Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit) (36876)
Bron, video en gesprek →Partijen door de tijd: CDA (2025-11-12–heden) ·
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →Mevrouw Straatman (CDA): Dank, voorzitter. Stelt u zich eens voor: u loopt met uw hond door het bos of u rijdt als boer met uw trekker over uw land, en u vindt ineens vaten met chemisch afval of u ruikt een vreemde, zoete geur en ontdekt dat er een onbekende vloeistof in uw weiland is gedumpt. Dit is helaas al lang niet meer een ver-van-mijn-bedshow, en zeker niet in mijn eigen provincie, Brabant. Soms is de schade met een opruimactie te herstellen, maar soms dringt het gif tot diep in de bodem door. Het kan soms wel tientallen jaren duren voordat de natuur dan weer tot leven komt. Dat is de wrange werkelijkheid van milieucriminaliteit. Criminelen verdienen geld, terwijl de samenleving, onze boeren en onze natuur met de rotzooi achterblijven. Voor het CDA is dat onacceptabel. Wie bewust onze leefomgeving beschadigt om er zelf beter van te worden, moet worden aangepakt. De schade moet zo veel mogelijk op de daders worden verhaald. Met de implementatiewet die we vandaag bespreken, zetten we daarin een stap, maar ik heb nog wel enkele vragen over de strafbaarstellingen zelf en de handhaving. Voorzitter. Allereerst over de strafbaarstellingen. Het is goed om te lezen dat de Nederlandse strafwetgeving grotendeels al in overeenstemming is met de nieuwe richtlijn en dat slechts een beperkt aantal strafbaarstellingen aangevuld moet worden in het Wetboek van Strafrecht of in de Wet op de economische delicten. De belangrijkste nieuwe bepaling is de strafbaarstelling van kortweg het met opzet in de handel brengen van producten die op grote schaal leiden tot normoverschrijdende emissies van schadelijke stoffen waardoor aanzienlijke schade voor de mens of het milieu wordt veroorzaakt of dreigt te worden veroorzaakt. Denk aan het in de handel brengen van een verbrandingsmotor in strijd met milieuvoorschriften of het op de markt brengen van spuitbussen met verboden drijfgassen. De minister geeft aan dat de nieuwe strafbaarstelling veel gelijkenissen vertoont met de huidige artikelen 174 en 175 Wetboek van Strafrecht, waarbij het gaat over het illegaal verkopen van waren die schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid. Mijn vraag aan de minister: hebben deze afzonderlijke strafbepalingen nog wel toegevoegde waarde met de nieuwe, uitgebreide variant van artikelen 173c en 173d bij de implementatie van dit wetsvoorstel? Voor alle strafbare feiten, ook voor de strafbare milieudelicten, geldt dat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid bewezen moet worden dat sprake is van wederrechtelijkheid, oftewel dat het handelen in strijd moet zijn met de wet. Wij lazen dat de minister schrijft dat bij het bezit van een vergunning en het handelen in lijn met de daaraan verbonden voorschriften strafrechtelijke aansprakelijkheid in de regel niet aan de orde is. Dat lijkt ons logisch. In het kader van rechtszekerheid baart het ons zorgen dat de deur naar strafrechtelijke aansprakelijkheid in die situatie niet helemaal dicht is. Als sprake is van duidelijke en aanzienlijke strijdigheid van de oude vergunning met de onderliggende materiële milieuregelgeving, zou strafrechtelijke aansprakelijkheid toch mogelijk moeten blijven, lezen wij in dit wetsvoorstel. Kan de minister voorbeelden geven wanneer deze situatie zich voordoet? In hoeverre is hier sprake van een nationale invulling van de richtlijn of verplicht de richtlijn dat Nederland precies op deze manier die strafrechtelijke achterdeur openzet? Wat het CDA betreft ligt de primaire verantwoordelijkheid van handhaving bij het verantwoordelijke bestuursorgaan. Dat moet toezien op actualisering van vergunningen en, als dat niet mogelijk is, vergunningen intrekken. Kan de minister toezeggen dat met het criterium van "duidelijke en aanzienlijke strijdigheid" bedoeld wordt dat evident en zonder enige twijfel sprake is van een wederrechtelijke situatie, en dat we het hier dus over een absolute uitzonderingssituatie hebben, voor zover de richtlijn al verplicht om dit te implementeren? Dan de strafverzwaringsgronden. Met dit wetsvoorstel wordt in generieke zin dood door schuld in de zin van roekeloosheid opgehoogd. Eerder stelden wij vragen over de gevolgen hiervan voor de logische wetssystematiek en de onderlinge strafmaatverhoudingen. Het antwoord van de minister dat de richtlijn alleen over roekeloosheid gaat en dat hij daarom de verhogingen daartoe beperkt heeft, overtuigen ons tot nu toe nog niet. Heeft de minister ook overwogen om de onderliggende strafmaatverhoudingen gelijk te houden en met dit wetsvoorstel dus de maximale straf van dood door schuld, dus artikel 307, lid 1, ook met één jaar te verhogen? Zo nee, waarom niet? Dan kom ik bij de handhaving en de pakkans. Enkele weken geleden waren de Meld Milieu Weken in Rotterdam, waar politiemedewerkers van team milieu samen met milieuagenten de straat op zijn gegaan om met burgers en ondernemers in gesprek te gaan over milieucriminaliteit. Een van de doelen van deze weken was de kennis rond milieucriminaliteit vergroten. Kennis over milieudelicten en de bereidheid om meldingen van verdachte situaties te doen zijn cruciaal voor een effectieve aanpak. Dit soort initiatieven, zoals in Rotterdam, zijn wat het CDA betreft erg waardevol. Is de minister dit met het CDA eens, en welke maatregelen neemt hij om te stimuleren dat burgers en bedrijven sneller meldingen durven te doen bij de politie? Is hij bereid om in gesprek te gaan met de politie om vaker acties uit te voeren om bekendheid te creëren over milieucriminaliteit? Kan de minister tot slot ingaan op de hoeveelheid milieurechercheurs en agenten die de politie nu heeft, en verder ingaan op de resultaten die het high impact environmental crimeteam heeft geboekt sinds de oprichting? Voorzitter. Effectieve handhaving is nodig om te zorgen dat criminelen niet vrijuit gaan. Begin dit jaar concludeerden onderzoekers van het WODC dat de pakkans voor milieucriminaliteit echter nog erg laag is. Hoe draagt deze implementatiewet in generieke zin bij aan het vergroten van de pakkans van daders? We weten dat de beleidsreactie op het WODC-onderzoek nog volgt, maar vooruitlopend daarop zijn wij benieuwd wat dit wetsvoorstel in positieve zin gaat veranderen aan de constatering dat er nog winst te behalen valt in het beter benutten van het bestaand sanctiearsenaal. Graag een reactie van de minister. Ziet de minister mogelijkheden om het afpakken van wederrechtelijk verkregen vermogen te verstevigen voor milieucriminaliteit? Hoe zit het met de mogelijkheden om civielrechtelijke afhandeling van schade breder in te zetten? Want wat het CDA betreft moeten daders elke cent terugbetalen van de schade die zij aanrichten, zowel criminelen uit de georganiseerde criminaliteit als daders van milieucriminaliteit. Voorzitter. Uit mijn inleiding werd al duidelijk dat deze wet ook belangrijk is in de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit. Nog te vaak komen drugscriminelen ermee weg. Niet zelden zadelen zij boswachters, agrariërs of natuurliefhebbers op met de schade van hun verwerpelijke handelen. Mijn voorganger Anne Kuik heeft daarom in 2023 een voorstel gedaan om een vliegende brigade op te richten die drugsafval kan verwijderen. Dit motiveert boeren en tuinders om meldingen te doen van drugsafval omdat zij dan niet zelf opdraaien voor de kosten, en het geeft de politie een beter beeld van de omvang. Onschuldige mensen mogen wat het CDA betreft nooit opdraaien voor de zooi die criminelen op hun erf achterlaten. De voorganger van deze minister was positief over dit idee. Kan de minister aangeven hoe dit plan is uitgewerkt, of de vliegende brigade inderdaad een succes is, en of het aantal meldingen van het dumpen van drugsafval de afgelopen jaren is toegenomen? Kan de minister gemeenten meer ondersteunen in de preventieve aanpak van ondermijning in het buitengebied en van drugsdumpingen? Ook zijn we benieuwd of de groene boa's voldoende middelen en mogelijkheden hebben om milieucriminaliteit in het buitengebied te kunnen aanpakken. Voorzitter. Tot slot de grensoverschrijdende aanpak. We zeggen het al vaak: criminelen houden zich niet aan de gemeente-, provincie- of landsgrenzen, dus samenwerking tussen verschillende sectorale handhavingsinstanties in binnen- en buitenland is essentieel. Informatie- en gegevensdeling is hier een enorm belangrijk onderdeel van. Dan is mijn slotvraag aan de minister: hoe gaat de minister de bekende knelpunten als het gaat om gegevensdeling aanpakken? Tot zover, voorzitter.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Straatman (CDA): Dank aan mevrouw Van der Plas. Ik deel haar zorgen wat betreft de bestaande vergunningen. Dat bleek ook wel uit mijn eigen inbreng. Ik denk dat mevrouw Van der Plas het ook met mij eens is over het volgende. Als er enige ruimte is binnen deze richtlijn om heel expliciet te maken dat je met een bestaande vergunning nooit strafrechtelijk aansprakelijk gesteld kunt worden, dan zullen we daar heel positief tegenover staan. Mijn vraag ging over de opmerking van mevrouw Van der Plas dat deze wet in generieke zin nog veel verder gaat. Ik had daar ook twijfels en zorgen over. Vervolgens las ik in de nota naar aanleiding van het verslag dat in de huidige Omgevingswet al staat dat bepaalde activiteiten, als die verslechterend zijn of een Natura 2000-gebied significant verstoren, al overtredingen zijn die via een schakelbepaling strafbaar zijn. Kan mevrouw Van der Plas uitleggen hoe die twee zaken, de huidige regelingen in de Omgevingswet en deze nieuwe wet, zich tot elkaar verhouden? Waarin vindt zij dat dit nog veel verder gaat?
Bron, video en gesprek →Mevrouw Straatman (CDA): Ik ben het daarover helemaal eens met mevrouw Van der Plas, dus vandaar mijn oprechte vraag. Als daar nog enige onduidelijkheid over is, dus als mevrouw Van der Plas signalen heeft dat de huidige wet verder gaat dan de doorschakeling die we nu al hebben in de Omgevingswet, in de Wet op de economische delicten, zou ik graag aan de minister willen vragen om daarop in te gaan. Is de toevoeging van de beschermde habitat in Natura 2000-gebied eigenlijk al regelgeving in het juridische kader is of zetten we hierop nog extra stappen waardoor we dit soort signalen heel serieus moeten nemen? Dat was de insteek van mijn vraag.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Straatman (CDA): Het gaat me nog steeds over dat wederrechtelijkheidsbegrip. De minister zegt nu eigenlijk: er is niets veranderd, dit is ook uitwerking van jurisprudentie uit 1984. Maar als ik naar de memorie van toelichting kijk, dan wordt er op pagina 11 heel expliciet gezegd dat we nu te maken hebben met een uitbreiding van het wederrechtelijkheidsbegrip. Hoe verhouden die twee dingen zich tot elkaar?
Bron, video en gesprek →Mevrouw Straatman (CDA): Dus kan ik het dan zo begrijpen dat de definitie die de Hoge Raad in 1984 heeft neergelegd, nog steeds precies dezelfde definitie is en dat wat nu wordt omschreven als "duidelijk en aanzienlijk" niet de lat verlaagt voor deze categorie?
Bron, video en gesprek →Mevrouw Straatman (CDA): Nog een aanvullende vraag. Dat is goed om te horen, maar tegelijkertijd voel ik nog steeds datzelfde ongemak. Als dat jurisprudentie is uit 1984, dan begrijp ik dat we op deze manier het wederrechtelijkheidsbegrip kunnen uitleggen, maar tegelijkertijd zeggen we ook: die plicht ligt bij het bestuursorgaan. Is het dan mogelijk — wij kunnen bepaalde zaken immers ook aanpassen — om binnen de huidige richtlijn het volgende te zeggen? Als zich een situatie voordoet — dat is superuitzonderlijk, zoals ik de minister begrijp — dat het Openbaar Ministerie oordeelt "in deze situatie is voldaan aan het wederrechtelijkheidsbegrip, dus ik zou een strafrechtelijke route kunnen bewandelen", dan nemen we via een motie of wat dan ook op dat het Openbaar Ministerie dan eerst in de lucht komt bij dat betreffende bestuursorgaan, zodat altijd eerst wordt gekeken of we nog de bestuursrechtelijke route kunnen doorlopen, en we dan pas strafrechtelijk handelen. Dan houden we de route open, maar spreken we hier met elkaar af: laten we eerst dat bestuursorgaan aan zet laten.
Bron, video en gesprek →Mevrouw Straatman (CDA): Eén toelichting daarop. Ik wil niet de strafrechtelijke route dichtzetten als dat volgens de richtlijn niet kan, maar mijn gezonde verstand zegt het volgende. Als er zo evident sprake is van een schending, is dat niet alleen evident voor de overtreder maar ook voor het bestuursorgaan dat de vergunning heeft verstrekt. Dan is er blijkbaar allerlei nieuwe regelgeving gekomen en dan zou er toch een belletje moeten gaan rinkelen, van: we hebben bedrijf X of boer Y onder hele andere voorwaarden een vergunning verleend. Ik zou die strafrechtelijke route dus niet willen dichtzetten, maar als het Openbaar Ministerie daarop stuit, wil ik dat het eerst in de lucht komt bij het bestuursorgaan en zegt "jullie moeten je huiswerk beter doen", in plaats van de overtreder een aangifte te sturen. Is het mogelijk om het op die manier in te regelen?
Bron, video en gesprek →Mevrouw Straatman (CDA): Mijn vraag ging over die vliegende brigades. Ik begrijp van de minister dat het nu een alternatieve vorm heeft gekregen via de decentrale uitkeringen via de gemeenten. Maar de reden voor het CDA om de motie rond de vliegende brigades in te dienen, was met name dat de subsidieaanvraag op het moment dat er schade of een dumping op een boerenerf was, ongelofelijk complex was en dat dat ook de drempel om die te melden hoger maakte. In hoeverre helpen de decentrale uitkeringen op die punten? Ziet de minister ook dat er om die redenen verlegenheid zit bij boeren of anderen om drugsdumpingen te melden?
Bron, video en gesprek →Mevrouw Straatman (CDA): Dank, voorzitter. Ook dank aan de minister voor de beantwoording. Er is in het debat veel aandacht gevraagd voor de bestaande vergunningen en hoe daarmee om te gaan. Het is goed dat de minister zei dat het ging om uitzonderlijke gevallen, maar als je de wettekst leest, blijkt er een soort vaagheid te ontstaan. Ik wil dat graag met één motie onderstrepen, ook om te zeggen dat het gaat om bedrijven die precies doen wat in de voorschriften staat. Als er naderhand wetswijzigingen optreden, dan is het natuurlijk primair aan het bestuursorgaan om te checken of de vergunningen die eerder zijn uitgegeven nog voldoen aan die voorwaarden. Dat zou helemaal niet moeilijk zijn, zeg ik ook tegen bijvoorbeeld mevrouw Van Oosterhout, als het gaat om de informatievoorziening van zo'n bestuursorgaan. Dat weet precies welke voorschriften het heeft geaccordeerd en kan die ook gewoon actualiseren. Daarom deze motie.
Bron, video en gesprek →