Wetboek van Strafvordering (Boek 2) (36327)
Bron, video en gesprek →Partijen door de tijd: BBB (2023-09-01–2025-03-04) · PVV (2010-06-17–2023-08-31) ·
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →Mevrouw Helder (BBB): Dank u wel, voorzitter. Ik was er vorige week niet bij, dus ik begin ook nog wel even met een dankwoordje. Normaal gesproken bedank je altijd eerst de rapporteurs voor hun werk. Dat zou nu wel wat arrogant zijn natuurlijk, want ik ben er een van! Dus mijn dank aan collega Ellian voor de samenwerking als rapporteur, en natuurlijk ook aan de staf, die ons zo geweldig heeft geholpen, en aan het projectteam van een aantal universiteiten. Die bijstand was natuurlijk ook onmisbaar. Van mijn kant ook dank voor de hulp van de politie bij het amendement dat ik heb ingediend. Die hele uitgebreide toelichting had ik in m'n eentje niet zo goed kunnen verwoorden. Ik kom daar dadelijk nog wel een keer op terug. Ik vond en vind het een hele eer om bij dit hele lange wetstraject betrokken te zijn geweest. Aan het einde van mijn betoog zal ik daar ook nog een paar woorden aan wijden, voorzitter. De modernisering van de gereedschapskist — dat is oneerbiedig gezegd; we zeiden dat tijdens colleges — van het strafrecht of van het Wetboek van Strafvordering is een traject dat meer dan tien jaar geleden is ingezet. Ik was er ook al bij toen de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie — dat was het toen nog — het hele wetstraject aankondigde. Toen klonk het als een ver-van-mijn-bedshow, maar vandaag zitten we hier dan toch aan de mondelinge behandeling van de diverse onderdelen. Vandaag behandelen we Boek 2, dat de regels bevat voor het opsporingsonderzoek. Er is al veel besproken en uitgewisseld in de diverse stadia in de afgelopen periode. Ik ben het helemaal eens met de ketenpartners in het strafrecht dat het nieuwe Boek 2 echt noodzakelijk is om aan te sluiten bij de huidige tijd en alle opsporingsmogelijkheden en technische mogelijkheden die we anno nu kennen en die er zeker ook nog zullen gaan komen. Voorzitter. Dat leidt tot een algemene vraag. Er is flexibiliteit ingebouwd voor onderwerpen, met name op technisch gebied, die nu nog niet bekend zijn en ook toekomstbestendigheid door de keuze van open formulering waar dat mogelijk is. Dat wordt ondervangen door bepaalde onderwerpen te kunnen regelen bij algemene maatregel van bestuur. Maar dat is niet het geval bij het nieuwe artikel 2.10.1. Dat is het huidige artikel 181 Wetboek van Strafvordering. Collega Ellian had het hier ook al over. De officier van justitie kan op basis van dat artikel vorderen dat de rechter-commissaris met het oog op de opsporing van een strafbaar feit onderzoekshandelingen verricht — niks meer, maar vooral niks mínder. In het nieuwe wetsartikel is sprake van een limitatieve opsomming — althans, zo heb ik het gelezen — van bevoegdheden van een rechter-commissaris op dat onderwerp. Dus dan is mijn vraag: waarom? Dit is immers niet flexibel en ook helemaal niet toekomstbestendig. Het antwoord zal toch al komen mede naar aanleiding van het amendement van collega Ellian, maar ik krijg daar toch ook graag een reactie op van de minister. Dan een tweede algemene vraag. In 2022 is de pilot gestart met de mogelijkheid van een verkort proces-verbaal als daar audiovisuele registratie aan wordt gekoppeld. Die pilot is inmiddels geëvalueerd door het WODC. De minister heeft het rapport naar de Kamer gestuurd. De uitkomst van de evaluatie is dat het veel extra werk is voor de rechtspraak en maar beperkt werk scheelt voor de politie. Het concept verkort pv en multimedia met zelfstandige bewijswaarde blijft — naar mijn mening — gelukkig wel in de verlengde Innovatiewet en in het nieuwe Wetboek van Strafvordering staan. Daarom kunnen pilots dan wel ontwikkelingen op dit onderwerp de komende jaren wel doorgaan. Mijn vraag aan de minister is hoe hij denkt over het testen of het gebruik van speech-to-texttechnologie in dat kader. Voorzitter. Verder zal ik me beperken tot vragen die ik nog heb op drie specifieke onderdelen. Ten eerste is dat de aanhouding na heterdaad, het huidige artikel 53. Ten tweede is dat het recht van de verdachte om aanwezig te zijn bij het verhoor van een getuige door de rechter-commissaris. Daarvoor geldt nu "nee, tenzij" en dat wordt dus "ja, tenzij". Ten derde ga ik in op infiltratie. Voorzitter. Ten eerste dus de aanhouding na heterdaad. Ik heb daar ook een amendement op ingediend. De politie is na een aanhouding op heterdaad verplicht om de aangehouden verdachte zo spoedig mogelijk naar een plaats van verhoor te brengen — in de regel is dat een politiebureau — ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie. Oftewel, de aangehouden verdachte gaat de strafrechtketen in. Er is geen keuzemogelijkheid in het huidige artikel, waarin ook sprake is van een aanhouding door een burger, die de opsporingsambtenaar moet overnemen. In het nieuwe artikel 2.5.4 is die keuzemogelijkheid er ook niet, en dat vind ik een gemiste kans. De strafrechtketen zit verstopt en er zijn in veel gevallen betere afdoeningsmogelijkheden, bijvoorbeeld via publiek-private samenwerking. De politieagenten in kwestie zijn dan ook niet uren bezig met een verdachte die vaak vervolgens toch wordt heengezonden. Er zijn op dit punt twee problemen die opgelost moeten worden, en ik denk ook kúnnen worden. Het eerste is de huidige plicht om een aangehouden verdachte naar een plaats van verhoor over te brengen. Het tweede is het ontbreken van een mandaat voor de opsporingsambtenaar. Het eerste, dus het overbrengen naar een plaats van verhoor, speelt bij alle aanhoudingen op heterdaad. Het tweede is alleen een probleem als de verdachte niet door een opsporingsambtenaar maar door een burger is aangehouden. Denk aan winkeldiefstal bij een zelfscankassa. Dat is ook de reden voor het amendement, dat deze twee dingen regelt. Ten eerste wordt de verplichting geschrapt om de aangehouden verdachte over te brengen naar een bureau. In plaats daarvan zou je de voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie kunnen laten plaatsvinden via een videoverbinding. Het tweede punt is het niet langer verplichten van de opsporingsambtenaar om een burgeraanhouding over te nemen, maar de ambtenaar zelf een afweging te laten maken over hoe de zaak af te handelen. Voor een verdere toelichting verwijs ik naar het amendement, dat ik echt heel uitgebreid heb toegelicht, meer dan ik normaal doe. Ik denk dus dat dat wel voldoende is. Voorzitter. Dan mijn tweede punt.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Dat zou kunnen. Ik ben niet zo ver gegaan om daar echt praktijkvoorbeelden bij te zoeken. Dit is mij aangedragen als mogelijkheid, ja.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Dat lost zich in de praktijk op doordat met dit amendement het opportuniteitsbeginsel aan de opsporingsambtenaar wordt verleend. Dat is voor mij het belangrijkst in dit amendement. Die ambtenaar kan zeggen: nou, die gaan we echt niet voorgeleiden. Het is een bagatelfeit en dan moet je in het kader van het algemeen belang ook de opsporingsambtenaar laten beslissen of er wordt voorgeleid en of dus de strafrechtketen ingegaan wordt. Dat zal zich dus in de praktijk op die manier oplossen.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Ik denk dat ik dan toch beter kan verwijzen naar de toelichting op het amendement, en dan vooral naar de laatste alinea. Daar wordt ingegaan op bagateldelicten. Daarbij wordt helemaal niet gekozen voor voorgeleiding. Dat verhoor en dergelijke is ook niet nodig en rechtsbijstand daarbij ook niet. Kijk, als het zo'n klein delict is, moet je je afvragen of je daar politiecapaciteit voor moet inzetten. Wij vragen ons dat af als wetgever, maar als deze mogelijkheid er is, kan de politieagent zelf ter plekke beslissen om dit te laten voor wat het is. De winkel kan zelf besluiten om het via publiek-private afdoening te doen, met een winkelverbod of iets dergelijks. Het is dus niet zo dat het onbestraft blijft. Je moet je afvragen of zo'n zaak de strafrechtketen in moet.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Ik weet niet hoe ik daar nog helderder in kan zijn dan ik net ben geweest. De agent zal helemaal niet tot verhoor overgaan. Ik denk niet dat het zo ver gaat komen. Het opportuniteitsbeginsel bij het Openbaar Ministerie is dat het niet tot vervolging overgaat. Het opportuniteitsbeginsel van de politieagent zoals ik dat voor ogen heb, zal zo zijn dat het helemaal niet tot het verder overnemen van de aangehouden persoon — ik moet diegene niet "verdachte" noemen, want dan zitten we al in deze spelregels — zal komen. Zo ver zal het dus niet komen. Er komt dus geen verhoor, er is ook geen rechtsbijstand nodig en er is al helemaal geen voorgeleiding nodig. Het was inderdaad een beetje onhandig dat ik begon met de "plaats van voorgeleiding" in plaats van de "plaats van overnemen". Het is echt de bedoeling dat de opsporingsambtenaar, als die ter plekke zou komen, kan kiezen voor geen aanhouding en geen verdachte, waardoor dat hele traject dus niet hoeft.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Ik wil niet flauw doen, maar dit staat heel duidelijk in de toelichting bij het amendement. Het is nu gewoon verplicht als iemand is aangehouden door een derde, waarna de agent wordt gebeld. De agent is nu verplicht de aangehouden persoon over te nemen. Daarmee is diegene verdachte en gaat die het hele traject in. Het kan wel zijn dat het in de praktijk niet helemaal zo gebeurt, maar het is wel verplicht. Daarom staat er in de laatste alinea dat er tegen deze achtergrond wordt voorgesteld om die verplichting eraf te halen.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Dan het tweede onderwerp waarover ik vragen heb, namelijk het recht van de verdachte om zelf aanwezig te zijn bij het verhoor van een getuige door de rechter-commissaris in het verkennend onderzoek, het nieuwe artikel 2.10.29. De hoofdregel is nu "nee, tenzij" en die gaat dus 180 graden draaien naar "ja, tenzij". Deze volgens de regering principiële keuze is volgens de onderbouwing op pagina 774 van de memorie van toelichting ingegeven door de wens om aan te sluiten bij de versterking van de regeling van het vooronderzoek in verband met de beweging naar voren. En dat terwijl deze omkering grote gevolgen kan hebben — althans, dat vind ik — voor de veiligheid van getuigen, maar ook voor die van anderen. De verdachte zal in de regel bij deze situaties in voorlopige hechtenis zitten. Vervoer naar de plaats van verhoor is dus noodzakelijk. Dat is ook weer een aanslag op de capaciteit van de dienst vervoer van het gevangeniswezen. Het belangrijkste is echter dat er getuigen zullen zijn die zich niet meer vrij voelen om een verklaring af te leggen. Gaan mensen nog wel in de politiefase als getuige verklaringen afleggen als zij weten dat zij daarmee het risico lopen dat ze later door de rechter-commissaris opgeroepen worden en dan geconfronteerd worden met een verdachte? Nu is het verhoor door de rechter-commissaris voor de getuige toch wel een veilige omgeving, maar straks is het dat niet meer. Dat heeft naar mijn mening een onacceptabele weerslag op de waarheidsvinding. Waarom is niet gekozen voor een tussenweg, voor een aantal gronden op basis waarvan een uitzondering wordt gemaakt op het "nee, tenzij", in plaats van het zo 180 graden om te draaien? Of waarom is er niet voor gekozen om alleen de raadsman van een verdachte aanwezig te laten zijn? Ik filosofeer maar even wat in het wilde weg. En voor de volledigheid: hoe gaat dit in zijn werk in een zaak met meer verdachten? Moeten die dan allemaal aanwezig zijn als ze hebben aangegeven dat te willen? Dat is geen ondenkbaar scenario in de huidige maatschappelijke situatie, waarin in één en dezelfde zaak tegen de georganiseerde drugscriminaliteit of de georganiseerde criminaliteit of over liquidaties vaak vele verdachten kent. Voorzitter, tot slot op dit punt. Hou verhoudt zich dit met de mogelijkheid van verklaring onder nummer, zoals vastgelegd in het nieuwe artikel 2.3.4? Is dit een van de "tenzij"-gronden op basis waarvan de verdachte het recht wordt ontzegd om het verhoor bij te wonen? Ik kan hierover niks terugvinden in de memorie van toelichting. Helemaal tot slot op dit punt. Hetzelfde geldt dan ook nog voor het nieuwe artikel 2.10.42, dat gaat over het verhoor van een bedreigde getuige. Of vallen deze situaties binnen het bereik van lid 2 van dat genoemde artikel, de gezondheid of het welzijn van de getuige? Graag een reactie op dit punt. Als derde had ik genoemd: infiltratie als opsporingsmiddel. De inzet hiervan is mogelijk bij een voorlopige-hechtenismisdrijf dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Infiltratie is ook bekend als "werken onder dekmantel". Daarom sla ik er ook op aan. Nog niet zo lang geleden was er een indrukwekkend rapport van de commissie-Sorgdrager naar aanleiding van de zelfmoord van een undercoveragent. Daar is een debat over geweest, waarin iedereen het met elkaar eens was: dit mocht echt nooit meer gebeuren. In dat kader heb ik dan ook een vraag. Op dit moment wordt de inzet van dit opsporingsmiddel getoetst door de Centrale Toetsingscommissie, het intern adviesorgaan van het Openbaar Ministerie, dat het College van procureurs-generaal adviseert. In de nieuwe situatie is ingevolge artikel 2.8.12 ook nog een machtiging van de rechter-commissaris nodig. Op pagina 696 van de memorie van toelichting staat dat infiltratie niet alleen ingrijpend is, maar ook "een gevaarlijke methode, waarop krachtig toezicht moet worden uitgeoefend". De gebeurtenis die ik aanhaalde, was ontstaan doordat de desbetreffende undercoveragent — tegen alle regels in — veel te lang als zodanig werkzaam was. Mijn vraag is dan: wordt dit voortaan voorkomen door deze aanvullende eis van machtiging door de rechter-commissaris? En zo nee, wat is dan de meerwaarde van deze nieuwe eis? O, ik dacht dat er een interruptie kwam, dus ik keek even. Afrondend, voorzitter, kom ik tot het laatste deel: de belofte die ik in het begin van mijn betoog heb gedaan. In juni 2010 — dat is alweer bijna vijftien jaar geleden — kwam ik in de Tweede Kamer. Vroeger was echt niet alles beter, maar er werd wel veel meer inhoudelijk gedebatteerd over wetsvoorstellen, net zoals vandaag. Dat vond ik wel mooi. Dat is eigenlijk wel een leuk bruggetje, want dat is wat het werk van volksvertegenwoordiger naar mijn mening zo mooi en bijzonder maakt: als medewetgever proberen een verandering teweeg te brengen die ertoe doet voor degenen die je via de verkiezingen in deze zetel hebben geplaatst. Voorzitter. Daar komt voor mij binnenkort een einde aan, want dit is vrijwel zeker mijn laatste debat. Ik ga namelijk afscheid nemen zodra duidelijk is wie de zetel inneemt. Ik hoor allerlei geluiden van verbazing. Dat vind ik dan ook wel weer lief. Ik ben dus blij dat dit een debat is geweest over wetgeving en met collega's waar ik al geruime tijd zeer prettig mee heb samengewerkt in de naar mijn mening mooiste commissie. Dank u wel.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Ik begrijp de spanning ook, hoor. Het volgende is weer een beetje uit de oude doos; dat wordt me wel vergeven vandaag, denk ik. Voorheen heb ik aan de toenmalige minister voor Rechtsbescherming, de heer Dekker, gevraagd of we niet eens moeten gaan denken aan een driepartijenstelsel, omdat een slachtoffer steeds meer rechten krijgt en ik vind dat daar ook plichten bij horen. Een verdachte is namelijk een verdachte totdat het tegendeel is bewezen. Dat is één. Je zal maar de advocaat van het slachtoffer zijn of de advocaat van de verdachte. Dat is onderzocht en het zou echt totaal uit de klauwen lopen qua tijdsbesteding. Het opknippen van het proces kan ook niet. Maar ik vind dat we vandaag ook weer moeten markeren dat dit wel naar een driepartijenstelsel neigt. Dan vind ik dat het slachtoffer rechten en plichten heeft, en dan met voldoende waarborgen. Ik vind alles voor het slachtoffer ook sympathiek, maar ik denk dat we hier vandaag tegen de grenzen van de wet op lopen. Ik denk dat we dan echt een driepartijenstelsel zouden moeten onderzoeken, want met een OM-aanwijzing gaat dit niet lukken. Zo wordt een slachtoffer toch eigenlijk verantwoordelijk voor de eigen opsporing. Is collega Mutluer dat niet met mij oneens?
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Ik vind het voorbeeld dat de heer Koops aanhaalde zo goed, want in dat voorbeeld maak je het slachtoffer bijna medeverantwoordelijk voor de opsporing. Dat kan nooit de bedoeling zijn. Ik denk niet dat je het kunt regelen via een OM-aanwijzing. Mijn voorkeur zou zijn om de mogelijkheid van een driepartijenstelsel te laten onderzoeken. Maar het kan toch niet zo zijn dat de slachtofferrechten zo ruim worden, zelfs als het via een OM-aanwijzing zou kunnen, dat slachtoffers zelf voorbeelden aandragen, die dan onderzocht moeten worden. Dan maak je het slachtoffer wel bijna verantwoordelijk voor het eigen deel van de zaak.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Nee, van jou, dacht ik even.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Ik heb eigenlijk niet zozeer een vraag. Voor de Handelingen wil ik wel de opmerking maken dat DNA uit een commerciële databank niet zomaar gebruikt kan worden. Het is nog altijd de wettelijke regel op basis waarvan gebruik uiteindelijk is toegestaan. De manier van werven kan door een opsporingsambtenaar zijn of kan uit een commerciële databank zijn, maar de regels zijn voor beide hetzelfde.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Op het gevaar af dat ik iets vraag wat net gezegd is toen ik even weg was: waarom is er dan niet voor gekozen om het over te nemen zoals het in het huidige artikel 181 staat? Waarom is er gekozen voor deze limitatieve opsomming?
Bron, video en gesprek →Mevrouw Helder (BBB): Nou voorzitter, ik ga zo mogelijk nog korter zijn. Ik dank voor alle uitgebreide antwoorden. Ik heb goed mee kunnen schrijven. Ook dank voor het oordeel Kamer op het ingediende amendement. Daar laat ik het bij.
Bron, video en gesprek →