingen in hetstelsel: moeten bijvoorbeeld deeltijdstudenten recht krijgen op studiefi-nanciering? Of moet studiefinanciering naar deeltijdrato worden uitge-keerd? En is de diplomatermijn van in beginsel 10 jaar ook bij flexstuderentoereikend? De mogelijke impact op het stelsel, de uitvoerbaarheiddaarvan door DUO en de mogelijke financiële gevolgen daarvan staan nietin verhouding tot de relatief beperkte doelgroep die gebruik zal makenvan flexstuderen in initiële opleidingen.9Kamerstukken II 2022/2023, 31 288, nr. 1061.10Uit verschillende onderzoeken blijkt dat tussen de 5% en 10% van alle studenten te makenheeft met een handicap of chronische ziekte en uit diverse kleinschalige onderzoeken bijverschillende instellingen blijkt dat tussen de 6% en 8% van de studenten naast hun studie ookde langdurige zorg heeft voor een zieke naaste.11Kamerstukken II 2024/2025, 31 288, nr. 1185Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12113 Andere voorzieningenUit bovenstaande blijkt dat er geen sprake is van een grote behoefte aanzelfontplooiing door middel van flexstuderen onder reguliere initiëlestudenten. Daarvan is eigenlijk alleen sprake bij specifieke doelgroepen.Als alleen specifieke doelgroepen profijt hebben van betalen perstudiepunt, is het vervolgens de vraag of het wettelijk verankeren vanflexstuderen het meest doelmatige instrument is om deze doelgroepen teondersteunen. Voor deze studenten geldt dat er al verschillende (finan-ciële) voorzieningen, regelingen en mogelijkheden bestaan die in hunbehoeften kunnen voorzien, zoals het studentenondersteuningsfonds.Overige moties omtrent flexstuderenIn aanvulling op de voornoemde moties heeft uw Kamer in de periode2021 tot en met 2023 ook nog verschillende andere moties aangenomendie betrekking hebben op het mogelijk maken van flexstuderen voorstudenten. Zo is een motie van de leden Van der Woude en Van der Laan12aangenomen, die het kabinet verzoekt om inwerkingtreding van de wetflexstuderen per collegejaar 2025–2026 mogelijk te maken. Door degebleken juridische en uitvoeringstechnische complexiteit bleek invoeringvan de wet flexstuderen per studiejaar 2025–2026 geen realistisch tijdpad.In relatie tot studentbestuurders verzoekt de motie van de leden Martens-America c.s.13 mij om met onderwijsinstellingen in overleg te gaan overde mogelijkheid van het collegegeldvrij besturen.14 Mijn ambtsvoor-ganger heeft reeds voor indiening van deze motie met instellingengesproken en daarbij een moreel appèl gedaan op instellingen om hiertoeover te gaan (als ze dat nog niet deden) en ik heb dat appèl onlangsherhaald. Daarbij biedt de wet reeds faciliteiten om besturen en studerente combineren. Wanneer dit leidt tot studievertraging kan bijvoorbeeldeen beroep worden gedaan op het studentenondersteuningsfonds.De overige moties in bijlage 1 gaan over het meenemen van zaken in deuitwerking van flexstuderen, zoals de vraag hoe instellingen dit in zoveelmogelijk vergelijkbare vormen kunnen aanbieden15 en het waarborgenvan de rol van de medezeggenschap.16Conclusie en vervolgOntegenzeggelijk heeft het experiment flexstuderen nuttige inzichtenopgeleverd. In dat opzicht is het experiment geslaagd. Op basis van denadere verkenning kan ik echter niet anders dan concluderen datflexstuderen geen doelmatig en doeltreffend instrument is om despecifieke doelgroepen in het initieel vervolgonderwijs te ondersteunen.Dat gezamenlijk met de uitvoeringstechnische bezwaren maakt dat eenwettelijke verankering van het experiment flexstuderen in het initieelvervolgonderwijs niet voor de hand ligt. In de toekomst, wanneer isvoorzien dat er een steeds grotere rol zal zijn voor LLO, zal het vraagstukvan «betalen per studiepunt» als vorm van financiering van hetpost-initieel onderwijs mogelijk opnieuw een rol spelen. Zoals eerdergemeld, zal ik begin volgend jaar de uitkomst van de verkenning naar eenmogelijke wettelijke opdracht voor LLO met uw Kamer delen.12Kamerstukken II 2022/2023, 36 360 VIII, nr. 1013Kamerstukken II 2023/2024, 36 136, nr. 14.14Ex artikel 7.47a WHW15Kamerstukken II 2021/2021, 31 288, nr. 95616Kamerstukken II 2021/2022, 31 288, nr. 958Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12114 Om deze belangrijke doelgroepen in het initieel vervolgonderwijs, diegebruik zouden maken van flexstuderen, te blijven ondersteunen zie ikliever dat de maatwerkvoorzieningen die er nu al zijn voor studenten,zoals het studentenondersteuningsfonds, beter worden benut. In dekomende periode wordt onderzocht hoe de instellingen in de praktijkuitvoering geven aan het leveren van dit maatwerk en waar kansen enpunten voor verbetering liggen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aande motie Tseggai17.De uitkomsten van dit onderzoek verwacht ik begin 2026 en zal ik met uwKamer delen, zoals ook toegezegd in de Kamerbrief Toegankelijkheid enDoorstroom in het hbo en wo18.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. Bruins17Kamerstukken II 2023/2024, 31 288, nr. 114318Kamerstukken II 2024/2025, 31 288, nr. 1188Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12115 BIJLAGEMet deze brief beschouw ik de volgende moties als afgedaan:–Kamerstukken II 2021/2022, 31 288, nr. 956: Motie van de leden Van derWoude, De Hoop, Van der Molen en Goudzwaard, waarin de Minister isverzocht te verkennen hoe groot de brede behoefte aan flexstuderenis, uitgesplitst naar bachelor- en masterstudenten, en dat mee tewegen in het voorstel voor verankering in de wet en te verkennen hoede instellingen flexstuderen in een zo veel mogelijk vergelijkbare vormkunnen aanbieden.–Kamerstukken II 2021/2022, 31 288, nr. 957: Motie van de leden Kwinten Westerveld, waarin het kabinet wordt verzocht uitgebreid en zoprecies mogelijk te onderzoeken wat de gevolgen zijn van een bredeinvoering van flexstuderen voordat het flexstuderen wordt ingevoerd.–Kamerstukken II 2021/2022, 31 288, nr. 958: Motie van het lid Wester-veld, waarin de regering wordt verzocht om in het wetsvoorstelflexstuderen de positie van de medezeggenschap, specifiek die van deopleidingscommissies, te waarborgen.–Kamerstukken 2022/2023, 36 300 VIII, nr.10: Motie van de leden Van derWoude en Van der Laan, waarin het kabinet is verzocht parallel aanandere processen te werken aan deze wet om een realistisch tijdpadvan wetsbehandeling met oog op inwerkingtreding in collegejaar2025–2026 mogelijk te maken en tevens de wet los te trekken van detoekomstverkenning, beleidsreactie en andere processen als die hetproces dreigen te vertragen.–Kamerstukken II 2023/2024, 36 136, nr. 14: Motie van de ledenMartens-America, Paternotte en Krul, waarin de regering is verzocht inoverleg te gaan met onderwijsinstellingen, zodat studenten die eenbestuursjaar doen en daardoor collegegeldvrij studeren niet volledigworden uitgesloten van het volgen van onderwijs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12116

Bron, video en gesprek →