Wijziging van Boek 7 BW in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief (36783)
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
Thierry Aartsen
Partijen door de tijd: VVD (2025-11-12–2026-02-22) · VVD (2018-09-13–2025-06-18) ·
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →Minister Aartsen: De aanwezigheid en interesse in het parlement is massief, voorzitter! Ik denk bijna: zal ik eerst even doorpraten als intro zodat in de tussentijd mensen zich nog naar deze kant kunnen begeven, voordat ik over de inhoud ga praten? Maar ik zie de voorzitter nee schudden, dus ik ga gewoon over de inhoud praten! Voorzitter. Ik moet eerlijk toegeven dat het heel bijzonder voelt om hier vandaag te staan als nieuwe minister van Werk en Participatie, met zzp in mijn portefeuille. Dat is namelijk een onderwerp waarmee ik me de afgelopen jaren heel veel heb beziggehouden. Maar het is vooral belangrijk omdat we hier volgens mij echt een eerste belangrijke stap zetten naar een oplossing van de discussie rondom zzp'ers die in Nederland al zo'n vijftien tot bijna twintig jaar duurt. We hebben al vijftien à twintig jaar in Nederland een hevige discussie over zzp'ers en eigenlijk over een hele simpele vraag: wanneer kun je nou werken als zzp'er, als zelfstandige, en kun je daar aan de voorkant in alle redelijkheid ook een klein beetje duidelijkheid over krijgen? Eigenlijk lukt het ons al jaren niet om die vraag op een goede manier te beantwoorden. Dan bedoel ik een manier waarbij zelfstandigen aan de voorkant de rust, ruimte en zekerheid hebben en waarbij je de problemen en zorgen die er rondom schijnzelfstandigheid zijn ook op een effectieve manier kunt aanpakken. Precies die twee elementen … Ik vond dat de heer Boon het eigenlijk best wel mooi zei: juist als je de echte zelfstandigen en zzp'ers wil erkennen en duidelijkheid wil geven, zul je ook iets moeten doen aan de schaduwkant ervan en zul je oog moeten hebben voor de negatieve kanten. Dat is uiteindelijk ook het kabinetsbeleid dat we de komende tijd willen voeren. We willen komen tot een houdbaar en breedgedragen zzp-beleid, waarmee we dit probleem hopelijk na twintig jaar zullen gaan oplossen. Dat betekent dat we ons op twee dingen richten: aan de ene kant erkenning, zekerheid en duidelijkheid aan de voorkant voor echte zelfstandigen, en aan de andere kant zorgen dat je de schaduwzijde op een goede manier aanpakt en dat je oog hebt voor eventuele problemen die er zijn rond de inzet van zzp'ers. Ik zal straks nog wat meer zeggen over de Zelfstandigenwet. Ik geloof oprecht dat wij dit dossier de komende vier jaar kunnen gaan "pacificeren", om dat woord maar even met een knipoog te gebruiken. Ik zie dat mevrouw Patijn nu de zaal uitloopt, maar ik ga zo aan haar refereren. We hebben namelijk klassiek gezien een tegenstelling gehad. Aan de ene kant hebben we de liberalen, de partijen die vrijheid voorop willen stellen, niet te veel willen spreken over de voorwaarden waar mensen aan moeten voldoen en niet te veel willen denken over bijvoorbeeld de inperking van de zelfstandigenaftrek. Aan de andere zijde hebben we de christendemocraten en de sociaaldemocraten, die toch huiverig waren, en dat nog steeds zijn, om naar het arbeidsrecht te kijken en om de wettelijke verankering van de zelfstandigen te bekijken. Zij willen vooral eerst de problemen die er zijn aanpakken, bijvoorbeeld die met uitbuiting, schijnzelfstandigheid en onderbetaling. Mijn filosofie is altijd, ook bij het schrijven van de Zelfstandigenwet in een eerder leven hier in de politiek, geweest om die twee werelden bij elkaar te brengen met een pacificatie. Dat is een erkenning bij de wet aan de ene kant en het bieden van duidelijkheid, erkenning, zekerheid en rust aan de voorkant, zonder daar werknemersrechten voor aan te tasten, maar wel langs hele duidelijke spelregels en verantwoordelijkheden. Je kunt als zelfstandige werken in alle vrijheid die daarbij hoort. Maar als je vervolgens van de trap valt, verwachten we ook dat je iets fatsoenlijks hebt geregeld rondom arbeidsongeschiktheid. We verwachten ook dat je nadenkt over pensionering. Het is dus geen vrijheid, blijheid; er zijn ook spelregels waar je aan moet voldoen. Daar zul je misschien soms een stapje harder voor moeten lopen, maar volgens mij hoort dat bij een volwassen, zelfstandige politiek. Uiteindelijk is dat ook het doel dat ik wil bereiken. Ik hoop ook samen met de Kamer aan die Zelfstandigenwet te kunnen gaan werken, breed in de Kamer en breed in de samenleving en maatschappij. Voorzitter. Ik ben dankbaar dat we hier vandaag kunnen staan. Ik denk dat het echt belangrijk is dat we dit wetsvoorstel, dat ook al lang op de plank ligt, nu vooruit kunnen gaan helpen en hopelijk snel in werking kunnen laten treden. Het zorgt er namelijk echt voor dat wij juist de werkenden die extra steun en ondersteuning in die rechten verdienen, de mogelijkheid bieden om die rechten op te eisen. Ik denk ook dat we met dit wetsvoorstel echt zorgen dat we de problemen aan de onderkant, of aan de basis van de arbeidsmarkt, moet ik eigenlijk zeggen, aanpakken. Dit wetsvoorstel regelt een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst voor werkenden die op dit moment als zelfstandige werken met een uurtarief onder de €38. Hiermee geven we werkenden die op dit moment een beperkte onderhandelingsmacht hebben, de mogelijkheid om makkelijker en laagdrempeliger hun rechtspositie op te eisen. Dat doen we allereerst bij werkenden zelf. Zij kunnen dat zelf aangeven in de civiele overeenkomst die ze hebben met hun werkgevende. Het zorgt er ook voor dat je als tweede instantie naar een civiele rechter toe kunt stappen. Voorzitter. Ik denk, in alle eerlijkheid, dat vooral de preventieve werking belangrijk is. Het zorgt er namelijk vooral voor dat werkgevenden, opdrachtgevers, werkgevers, aan de voorkant gedwongen zullen worden om, op het moment dat zij gaan werken met iemand met een uurtarief onder de €38, na te denken: "Kan dit wel op deze manier? Wat is de positie van die persoon? Hebben we dit goed georganiseerd? Is die persoon niet gedwongen schijnzelfstandige?" Ik denk dat dat uiteindelijk een heel goede manier is om dit te doen. Vooral de preventieve werking van dit wetsvoorstel acht ik dus zeer belangrijk. Ik zal zo nog ingaan op een aantal zaken die volgens mij wat duidelijkheid behoeven, maar ik denk oprecht dat we met dit wetsvoorstel de positie aan de onderkant op een heel goede manier weten vorm te geven. Is dit het ei van Columbus? Gaat dit alle problemen als sneeuw voor de zon laten verdwijnen? Zullen we het daarna nooit meer hoeven te hebben over mensen die in de problemen zitten? Nee. Maar het is wel een eerste, belangrijke stap om ervoor te zorgen dat mensen aan de basis van de arbeidsmarkt die net dat steuntje in de rug nodig hebben, dat ook krijgen. Het zorgt er vooral voor dat werkgevers veel duidelijker nadenken over wanneer iemand werknemer is en wanneer zelfstandige. Dat is de vraag waar ik mee begon. Ik denk dat daar uiteindelijk de sleutel ligt voor een hele hoop oplossingen voor een hele hoop problemen die we hebben op dit dossier, zodat we die hele simpele vraag, wanneer iemand nou zelfstandige is en wanneer niet, op een goede manier gaan beantwoorden. Dat was mijn algemene intro. Laat ik ermee beginnen dat het wetsvoorstel natuurlijk geknipt is. Het is een langdurige wens van deze Kamer geweest om het rechtsvermoedendeel te splitsen van het verduidelijkingsdeel. Ik heb als minister besloten om dat te doen. Ik denk dat dat verstandig is; we kunnen dan snelheid maken met het rechtsvermoedendeel. Dan kunnen we de basis van de arbeidsmarkt, de kwetsbare posities, helpen en dan kunnen we een fundamenteel, breed debat voeren over de Zelfstandigenwet, volgens mij. We nemen er ook de tijd voor om dat goed te doen; daar zal ik zo nog wat over zeggen. Mevrouw Patijn vroeg mij hoe het nou zit met de memorie van toelichting. Voordat ik aan de antwoorden begin: de memorie van toelichting wordt bij het splitsen of de aanpassing van een wetsvoorstel niet bijgewerkt. Dat gebeurt niet als dat, zoals in dit geval, het gevolg is van een nota van wijziging, maar bijvoorbeeld ook niet bij een amendement. Met het vervallen van het verduidelijkingsdeel zijn de onderdelen die daarop zien in de memorie van toelichting hierbij dus ook niet meer relevant. De overige onderdelen hebben nog wel relevantie. Die zien specifiek op hoofdstuk 4 van de toelichting, het algemene deel, op paragraaf 8.2 en op de artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde artikel van het Burgerlijk Wetboek, 7:610, lid aa. Die zijn nog specifiek van belang. Dit in reactie op mevrouw Patijn, in ieder geval.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Ja, sorry. Ik zal daarna iets zeggen over de effectiviteit en de handhaving, over het tarief, over de Zelfstandigenwet en tot slot heb ik het kopje varia.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Effectiviteit ...
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Tarief.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Ik kan de wetsgeschiedenis niet meer terugdraaien. Het is zoals het is en dat maakt volgens mij ook onderdeel uit van de hele wetsgeschiedenis. Het is inderdaad zo dat paragrafen die niet slaan op het deel "rechtsvermoeden" niet meer relevant worden geacht voor het wetsvoorstel. Het is in de wetgevingsgeschiedenis alleen niet zo dat ik in de memorie van toelichting kan schrappen bij een aanpassing.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Alle zinsneden die niet zien op het rechtsvermoedendeel, de onderbouwing daarvan, zijn in beginsel niet meer relevant. We gaan nu de wetgevingstechniek in. Zou het mevrouw Patijn helpen als we dit verduidelijken in een brief?
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Precies, dus laten we het dan zo doen.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Voorzitter, dank. Er zijn een aantal vragen gesteld over de effectiviteit van dit wetsvoorstel: hoe zit het met de werking ervan en hoe kan het worden toegepast? Het is misschien goed om daar wat woorden over te zeggen. Het rechtsvermoeden heeft uitsluitend een civielrechtelijke werking. Dat is ook logisch, want we spreken hier over het Burgerlijk Wetboek en arbeidsovereenkomsten zijn in beginsel civielrechtelijk. Vandaar dat dit ook een civielrechtelijk rechtsvermoeden is. Dat betekent dus dat het tussen twee verschillende partijen is. Derden kunnen dan ook niet zelfstandig, zonder tussenkomst van beide partijen, een beroep doen op dit rechtsvermoeden. Het is natuurlijk wel zo dat een vertegenwoordiger van een van die twee partijen — in normalemensentaal: een werknemer/opdrachtnemer — zich kan laten vertegenwoordigen, onder andere door een vakbond. Een vakbond kan als vertegenwoordiger van een of meerdere werkenden een beroep doen op dit rechtsvermoeden. In theorie kan dit overigens ook een pensioenuitvoerder zijn. Die vraag werd ook gesteld ten aanzien van het pensioen. We zien dat dat in de praktijk wat minder voor de hand ligt. Het is natuurlijk zo dat een vertegenwoordiger van een van die twee partijen wel een beroep zou kunnen doen op dit rechtsvermoeden. Het rechtsvermoeden werkt niet door in de fiscaliteit, ook niet in de socialezekerheidswetgeving en arbeidswetgeving. Het is natuurlijk wel zo dat het voor de handhavende partijen … Als de rechter besluit dat iets een arbeidsovereenkomst is, dan zit daar natuurlijk wel weer relevantie in, maar dat gaat niet rechtstreeks naar het rechtsvermoeden. Dan is het natuurlijk de vraag waarom je dit niet gewoon publiekrechtelijk doet. De reden daarvoor is meerledig. Nogmaals, dit is een civielrechtelijk rechtsvermoeden. Je kunt daar niet zomaar in treden, ook niet als publiekrechtelijke handhaving. Dat is één. Ten tweede zien we dat het type rechtsvermoeden, namelijk een uurtarief, onuitvoerbaar is voor de Belastingdienst, het UWV en de Nederlandse Arbeidsinspectie omdat die geen zicht hebben op de opbouw en op de toepassing van dat uurtarief. Ik maak ook altijd de verwijzing dat er heel veel zzp'ers zijn die tegen mij zeggen: "Waarom kunnen we niet gewoon zeggen: we pakken een uurtarief. Dan zijn we van alle problemen met de Belastingdienst en de handhaving af." Dit idee horen we heel vaak. Sterker nog, dit hebben we in het verleden zó vaak gehoord dat een van mijn voorgangers, de heer Koolmees, dit tot een wetsvoorstel heeft proberen te maken. Maar de conclusie was dat hij vastliep in de uitvoering. Ik verwijs dan naar een brief uit 2020. Ik doe het even uit mijn hoofd, maar daarin is volgens mij uitgelegd dat het echt onmogelijk is om dat te doen, omdat publiekrechtelijk handhaven op dat uurtarief — mevrouw Van Ark noemde wat voorbeelden waarover ik zo nog wat zal zeggen — niet te doen is. Daarom hebben we gezegd: we doen het civielrechtelijk. De werkgevende weet precies hoe zijn inkomsten en uitgaven eruitzien. Die weet hoe zijn uurbesteding is geweest. Die kan dat als bewijslast aandragen op het moment dat hij dat rechtsvermoeden zou willen inbrengen.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Nee. Laten we even twee dingen uit elkaar halen. Dit wetsvoorstel regelt een rechtsvermoeden voor de werkenden in relatie tot hun werkgevers/opdrachtgevers. De kwalificatie van de arbeidsrelatie zit in een ander wetsartikel. Dat ziet op Burgerlijk Wetboek 7:610. Daar passen wij niks op aan. Of je nou wel of niet onder die €38 zit; dat zegt niets over je wel of geen zzp'er bent. Het is dus geen harde grens. Het is geen minimumtarief. Het is geen maximumtarief. Ook als je onder de €38 zit, kun je nog perfect zzp'er zijn, namelijk als je voldoet aan loon, arbeid, gezag; zie de jurisprudentie over Deliveroo en Uber. Wat wij hiermee doen, is zeggen dat we zien dat de kwetsbare positie wel onder dat uurtarief zit. Ik weet niet meer welke spreker dat was — volgens mij was het mevrouw Van Ark — die het SEO-rapport noemde. Er zijn wel bepaalde indicaties dat daaronder de waarschijnlijkheid afneemt. Maar, zoals de holistische toetsing van het arbeidsrecht zegt: je zult ieder individueel geval apart moeten bepalen. Dat kan je dus niet met een uurtarief doen, hoe graag we dat ook zouden doen en hoe praktisch dat misschien zou zijn.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Nee, omdat dit wetsvoorstel in mijn ogen losstaat van de aanname — die hoorde ik een beetje in de vraag — dat er sprake is van schijnzelfstandigheid; dat is niet te bepalen op basis van het uurtarief en het rechtsvermoeden. Het is slechts een versterking van de rechtspositie. Dat heeft uiteindelijk, denk ik, drie hele sterke preventieve en normerende effecten. Het zorgt er ten eerste voor dat er, voordat er überhaupt een overeenkomst van opdracht wordt aangegaan, door zowel de werkende als de opdrachtgever wordt nagedacht: "Kan dit eigenlijk wel op deze manier? Of is dit stiekem misschien toch een arbeidsovereenkomst? Moet ik niet bepaalde dingen in de werkzaamheden aanpassen om te voorkomen dat ik zo meteen aan een arbeidsovereenkomst vastzit en zodat ik zeker weet dat dit een zzp'er is?" Daarop heeft het dus een preventieve werking. Het versterkt de positie op het moment dat een werkende zegt: ik vind dat ik eigenlijk werknemer ben; ik claim mijn rechten. Op dat moment wordt de bewijslast verlegd naar de werkgever. Dat betekent dat een werkgever zal denken: sta ik eigenlijk wel stevig genoeg in mijn schoenen om naar de rechter te gaan of zal ik de persoon in kwestie nu maar gewoon een arbeidsovereenkomst geven? In het gesprek op de werkvloer wordt de onderhandelingspositie van de werkende versterkt. Dat is twee. Ten derde biedt het überhaupt een rechtspositie in de rechtbank. Het klopt dat je dan al een paar stappen verder bent, maar die drieslag is volgens mij heel verstandig voor de effectiviteit van dit wetsvoorstel.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Dat klopt. De Belastingdienst heeft geen rol bij de handhaving van deze wet. Nogmaals, ik denk dat je wat doet met deze drie preventieve dingen. Wat betreft de kwalificatievraag en de loonheffingsdiscussie die we hebben, heb ik mijn hoop gevestigd op de Zelfstandigenwet. Daarin hopen we deze problemen wél op een goede manier te kunnen adresseren. Nogmaals, het is dus echt een eerste stap binnen breed wetgevingsbeleid. Voorzitter. Ik heb daarmee overigens de vragen beantwoord over de publiekrechtelijke toetsing en de effectiviteit. Er zijn ook van de andere kant wat vragen gesteld. "Zorgt dit er nou niet voor dat mensen onbedoeld in loondienst worden geduwd of dat er minder mensen als zzp'er zullen worden ingehuurd?" Mijn antwoord daarop is ook nee. Het is dus geen minimumtarief. Ook onder dit tarief kan er nog gewoon met zelfstandigen worden gewerkt. Het is ook niet zo dat als men boven dit tarief zit, er automatisch geen sprake meer kan zijn van schijnzelfstandigheid. Dit tarief zegt niks over de mate van schijnzelfstandigheid. Het is wel zo dat er onder dit tarief een extra prikkel zit om goed na te denken over of de arbeidsrelatie en de arbeidskwalificatie kloppen. Daarmee wordt iemand dus gedwongen om daar goed over na te denken. Als je kijkt naar de periode waaruit we komen, dan denk ik dat het alleen maar verstandig is. De onzekerheid en onrust op dit moment in de markt komen juist voort uit een reactie van heel veel opdrachtgevers. Die zeggen: "Ik weet niet precies hoe het zit. Daarom neem ik maar het zekere voor het onzekere. Ik wil geen risico lopen, dus ik huur geen zzp'ers meer in. Ik sluit zzp'ers categorisch uit." Dat is de reden waarom dit kabinet ook heeft gezegd dat het komt met de publiekscampagne Zo kan zzp wél, met een knipoog naar de heer Neijenhuis. Dat doen we om uit te leggen aan welke spelregels je moet voldoen als je met een zzp'er wil werken. Dat betreft uiteindelijk de simpele vraag waarmee ik dit debat begon: wanneer kun je nou als zzp'er of met zzp'ers werken? Al met al is er dus geen reden voor terughoudendheid op dit vlak. Er zijn een paar vragen gesteld over hoe het nou zit met zzp'ers die bewust kiezen voor een lager tarief. "Worden die nou niet in loondienst geduwd?" Nee. Ik zeg er wel bij, ook in reactie op wat mevrouw Patijn zegt, dat ook die mensen niet automatisch die keuze hebben. Je dient je wel te verhouden tot het arbeidsrecht, met loon, arbeid en gezag. Dat van Deliveroo en Uber is nog steeds geldig, ook al doe je geen beroep op het rechtsvermoeden. Het rechtsvermoeden is verder weerlegbaar, ook weer door de werkgever. Stel dat de werkgever hier goed over zegt te hebben nagedacht en er is sprake — dat is ook een van de vragen — van mogelijk misbruik van een werkende die achteraf zegt: ik wil toch graag wel werknemer zijn, want dat scheelt een hele hoop gedoe. Dan is het niet zo dat je automatisch een arbeidsovereenkomst krijgt. Je moet überhaupt aantonen dat je op die €38 zit. Vervolgens kan een werkgever dat ook netjes weerleggen door te zeggen: Nee, wacht even, ik heb nog eens gekeken naar Deliveroo en Uber, zo en zo zit het. Dat automatisme zit er nu ook niet in. Dus de zorgen ten aanzien van misbruik zie ik niet. Er zijn vragen gesteld over de verschillende getallen die zijn genoemd, ook in de memorie van toelichting. Het rapport over grip op zzp stelt dat in 9% geen sprake is van een vrije keuze. In een ander rapport wordt uitgegaan van 2,7%. Laatst is er ook weer een rapport uitgekomen waarin wordt gesproken over 4% gedwongen zelfstandigheid. Overigens lopen hier twee dingen door elkaar heen. Je hebt gedwongen zelfstandigen en schijnzelfstandigen. Dat zijn verschillende dingen. Al met al denk ik dat het heel ingewikkeld is om deze exacte cijfers met exacte wetenschap vast te stellen. Ze geven volgens mij allemaal een richting aan waarbij de een wat meer aan de bovenkant zit en de ander meer aan de onderkant. Volgens mij is de afdronk hiervan dat het ook in absolute zin nog steeds over een significante groep zal gaan. Ik vond de woorden van de heer Boon ook wel goed: als we de gedwongen zelfstandigheid, of het nu 2,7% of 9% is, niet aanpakken, zullen we altijd een discussie blijven houden, waarbij de goeden onder de kwaden zullen lijden. De voorbeelden die ook hier in dit debat genoemd worden, zullen dan leidend worden in de zzp-discussie, terwijl een grote groep zzp'ers gewoon rust en erkenning willen en gewoon willen doorgaan met waar zij mee bezig zijn. Voorzitter. Dan de toegang tot de rechter.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: De cijfers lopen uiteen. Het advies is natuurlijk niet alleen op dat ene onderzoek gestoeld. Ik noemde net al het "grip op zzp"-dossier, waarin wordt gesproken over 2,7%. Het rapport van ZEA uit 2021 spreekt over 4% van de zzp'ers die liever als werknemer werkt. Dan hebben we het dus over gedwongen zelfstandigen en niet zozeer over schijnzelfstandigen. Dan hebben we het nog steeds over een grote groep werkenden die hier de dupe van is. Dat is een reden voor mij om dit aan te pakken. Een tweede reden is, nogmaals, dat dit soort verhalen over misbruik, onderbetaling en uitbuiting de discussie domineren, wat ten koste gaat van de goedwillende zzp'ers. Dat vind ik vervelend. Juist indachtig de gedachte om de problemen heel gericht aan te pakken, zodat we op andere plekken wat meer ruimte en duidelijkheid kunnen bieden, vind ik het heel verstandig om dit aan te pakken.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Ik kan niet zeggen: laten we dit of dat getal nemen. Er zijn meerdere onderzoeken die in een bepaalde richting wijzen. 9%, 2,7% en 4% liggen ook niet extreem ver van elkaar af. Het gaat om een significante groep. Het aantal zzp'ers ligt op 1,2 miljoen, waarvan 1 miljoen zzp'ers eigen arbeid. Of je nu 9%, 2,5% of 4% pakt, het is nog steeds een significante groep. Volgens mij is de groep groot genoeg om, ervan uitgaande dat de goeden niet onder de kwaden mogen lijden, dit aan te pakken. Ik vind dat voldoende onderbouwing voor dit wetsvoorstel.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Ik zat even te bladeren, maar ik denk dat ik deze vraag uit mijn hoofd kan beantwoorden. Het ATR zegt inderdaad twee dingen. Aan de ene kant zegt het dat het zorgt voor een verlichting van de regeldruk bij werkenden. Aan de andere kant zorgt het voor een lichte stijging van de regeldruk aan de werkgeverskant of opdrachtgeverskant. Dat moet je vervolgens wegen. Ik denk dat het hier proportioneel is, omdat volgens mij duidelijkheid in wetgeving juist van extreem belang is voor ondernemers. Wat we nu zien, is dat er al jarenlang, en nog steeds, veel onduidelijkheid en veel onzekerheid is bij veel ondernemers. Die durven soms geen zzp'ers aan te nemen. Als ze dat wel doen, kijken ze naar de Belastingdienst ten aanzien van de handhaving. Er is veel ruis, veel onzekerheid, veel onduidelijkheid. Als er iets niet goed is in het kader van regeldruk, is dat het wel.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Een aantal vragen van de fractie van D66 en de PVV over de toegang tot de rechter. Zoals ik al eerder heb gezegd, heeft het wetsvoorstel primair een preventieve werking. Een derde kan dus niet ingaan op het rechtsvermoeden, maar ze kunnen zich wel laten helpen, bijstaan of vertegenwoordigen door bijvoorbeeld de vakbond of een rechtsbijstandsverzekeraar, een Juridisch Loket of een ondernemersraad. In het arbeidsmarktpakket zijn ook afspraken gemaakt over de toegang tot het recht voor kwetsbare werknemers. Dat wordt ingevuld door betere en toegankelijkere informatie en door advies, onder andere via de vakbonden en het Juridisch Loket. Per 1 maart 2025 is een pilot gestart voor de laagdrempelige geschillenbescherming, dus de regelrechter. De werknemers kunnen hierbij laagdrempelig, via een onlineformulier, een vordering bij de rechter indienen en daarmee dus ook een beroep doen op dit rechtsvermoeden. Die pilot staat dus ook open voor geschillen waarin een beroep wordt gedaan op het rechtsvermoeden.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Ja, dat kan ik toezeggen.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Dan nog een aantal andere vragen over dit onderwerp. Mevrouw Patijn vroeg mij nog het volgende. Stel dat je nu voor een arbeidsovereenkomst gebruikmaakt van het rechtsvermoeden: op welk type contract heeft een werkende dan recht of welk recht kan hij dan opeisen? Ik moet daarbij zeggen dat dit geen nieuw vraagstuk is. Dat rechtsvermoeden creëert hetzelfde als wat je nu hebt als je een beroep doet op artikel 610. Als een rechter daarbij oordeelt dat iemand een arbeidsovereenkomst heeft, wordt dat nu ook al op een bepaalde manier afgewogen. Dit wetsvoorstel sluit dus ook bij die rechtspraktijk en die jurisprudentie aan. Als blijkt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt er vooral gekeken naar de urenomvang en ook naar de specifieke omstandigheid van het geval, zoals dat in het recht altijd gebeurt. Mevrouw Patijn gaat mij natuurlijk vragen hoe dat precies zit, dus ik denk: ik ga bij doorvragen maar gewoon het blokje voorlezen. Als er bijvoorbeeld sprake is van een specifieke einddatum, ligt het namelijk voor de hand dat de rechter zal oordelen dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd. Als er in de overeenkomst van de opdracht geen einddatum is afgesproken, is het logischer dat de arbeidsovereenkomst eerder van onbepaalde tijd zal zijn. Als er wordt gekeken naar de urenomvang kan worden aangesloten bij het vaste aantal uren dat eventueel is overeengekomen. Mocht dat niet zijn overeengekomen, dan wordt er weer naar andere bepalingen gekeken. Dan biedt artikel 610, lid b van het Burgerlijk Wetboek Boek 7 ook weer uitkomst, want daarin wordt gekeken naar de omvang die vermoedelijk gelijk dient te zijn aan het gemiddelde van de arbeid over de drie voorafgaande maanden. Tot slot. Op grond van artikel 628a, lid 5 van het Burgerlijk Wetboek Boek 7 dient een werkgever na elke twaalf maanden een vaste arbeidsomvang aan te bieden die gelijk is aan de gemiddelde omvang in de voorafgaande periode van twaalf maanden. Tot zover de duidelijkheid uit ons Burgerlijk Wetboek, maar het is wel goed om dit even te benoemen, omdat het natuurlijk wel onderdeel uitmaakt van de wetsgeschiedenis. Vandaar dat ik het even voorlas. De heer Flach heeft mij nog een aantal vragen gesteld over een aantal specifieke sectoren: jongeren of studenten dit als bijbaan doen. Ik denk dat het niet nodig is om voor deze specifieke groepen een uitzonderingspositie op het rechtsvermoeden te hanteren, omdat ik al eerder zei dat het feit dat je onder de €38 zit niet bepaalt of je wel of niet als zzp'er kunt werken. Je kunt bijverdienen als je onder de €38 zit, ook bij platforms zoals genoemd in het debat. Daar heeft het rechtsvermoeden in beginsel niks mee te maken. Je moet dan voldoen aan de reeds bestaande jurisprudentie van Deliveroo of Uber om te bepalen of je een zelfstandige bent of dat je een arbeidsovereenkomst hebt. Er zal onder dit tarief natuurlijk wel een soort extra check zijn om te zien of er geen sprake is van schijnzelfstandigheid. Daarom kan ik de heer Flach toezeggen dat ik ook in de communicatie goed wil meenemen wat ik net zei, namelijk dat een tarief onder de €38 niet automatisch betekent dat je als zelfstandige of als student niet meer kunt bijverdienen; dat waren de mooie voorbeelden van de heer Flach. Dat kan nog gewoon als je voldoet aan de reeds lopende jurisprudentie. Dat kunnen we mooi meenemen in de campagne Zo kan zzp wél. Dan denk ik … Nee, nog één vraag.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Nee, want voor de kwalificatie of je zzp'er bent, maakt het niet uit of je €9, €20, €38, €138 of €238 per uur verdient. Dat maakt niet uit voor de kwalificatie "ben je zzp'er of ben je werknemer?" Dit is precies de onduidelijkheid die ik probeer weg te nemen. Dat maakt dus helemaal niks uit. Het enige wat we doen, is dat we de mensen die op dit moment als zzp'er onder de €38 werken, extra hulp bieden: als je eigenlijk vindt dat je op grond van de jurisprudentie werknemer bent omdat je niet je eigen uren mag bepalen, omdat je maar voor één werkgever werkt, omdat je eigenlijk precies hetzelfde doet als alle andere mensen, die wél een arbeidsovereenkomst hebben, en omdat je geen enkele vorm van vrijheid, autonomie, eigen regie et cetera hebt, dán kun je zeggen dat je recht hebt op een arbeidsovereenkomst. Dat gesprek maken we in preventieve zin veel beter mogelijk met dit wetsvoorstel.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Door in de publiekscampagne duidelijk te maken: zo kan zzp wél en als u aan deze spelregels voldoet, dan is het vrij aannemelijk dat u als zelfstandige of met zzp'ers kunt werken. Dat zal ik voor iedereen doen, dus voor mensen boven én onder de €38. Uiteindelijk gaat het dus niet om dat uurtarief, maar om de spelregels. Die proberen we duidelijk te krijgen. Dat doen we zowel met die publiekscampagne als met een nieuwe wet. Voorzitter. Dan heeft mevrouw Patijn mij nog vragen gesteld over de Wtta, de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, uit mijn hoofd. Zeg ik het nou goed? Ja, hè? De vragen waren wat we nou doen met de handhaving op schijnzelfstandigheid bij bureaus die hierin bemiddelen en of die €38 geen rol kan spelen in het normenkader. Dat klinkt op zichzelf natuurlijk interessant, omdat de Wtta natuurlijk ook bedoeld is om vooral bij uitzendbureaus en bij bemiddelingsbureaus problemen met verloning aan te pakken. De Wtta heeft een mooi normenkader waarbinnen je dit zou kunnen doen, maar ook hier lopen we weer tegen het probleem aan dat het civielrechtelijke rechtsvermoeden iets is tussen de werkende en de opdrachtgever. Het bemiddelingsbureau speelt hier dus ook geen rol in, en de handhaving op het bemiddelingsbureau ook niet. Daarom is het ook niet mogelijk om dit vervolgens weer publieksrechtelijk via het Wtta-stelsel te handhaven. Er is namelijk ook geen zicht op de mogelijke werking van het rechtsvermoeden tussen het bureau en de zelfstandige. Daarom kan dit geen onderdeel uitmaken van het normenkader. Ik ga nu zeggen wat we wel kunnen doen; dat helpt misschien ook.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: De techniek van de Wtta gaat bij mij ook weer een jaar of anderhalf terug.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Ik vrees dat het heel moeilijk is om het in het normenkader te doen, omdat je er, nogmaals, mee zit dat het rechtsvermoeden echt onderdeel uitmaakt van de relatie tussen werkenden en werkgevenden, en niet van een derde partij die daartussenin zit. De Wtta ziet nou juist op de derde partij daarin. Dat is overigens alleen zo als die partij een uitzendbureau is. Dat is dus ingewikkeld. Maar daarom wou ik eigenlijk het bruggetje maken naar wat ze misschien wel zouden kunnen doen. Ook indachtig wat ik net zei, is mijn doel namelijk om te pacificeren. Mijn doel is om te kijken of het lukt om de problemen die er zijn aan te pakken op een manier waarmee je de zzp'ers de ruimte geeft. Ik wil dus gaan kijken of we hier misschien iets op kunnen doen. We zien namelijk dat er wel echt problemen zijn in bepaalde sectoren. We zien problemen bij uitbuiting, bij arbeidsmigranten, en bij schijnzelfstandigheid. Daar zien we gewoon vervelende dingen die we eigenlijk liever niet zien. En we zien dat het zzp-schap of de bemiddelingsbureaus daarin ook een rol spelen waarvan wij vinden dat ze die niet zouden moeten spelen. De handhaving van schijnzelfstandigheid zit natuurlijk grotendeels en primair bij de Belastingdienst, omdat de Belastingdienst toeziet op goede naleving van de loonheffing. Het UWV doet ook wat, maar het zwaartepunt zit bij de Belastingdienst. Ik wil dus eigenlijk even kijken of we dit punt van mevrouw Patijn, dat ik een heel wezenlijk punt vind, nou niet met de Arbeidsinspectie kunnen oppakken. Hoe kunnen we er nou voor zorgen dat we kunnen ingrijpen op het moment dat er eigenlijk een miskwalificatie is van die arbeidsrelatie, in een sector waarin we die problematiek zien, waarbij die miskwalificatie ook stelselmatig wordt gebruikt om te werken op een manier die we niet goed vinden? We willen kunnen ingrijpen door middel van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Dat zou ik eigenlijk als toezegging willen doen aan mevrouw Patijn, dus dat we verdergaan op dat pad en erover na gaan denken, en dat we misschien ook voor mevrouw Patijn even in kaart brengen wat we daar het komende halfjaar al kunnen doen om de problemen die mevrouw Patijn aangeeft — die problemen zie ik ook — op een bepaalde manier kunnen aanpakken. Dan gaat het ook om de gevaren van ontduiking van de Wtta en het waterbedeffect. Dat wilde ik eigenlijk als toezegging doen. Ik hoop dat mevrouw Patijn daar tevreden mee is.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Dat is al snel.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Dat punt kunnen we ook meenemen, en we kunnen toezeggen om dat voor de Indian summer te doen. Ik weet dus niet of het exact voor de zomer lukt, maar wel in die hoek ergens!
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Rond de zomer. Voorzitter. Dan ga ik naar het blokje tarief. Daar zijn ook een aantal vragen over gesteld. Er is gevraagd hoe dat is vormgegeven, maar vooral ook wat je doet op het moment dat mensen proberen om daar net onder of net boven te gaan zitten. En wat doe je als je een andere manier van berekenen hebt of andere prijsafspraken hebt gemaakt, bijvoorbeeld op basis van het totaalbedrag of per product? De vertalers werden al genoemd. Dat kunnen we niet allemaal in een wet vatten; laat ik daarmee beginnen. Laten we alsjeblieft niet proberen om wetten zó te maken dat je ieder specifiek muizengaatje dicht kan smeren, want dan wordt het een helwetgeving. Daarom hebben we nagedacht over wat je slim kunt doen aan de voorkant, dus een uurtarief dat op een redelijke manier is opgebouwd en waar je logisch naartoe kunt werken, ook als je per product of op totaalbasis wordt betaald, of als je bijvoorbeeld veel niet-declarabele uren hebt. Ook dat zie je in een aantal sectoren; de kunstensector is er daar eentje van. Daarom is die €38 op een bepaalde manier opgebouwd, zodat de juiste waarborgen in de berekening zitten. Het uurtarief is gebaseerd op 120% van het wettelijk minimumloon. Hiervoor is gekozen vanwege het doel van het beschermen van kwetsbare werkenden. Vervolgens is er een opslag berekend van 25% voor de kosten die je zou moeten hebben voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het pensioen. Daarnaast is er gerekend met 15% voor algemene kosten die niet specifiek aan de opdracht zijn toe te rekenen, zoals algemene investeringskosten et cetera, et cetera. Vervolgens is er een factor 1,5 gehanteerd voor uren die niet declarabel of factureerbaar zijn. Tot slot is het bedrag naar boven afgerond, zodat je uiteindelijk voor 2026 op een tarief van €38 uitkomt. Dat is een tarief waar je naartoe kan rekenen, ook als je veel niet-declarabele uren hebt, als er algemene investeringskosten zijn, als je met een totaalbedrag werkt of als je werkt met een bedrag per product, dat niet toe te rekenen is aan een uur. Uiteindelijk is het aan de werkende zelf om bijvoorbeeld op basis van een eigen systeem voor het schrijven van uren bij te houden hoe de kosten uiteindelijk terug te voeren zijn op het aantal uur. Dat is relatief makkelijk te berekenen, natuurlijk. Dan zou je met €38 de juiste waarborgen moeten hebben ingebouwd om de verschillende muizengaatjes die zijn genoemd in den brede te kunnen ondervangen. Het bedrag wordt overigens op dezelfde manier geïndexeerd als het wettelijk minimumloon.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Ik denk dat dat ook lastig is, omdat dat ook per beroepsgroep enorm zal verschillen, vandaar dat we verschillende waarborgen hebben ingebouwd op die verschillende niveaus, dus niet-factureerbare uren, algemene kosten en aov en pensioen. Je gaat dit nooit goed krijgen voor alle specifieke gevalletjes. Dat gaat gewoon niet lukken. Je moet grote waarborgen hebben voor die verschillende domeinen. Ik denk dat dat op deze manier goed is gelukt. Ook gezien het laatste Knab-onderzoek naar tarieven in bepaalde sectoren denk ik dat we dit best goed hebben gedaan.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Ik zal extra hard mijn best doen op de antwoorden richting de heer Ceulemans.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Ja, ik zit even te kijken. Meneer Ceulemans had inderdaad nog een aantal hele specifieke vragen in dit blokje. Hij vroeg of zzp'ers met een vaste prijs die achteraf meer uren blijken te maken, zich alsnog kunnen beroepen op het rechtsvermoeden. Het antwoord daarop is ja. Zoals bij het hele wetsvoorstel geldt, dient een werkende wel aannemelijk te maken dat het overeengekomen totaaltarief inderdaad niet leidt tot een uurtarief dat lager is dan het uurtarief in dit wetsvoorstel. De toets of er sprake is van een arbeidsovereenkomst, verandert door dit tarief uiteindelijk niet. Dat hebben we al eerder gezegd. Dat geldt ook voor de vraag hoe een opdrachtgever vooraf moet inschatten of het effectieve uurtarief boven of onder de grens ligt. De vraag was ook of er dan geen strategisch gedrag komt ten aanzien van het claimen van de arbeidsovereenkomst. Het antwoord daarop is nee, omdat de toets of er sprake is van een arbeidsovereenkomst niet afhangt van of je boven of onder het uurtarief zit; die hangt ervan af of je voldoet aan de Deliveroo- en Uber-gezichtspunten en de holistische weging daarin. Dat staat los van het uurtarief. Het uurtarief is slechts een rechtsvermoeden voor een arbeidsovereenkomst, waarbij je een steuntje in de rug geeft, zoals eerder gezegd. De heer Ergin vroeg mij nog of we aan de voorkant hebben gekeken of we dit tarief niet kunnen gebruiken voor wetgeving, en of we niet iets met minimumtarieven of sectorale tarieven kunnen doen. Het antwoord daarop is nee. Dat is al eerder gedaan — ik zeg het nogmaals — door mijn voorganger Koolmees. Het is vooral belangrijk dat we op een goeie manier die kwalificatie vormgeven. Dat doen we in de Zelfstandigenwet. Voorzitter. Dat is het bruggetje naar blokje drie, de Zelfstandigenwet.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: De Zelfstandigenwet. Zoals eerder aan de Kamer gemeld willen wij echt zo snel mogelijk aan de slag met de Zelfstandigenwet. De uitgangspunten zijn door de verschillende Kamerfracties vervat in het initiatiefwetsvoorstel. Ik hoop het wetsvoorstel snel van de Kamerfracties naar het kabinet overgedragen te krijgen. Ik zeg er wel bij: ik ga hier echt goed mee aan de slag, want we hebben hier met alles wat er nu gebeurt volgens mij een unieke kans om nogmaals in te zetten op een breedgedragen en zorgvuldig zzp-beleid dat dit probleem echt voor eens en voor altijd de wereld uit zal helpen. Over de precieze invulling. Nogmaals, de uitgangspunten van de Zelfstandigenwet zijn leidend, maar we gaan ook echt even goed kijken met arbeidsrechtjuristen, met allerlei deskundigen en met zelfstandigenorganisaties — heel veel zelfstandigenorganisaties hebben al aangeboden om mee te denken op specifieke punten — met de sociale partners, de vakbonden en de werkgevers. Dat hebben we destijds als Kamerleden al geprobeerd, maar dat willen nu ook zeker doen. We willen goed nadenken over die Zelfstandigenwet. Welke elementen erin zijn goed en welke elementen moeten worden aangepast? We willen ook heel nadrukkelijk de Belastingdienst, het UWV en de Nederlandse Arbeidsinspectie heel nauw bij dit proces betrekken. Uiteindelijk moet dit wetsvoorstel gewoon behapbaar zijn en voor bijvoorbeeld de Belastingdienst te doen zijn. Ik denk dat dat heel belangrijk is. De vraag is gesteld hoe het met de planning zit. Daar zit het dilemma. Ik dacht als Kamerlid: waarom duurt het maken van die wetten nou zo lang? Inmiddels ben ik zelf minister en weet ik waarom het maken van die wetten zo lang duurt: omdat de Kamer allerlei eisen heeft gesteld qua wet- en regelgeving en omdat het allemaal zorgvuldig moet. Daarom zeg ik: het is echt verstandig om nu even zorgvuldig naar die wet te kijken voordat die naar de Raad van State gaat. Dat wil ik het komend halfjaar echt even, ook met expertwerkgroepen et cetera, gaan doen. We willen hier echt even gaan voor zorgvuldigheid en gedegenheid boven snelheid. Dat is niet mijn natuurlijke houding, maar het is wel belangrijk. We streven naar 1 januari 2028 als datum van inwerkingtreding. Dat zou betekenen dat we aan het einde van dit jaar naar de Raad van State kunnen. Als het ook goed is en goed uitvoerbaar is, met ook goede uitvoeringstoetsen die op een gedegen manier zijn gedaan, dan hoop ik in het volgende jaar snel met u als Kamer van gedachten te kunnen wisselen en hoop ik ook te kunnen rekenen op een breed draagvlak in de Kamer. Mevrouw Patijn vroeg mij nog of ik kan toezeggen dat de bescherming van werknemers niet zal worden aangepast. Het antwoord daarop is ja. De doelstelling van de Zelfstandigenwet was nooit en is nog steeds niet "aantasting van werknemersrechten". Het kernlid artikel 7:610 BW zal niet worden aangepast. Er is in het initiatiefwetsvoorstel eerder door de Kamer gekozen voor een vergelijkbare bepaling, dus zoals het vba-deel uit de voormalige Vbar. Dat betekent dus een extra lid toevoegen aan 610, met daarin een spiegelbepaling met nogmaals die kernzin die aangeeft wanneer je als zelfstandige kunt werken. We hebben in de wet geregeld wanneer je werknemer bent. In het huidige voorstel van de Zelfstandigenwet wordt geregeld wanneer je dat in ieder geval niet bent. Op die manier heb je ook zo veel mogelijk zekerheid dat je zelfstandige bent. Dat doen we nadrukkelijk zonder de bescherming die werknemers verdienen. Mevrouw Van Ark zei dat terecht; een hele grote groep mensen wil uiteindelijk ook gewoon een vaste aanstelling, een vaste arbeidsovereenkomst. Die ontlenen daar heel veel zekerheid aan en die willen we nadrukkelijk niet aantasten. Dat is ook de vraag die mevrouw Patijn stelde over de SER. De SER heeft in het MLT advies gegeven over het rechtsvermoeden. Dat voeren we hier overigens mee uit. Over het vba-deel hebben ze nooit aangegeven dat dat een belemmering vormde in de zin van een aantasting van 610. Als je dus een vergelijkbaar deel pakt, zoals dat zal gebeuren in het vba-deel, is mijn verwachting dat dat bij de Zelfstandigenwet ook niet het geval zal zijn. Nogmaals, we kiezen namelijk voor een spiegelbegrip en voor niet een aantasting van werknemersrechten. Voorzitter. Dan de handhaving. Ik heb in reactie op de heer Flach al het een en ander gezegd over de handhaving van dit rechtsvermoeden. De Belastingdienst, het UWV en de Arbeidsinspectie kunnen geen beroep doen op dit rechtsvermoeden, ook niet indirect. Dat is ook uitgebreid aan de voorkant onderzocht. Er is een vraag gesteld over de handhaving door de Belastingdienst, breder over het zzp-beleid. In mijn brief heb ik al aangegeven dat ik geen voorstander ben van zigzagbeleid. Als je wilt normaliseren, en dat is uiteindelijk mijn doel, is het juist goed dat die handhaving wordt voortgezet. We gaan wel kijken hoe we dat op een betere manier kunnen doen, bijvoorbeeld door middel van een publiekscampagne waarin we aangeven hoe zzp wél kan, met een positieve grondhouding richting zzp'ers, en door uit te leggen hoe je het goed kunt doen en hoe je aan de spelregels kunt voldoen. We moeten ook een duidelijke update geven van het toetsingskader bij de Belastingdienst ten aanzien van Uber. De eigen leidraad van de Rijksoverheid ten aanzien van Uber zal worden geüpdatet, zodat er zo veel mogelijk duidelijkheid komt, ook in de handhaving. Het blijft overigens wel goed om het wettelijk kader goed vorm te geven, want de Belastingdienst doet enorm zijn best om zo goed mogelijk te handhaven op basis van de huidige jurisprudentie. De Hoge Raad heeft al twee keer gezegd dat de wetgever met een wettelijk kader moet komen. De Belastingdienst en veel andere uitvoerders vragen terecht om wettelijke verduidelijking, want dat maakt hun werk een stuk makkelijker. Dat geldt ook voor zelfstandigen. Dat is mijn drijfveer om dat wettelijk kader snel en zorgvuldig vorm te geven. Dan heb ik het blokje varia.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Nogmaals, dan ga ik vooruitlopen op de Zelfstandigenwet, en ik weet niet of dat verstandig is om te doen. Ik wil echt het beeld en de geruststelling geven dat er niet wordt gemorreld aan artikel 610 over loon, arbeid en gezag. De Vbar zei dat gezag op een bepaalde manier moet worden uitgelegd. In de Zelfstandigenwet staat een spiegelbepaling daarvan, die zegt: het eerste lid van artikel 610 regelt wanneer je werknemer bent, en in de spiegelbepaling wordt geregeld wanneer je dat in ieder geval niet bent. Daarmee tast je de bescherming van het arbeidsrecht voor werknemers niet aan, maar bied je wel zekerheid aan zelfstandigen. Dat is volgens mij een goede balans, die in veel andere West-Europese landen ook wordt gekozen om dit wettelijk zo te regelen, zodat je de zekerheid die wij in Nederland aan werknemers bieden ook aan zelfstandigen biedt. We doen dat op basis van twee principes: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Die zijn daarin gelijkwaardig. Laat ik ook echt de angst wegnemen dat het niet zo wordt dat mensen zelf kunnen kiezen, ongeacht de spelregels: "doe mij dit maar" of "doe mij dat maar". Die angst wil ik echt wegnemen bij mevrouw Patijn.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Dan is dat al winst.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: We gaan hier nog over doorpraten.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Dat is voor mij een aanmoediging om ermee aan de slag te gaan.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Daarvoor doen we vier dingen. Allereerst: de Belastingdienst had zijn toetsingskader al geüpdatet op basis van het laatste Uber-arrest. Dat arrest zegt dat extern ondernemerschap volwaardig meeweegt in de beoordeling van het zzp-schap. De Belastingdienst houdt zich altijd netjes aan jurisprudentie, maar dit zal ook nog een keer extra worden geüpdatet op de website, zodat het duidelijk is. Dat is één. Twee. Bij het instrument van de webmodule zal dit gegeven uit het Uber-arrest ook heel duidelijk worden aangegeven: extern ondernemerschap telt volwaardig mee en is belangrijk in de beoordeling van het zzp-schap. Drie. De overheid geeft het goede voorbeeld, dus in de leidraad die de overheid en het ministerie van BZK zelf hanteren als het gaat om het inhuren van zzp'ers zullen zzp'ers niet meer categorisch en onnodig worden uitgesloten. De leidraad zal namelijk worden aangepast, ook weer naar aanleiding van Deliveroo en Uber, zodat extern ondernemerschap volwaardig meetelt. Vier. Het belangrijkste is dat we voor de zomer willen gaan starten met de publiekscampagne Zo kan zzp wél, waarin we zeggen dat we een positief beeld over zzp'ers hebben. Daarmee maken we heel duidelijk dat er niks mis is met zzp'ers: u kunt als zzp'er werken, u kunt met zzp'ers werken en dit zijn de spelregels waar u aan moet voldoen als u met zzp'ers wilt werken.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: De risicogerichtheid zit in het handhavingskader van de Belastingdienst. Deze kabinetskoers ten aanzien van zzp is medeondertekend door de staatssecretaris van Fiscaliteit en ook door de minister van Economische Zaken. Dat is dus een breed kabinetsstandpunt.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Varia. Er zijn een aantal vragen gesteld over de communicatie. De overheid zal ook bij dit wetsvoorstel goed communiceren over de gevolgen van dit wetsvoorstel. We zullen dat in onze communicatie meenemen. Dat zal zowel zijn op hetjuistecontract.nl als in de campagne Zo kan zzp wél, zoals eerder genoemd. Het gaat daarbij ook, in antwoord op de heer Kisteman, om specifieke groepen, zoals gepensioneerden. Ongeacht bij welke groep je hoort, ongeacht op welk uurtarief je zit, de toets van de arbeidskwalificatie is hierin leidend. Daarop is Zo kan zzp wél dus ook van toepassing. Zijn de communicatie en de uitvoering in de rechtspraktijk hier klaar voor, vroeg mevrouw Van Ark. Ja, de communicatie zal dit jaar al starten. We zetten alles op alles om dat te doen. We doen dat samen met werkgevers- en werknemersorganisaties. De Raad voor de rechtspraak heeft positief geadviseerd over dit wetsvoorstel. Ten aanzien van de uitvoerders zien wij geen problemen, aangezien het slechts een enkel civielrechtelijk rechtsvermoeden is. De heer Neijenhuis vroeg mij hoe ik afwenteling van financiële risico's ten aanzien van schijnzelfstandigheid op zzp'ers voorkom. Dat is onwenselijk en het mag in heel veel gevallen ook niet. Het is onrechtmatig dat opdrachtgevers de risico's op naheffing en boetes afwentelen op werkenden. Premies voor werknemersverzekeringen mogen niet worden verhaald op de werknemer. Hiertegen kan ook strafrechtelijk worden opgetreden. Onder bepaalde omstandigheden kunnen boetes en loonheffingen wel worden verhaald, maar dat is in beginsel niet het uitgangspunt. Dan de vragen over het Herstel- en Veerkrachtplan en hoe dat nou exact is gegaan. Waren die van de heer Ergin? Nee? De heer Ceulemans had zich overigens geëxcuseerd. Het verduidelijkingsdeel zag inderdaad op een van de mijlpalen van het Herstel- en Veerkrachtplan. Het kabinet voert op dit moment gesprekken met de Europese Commissie over een mogelijke wijziging van die mijlpalen. Het is overigens zo dat de Europese Commissie daarmee nog moet instemmen. Ik blijf zeggen: wij zijn een pro-Europees kabinet. Je kunt met de Europese Commissie gewoon van gedachten wisselen. Het is niet zo dat zij dictaten opleggen. Je kunt gewoon met hen spreken en van gedachten wisselen. Het is overigens heel belangrijk, zeg ik hier nogmaals, dat dit wetsvoorstel voor 31 augustus 2026 wordt gepubliceerd in het Staatsblad. Enorm veel dank dus aan uw Voorzitter en de griffiers dat we dit vandaag nog hebben kunnen inplannen. Ik hoop dat dit wetsvoorstel dinsdag ook op de stemmingslijst zal staan, zodat we nog voor het meireces richting de Eerste Kamer kunnen gaan. Dat zeg ik toch maar even met een lobby richting uw Kamer, zodat we dit alles kunnen doen. Wij houden u op de hoogte van de gesprekken die wij voeren ten aanzien van het Herstel- en Veerkrachtplan. Voorzitter. Tot slot de vragen die zijn gesteld over het artikel van vanmorgen in het Algemeen Dagblad over de Dienst Toeslagen. Ik kan daar niet te veel over zeggen, niet omdat ik dat niet wil, maar omdat wij drie hele duidelijke rollen hebben in dit kabinet, namelijk de volgende. Er is een minister die gaat over het beleidsmatige en wetgevende deel van de zelfstandigenwetgeving; dat ben ik. Dan hebben we een staatssecretaris die gaat over de handhaving van die wetten. Dat is in dit geval de staatssecretaris van Financiën die verantwoordelijk is voor de Belastingdienst. Dan hebben we daarnaast nog een staatssecretaris die gaat over de Dienst Toeslagen en de afhandeling van de toeslagenaffaire. Die gaat over het werkgeversdeel ervan. Die zal ook antwoorden op de vragen die zijn gesteld; ik geleid die graag door. Ik kan daar dus op dit moment vanuit mijn rol geen antwoord op geven. Laat ik hier wel heel duidelijk zijn. Ik zag in het artikel ook allerlei teksten over "heksenjachten" et cetera. Dit kabinet heeft heel bewust gekozen voor een nieuwe koers, voor een andere koers, die positief is ten opzichte van zzp'ers. We hebben een aantal dingen aangepast. Zo kan zzp wél. Wij waarderen zzp'ers. We hebben een positieve grondhouding. Ik herken mij niet in dat beeld van die heksenjacht. Dat gaan we wat mij betreft ook niet doen. Ik herken dat beeld overigens ook niet als ik oprecht kijk naar hoe de situatie op dit moment is. Daar wil ik dus wel afstand van nemen. Voor de overige vragen moet ik helaas wel verwijzen naar mijn collega's van Financiën.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Dat is een terecht punt. Laat ik daar ook duidelijk over zijn. Ook de overheid dient zich aan de wetten en regels te houden. Iedereen moet zich aan diezelfde regels houden. Dat is ook de lijn die wij als kabinet voorstaan.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Ik kan dus niet ingaan op deze specifieke situatie en deze casus.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Tot nader order, voorzitter.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Wacht, wacht, wacht. Nee, dat ga ik dan uit mijn hoofd doen. Nee, dat moet ik toch niet doen. Ik doe dat in de tweede termijn, voorzitter.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Dank, voorzitter. Dank aan de Kamerleden voor hun vragen in hun tweede termijn. Misschien is het goed dat ik eerst een aantal vragen behandel. Mevrouw Van Ark vroeg mij om het tarief na drie jaar te evalueren. Dat lijkt me verstandig om te doen. Op de vraag over het effect op het platformwerk in relatie tot vergelijkbaar type werk is het antwoord dat het tarief daar op zichzelf niks in gaat veranderen, omdat zij-aan-zijwerk onder het Uber-arrest valt. Zoals ik al eerder heb gezegd, doet het tarief zelf niks aan de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Ik verwacht wel dat dit tarief ervoor gaat zorgen dat het — dat zeg ik nogmaals — een preventieve werking gaat hebben. Mevrouw Van Ark noemde dat type werkzaamheden en mevrouw Patijn noemde dat net ook al een paar keer. Ik kan me wel enigszins voorstellen dat daarbij de kans op zelfstandigheid iets kleiner is dan bij andere types banen. Daar kan het natuurlijk wel effect op hebben, omdát het hopelijk een preventieve werking gaat hebben, zodat werkgevenden toch echt beter zullen nadenken over de vraag: is dit nou een arbeidsrelatie die we aangaan op basis van een arbeidsovereenkomst of kan dit binnen de huidige jurisprudentie ook in een zelfstandige constructie worden vormgegeven? De heer Flach refereerde aan de handhavingspraktijk; het is goed om daar kritisch op te blijven. De Belastingdienst is risicogericht aan het werk, maar ik stel voor dat we daar op een later moment verder met elkaar over van gedachten wisselen, zodat we op basis van de lopende rapportages het debat goed kunnen voeren: loopt dat nou op een goeie manier of moeten we daar nog naar kijken? De vraag over de flexibele schil bij de huisartsen. Ik nodig hen van harte uit om in een van de werkgroepen over de Zelfstandigenwet te gaan zitten, zodat iedereen mee kan denken over de vraag hoe we dit op een goeie manier in de Zelfstandigenwet kunnen doen. Dat geldt voor meerdere organisaties: de polder, de zelfstandigenorganisaties, maar ook dit soort brancheverenigingen. Die hebben misschien typisch een aantal sectorale punten. Tegen hen zeg ik: kom bij ons, zodat je mee kan denken over die wet. Voorzitter. Dan de amendementen. Het amendement van de heer Neijenhuis tast het wetsvoorstel zelf inhoudelijk niet aan. Er is gekozen voor een bepaalde opbouw ervan en daar verandert in beginsel niks aan. Ik sta daar dus vrij neutraal in, omdat een beleidsmatige keuze niet zozeer iets zegt over de kwetsbaarheid van een bepaalde groep. Als ik er neutraal in sta, moet ik het amendement volgens mij dus nog steeds oordeel Kamer geven, maar wel met dien verstande, zeg ik nogmaals, dat het mij om het even is. Het gaat er vooral om dat die reguliere stijging goed geregeld is. Voorzitter. Het amendement op stuk nr. 9 van het lid Flach moet ik ontraden. Ik verwijs gemakshalve even naar de behandeling van de wet. Ik zie niet dat het nodig is om hier voor specifieke jongeren, studenten of bijverdieners een uitzondering op te maken. Zij moeten alreeds voldoen aan de kwalificatie van de arbeidsrelatie, of ze nou boven of onder het tarief zitten. Het is onverstandig om daar nu weer een extra uitzondering op te maken. Vandaar dat ik dit amendement ontraad.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Ja, dan de moties. De motie op stuk nr. 10 en de motie op stuk nr. 11 doe ik gelijktijdig. Dat doe ik niet om flauw te zijn. U gaat over de orde, maar deze moties vallen echt buiten mijn domein. Zij gaan over het werkgevende deel. De mogelijke toezeggingen die in beide moties worden genoemd, gaan echt over het werkgevende deel en vallen dus onder mijn collega van Financiën. U mag mij aankijken op de eenheid van kabinetsbeleid, maar dat is volgens mij niet helemaal fair, want als het bijvoorbeeld zou gaan over Rijkswaterstaat of een willekeurige andere zbo, hadden we dezelfde situatie gehad. Het gaat dus echt over "daar waar het hoort". Volgens mij spreekt uw Kamer morgen met de bewindspersoon die hierover gaat. Ik snap de behoefte om nu iets te vinden, maar beide moties zijn echt ontijdig, omdat ze niet thuishoren bij mijn beleidsterrein maar echt bij het beleidsterrein van de staatssecretaris, die u hier morgen ongetwijfeld over zult treffen.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Dan worden ze ontraden.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Die motie zou ik graag willen overnemen. Ons doel is niet om de bescherming van werknemers aan te tasten, maar juist om de vraag te beantwoorden waarmee ik dit debat begon, namelijk wanneer je op een goede, fatsoenlijke en normale manier met zekerheid als zelfstandige kunt werken. Dat is de vraag die we uiteindelijk met dit wetsvoorstel willen beantwoorden. De bedoeling van het wetsvoorstel is niet om de bescherming van werknemers aan te tasten. Deze motie neem ik dus graag over.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Sorry. We gaan u morgen die Kamerbrief sturen. Als we dan dinsdag gaan stemmen, hebben we een deal.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Dan hebben we een deal, voorzitter.
Bron, video en gesprek →Minister Aartsen: Hij komt in ieder geval voor het weekend.
Bron, video en gesprek →