Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 637Bedrijfslevenbeleid33 009InnovatiebeleidNr. 670 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 3 april 2025Met deze brief informeer ik uw Kamer, mede namens de Staatssecretarisvan Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, over de uitkomstenvan de evaluatie van de Wet Bevordering Speur en Ontwikkelingswerk(WBSO) en de S&O-aftrek voor ondernemers die niet onder de loonhef-fingen vallen.Met dit rapport wordt invulling gegeven aan de verplichting fiscaleregelingen periodiek te evalueren conform de Regeling PeriodiekEvaluatieonderzoek (RPE). Met het evaluatieonderzoek wordt inzichtverkregen in de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling,alsook in de vraag of en waar verbeteringen nodig zijn. De voorgaandeevaluatie werd in 2019 afgerond en ging over de periode 2011–2017.1 Ditevaluatieonderzoek kijkt naar 2018–2022. In deze brief reflecteer ik op debelangrijkste bevindingen uit de evaluatie. Ook schets ik acties dieondernomen zullen worden ten aanzien van de aanbevelingen diedaaraan gekoppeld zijn.DoelstellingDe WBSO heeft als doel om een deel van de R&D-werkzaamheden bijbedrijven te stimuleren en een bijdrage te leveren aan een goed vesti-gingsklimaat voor R&D- bedrijven in Nederland. De WBSO is een generiekinnovatie-instrument met in 2022 een budget van € 1.336 miljoen (0,14%van BBP) gericht op het stimuleren van research & development (R&D) inden brede. Daarmee is het een belangrijk instrument in het kader van dedoelstelling om 3% van het BBP aan R&D uit te geven in Nederland. DeWBSO stimuleert een deel van R&D-werkzaamheden, aangeduid alsspeur- en ontwikkelingswerk (S&O). Criteria hierbij zijn dat het gaat omprojecten van technisch nieuwe innovaties, die zien op de ontwikkelingvan eigen producten, processen of programmatuur, of technisch-1Zie voor het rapport en de kabinetsreactie op de voorgaande evaluatie: Evaluatie WBSO2011-2017 | Rapport | Rijksoverheid.nl. kst-32637-670ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 637, nr. 6701 wetenschappelijk onderzoek. Bedrijven kunnen de kosten van S&Overlagen doordat zij een deel van die kosten in mindering mogen brengenop de af te dragen (loon)belasting. Dit betreft loonkosten en kosten ofinvesteringen die nodig zijn voor het verrichten van de werkzaamhedenbinnen S&O-projecten.De WBSO beoogt R&D te stimuleren omdat innovaties een breder effecthebben in de economie en maatschappij (kennisspillovers). MeerR&D-activiteiten zouden hiernaast ook moeten leiden tot betere econo-mische prestaties bij bedrijven. Daarnaast is een belangrijk doel van deWBSO om het vestigingsklimaat2 te bevorderen voor R&D bedrijven inNederland. De WBSO, maar ook de innovatiebox, zijn hierin van belangomdat andere landen ook in grote mate vergelijkbare instrumentenhebben.DoelgroepbereikHet overgrote deel, zo’n 97%, van de WBSO-gebruikers is mkb’er. De helftdaarvan zijn micro-bedrijven met 1–9 werknemers. Het aandeel grootbe-drijf is zo’n 3%. Het grootbedrijf is goed voor 37% (€ 513 miljoen) van detotale afdrachtvermindering op basis van de WBSO, het mkb dus voor63%. Een aandachtspunt dat uit de evaluatie naar voren komt, is eenafname in doelgroepbereik wanneer de WBSO-gebruikers afgezet wordentegen R&D-bedrijven in Nederland, zoals gemeten met de CBSR&D-enquête. In 2021 maakte 64% van bedrijven die naar eigen zeggenR&D-activiteiten uitvoeren in Nederland, ook gebruik van de WBSO. In2013 was dit nog 73%. De daling in deze periode vond met name plaatstegen het einde van de vorige evaluatieperiode (2011–2017), maar hetgemeten doelgroepbereik is niet gestegen tijdens de huidige evaluatiepe-riode.Aanbeveling doelgroepbereikDe ogenschijnlijk groeiende discrepantie tussen uitgevoerde R&D doorbedrijven en uitgevoerde S&O binnen de WBSO, heeft mijn aandacht envereist nader onderzoek. In overleg met het CBS wordt dan ook eenonderzoek gestart naar het verschil tussen deze groepen, zoals aange-raden in de evaluatie. Op basis hiervan zal de afweging gemaakt wordenof de criteria voor WBSO nog voldoende aansluiten op de uitvoering vanR&D zoals we die willen stimuleren in Nederland. Tussentijds zal ookverder verkend worden of er in de communicatie over de WBSO nogverbeteringen aangebracht kunnen worden, voor het geval er nog altijdmisverstanden bestaan over de activiteiten die onder de WBSO vallen. Inbeide benaderingen is het van belang om in gesprek te gaan metbedrijven, zowel die WBSO gebruiken, als die dat niet doen. De voortgangop of resultaten van deze verkenningen zullen deel uitmaken van de briefover de WBSO die jaarlijks op Prinsjesdag verstuurd wordt.Doeltreffendheid en doelmatigheid van de WBSOBevindingen doeltreffendheidDe onderzoekers beoordelen de WBSO als overwegend doeltreffend. DeWBSO stimuleert S&O- en R&D-investeringen bij bedrijven, zorgt ervoordat meer bedrijven S&O-activiteiten doen en creëert met door haargestimuleerde R&D-investeringen additionele kennisspillovers. Naast het2Met vestigingsklimaat wordt het klimaat bedoeld voor zowel buitenlandse bedrijven om zich inNederland te vestigen (aan te trekken) als voor binnenlandse bedrijven om in Nederlandvervolginvesteringen te (blijven) doen (behouden).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 637, nr. 6702 effect op R&D wordt de WBSO ook als een doeltreffend vestigingsklimaat-instrument gezien.De mate waarin bedrijven extra S&O- en R&D-investeringen doen, wordtinzichtelijk gemaakt door een bang-for-the-buck te berekenen. Dit geeftaan hoeveel euro extra S&O- of R&D-investeringen gedaan worden perextra euro minder loonheffing (hierna: belastingkorting). Uit de evaluatieblijkt dat een extra euro belastingkorting door de WBSO leidt tot eenadditionele investering van € 0,41 in termen van S&O-uitgaven, watovereenkomt met € 0,52 miljard extra S&O-uitgaven. In termen van R&Dleidt de WBSO voor iedere euro belastingkorting tot € 0,81 extraR&D-uitgaven, wat overeenkomt met € 1,02 miljard extra R&D-uitgaven in2022. Verder blijkt dat door de WBSO meer bedrijven S&O-activiteitenondernemen. Zo zorgt 1% verlaging van de netto-kosten van S&O door deWBSO bij een onderneming ervoor dat dit type onderneming aan circa0,46% extra S&O-activiteiten gaat doen.Deze extra R&D-activiteiten zorgen naar schatting voor een publiekeconomisch rendement van jaarlijks € 2,6 tot € 3,1 miljard op de langeretermijn. Een groot deel hiervan is te danken aan de kennisspilloversgegenereerd door de WBSO: tussen de 23% en 64% van het totaleeconomische rendement.Hoewel de WBSO dus S&O- en R&D-investeringen aanjaagt, is eenaandachtspunt dat de effectiviteit van de WBSO is teruggelopen tenopzichte van de voorgaande evaluatieperiode. Het rapport benoemtenkele mogelijke oorzaken voor deze daling. Eén daarvan is de krapte opde arbeidsmarkt die R&D-intensieve bedrijven ondervinden. Dit kanbedrijven ervan weerhouden nog meer in R&D te investeren omdat zijsimpelweg niet het extra personeel kunnen vinden, ondanks de prikkel omuit te breiden die uitgaat van de WBSO. Daarnaast valt de kanttekening temaken dat specifiek micro-ondernemingen door de WBSO gemiddeld nietmeer S&O-investeringen doen.Op basis van de enquête, ingevuld door ca. 5.000 WBSO-gebruikers,wordt de regeling ook doeltreffend bevonden voor het stimuleren vaninnovatieve en economische prestaties van bedrijven. De WBSO wordtgezien als belangrijk voor het vestigingsklimaat, zeker voorR&D-intensieve bedrijven. Wel blijkt uit de enquête dat bij de keuze om aldan niet in Nederland te investeren diverse factoren, waar de WBSO eréén van is, vooral in samenhang worden bezien. Niet bij alleWBSO-gebruikers is vestigingsklimaat een belangrijk thema. Circa 84%van de gebruikers heeft geen vestiging in het buitenland en overweegt datook niet.Bevindingen doelmatigheidHet vaststellen van de doelmatigheid van een generieke, fiscale regelingals de WBSO, die ook een dubbele doelstelling kent, vormt een uitdaging.Wanneer de opbrengsten, kosten en alternatieven worden afgewogen,concluderen de onderzoekers desondanks dat de WBSO overwegendmacrodoelmatig is. Wel blijkt dat voor microbedrijven minder effectengevonden worden. Desalniettemin lijkt de WBSO nog altijd het meestgeschikte instrument te zijn om op grote schaal additionele S&O/R&D bijbedrijven te stimuleren. De evaluatie beoordeelt ook de uitvoering van deWBSO als microdoelmatig: de uitvoeringskosten zijn een bescheiden 1,4%van het totale WBSO-budget en de administratieve lasten zijn proporti-oneel tot de baat die ondernemingen ervaren van de WBSO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 637, nr. 6703 Aanbevelingen doeltreffendheid en doelmatigheidEr worden aanbevelingen gedaan ten aanzien van de doelstelling van deWBSO, mogelijkheden om de doeltreffendheid en doelmatigheid van deregeling te verbeteren en voor vervolgonderzoek. De eerste aanbevelingziet overkoepelend op de doelstelling van de WBSO. Aangeraden wordtom deze aan te scherpen en te expliciteren. Concreet vereist dit eenafweging over de insteek van de WBSO: wordt met name beoogd zobreed en generiek mogelijk bedrijven te stimuleren aan R&D te doen, ofwordt met name beoogd zo groot mogelijke kennisspillovers te genererenen daarmee een focus aan te brengen op de meest R&D-intensievebedrijven? Het is van belang dit scherp te hebben, wil er gericht gewerktkunnen worden aan het verhogen van de doeltreffendheid van deregeling.Op het vlak van doeltreffendheid en doelmatigheid wordt vervolgensaanbevolen:•te onderzoeken of een incrementeel element3 de doeltreffendheid vande WBSO kan verhogen;•te onderzoeken of een carry-forward optie van belastingkorting naareen volgend jaar een uitkomst kan bieden voor de verzilveringsuitda-gingen;•te onderzoeken waarom het doelgroepbereik af lijkt te nemen (ziebovenstaand voor opvolging hiervan), en mocht dit relevant wordenna een toename in WBSO-gebruik•eventueel de WBSO in grotere mate te richten op radicale R&D omkennisspillovers te vergroten en zo de doeltreffendheid te verbeteren.Belangrijke randvoorwaarden voor een effectieve WBSO die hierbijgenoemd worden, zijn voldoende beschikbaarheid van R&D-talent envoorspelbaarheid van het instrument zelf. Bij doorontwikkeling van deWBSO gericht op het verbeteren van de doeltreffendheid, moeten beideaspecten dan ook in ogenschouw worden genomen. Aan het de beschik-baarheid van voldoende (R&D-)talent wordt momenteel in diverseEZ-trajecten aandacht besteed, zoals het 3%-actieplan, het Ondernemer-spact en het Actieplan Groene en Digitale Banen. Signalen uit dezetrajecten en verdere gesprekken met bedrijven neem ik mee in deopvolging van deze evaluatie, om een beeld te krijgen van het effect vandit knelpunt op de doeltreffendheid van de WBSO.Grote aanpassingen zoals een incrementeel deel, focus op radicaleinnovatie of een carry-forward optie, zijn aanbevelingen die goedonderzocht moeten worden op effectiviteit, maar ook op gevolgen voorhet doelgroepbereik en de uitvoering. Ook moeten eventuele aanpas-singen in lijn zijn met de doelstelling van de WBSO. Over het aanscherpenvan de doelstelling zal het kabinet dan ook eerst een besluit moetennemen. Daarna is het belangrijk om het effect van de mogelijke aanpas-singen aan de WBSO te wegen in relatie tot het effect dat deze krapte opde arbeidsmarkt heeft op de investeringsbeslissing van bedrijven. Parallelhieraan zal gestart worden met een interne inventarisatie van degenoemde beleidsopties, gericht op hun vormgeving en effectiviteit inandere landen. In de WBSO Prinsjesdagbrief zal ik uw Kamer naderinformeren over de doelstelling van de WBSO, of als dit eerder is en kanin het 3%-actieplan dat ik naar uw Kamer zal sturen. Ook zal ik u in dePrinsjesdagbrief informeren over de voortgang van de inventarisatie vanbeleidsopties en eventuele bevindingen op het gebied van uitvoer-baarheid en haalbaarheid.3Een incrementeel aspect betekent dat extra investeringen ten opzichte van het voorgaande jaar(extra) gestimuleerd worden of mede bepalen hoe groot de belastingkorting wordt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 637, nr. 6704 Doeltreffendheid en aanbeveling farmaciebriefDe farmaciebrief betreft een specificatie binnen de WBSO, die ziet opgeneesmiddelenonderzoek en hoe aspecten hiervan al dan niet als S&Oaangemerkt kunnen worden. Uit de evaluatie blijkt dat de farmaciebriefvan zeer beperkte meerwaarde is. De brief vergroot de toegang tot deWBSO voor slechts 3,5% van het totaal aan klinisch onderzoek engeneesmiddelenontwikkeling dat plaatsvindt binnen de WBSO. Zonder defarmaciebrief kunnen opdrachtgevers van klinisch onderzoek een deel vandeze werkzaamheden alsnog onder de WBSO brengen, waardoor dezeverschuiven maar niet buiten de scope van de WBSO komen te vallen. Erzijn aandachtspunten bij het vestigingsklimaat voor de farmaceutischesector in Nederland, maar deze worden niet geadresseerd met defarmaciebrief. De farmaciebrief komt gezien de bevindingen van deeerdere verkenning4 en deze evaluatie dan ook te vervallen vanaf 2027.Dit betekent niet dat mijn aandacht voor de innovatieve farmaceutischesector in Nederland afneemt. RVO zal het komende jaar via verschillendekanalen extra informatie beschikbaar stellen, o.a. met een gerichte onlinesessie, om de sector goed te informeren over deze wijziging. Hierin zullenniet alleen de mogelijkheden voor de farmaceutische sector binnen deWBSO centraal staan, maar ook het bredere instrumentarium aansubsidies en bedrijfsfinanciering dat bij RVO is ondergebracht, zoalsbijvoorbeeld het Innovatiekrediet. Daarnaast ondersteun ik de activiteitenvan Centre for Future Affordable Sustainable Therapy development(FAST) om therapieontwikkeling te versterken. FAST zal daarbij ookaandacht hebben voor het versterken van klinisch onderzoek in Nederlanddoor bij te dragen aan het Nationaal Actieplan Klinisch Onderzoek datdoor de Dutch Clinical Research Foundation (DCRF) is geïnitieerd.Aanbevelingen voor het meten van doeltreffendheid en doelmatigheidIn het evaluatierapport worden verschillende aanbevelingen gedaan voorde doorontwikkeling van de gebruikte onderzoeksmethoden. Ik onder-schrijf het belang hiervan om beter inzicht te krijgen in de werking van deWBSO, ook in samenhang met andere (fiscale) innovatie-instrumenten. Indit kader wordt er momenteel gewerkt aan de periodieke rapportage vanhet hele innovatie- en ondernemerschapsbeleid. Dit onderzoek zal in dezomer uitkomen. Ik zal onderzoeken in hoeverre opvolging gegeven kanworden aan de aanbevelingen voor vervolgonderzoek uit deWBSO-evaluatie, zodat zo veel mogelijk van deze inzichten beschikbaarzijn bij aanvang van de volgende evaluatie van de WBSO (in samenhangmet bijvoorbeeld de innovatiebox).Uitvoeringspraktijk en administratieve lastenSinds de vorige evaluatie zijn er verschillende wijzigingen doorgevoerddie aantoonbaar hebben geleid tot meer flexibiliteit en een verlaging vande administratieve lasten bij het aanvragen van WBSO. 82% van derespondenten van de enquête geeft aan van mening te zijn dat de batenvan de WBSO opwegen tegen de inspanning die daarvoor nodig is. Ookdit is een positiever beeld dan in de voorgaande evaluatie. De klanttevre-denheidsonderzoeken van RVO laten eveneens een positief beeld zien,met een stijging in beoordeling van 7,1 tot een 7,9 in de evaluatieperiode.Verbeterpunten die de evaluatie benoemt relateren met name aan deadministratieve lasten die bedrijven ondervinden in het bijhouden enverantwoorden van uren en kosten. Dit hangt samen met het gevoel van4Technopolis (2024), Verkenning farmaceutische sector: WBSO, farmaciebrief en vestigings-klimaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 637, nr. 6705 gebruikers dat de eisen aan deze registratie strenger geworden zijn,waardoor bedrijven een steeds uitgebreidere administratie moetenbijhouden.Aanbeveling administratieve lastenEr wordt aangeraden om verder te verkennen hoe de administratie vanuren en werkelijke kosten en uitgaven versimpeld kan worden. Dit zal ikdan ook onderzoeken en hier zal ik over rapporteren in de komendeWBSO Prinsjesdagbrief. De verantwoording moet in verhouding blijvenstaan tot het verkregen voordeel uit de WBSO, maar moet ook werkbaarzijn voor bedrijven en uitvoeringsorganisaties RVO en de Belastingdienst.Deze balans moet zorgvuldig afgewogen worden, ook gezien het feit datde afdrachtvermindering om grote bedragen kan gaan.Hiernaast wordt de aanbeveling gedaan om het forfaitair uurloon teverhogen. Dit uurloon wordt gebruikt voor nieuwe bedrijven die nog geengeschiedenis aan loonkosten hebben waarmee een gemiddeld uurtariefberekend kan worden. Voor de eerste twee jaar wordt voor deze bedrijvenhet forfaitair uurloon van 29 euro gebruikt om hun afdrachtverminderingte berekenen. De evaluatie stelt dat dit voor sommige bedrijven ensectoren te laag is en weg begint te lopen bij de daadwerkelijkeloonkosten. Het forfaitaire uurloon zal dan ook opgehoogd worden naar33 euro per 2027. Daarmee valt het forfaitaire uurloon nog net onder demediaan van de daadwerkelijke uurlonen. Deze verhoging zal structureelgefinancierd worden binnen het reeds beschikbare budget van de WBSO.AfrondendHet kabinet staat voor stabiel en voorspelbaar fiscaal beleid, ook tenaanzien van de WBSO. De voorspelbaarheid van de regeling is eenrandvoorwaarde voor een doeltreffende en doelmatige WBSO. Daarom iseen horizonbepaling niet aan de orde. De uitkomsten van deze evaluatiegeven ook geen aanleiding tot het opnemen van een horizonbepaling. Hetkabinet informeert u nader over de opvolgingen van de in deze briefaangekondigde verkenningen in de WBSO Prinsjesdagbrief.De Minister van Economische Zaken,D.S. BeljaartsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 637, nr. 6706
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
f95b6b27-a2af-4b44-b4bd-06578faf3b06
45debatten
1.236bijdragen
9interrupties
185.853woorden in uitspraken
Commissies
Geen huidige commissielidmaatschappen beschikbaar in de Kamerdata.
Contact
Contactgegevens worden alleen getoond voor zittende Kamerleden.
Loopbaan
Geen loopbaangegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Opleiding
Geen opleidingsgegevens beschikbaar in de Kamerdata.
Nevenfuncties
Geen nevenfuncties beschikbaar in de Kamerdata.
Geschenken en reizen
Geen geregistreerde geschenken beschikbaar in de Kamerdata.
Geen geregistreerde reizen beschikbaar in de Kamerdata.
Stemgedrag
Bij een hoofdelijke stemming staat de eigen stem. Anders staat de stem van de fractie waarvan dit Kamerlid op de besluitdatum lid was; dat is geen persoonlijke stem.
Geen stemmingen beschikbaar in de Kamerdata.