Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 452Initiatiefnota van het lid Beckerman: «Red decamping»Nr. 3 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 26 mei 2025Tijdens de begrotingsbehandelingen in oktober, verzocht het lidBeckerman via een aangenomen motie om te reageren op haar initia-tiefnota «Red de camping»1 (Kamerstuk 36 600 XIII, nr. 42). Met deze briefvoldoe ik aan dat verzoek, de beantwoording wordt mede namens deMinister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verzonden.Wegens de benodigde afstemming heeft de beantwoording helaas langergeduurd dan gewenst. Dit betreur ik.Ik dank het lid Beckerman voor het opstellen van deze initiatiefnota envoor haar inzet voor recreanten met een vaste standplaats op eencamping of een recreatiepark. De nota gaat, kort samengevat, in op deproblematiek van het opkopen van campings en recreatieparken doorgrote investeerders. Deze problematiek herken ik, evenals de in deinitiatiefnota beschreven omstandigheid dat dit ten koste kan gaan van debestaande recreanten die, zo stelt de nota terecht, niet zelden al decen-nialang of generaties lang op dezelfde camping of hetzelfde recreatieparkstaan.Ik wil echter niet onvermeld laten dat er ook vakantieparken of recreatie-parken zijn waar overnames kunnen leiden tot vitalisering. Van de velerecreatieparken in Nederland zijn er immers ook minder goed functione-rende. Met het economisch gezond houden van vakantieparken kansociale problematiek of veiligheidsproblematiek worden voorkomen. Erdient daarom niet alleen aandacht te zijn voor (de gevolgen van) hetopkopen van campings en recreatieparken zoals vermeld in de initia-tiefnota, maar ook voor het vitaal houden ervan. Deze thema’s, en deandere thema’s zoals vermeld in de brief aan uw Kamer van 8 mei 20242zijn nauw met elkaar verbonden. In de brieven aan uw Kamer van 29 juni1Kamerstuk 36 452, nr. 2.2Kamerstuk 32 847, nr. 1176. kst-36452-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 452, nr. 31 20233 en 8 mei 2024 is uiteengezet waarom het belangrijk is dat deproblematiek op en rondom vakantieparken breed en in samenhang wordtaangepakt. De verschillende, met elkaar verweven thema’s komen samenin een integrale aanpak vakantieparken, waarbij de Ministeries van EZ,VRO, BZK, J&V, VWS en SZW samenwerken, ieder ministerie een eigenbijdrage levert en waarbij VRO tot op heden coördinerend is. De betrokkenministeries en medeoverheden, en waar nodig en mogelijk anderepartijen, werken samen aan deze integrale aanpak.In de initiatiefnota worden voorstellen gedaan om1.De opkoop van campings door roofinvesteerders te stoppen,2.De recreanten met een vaste standplaats te beschermen, en3.De natuur en omgeving te beschermen.Graag reageer ik op deze voorstellen. Ik doe dat door zoveel mogelijkpuntsgewijs in te gaan op de acht punten waarop de initiatiefnemer eenconcrete actie vraagt.1. Leg het huurrecht en de huurbescherming voor recreanten met eenvaste standplaats wettelijk vast. Het huurrecht van recreanten met een vaste standplaats is wettelijkgeregeld in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Het daarin opgenomenalgemeen huurrecht regelt de rechten en plichten van huurders enverhuurders, zoals huurbetaling, huurtermijnen, gebruik van hetgehuurde, opzegging, etc. Bij brief van 6 juli 20224 heeft de (toenmalig)Minister voor VRO uw Kamer het Onderzoek Opkopen vakantieparken vanjuni 2022 toegezonden. Dit onderzoek is samen met mijn ministeriegedaan ter uitvoering van twee moties van het lid Beckerman5. Ookhebben mijn voorganger en de (toenmalig) Minister voor VRO uw Kamerbij de brief van 6 juli 2022 geïnformeerd dat zij de conclusie van deonderzoekers in dit rapport onderschrijven dat het niet proportioneel isom huurbescherming zoals die voor woningen bestaat, in te zetten voorde recreatiemarkt.2. Leg wettelijk vast dat recreanten met een vaste standplaats eerste rechtop koop hebben bij verkoop van hun camping of vakantiepark. Ik kan mij voorstellen dat recreanten met een jaarplaats die al decen-nialang of generaties lang op dezelfde camping of hetzelfde recreatieparkstaan, de opkoop van «hun» camping of vakantiepark als ingrijpendervaren. In een dergelijk geval is het mooi als het de recreanten lukt om,doorgaans in verenigingsverband, de camping te kopen van de (nieuwe)eigenaar. Dit betreft echter een privaatrechtelijke rechtshandeling tussentwee partijen: de recreanten/standplaatshouders en de eigenaar van hetpark.Wel onderzoekt de Minister van VRO, zoals uiteengezet in de brief van8 mei 20246, of en zo ja in hoeverre, het instrument van het voorkeurs-recht in de praktijk door gemeenten kan worden ingezet bij vakantie-parken, ook wanneer een functiewijziging (bijvoorbeeld van recreërennaar wonen) of een moderniseringslocatie niet aan de orde is. Eenvoorkeursrecht geeft een gemeente een eerste recht op koop en helptdaarmee de regievoering.3Kamerstuk 32 847, nr. 1070.4Kamerstuk 32 847, nr. 925.5Kamerstuk 32 847, nrs. 830 en 831.6Kamerstuk 32 847, nr. 1176, onderdeel 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 452, nr. 32 3. Leg wettelijk vast dat objecten, die niet meer verplaatsbaar zijn en dusgesloopt moeten worden, financieel vergoed worden door de onder-nemer, op basis van de marktwaarde van het object. Met marktwaardewordt de waarde bedoeld die het object had voordat het park verkochtwerd en de herstructureringsplannen werden aangekondigd. Dus in hetgeval dat je je object kunt verkopen op een standplaats. Immers, naverkoop van het park en na een huuropzegging is de marktwaarde van hetobject feitelijk nul. Dit betekent een groot financieel verlies voor recre-anten, omdat zij hun object niet meer kunnen verkopen. 4. Leg wettelijk vast dat recreanten met een verplaatsbaar object eenvergoeding voor de transportkosten krijgen op basis van daadwerkelijkgemaakte kosten. Het voorstel van de initiatiefnemer om deze aspecten bij wet vast teleggen, acht ik niet opportuun. De afspraken tussen park- dan welcampingeigenaar en vaste-standplaatshouder zijn vastgelegd in eenprivaatrechtelijke overeenkomst tussen beide partijen. De privaatrechte-lijke relatie tussen die partijen wordt behalve door het algemeenhuurrecht en het algemeen contractrecht, beheerst door aanvullendevoorwaarden die partijen afspreken, zoals de in overleg met de Consu-mentenbond en de ANWB tot stand gekomen RECRON-voorwaarden. DeRECRON-voorwaarden bevatten regels voor de situaties dat er voor eenkampeermiddel als een chalet of een stacaravan op het (geherstructu-reerde) terrein geen nieuwe standplaats beschikbaar is en/of het kampeer-middel door ouderdom of de staat waarin het verkeert, niet meer kanworden verplaatst.7In het geval er op het terrein geen plaats meer beschikbaar is, vergoedt opgrond van de RECRON-voorwaarden de eigenaar/exploitant van decamping/het vakantiepark de verplaatsingskosten vanaf de kampeerplaatstot buiten het terrein. De recreant heeft verder recht op een (vaste)tegemoetkoming in de kosten van de verplaatsing (transportkosten)buiten het terrein, bijvoorbeeld naar een ander vakantiepark. Als hetkampeermiddel niet meer kan worden verplaatst heeft de recreant verderrecht op een (vaste) tegemoetkoming in verband met de verwijdering vanhet kampeermiddel.Begin augustus 2022 stelde het lid Beckerman de (toenmalig) Ministervoor VRO en mijn voorganger de vraag of het in de huidige situatiewaarbij eigenaren van stacaravans en chalets wegens marktomstandig-heden weinig opties hebben voor een nieuwe standplaats, nog welredelijk en billijk is dat in de RECRON-voorwaarden bij herstructureringalleen over een verplaatsingsvergoeding en niet over een compensatiewordt gesproken.8 Het antwoord op die vraag luidt nog steeds dat deHISWA-RECRON zich bereid heeft verklaard om samen met de Consumen-tenbond en de ANWB de voorwaarden onder de loep te nemen om tebezien of modernisering ervan geboden is.95. Leg wettelijk vast dat jaarcontracten voor alle kampeermiddelen opgehuurde grond plaats moeten maken voor contracten voor onbepaaldetijd, met een opzegtermijn van minimaal twee jaar. De afspraken tussen vaste-standplaatshouder en park- dan wel campingei-genaar zijn vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst (eencontract) tussen beide partijen. De overeenkomst bevat onder meer7Artikel 12 van de Recron-voorwaarden voor vaste plaatsen.8Aanhangsel Handelingen II 2022/23, nr. 739.9Aanhangsel Handelingen II 2022/23, nr. 739.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 452, nr. 33 voorwaarden over de duur van de overeenkomst. Nu het hier gaat om eenprivaatrechtelijke aangelegenheid tussen partijen kan ik hier niet in treden.Het Burgerlijk Wetboek bevat de juridische basis voor een dergelijkeovereenkomst. Wijziging van het wettelijk algemeen contractrecht in dedoor de initiatiefnemer genoemde zin wordt als onwenselijk geacht,omdat daarmee andere thema’s van de integrale aanpak vakantieparkenvermeld in de brieven van de (toenmalig) Minister voor VRO van 29 juni202310 en 8 mei 202411, niet kunnen worden aangepakt, zoals vitaliseringvan vakantieparken.6. Stel bij een beoogde herstructurering van een camping of vakantieparkeen uitgebreid onafhankelijk onderzoek naar alle langetermijneffecten(natuur, verkeer, milieu) op de wijde omgeving wettelijk verplicht,ongeacht of het initiatief wel of niet past binnen de kaders die lokaal vantoepassing zijn. Bij een herstructurering kan sprake zijn van aanpassingen binnen het(lokale) planologische kader en van aanpassingen die daarbuiten vallen.Wanneer bij een herstructurering sprake is van aanpassingen die vallenbuiten de mogelijkheden die het geldende omgevingsplan (voorheenbestemmingsplan) biedt, zal een eigenaar/exploitant van een camping ofvakantiepark het gesprek met de gemeente moeten aangaan. Daaruit kanvolgen dat de gemeente bereid is om mee te werken aan de door deeigenaar/exploitant gewenste herstructurering. Bij de planologischeuitwerking van die herstructurering is men verplicht om te onderzoekenwat de (milieu)effecten van de ontwikkeling zijn voor de fysieke leefom-geving. Op grond van de Omgevingswet en de daarop gebaseerderegelgeving moet voor een nieuwe ontwikkeling die niet past binnen hetgeldende planologische kader namelijk sprake zijn van «een evenwichtigetoedeling van functies aan locaties».Bij een herstructurering binnen het (lokaal) van toepassing zijndeplanologische kader geldt dat de langetermijneffecten eerder al zijnonderzocht. Bij het vaststellen van het geldende omgevingsplan zijn debedoelde onderzoeken verricht zoals hierboven beschreven. Eenomgevingsplan kan geen ruimte bieden voor ontwikkelingen zoals eenherstructurering zonder dat de langetermijneffecten zijn of wordenonderzocht. In de situatie dat een omgevingsplan de ruimte biedt om deherstructurering op een later moment uit te werken, geldt dat de bedoeldeonderzoeken moeten worden verricht op het moment dat die uitwerkingplaatsvindt.Samengevat betekent dit dat het wettelijk altijd verplicht is om delangetermijneffecten van een ontwikkeling te onderzoeken. De langeter-mijneffecten zijn ofwel eerder al onderzocht ofwel moeten wordenonderzocht voordat de herstructurering mogelijk is.7. Stel een MKBA verplicht en gebruik hiervoor de effectrapportage (punt6) als onderlegger, zodat er een zorgvuldige afweging kan wordengemaakt. Een bestuursorgaan is wettelijk verplicht om een besluit zorgvuldig voorte bereiden door de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feitenen de af te wegen belangen (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuurs-recht). Ten behoeve van die zorgvuldige voorbereiding van een besluit kanhet soms zinvol zijn om als hulpmiddel een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) uit te voeren. Of, wanneer en op welke manier dit10Kamerstuk 32 847, nr. 1070.11Kamerstuk 32 847, nr. 1176.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 452, nr. 34 gebeurt is afhankelijk van het te nemen besluit. Op voorhand is het nietmogelijk om aan te geven of het inzetten van een MKBA in een concreetgeval zinvol is. Het instrument kan namelijk in sommige gevallen ook tezwaar zijn in het kader van besluitvorming. Het is daarom niet wenselijkom het uitvoeren van een MKBA bij de herstructurering/opkoop van eencamping of vakantiepark verplicht te stellen.8. Leg wettelijk vast dat een Bibob-toets bij de opkoop of herstructureringvan een camping of vakantiepark verplicht is. De Wet Bibob dient ter bescherming van de integriteit van de overheid; erkan mee worden voorkomen dat de overheid criminaliteit faciliteert. Dezewet kan dan ook worden ingezet bij allerlei rechtshandelingen waarbij deoverheid partij is, zoals bij het verlenen van een vergunning of subsidie.Ook kan de wet worden ingezet bij een vastgoedtransactie waarbij deoverheid bijvoorbeeld vastgoed verkoopt aan een private partij. Opvastgoedtransacties tussen twee private partijen onderling kan de WetBibob niet worden toegepast. De overheid kan in die situaties geenintegriteitscheck doen. In de meeste gevallen is het opkopen van eencamping een private aangelegenheid en dus kan de Wet Bibob dan nietworden ingezet.De Wet Bibob kan echter wel worden ingezet als voor de herstructureringvan een camping of vakantiepark op grond van de Omgevingswet eenomgevingsvergunning nodig is. De Omgevingswet maakt toepassing vande Wet Bibob mogelijk bij de beoordeling van aanvragen om eenomgevingsvergunning voor een aantal activiteiten, waaronder eenbouwactiviteit, een milieubelastende activiteit en een omgevingsplanacti-viteit. Een omgevingsplanactiviteit is een activiteit waarvoor op grond vanhet omgevingsplan een vergunning is vereist of een activiteit die in strijdis met het omgevingsplan.Op grond van de Omgevingswet is toepassing van de Wet Bibob ookmogelijk bij de beoordeling van aanvragen om een wijziging van hetomgevingsplan vast te stellen. Afhankelijk van lokaal beleid wordt hetBibob-instrument dan in een concreet geval ook werkelijk ingezet.Een andere mogelijkheid om de Wet Bibob in te zetten is als voor deexploitatie van de camping of het vakantiepark door de gemeente eenvergunning wordt vereist, op grond van artikel 7 van de Wet Bibob. Ookdan is de werkelijke inzet van het Bibob-instrument afhankelijk van heteigen Bibob-beleid van de gemeente.De inzet van de Wet Bibob is een discretionaire bevoegdheid. Het is dushet lokaal bestuur dat bepaalt of de wet in een concreet geval wordttoegepast. Een gemeente kan namelijk zelf het beste inschatten of de inzetal dan niet gerechtvaardigd is. Een landelijke exploitatievergunningplichtwordt niet proportioneel geacht: voor de ondernemer verhoogt dit deadministratieve lasten en voor de gemeente de bestuurlijke lasten. Eenlandelijke vergunningplicht doet daarnaast een (te groot) beroep op de(handhavings)capaciteit van gemeenten. Dat de branche kwetsbaar isvoor criminaliteit wordt echter onderkend. Daarom werken de Ministeriesvan VRO, VWS, EZ, SZW en JenV integraal samen aan een vervolgaanpakvan vakantieparken. Bij brief van 8 mei 202412 is uw Kamer geïnformeerdover deze (vervolg)aanpak van vakantieparken.12Kamerstuk 32 847, nr. 1176.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 452, nr. 35 Tot slotIk dank het lid Beckerman nogmaals voor de uitgebreide initiatiefnota ende waardevolle informatie die zij daarin heeft gegeven over de situatiesop vakantieparken.De Minister van Economische Zaken,D.S. BeljaartsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 452, nr. 36
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
f95b6b27-a2af-4b44-b4bd-06578faf3b06
45debatten
1.236bijdragen
9interrupties
185.853woorden in uitspraken