Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–2026Aanhangsel van de HandelingenVragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door deregering gegeven antwoorden1141Vragen van het lid Flach (SGP) aan de Ministers van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur en van Infrastructuur en Waterstaat over debijdrage van de landbouw aan de nutriëntenbelasting van hetoppervlaktewater. (Ingezonden 7 januari 2026).Antwoord van Minister Wiersma (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid enNatuur), mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat(ontvangen 19 februari 2026).Vraag 1Heeft u kennisgenomen van het bericht «PBL rekent watervervuiling (stikstofen fosfor) uit andere bronnen toe aan landbouw» en de publicatie van hetCompendium voor de Leefomgeving waarnaar wordt verwezen?1 2Antwoord 1Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.Vraag 2Waarom wordt in de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregis-tratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, denutriëntenbelasting van het oppervlaktewater door stikstofdepositie oplandbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater op het contovan de landbouw geschreven?Antwoord 2Binnen de Emissieregistratie worden emissies toegerekend aan de verschil-lende sectoren, zoals landbouw, industrie en verkeer. Daarvoor is het nodigvast te stellen welke bronnen aan de sectoren worden toegerekend. In detoerekening van bronnen aan sectoren worden ook de minder goed beïn-vloedbare bronnen meegerekend, omdat ook deze bronnen een bijdrageleveren aan de totale nutriëntenopgave. Het is echter niet zo dat externinlaatwater aan de sector landbouw wordt toegerekend.1Stichting Agri Facts, 27 december 2025, «PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor) uitandere bronnen toe aan landbouw», (https://stichtingagrifacts.nl/pbl-rekent-watervervuiling-stikstof-en-fosfor-uit-andere-bronnen-toe-aan-landbouw/)2Compendium voor de Leefomgeving, 18 november 2025, «Belasting van het oppervlaktewatermet vermestende stoffen, 1990–2023», (https://www.clo.nl/indicatoren/nl019226-belasting-van-het-oppervlaktewater-met-vermestende-stoffen-1990-2023) ah-tk-20252026-1141ISSN 0921 - 7398’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Aanhangsel1 Voor de sector landbouw is uitgegaan van de uit- en afspoeling vanlandbouwgronden, direct meemesten van sloten, lozingen vanuit deglastuinbouw en erfemissies. In de uit- en afspoeling van landbouwgrondenzit ook de bijdrage van kwel en bodemprocessen zoals de mineralisatie vanveengrond. De kennisinstellingen achter Emissieregistratie beargumenterendat kwel en mineralisatie van veen deels een gevolg zijn van keuzes in hetwaterbeheer ten behoeve van agrarisch gebruik.Deze bronnen die in de uit-en afspoeling van landbouwgronden zijn opgenomen, worden dus nietvolledig aan landbouw toegeschreven. Anderzijds wordt bij de bronnen voorde verontreiniging van oppervlaktewater de post «depositie op open water»apart onderscheiden. Deze post bestaat voor stikstof gemiddeld voor de helftuit stikstof afkomstig van landbouw.De Emissieregistratie maakt een pragmatische keuze om deze bronnen toe tedelen aan sectoren. Deze registratie is vooral bedoeld om trendmatigeontwikkelingen weer te geven en niet om op basis van deze toedelingenbeleidsmatige keuzes voor afzonderlijke sectoren te maken. Bij de bronnen-analyse (zie het antwoord op de vragen 7 en 8) was wel het doel ombeleidsmatige keuzes te maken. Daarom zijn daarin aanvullende uitgangspun-ten gekozen.Vraag 3Bent u bereid ervoor te zorgen dat in de landelijke emissieregistratie en hetCompendium voor de Leefomgeving verschil wordt gemaakt tussen delandbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling enerzijds en stikstofdeposi-tie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwateranderzijds?Antwoord 3Zie het antwoord op vraag 2. De instituten die gezamenlijk aan de Emissiere-gistratie werken (CBS, RIVM, Deltares, WUR en PBL) stellen in onderlingoverleg vast op welke wijze de emissies worden geregistreerd en toegere-kend. Ik ga er van uit dat deze kennisinstellingen op een eerlijke en betrouw-bare wijze inzicht geven in de bijdrage van de verschillende sectoren. Ik gauw verzoek wel overbrengen aan de kennisinstellingen. Het is vervolgens aanhen om te wegen welke informatie betrouwbaar genoeg is om weer te geven.De instituten hebben naar aanleiding van de gerezen vragen, zoals onderandere door Agrifacts zijn gesteld, reeds de omschrijving van de bronlandbouwgronden op het Compendium voor de Leefomgeving (CLO)verduidelijkt.Vraag 4Waarom is in de rapportage op grond van artikel 10 van de Nitraatrichtlijnwat betreft de uit- en afspoeling bij landbouwgronden geen verschil gemaakttussen de directe bijdrage van bemesting enerzijds en de bijdrage vanstikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en externinlaatwater anderzijds?3Antwoord 4In de Nitraatrapportage wordt gebruik gemaakt van verschillende meetnettenom te rapporteren over de waterkwaliteit in Nederland. In de monitoring vande waterkwaliteit is het niet altijd mogelijk een onderscheid te maken tussende verschillende bronnen die bijdragen aan de nutriëntenbelasting.Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is ontwikkeld om het effectvan het Nederlandse mestbeleid op de nutriëntenemissies, en vooral denitraatemissie, uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater temeten en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk op dezeemissie te volgen. Met het LMM kunnen zo de effecten van de actieprogram-ma’s in beeld worden gebracht (zie Hoofdstuk 2 in Nitraatrapportage 2024). Inhet LMM wordt zo dicht mogelijk bij de bron gemeten, namelijk op delandbouwpercelen zelf en in de aangrenzende sloten.3RIVM, 28 november 2024, «Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2020–2023) en trend (1992–2023) Resultaten van de monitoring van de effecten van de EU Nitraat-richtlijn actieprogramma’s, 2024», https://www.rivm.nl/publicaties/landbouwpraktijk-en-waterkwaliteit-in-nederland-toestand-2020-2023-en-trend-1992-2023)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Aanhangsel2 Voor de rapportage van het grondwater dieper dan 5 meter onder hetmaaiveld wordt gebruik gemaakt van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwali-teit (LMG). Voor dit meetnet wordt in de monitoringsgegevens een onder-scheid gemaakt tussen verschillende typen van landgebruik (voor deNitraatrapportage wordt voor het LMG onderscheid gemaakt in de catego-rieën landbouw, natuur en overig). Indien dit het geval is, wordt dit duidelijkaangegeven in de begeleidende tekst.Bij de meetnetten voor het oppervlaktewater is het niet altijd mogelijk ditonderscheid te maken vanwege de specifieke opzet van deze meetnetten,zoals het geval is bij de KRW-monitoringslocaties. Aan het begin vanhoofdstuk 6 (zie Figuur 6.1–6.4) van de Nitraatrapportage (over oppervlakte-water) wordt ingegaan op de verschillende bronnen van nutriënten in hetoppervlaktewater waarbij onder andere een onderscheid wordt gemaakttussen uit- en afspoeling vanuit natuurgronden en uit- en afspoeling vanuitlandbouwbronnen. Daarnaast worden de monitoringsgegevens over denutriëntenbelasting en (deels ook voor) eutrofiëring van het oppervlaktewaterafzonderlijk getoond voor landbouwspecifieke oppervlaktewateren, regionaleKRW-wateren en KRW-Rijkswateren. Hierbij wordt opgemerkt dat de invloedvan belasting vanuit de landbouw op deze wateren afneemt in de volgordevan landbouwsloten, landbouwspecifieke wateren, regionale KRW-wateren enKRW-Rijkswateren.Vraag 5Is de Europese Commissie (EC) geïnformeerd over de landelijke bronnenana-lyse van Wageningen Environmental Research en de daarin genoemderelatieve landbouwbijdrage via bemesting en erfafspoeling?Antwoord 5Ja. De Europese Commissie (EC) is op 14 juli 2025 geïnformeerd over deLandelijke bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research (WEnR).Vraag 6Kunt u aangeven of de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissiere-gistratie en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, een rolhebben gespeeld bij de besluitvorming over en de afwijzing van de derogatievoor Nederland door de EC? Zo ja, welke?Antwoord 6De EC heeft in haar reactie op het verzoek voor een nieuwe derogatie eeneigen analyse opgenomen van de ontwikkeling van de waterkwaliteit4. De ECheeft zich voor de analyse van de waterkwaliteit in Nederland gebaseerd opmonitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Nitraatrappor-tage van de periode 2020–2023 en monitoringsgegevens vanuit het LMM5.Voor wat betreft het aandeel van de verschillende bronnen in de nutriënten-belasting van het Nederlandse oppervlaktewater wordt in de Nitraatrappor-tage verwezen naar de Emissieregistratie 2024. Daarnaast wordt in de bijlagebij de brief van Eurocommissaris Roswall ook verwezen naar monitoringsge-gevens die zijn aangeleverd in het kader van de Kaderrichtlijn Water.Vraag 7 en 8Kunt u aangeven in hoeverre de normstelling voor Kaderrichtlijn Water(KRW)-waterlichamen door waterschappen en provincies is gebaseerd opbronnenanalyses?Kunt u aangeven in hoeverre bij de KRW-normstelling onderscheid isgemaakt tussen de daadwerkelijke bijdrage van de landbouw via bemestingen erfafspoeling enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouw-gronden, bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?4Kamerstukken vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6375https://www.stowa.nl/nieuws/handreiking_krw_doelen en https://iplo.nl/thema/water/documenten/oppervlaktewaterkwaliteit/kaderrichtlijn-water/uitvoering-krw/krw-impulsprogramma/handreiking-technische-doelaanpassing/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Aanhangsel3 Antwoord 7 en 8Regionale overheden mogen bij het afleiden van doelen voor nutriëntenrekening houden met natuurlijke processen. Daarvoor zijn handreikingenopgesteld. Zo kan rekening worden gehouden met de zogenaamde «natuur-lijke achtergrondbelasting». Daarbij hebben de waterbeheerders regionalekennis van de verschillende bronnen gebruikt en is er rekening gehouden metde specifieke gebiedskenmerken. De KRW-normstelling is een doelwaarde diepast bij wat ecologisch nodig is voor het KRW-waterlichaam. Er bestaat dusgeen aparte «norm voor landbouw» en een «norm voor kwel». Bronnenanaly-ses helpen bij het bepalen waar de belasting vandaan komt en welkemaatregelen nodig zijn. Alle waterschappen werken daarbij op basis van eenhandreikingen die door het Rijk is opgesteld.Vraag 9Is voor alle waterlichamen de nutriëntenbelasting van kwelwater en bodemle-verantie verrekend in de nutriëntennormen?Antwoord 9Zie het antwoord op de vragen 7 en 8. Als er meer recente en betereinformatie beschikbaar is, dan zijn en worden de nutriëntennormen daaropaangepast. Ook kan in bepaalde gevallen gebruik worden gemaakt vanlegitieme uitzonderingen, als KRW-normen niet tijdig worden behaald. Ziedaarvoor de informatie die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaatnaar uw Kamer is gestuurd, zoals (Kamerstuk 27625, nr. 716).Vraag 10Is het u bekend dat waterschappen en provincies verschillend omgaan methet al dan niet verrekenen van natuurlijke bronnen van nutriëntenbelasting inde normen, waardoor deze normen mogelijk strenger zijn dan nodig is? Hoewaardeert u dat?Antwoord 10Zoals in het antwoord op vragen 7 en 8 is aangegeven is er enerzijds sprakevan een uniforme werkwijze die in de handreiking is beschreven, enanderzijds kan dit worden ingevuld met gebiedsspecifieke kenmerken. Het isbekend dat er verschillen kunnen optreden in de manier waarop doorwaterschappen natuurlijke omstandigheden (zoals kwel, bodemtype enhydromorfologie) worden meegewogen in de onderbouwing van KRW-doelen. Dat hangt samen met verschillen in gebiedskenmerken. In hetWetgevingsoverleg Water van 2 februari jl. is door de Minister van IenW aanhet lid Van der Plas (BBB) toegezegd om de Kamer te informeren over hetgesprek met de waterschappen in het Bestuurlijk Overleg Kaderrichtlijn Water(BO KRW) over het verwerken van natuurlijke achtergrondconcentraties in deKRW-doelen.Vraag 11Welk ander beleid en andere regelgeving wordt gebaseerd op de eerdergenoemde emissiecijfers?Antwoord 11De Emissieregistratie inventariseert veel gegevens van verschillende bronnen.Dat gaat ook verder dan alleen de bronnen voor water. Deze informatie wordtin veel beleidstrajecten toegepast.Vraag 12Kunt u aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de landelijkebronnenanalyse van Wageningen Environmental Research en de eigenregionale bronnenanalyses van waterschappen? In hoeverre is sprake vanverschillen in de toewijzing van bronnen?Antwoord 12Voor het opstellen van de landelijke bronnenanalyse door WEnR is samenge-werkt met de waterschappen en is gebruikgemaakt van de data en kennis vande waterschappen en de regionale bronnenanalyses van de waterschappen,indien deze beschikbaar waren. Voor de landelijke bronnenanalyse is op eenlandelijk geharmoniseerde wijze een methodiek gevolgd voor de toewijzingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Aanhangsel4 van alle bronnen. De regionale analyses worden uitgevoerd voor eenafgebakende regio, met keuzes die bij die regio passen. De regionale analysesverschillen onderling, bijvoorbeeld de wijze waarop wordt omgegaan met hetingelaten water vanuit het hoofdwatersysteem.Vraag 13Acht u het verstandig om, gelet op de grote verschillen in waterkwaliteitspro-blemen en de relatieve bijdrage van landbouwbemesting tussen de verschil-lende regio’s, in te zetten op het niet aanwijzen van heel Nederland alskwetsbaar gebied op grond van de Nitraatrichtlijn dan wel het vaststellen vanverschillende actieprogramma’s voor verschillende regio’s, inclusief eventuelederogaties passend bij de regionale waterkwaliteitsproblematiek?Antwoord 13Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. Conform artikel 3, vijfdelid, van de Nitraatrichtlijn, zijn de verplichtingen die voortvloeien uit deNitraatrichtlijn op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing.De motie Flach en Grinwis6 verzoekt de regering om bij vaststelling van het8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma vantoepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. Lidstaten zijn verplichtop grond van criteria genoemd in bijlage I van de Nitraatrichtlijn vast testellen welke wateren door verontreiniging worden beïnvloed en welkewateren zouden kunnen worden beïnvloed indien maatregelen achterwegezouden blijven. In de beantwoording op Kamervragen van het lid De Vos(Fvd) is reeds aangegeven dat ik in lijn met de motie Flach en Grinwis enconform het Hoofdlijnenakkoord aan de Commissie van DeskundigenMeststoffenwet (CDM) heb gevraagd om hierover te adviseren7. Zoals in debrief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aanuw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogrammaovergelaten aan een nieuw kabinet8. Op 26 januari 2026 is aan uw Kamer deonderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actiepro-gramma aan uw Kamer toegestuurd. Hierbij is ook het voornoemde adviesvan de CDM gevoegd. Ik laat de besluitvorming naar aanleiding van ditadvies over aan het volgende kabinet.6Kamerstukken II, 2024/25, 28 973, nr. 278.7Kamerstukken II, 2025/26, Aanhangsel, 7668Kamerstukken II, 2025/26, 33 037, 635.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Aanhangsel5
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
c49eddcf-3f41-4161-a94d-b4cb91c4b4a6
20debatten
893bijdragen
8interrupties
120.486woorden in uitspraken