het rapport van de Taskforce Antisemitisme "Gevangen in Vrijheden"
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
David van Weel
Bijdragen bij de geselecteerde bron
Open de volledige bron →Minister Van Weel: Dank u wel, voorzitter. Dank aan de leden voor hun inbreng in eerste termijn op dit zo belangrijke thema. Ik zal zo beginnen met een inleidende tekst. Dan zal ik in de volgende blokjes werken. Het eerste blokje gaat over de beveiliging en bescherming van Joodse objecten. Daarna komt het blokje strafrecht en strafbaarstelling, waar ik de heer West ook in meeneem. Dan komt het blokje optreden bij demonstraties, maar dan alleen voor het deel dat niet ziet op de demonstraties rondom academische gebouwen en onderwijsinstellingen, want dat laat ik aan de minister van OCW. Dan komt het blokje over de onlineaanpak en ten slotte de andere onderwerpen. Niet alle blokjes zijn even dik. Voorzitter. We spreken vandaag over antisemitisme, over vrijheid en over veiligheid. Dat doen we juist nu die vrijheid en veiligheid niet vanzelfsprekend blijken. Voor veel Joden is een gevoel van onveiligheid al langer onderdeel van hun dagelijkse leven. Het is een gevoel van angst, woede en verdriet. Het is niet nieuw, en juist dat maakt het zo ernstig. Recente zorgwekkende ontwikkelingen versterken dit gevoel. De door u ook genoemde aanslagen op een synagoge in Rotterdam en op een joodse school in Amsterdam hebben diepe indruk gemaakt op de Joodse gemeenschap, maar ook op onze samenleving als geheel. Dit zijn geen opzichzelfstaande incidenten: ze staan symbool voor een bredere, verontrustende ontwikkeling, waarin antisemitisme in Nederland zichtbaar en voelbaar toeneemt. We zien antisemitisme op straat, in stadions, in het onderwijs, in het publieke debat en online. Bij demonstraties worden antisemitische leuzen geroepen. Op universiteiten en hogescholen voelen Joodse studenten en medewerkers zich geïntimideerd of onveilig. Zelfs in klaslokalen geven leraren aan dat antisemitische uitingen voorkomen. Dat is een ernstige constatering. Antisemitisme is onaanvaardbaar. Joden moeten zich in Nederland vrij en veilig kunnen voelen om Joods te zijn. Het debat van vandaag staat vooral in het teken van het rapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding. Die taskforce is in 2025 ingesteld om concrete en uitvoerbare voorstellen te doen voor de aanpak van antisemitisme, met bijzondere aandacht voor het onderwijs en het openbaar vervoer. Ik wil Jaap Smit, die hier in ieder geval eerder nog aanwezig was, en alle andere leden van de taskforce bedanken voor hun grote inzet. Hun rapport Gevangen in Vrijheden is scherp, zorgvuldig en praktisch van aard. We nemen de aanbevelingen in volle ernst ter hand. De minister van OCW zal hier inhoudelijk op ingaan. Voorzitter. De recente gebeurtenissen maken nog eens duidelijk dat veiligheid geen vanzelfsprekendheid is. Samen met de politie en de lokale overheden werkt de regering aan de veiligheid van de Joodse gemeenschap. Daarnaast beschikt Nederland sinds 2025 over een veiligheidsfonds voor Joodse scholen, instellingen en evenementen. Daarvoor hebben we structureel 1,3 miljoen euro per jaar beschikbaar gesteld. De belangstelling was groot in 2025. Dat onderstreept hoe groot de behoefte is en hoe urgent deze maatregel blijft. Daarom wordt het veiligheidsfonds structureel voortgezet. Gezien het aantal aanvragen in 2025, de verwachte toename in 2026 en horende uw Kamer, heb ik besloten om het fonds in 2026 met €700.000 te verhogen naar 2 miljoen euro per jaar. Met deze extra middelen kunnen Joodse instellingen nog beter worden beschermd en hoop ik het veiligheidsgevoel van Joden in Nederland te versterken. Maar de aanpak van antisemitisme vraagt om meer dan bescherming alleen. We moeten ook versterken wat wordt bedreigd: het Joodse leven zelf. Daarom werkt het kabinet, samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding, aan het Nationaal Plan Joods Leven. Dat plan is gericht op het zichtbaar maken, ondersteunen en versterken van het Joodse leven in Nederland. Het plan beoogt de kennis over de Joodse cultuur en geschiedenis te vergroten. Het bevordert ontmoeting en dialoog, zoals ook genoemd door enkelen van u. Ook versterkt het de vrijheid om de Joodse identiteit zichtbaar te kunnen beleven in ons land. Versterken wat verbindt is de meest duurzame vorm van weerbaarheid. We doen meer en we doen het samen. Antisemitisme vraagt niet om losse maatregelen, maar om één gecoördineerde aanpak. Meerdere ministeries werken hierop samen. Ons gezamenlijk optreden hier getuigt daarvan. Als coördinerend bewindspersoon bewaak ik dat de inzet samenhangend en duurzaam zal blijven. De Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024-2030 vormt daarbij het fundament, met acties van onderwijs tot handhaving en van meldvoorzieningen tot internationale samenwerking. Volgend jaar zullen we deze evalueren en waar nodig versterken. Er werd mij ook gevraagd waarom we niet eerder evalueren. Dat doen we ook. We actualiseren doorlopend op jaarbasis. Waar we, ook in gesprekken met de Joodse gemeenschap, voelen dat er meer maatregelen of andere maatregelen gewenst zijn, passen we die aan in de strategie. De actualisatie van dat plan is u onlangs toegezonden. We hebben het strafrechtelijk instrumentarium inmiddels versterkt met de strafverzwaringsgrond bij discriminatoire motieven en de strafbaarstelling van Holocaustontkenning. We investeren in Holocausteducatie en in het tegengaan van desinformatie en antisemitische complottheorieën. Ik ga in de antwoorden op uw vragen nog verder in op de onlineaanpak van antisemitisme. Voorzitter. Antisemitisme is niet alleen een aanval op de Joodse gemeenschap, maar ook op de grondslagen van deze democratische rechtsstaat. Het vraagt van ons duidelijke normstelling, stevige handhaving en solidariteit. Het vraagt van ons allemaal — velen van u zeiden dat — dat we niet wegkijken maar opstaan, dat we niet alleen bestrijden wat bedreigt, maar ook bevorderen wat waardevol is, zodat Joods leven in Nederland zichtbaar en vanzelfsprekend kan bloeien in vrijheid, in veiligheid en met trots. Voorzitter. Dat was mijn inleiding. Dan kom ik nu bij het blokje beveiliging en bescherming van Joodse objecten en de aanslagen. Laat ik, in antwoord op de vraag van mevrouw Bikker, beginnen met de constatering dat het natuurlijk triest is dat het Joodse leven zich grotendeels moet afspelen onder bewaking, achter hoge hekken, achter muren en met het soms verdoezelen van de eigen identiteit. De recente aanslagen geven nog maar eens aan dat deze veiligheid niet vanzelfsprekend is en dat die hekken daar niet voor niks staan. Dit is geen echte vrijheid — dat ben ik met u eens — maar zolang we te maken hebben met de dreiging waarin we leven, is het minste wat we kunnen doen in ieder geval bijdragen aan de maatregelen waardoor de Joodse gemeenschap zich wél veilig kan voelen en in ieder geval haar leven kan uitoefenen. Dat is waar het veiligheidsfonds voor was bedoeld. Dat is ook waarom ik heb besloten, gelet op de recente gebeurtenissen, maar ook op de enorme vraag die er is om maatregelen te treffen, dat we dat veiligheidsfonds zullen ophogen met zeven ton, naar 2 miljoen euro per jaar. Dat staat nog los van de inzet die nodig is op basis van acute dreigingsinformatie van marechaussee, politie en anderszins. Daarbij doen we natuurlijk wat nodig is op basis van de actuele dreiging. Ik denk dat we de afgelopen week ook hebben kunnen zien dat deze inzet ook zijn vruchten heeft afgeleverd. Wij hebben ook daadwerkelijk potentiële daders van aanslagen kunnen pakken voordat zij over konden gaan tot hun daden. In die zin spreek ik ook hier mijn waardering uit voor de diensten en het lokale gezag voor alle maatregelen die zijn genomen om te zorgen dat de Joodse gemeenschap in veiligheid en vrijheid hier kan leven. Dit veiligheidsfonds is bedoeld voor maatregelen die men zelf kan treffen. Daarvan is een deel incidenteel. Denk aan camera's of het opzetten van een muur. Deels is het niet-incidenteel. Dan gaat het om het inhuren van particuliere beveiliging voor evenementen die worden georganiseerd of anderszins. Dat is waar die 2 miljoen euro op ziet. Ik denk dat we hiermee een heel groot deel van die aanvragen voor dit jaar en hopelijk ook voor volgend jaar kunnen voorzien.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dank, voorzitter. Die vragen hangen hiermee samen. De heer Ellian had natuurlijk ook een vraag op dit vlak. Daar heb ik net op geantwoord. Wij gaan dat bedrag inderdaad verhogen. De heer Bamenga vroeg welke 25 aanvragen er niet waren toegekend en of dat te maken had met het budget. 3 van de 25 gevallen zijn geheel afgewezen, omdat ze niet voldeden aan de criteria van het subsidiekader. 17 van de 25 aanvragen zijn niet toegekend, omdat de middelen al waren vergeven volgens het principe "wie het eerst komt, het eerst maalt". Dat ondervangen we nu dus hopelijk met de verhoogde budgetten. Ik hoop dat we met het verhoogde budget in ieder geval alle aanvragen kunnen behandelen, omdat het dus ook deels incidentele uitgaven betreft, die dus niet elk jaar terug zullen komen. Hoe staat het met het onderzoek, vroeg de heer Van den Brink. We moeten de uitkomst van het onderzoek afwachten, maar wat ik kan zeggen, is dat in ieder geval een deel van de daders, zo niet alle, zijn geronseld volgens het principe dat wij "crime as a service" noemen. Dat is een enorm probleem, niet alleen in ons land; we zien dat breder in Europa. Jongeren, soms hele jonge jongeren, soms zelfs van 10 of 11 jaar, nemen via Snapchat of Telegram een opdracht aan om een aanslag uit te voeren waarvan ze waarschijnlijk niet eens weten waarvoor hij bedoeld is. Ze doen dat met louter één motivatie, en dat is geld. Uiteindelijk zit daarachter natuurlijk een hele cascade van opdrachtgevers met tussenmannen et cetera. Wij hebben gezegd dat het mogelijk is dat Iran uiteindelijk achter ten minste een deel van deze aanslagen zit. We zullen moeten afwachten tot dat onderzoek helemaal is uitgelopen naar twee kanten, namelijk omhoog vanaf de jonge aanslagplegers, die vermoedelijk geen enkele intrinsieke motivatie hadden om de aanslag uit te voeren, tot degene die die motivatie wel degelijk had en die opdracht heeft gegeven. Het is waar wat u zegt: het OM is in een aantal gevallen in ieder geval overgegaan tot aanklagen voor misdrijven met een terroristisch motief. Of het uiteindelijk ook tot een veroordeling komt, is uiteraard aan de rechter. Mevrouw Bromet vroeg of burgemeesters kunnen rekenen op de relevante NCTV-informatie die er is. Ja, absoluut. Vanaf het eerste moment, dus na de aanslag in Rotterdam, hebben wij vanuit de NCTV het initiatief genomen om te zorgen dat relevante gezagen op de hoogte waren van wat daar gebeurd was en ook mogelijke maatregelen konden nemen. We hebben gezien dat dat de dag erna al geleid heeft tot het heel snel oppakken van de daders van de aanslag op de joodse school in Amsterdam. Ik heb daarop zelf een bijeenkomst belegd met alle regioburgemeesters en alle gezagen van de politie in het hele land, want we hebben natuurlijk honderden Joodse objecten door het land. We hebben een landelijk handelingskader laten opstellen door de politie, om burgemeesters in ieder geval een leidraad te geven wat betreft welke maatregel ze bij welke dreiging kunnen nemen. Natuurlijk is het aan de gezagen zelf om daar invulling aan te geven, maar juist vanwege die informatie proberen we dat vanuit de faciliterende rol zo eenduidig mogelijk te doen, ook als service naar het lokale gezag. Die lijnen zijn er dus zeker al. Of er aanvullende beveiliging nodig is, bezien we echt op basis van de dreigingsanalyse. We hebben natuurlijk geen onbeperkte capaciteit. Uiteindelijk is de dreiging leidend voor de inzet. Daarbij wil ik wel zeggen dat de manier van inzet ook al een tijdje onderwerp van discussie is, en dan heb ik het met name over de statische beveiliging door de marechaussee bij scholen. Dat geeft een gevoel van veiligheid, maar als je aan de experts vraagt wat nou de beste manier is om uiteindelijk potentiële daders van een aanslag op te sporen en die te verhinderen, dan kiezen zij voor een ander concept, vanuit de inhoud van hun vak. Dat is een gesprek dat we uiteindelijk moeten voeren met de Joodse gemeenschap. Dat doen we ook en dat doen de gezagen ook: hoe kunnen we er nou voor zorgen dat het veiligheidsgevoel zo hoog mogelijk is, terwijl we onze diensten uiteindelijk inzetten op een manier met een zo hoog mogelijke pakkans? Ik beloof hier niet dat die statische beveiliging er altijd zal zijn. Ook daarover zal de burgemeester uiteindelijk met de Joodse gemeenschap in overleg gaan en komen tot het beste concept. Ik beloof u wel dat er altijd geacteerd wordt op basis van dreigingsinschattingen die wij maken. Ik denk dat de afgelopen weken wel duidelijk is geweest dat we dat doen en dat de politie dat ook goed doet, gelet op datgene wat verijdeld is en de daders die gepakt zijn. Dat was het kopje beveiliging.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik heb net gezegd dat wij het veiligheidsfonds structureel maken. In die zin zal er elk jaar geld beschikbaar zijn. Ik heb het nu ook verhoogd. Dat heb ik gedaan op basis van de aanvragen die we hebben gezien. Daarvan is een deel incidenteel. Dat zijn investeringen, die op een gegeven moment terugkomen, maar je hoeft niet elk jaar nieuwe camera's op te hangen of een nieuwe muur te bouwen. Je wilt wel voor elk evenement nieuwe beveiligers inhuren. Een aantal van die kosten komen dus terug en een aantal van die kosten zijn incidenteel. Ik denk dat we hiermee echt een heel eind in de richting komen van hetgeen nodig is. Zoals ik al zei, maak ik het structureel. Het gaat dus niet meer weg, maar is here to stay. Helaas is dat zo. Ik zou willen dat ik het op een gegeven moment kon beëindigen, maar op dit moment zie ik dat perspectief niet.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Alle aanvragen, ook deze, kunnen binnen de criteria vallen van aanvragen die kunnen worden gedaan, zeker. De Joodse gemeenschap heeft natuurlijk veel ervaring met het regelen van beveiliging voor zichzelf, ook bij evenementen. We hebben de afgelopen jaren gezien dat een heleboel evenementenlocaties niet meer bereid bleken om Joodse evenementen te huisvesten. Laat ik hier een oproep doen. Ik denk dat ik die oproep samen met ongeveer uw hele Kamer doe: "Alstublieft, zorg ervoor dat u niet op die manier bijdraagt aan het verdwijnen van het Joodse leven uit Nederland. Zorg ervoor dat ze niet alleen nog maar in eigen synagogen of op een tweetal plekken in Nederland als een soort curiosa Joods kunnen zijn. Dat moeten ze namelijk kunnen zijn in het hele land." Het vereist lef van locatiehouders om dit gewoon te doen. Ze kunnen er dan op rekenen dat het lokaal gezag er zal zijn om zorg te dragen voor beveiliging als verwacht wordt dat een situatie leidt tot openbareordestrubbelingen. Daar kunnen we de Joodse gemeenschap namelijk niet voor laten opdraaien. Ik bedoel dat zij het gevoel hebben dat zij binnen zo'n evenement de maatregelen hebben kunnen nemen waarvan ze denken dat die nodig zijn.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Met plezier. Nogmaals, ik doe hier een oproep, op het podium dat ik hier heb, aan iedereen die het afgelopen jaar wellicht heeft gedacht: ik doe dat liever niet. Mijn oproep is: doe het wel. Help de Joodse gemeenschap om het Joodse leven in Nederland op een zichtbare manier te kunnen vieren, in welke vorm dan ook.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ook toen was ik minister van Justitie en Veiligheid. Ik heb dat interview toen ook gelezen. Ik heb toen ook in uw Kamer gestaan. Ik heb toen uitgelegd dat het voor mij niet acceptabel is om te weigeren om Joodse objecten te beveiligen. Op dat moment bleek niet dat daar daadwerkelijk sprake van was geweest, dus dat mensen geweigerd hadden om deze diensten te draaien. Die signalen heb ik nu ook niet, maar ik zal het met alle liefde navragen, want mijn uitgangspunt blijft hetzelfde: dat is geen optie.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nee, dat kan ik toezeggen. Nadat die desbetreffende politiewoordvoerder dat heeft gezegd, heb ik met uw Kamer gewisseld en heeft ook de korpschef heel duidelijk aangegeven dat daarvan geen sprake kan zijn.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: In algemene zin wordt de marechausseecapaciteit niet kleiner. Ook de marechaussee groeit mee met de rest van de krijgsmacht. Als we kijken naar het domein bewaken en beveiligen, dan is er zowel aan de politiezijde als aan de marechausseezijde een enorme investering gedaan in de afgelopen jaren, en die loopt nog, om aan de groeiende behoefte te voldoen. Binnen die volledige capaciteit zal er wel altijd gekeken moeten worden waar de nood het hoogst is en waar de inzet op dat moment gewenst is. Ik kan dus nooit garanties geven namens het gezag, dat uiteindelijk bepaalt waar die inzet het meeste nodig is, of daar al dan niet in afgeschaald wordt. Dat hangt ook samen met de dreigingsinschatting die er op een bepaald moment is. Het zal vanaf de buitenkant moeilijk zijn om te zien dat er een heel wegingskader achter ligt voor het lokale gezag om over die capaciteit, die dus niet verkleind wordt, op een juiste manier prioriteiten en keuzes te maken.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: We hebben destijds, voor mijn tijd, gekozen voor het model waarbij de beveiliging van de Joodse objecten deels — dat gebeurt niet overal in Nederland — bij de marechaussee is komen te liggen. Ik heb nu geen voornemen om daar een verandering in aan te brengen. In die zin zal het lokale gezag nog altijd verantwoordelijk zijn. We nemen die verantwoordelijkheid niet over vanuit het Rijk. Daar waar de marechaussee op dit moment ondersteuning levert, zie ik hier voorlopig geen wijziging in.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik kan niet verder gaan dan de kwalificatie "mogelijk", die ik eraan heb gehangen. Dat hangt samen met de inlichtingeninformatie zoals we die hebben. Het luistert nauw — dat weet de heer Ellian ook — als het gaat om welke gradatie we daarin aanbrengen. Dat geldt ook voor de stand van zaken van het strafrechtelijk onderzoek. Het is dus mogelijk.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, maar zo werkt het vaak niet. Het gaat om de dreigingsinschatting, en dat heeft ook te maken met de kennis die wij opdoen van de dreiging die er daadwerkelijk is. U heeft ook gezien dat wij in een aantal gevallen wel bijzonder goed in staat waren om een aanslag die mogelijk gepleegd zou worden, voor te zijn. Dat zegt ook weer wat over de mate van betrouwbaarheid van de inlichtingen die we daarover hebben. Dat hele beeld kent geen tijdpad; dat is continu in beweging en heeft te maken met de intenties en met de capaciteiten. In hoeverre hebben we met het oprollen van het aantal lagen dat we nu gevonden hebben boven de jongeren die geronseld waren, echt een slag toegebracht? Dat is echt een dynamisch proces. Dat laat ik zelf ook heel graag bij de professionals. Daar ga ik dus geen tijdpad opleggen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Maar het moge duidelijk zijn dat de dreiging leidend is voor de maatregelen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Maar die dreigingsanalyse heeft niet de eendimensionale insteek dat de dreiging altijd zal blijven zoals die is omdat het regime hier mogelijk achter zit en het regime nog niet is gevallen. Dat doet echt tekort aan de dynamische dreigingsinschattingen, aan de inlichtingen die wij hebben. Die ga ik niet allemaal hier delen. Ik denk ook niet dat wij daar het gesprek over zouden moeten voeren. We moeten echt vertrouwen op onze professionals.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja. Er was een vraag van mevrouw Nanninga over het symbool van de rode driehoek, dat in verband werd gebracht met Hamas. Ze vroeg of dat valt binnen de reikwijdte van de bestaande wetgeving inzake terrorismeverheerlijking. Zoals u weet, loopt dat wetgevingstraject nog. Er is vandaag een motie van mevrouw Keijzer aangenomen die de regering vraagt om te komen met dat wetsvoorstel. We hebben dat inmiddels teruggekregen van de Raad van State. Daar zal ik mij binnen het kabinet over buigen. Met het wetsvoorstel wordt het strafbaar — althans, dat beogen we strafbaar te maken — om in het openbaar steun te betuigen aan terroristische organisaties, ook middels het gebruik van symbolen van terroristische organisaties. Zoals u weet, hangt de vraag of er sprake is van opruiing nu heel vaak samen met de context waarbinnen een bepaalde gedraging plaatsvindt of een uiting wordt gedaan. Het idee is dat we sneller kunnen optreden als het gaat om evidente voorbeelden van het verheerlijken van terrorisme. Ik noem als voorbeeld het zwaaien met een ISIS-vlag. We weten allemaal waar die vlag voor staat en wat er achter die organisatie zit. Je wil sneller kunnen optreden om die uit het straatbeeld weg te halen. Ik kan niet vooruitlopen op individuele uitingsvormen, maar in de kern is dat de afweging die mogelijk wordt met dat wetsvoorstel. Mevrouw Bikker vroeg welke inzichten er nu zijn inzake de wet over strafverzwaring voor antisemitische misdrijven. Die is van kracht sinds 1 juli 2025 en wordt inmiddels toegepast in de strafrechtketen. Uit de rapportage Strafbare Discriminatie in Beeld die vorige week door het OM is gepresenteerd, blijkt dat dit in de periode vanaf de inwerkingtreding tot 1 januari dit jaar — dat is dus niet heel lang — al 206 keer gebeurd is. Dat is schokkend in de zin dat het gaat om enorme aantallen, maar het is positief in de zin dat het OM wel degelijk dat artikel toepast. Ik denk dat dat ook positief is voor u hier, als medewetgever. We hebben nog geen knelpunten gehoord van het OM wat betreft de toepassing hiervan. Bij het toezenden van de volgende discriminatiecijfers, als de wet dus een heel jaar van kracht is, zal ik de wet evalueren op dit punt. Dit sluit ook aan op de vraag van mevrouw Bromet, namelijk: wordt de strafverzwaringsgrond die van kracht is geworden, toegepast? Ja, die wordt toegepast door het OM. In die zin draagt die volgens mij zeker bij aan beter strafrechtelijk handhaven als het gaat om het bestrijden van antisemitisme. Dan ga ik naar de heer Kanye West, of Ye, of hoe men hem ook maar wil noemen. De vraag van mevrouw Bikker was: zijn wij bereid om hier een grens te trekken, zoals andere landen dat hebben gedaan? Natuurlijk ben ik bekend met landen die ofwel hem de toegang hebben geweigerd ofwel daarmee hebben gedreigd, waardoor in een aantal landen optredens inmiddels zijn afgelast. Laat ik vooropstellen dat ik de antisemitische uitingen veroordeel die hij heeft gedaan. Die zijn verschrikkelijk en daar is hier in Nederland geen enkele plek voor. Tegelijkertijd hebben we als landen allemaal te maken met onze eigen nationale wetgeving en de redenen op grond waarvan je iemand de toegang kunt ontzeggen. In dit geval is dat primair een verantwoordelijkheid van de minister van Asiel en Migratie, maar als een van zijn ambtsvoorgangers weet ik wel ongeveer hoe deze afweging in elkaar zit. Op dit moment zit hij nog in dat traject. Er wordt dus gekeken, ook binnen Justitie en Veiligheid door de NCTV, naar aanknopingspunten voor een mogelijke weigering. Daar ga ik dus niet op vooruitlopen. Wel wil ik iets van een winstwaarschuwing geven. In Nederland hanteren we een vrij hoge drempel voor het ontzeggen van de toegang aan iemand. Er moet dan echt sprake zijn van een dreigende verstoring van de openbare orde of van een bedreiging voor de nationale veiligheid. Gelet op het feit dat de heer Ye inmiddels — dat denk ik en hoop ik — ook wel spijt heeft van de uitspraken die hij heeft gedaan en van zijn gedragingen, acht ik het niet heel voorstelbaar dat hij, als hij naar Nederland zou komen, daadwerkelijk een acute bedreiging voor de openbare orde is. Nogmaals, ik wil er niet op vooruitlopen, maar ik wil hier wel heel eerlijk zijn over hoe we ons systeem hebben ingericht. Als wij niet verwachten dat iemand daadwerkelijk de openbare orde gaat verstoren, wordt het heel moeilijk om iemand vooraf te weigeren op grond van iets dat hij nog niet heeft gedaan. Dat is soms heel onbevredigend en soms heel geruststellend. Nogmaals, we wachten het definitieve oordeel af. Dat staat uiteraard nog los van wat we ervan mogen vinden, als persoon, als Kamerlid et cetera. Zoals ik zei: ik verwerp die uitspraken absoluut.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat heeft niet zozeer te maken met het regime, anders dan dat als een van die landen hem zou signaleren als ongewenst persoon, dat ook automatisch bij ons zou leiden tot een signalering en daardoor dus ook tot een weging. Daar kun je dan ook weer een uitzondering op maken, maar dat vereist dan weer een actie. Dat hebben die landen naar mijn weten nog niet gedaan, en daarmee is het nog geen Schengenissue en blijft het dus aan nationale wetgevers om te bepalen of iemand voldoet aan de criteria voor het weigeren of niet.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Helderheid over de verwerpelijkheid van die uitspraken: ook vanuit mij mag daar geen enkele twijfel over bestaan. Hij zal niet optreden op mijn 50ste verjaardagsfeest dit jaar. Laat ik daarmee ook een hint geven naar bepaalde organisatoren, die hem dat podium wel willen geven. Ik wil nu wel allereerst de minister van AenM het spoor laten uitlopen, want dat proces loopt op dit moment. Hij is aan het kijken of hij binnen zijn huidige wettelijke bevoegdheden mogelijkheden ziet om te komen tot een weigering. Zo niet, dan zijn we denk ik aanbeland in het volgende stadium, namelijk: vinden wij er zelf als kabinet dan alsnog wat van? Of wordt die drempel wel gehaald en kunnen we dit gewoon van rechtswege afhandelen?
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nee, die delen wij niet. Dit is het interne proces. De IND kan uiteindelijk een weigering doen. De IND vraagt om een weigering al dan niet te kunnen doen, informatie aan diverse diensten. Dat kunnen de inlichtingendiensten zijn, dat kan de NCTV zijn. Die informatie blijft in principe besloten, maar de uitkomst daarvan, namelijk of dit al dan niet leidt tot een weigering op grond van de nationale veiligheid dan wel de openbare orde, wordt uiteindelijk wel openbaar.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Omdat het één ding is om te zeggen dat hij wat mij betreft niet welkom is, maar het tweede is ook of we daar dan vervolgens gevolgen aan kunnen verbinden. Zolang ik niet weet welke gevolgen eraan verbonden zijn, past mij nog enige terughoudendheid in het finale oordeel, maar ik denk dat u tussen de regels door heel goed proeft waar ik zelf sta.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, natuurlijk. Daarvoor zijn natuurlijk meerdere wegen naar Rome. Dat hoeft niet alleen vanuit de regering te komen. Dat kan ook vanuit de maatschappij komen. Dat kan ook vanuit de facilitatoren of de organisatoren van deze bijeenkomst komen. Die dynamiek moet ook zeker zijn beloop hebben. Ik vertel u alleen even welke stappen we nu als regering hierin ondernemen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Zo concreet is ie ook niet. Ja, ik verzoek de organisatoren van het GelreDome — de minister gaat daar natuurlijk primair over — om wel te reflecteren op de uitnodiging en de dynamiek die dit teweegbrengt. Daar zou ik overigens organisatoren altijd de oproep toe doen, net zoals ik ze net ook heb opgeroepen om ruimte te maken voor bijeenkomsten van de Joodse gemeenschap binnen hun faciliteiten.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, maar het is niet alleen wat wij hier met elkaar vaststellen. Uiteindelijk leven we in een rechtsstaat. Dat betekent dat datgene wat wij besluiten als kabinet ook de toets van een rechter moet kunnen doorstaan. Dat vereist iets meer dan een debat hier. Dat is het soort onderbouwing waar de IND zich nu in opdracht van de minister van AenM over buigt; we zullen zien waar dat toe leidt.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat mag u uitspreken. Ik moet u wel zeggen dat er in het verleden door uw Kamer meer mensen op een unwanted list zijn gezet dan er uiteindelijk door de rechter zijn buitengehouden, vandaar mijn winstwaarschuwing. Die drempel — dat is het natuurlijk — is vrij hoog, zeker waar het gaat om het verbieden van toegang voor mensen voor dingen die ze nog niet hebben gedaan. We hebben hier eerder natuurlijk de discussie gehad rondom de artiest Bob Vylan, welbekend. Uiteindelijk heeft hij ook opgetreden en heeft hij ook uitspraken gedaan. Daar zijn uitspraken over geweest. We hebben die discussie gehad rondom predikers op een islamitische beurs in Utrecht, waarvan er uiteindelijk twee een voorlopige voorziening hebben gekregen en het land toch in mochten. Dus ja, dit is geen zwart-witkwestie. Wij moeten onze zaak wel goed voorbereiden.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik weet niet of die drempel per se hoger is, dat die anders wordt toegepast of dat het systeem anders in elkaar zit, dus dat je niet meteen in appel kan. Daar zal echt wel verschil tussen zitten. Ik kan wel toezeggen — dat ligt echter niet primair op mijn terrein — dat ik de minister van AenM verzoek om u een brief te doen toekomen over wat die drempel is, waar bij ons die grens ligt en waar die vandaan komt. Ik denk dat dat stap één is van het proces.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, maar voordat het een vergelijkend onderzoek wordt naar alle wetgeving van alle landen, bent u weer driekwart jaar verder en moeten we het WODC weer inschakelen. Als we op basis van een quickscan kunnen kijken naar enkele verschillen met landen om ons heen, dan zou ik die namens hen nog willen toezeggen, maar dat wordt geen vergelijkend onderzoek. Dat strekt iets te ver naar aanleiding van uw vraag.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik had nog één vraag van de heer Struijs: waarom gaat het OM niet altijd over tot ambtshalve vervolging? Volgens de Aanwijzing discriminatie is het uitgangspunt in discriminatiezaken dat vervolging wordt ingesteld als daar met een aangifte om wordt verzocht, maar het OM kan natuurlijk ook zelf besluiten, ook als daar niet om wordt verzocht, om dat ambtshalve wel te doen. Dat hangt samen met de ernst van de gedraging. Dit kader staat ook al in de aanwijzing. Mijn oproep die ik hier zou willen doen aan iedereen die zich slachtoffer voelt van antisemitisme is: doe gewoon aangifte. Ik noemde net de aantallen. Daar wordt vervolgd, daar wordt wat mee gedaan. Uiteindelijk helpt het ons ook om een beter beeld te krijgen van de omvang van het probleem.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik vind dat iedereen die strafbare gedragingen ziet of die slachtoffer is van antisemitisme of discriminatie uiteindelijk aangifte moet doen, want dat is wat ons een beeld geeft. Ik hoor heel veel van de Joodse gemeenschap: we doen het niet, want het heeft toch geen zin; er gebeurt niks mee. Dat is mijn oproep nu: doe alsjeblieft aangifte. Eén: er gebeurt wel wat mee. Twee: het geeft ons ook een beeld, zoals ik dat hier nu deel, van de omvang van het probleem. Als mensen geen aangifte doen, is het ontzettend moeilijk om dat te peilen. Daar zag mijn oproep in eerste instantie op. Maar in algemene zin merk ik op dat ik geen goede minister van Justitie zou zijn als ik niet zou zeggen tegen mensen: meld het als u strafbare gedragingen ziet.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Iedereen die het idee heeft dat er strafbare uitingen worden gedaan, dat er wordt opgeruid, dat er wordt opgeroepen tot geweld tegen wie dan ook, zou daarvan aangifte moeten doen. Dat geldt ook voor besturen, ook voor bestuurders, ook lokale bestuurders die te maken hebben met gezag. Op hoe universiteiten in den brede ermee omgaan naar aanleiding van het rapport, komt mijn collega van OCW zo dadelijk terug.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nou, die aangiftes worden wel gedaan, want van die 206 die ik noemde, heeft het overgrote deel gewoon te maken met antisemitisme. Als je dat afzet tegen de omvang van de Joodse bevolking versus de hele Nederlandse bevolking van ons land, zie je dat er gelukkig wel aangifte wordt gedaan. Dat kan altijd beter. Ik hoor die verhalen ook nog steeds van u. Maar laat ik hier dan ook die oproep doen, want er gebeurt dus wel wat mee. Er zijn 206 zaken geweest in een halfjaar dat een wet van kracht is geweest die het mogelijk maakt om antisemitisme te bestraffen om dat doel alleen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dank voor uw vraag. Ook bij deze kwestie gebruik ik het podium dat ik heb, maar dat doe ik bij elk gesprek dat ik met de Joodse gemeenschap heb. Het systeem is er klaar voor. We hebben een Expertisecentrum Aanpak Discriminatie, dat deze zaken behandelt. Ik toonde u net aan dat het OM dat 206 keer heeft gedaan in het halfjaar sinds de wet van kracht is geworden. Nee, het is dus niet tevergeefs als je het doet. Ja, er wordt echt vervolgd en er wordt ook op veroordeeld.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik ben niet de rechterlijke macht. Het pas mij dus niet om hier te zeggen of iets strafbaar is of niet.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Het gaat niet over verschuilen achter het OM. Het gaat er hier over dat iedereen zijn eigen taken uitvoert. Uiteindelijk hebben wij hier te maken met de trias politica. We leven in een democratische rechtsstaat. Dat betekent dat ook uw Kamer geen opdrachten kan geven aan het OM om te bepalen wat wel of niet strafbaar is. Als u wilt dat iets strafbaar wordt, dan zijn wij samen de wetgevers en kunnen wij komen tot een strafbaarstelling. Dat gaat naar het Wetboek van Strafrecht. Dan is het OM gehouden om dat uit te voeren. Het OM heeft deze leus langs de meetlat van het Wetboek van Strafrecht gehouden en heeft de uitspraak die de heer Boon noemt gedaan. Daar hebben wij het dan allemaal mee te doen, om de woorden van de Rijdende Rechter te gebruiken.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nee, zo werkt de wet niet. Ik kan het OM alleen maar opdracht geven om voor iets te vervolgen wat al strafbaar is en wat het OM dan ook langs die lat kan houden. Van de kwestie waar wij het nu over hebben, heeft het OM tot nu toe bepaald dat het vindt dat het niet strafbaar is; dan zijn wij niet degenen om te bepalen dat dat het wél is. Dat neemt niet weg dat uzelf er zich hier in uw Kamer in grote meerderheid over heeft uitgesproken om die leus niet te bezigen; tot u erover begon, heb ik de leus vandaag ook niet heel veel gehoord. Dat snap ik ook, want ik snap ook de connotatie die mensen kunnen voelen bij die uitspraak; die kan ook als kwetsend worden ervaren, ook in de zin die u noemt, van het van de kaart wegdrijven van Israël. Maar nu verval ik ook weer in het debat dat ik tot een paar maanden geleden heel vaak voerde, maar dat niet het doel is van vanavond. Vanavond gaat het over antisemitisme.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik weet het niet. Het komt zo meteen ongetwijfeld terug, want de collega van OCW heeft vanuit drie hoedanigheden met dit bijltje gehakt.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: De eerste valt een beetje buiten de orde van dit debat, want die heeft niet direct verband met antisemitisme, maar daarover rapporteren we in het kader van het debat over extremisme en terrorisme. Daarin vinden ook deze oproepen tot het verbieden van organisaties een plek. Ik geloof dat we daar over twee of drie weken een debat over hebben. Er komt nog een stand-van-zakenbrief. Sorry, het tweede deel van de vraag ben ik kwijt.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Blijkens de getallen die ik net noemde, wordt dat ook opgepakt. Het overgrote deel van de vervolgingen naar aanleiding van de strafverzwaring vanwege een discriminatoir effect zijn dus antisemitische delicten.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, maar met voorrang boven wat? Boven zedendelicten? Boven vermogensdelicten? Uiteindelijk betekent "met voorrang behandelen" dat we het OM vertellen dat we dit serieuze delicten vinden en dat het daar serieus aandacht aan moet besteden. Maar dat moet dan natuurlijk wel binnen de vervolging van discriminatoire aspecten. Uiteindelijk ziet de bredere strafrechtketen ook op jeugdzaken en zedenzaken, waar wij de hele capaciteit van het OM al voor inzetten. Daar hebben we ook debatten over. Dus binnen deze context heb ik aandacht gevraagd voor het prioritair behandelen van de antisemitismezaken. Op basis van de zaken die ik zie en op basis van hoe ik die terugzie in de cijfers, vind ik dat we invulling hebben gegeven aan de motie.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik kom bij demonstraties. Ik ga daarbij niet alles behandelen, want een heleboel van die vragen gingen puur over demonstraties binnen onderwijsinstellingen, en daar komt mijn collega natuurlijk op terug. In algemene zin werd er gevraagd of er kan worden opgetreden als een protest op een campus of een station ontaardt. Ja, dat kan, als dit gebeurt bij een demonstratie op een plek die niet openbaar is maar die wel voor publiek toegankelijk is. Dat geldt dus voor stations voordat je door de poortjes gaat, of voor het Tweede Kamergebouw voordat je door de poortjes gaat. Als dat zo is, dan is gewoon artikel 8 van de WOM van toepassing. Dat betekent dus ook dat de burgemeester de bevoegdheid heeft om de opdracht te geven om een demonstratie in zo'n geval te beëindigen, maar dan is die wel gebonden aan de criteria die gelden voor elke demonstratie en de beëindiging daarvan, namelijk dat de demonstratie een bedreiging voor de volksgezondheid vormt of dat de beëindiging ervan wanordelijkheden voorkomt of beëindigt. Daarnaast is ook de rechthebbende van dat gebouw, dus ofwel ProRail of de NS dan wel de universiteit zelf, bevoegd om ontoelaatbare activiteiten in het gebouw te beëindigen. Als de overtreder weigert daaraan mee te werken, kan er sprake zijn van lokaalvredebreuk en dan kan de politie worden ingeschakeld om er een einde aan te maken en de overtreder alsnog te verwijderen. Als de politie daarbij nodig is, is het aan het lokaal gezag om daar uiteindelijk opdracht toe te geven. Zo zijn een aantal van de demonstraties bij universiteiten natuurlijk ook beëindigd. Je kunt overigens niet bepaalde locaties helemaal uitsluiten. Je kunt dus niet openbare locaties uitsluiten als protestlocaties, maar wij gaan wel kijken — daar komen de minister van BZK en ik nog uitgebreid samen met uw Kamer over te spreken — naar hoe we nou opvolging gaan geven aan het WODC-onderzoek en een aantal aanbevelingen daarin, zoals het gemakkelijker maken van het bestuurlijk verplaatsen of het bestuurlijk ophouden. Dat zou natuurlijk ook van toepassing kunnen zijn op deze demonstraties.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat sluit, denk ik, ook aan op de vraag van mevrouw Teunissen of we niet het demonstratierecht inperken onder het mom van veiligheid. Dat doen we niet. Demonstreren is een grondrecht en tegelijkertijd moet het grondrecht van demonstreren ook weer niet het grondrecht van mensen om hun leven te kunnen leven of om onderwijs te volgen beperken. Het is in die zin dus continu het tegen elkaar afwegen van die grondrechten. Dat is, denk ik, wat lokale bestuurders continu doen en waarvoor wij de handvatten moeten geven — het WODC-onderzoek geeft ons daar ook wat handvatten voor — zodat wij als wetgevers de bestuurders in staat stellen om die afwegingen goed te kunnen maken. Het is dus een grondrecht, maar het is zeker niet absoluut. Zeker waar grondrechten met elkaar botsen zullen we oog moeten hebben voor alle kanten. Maar we komen nog met een brief daarover. Wat is dan het verschil met de Tweede Kamer? Dat was nog een vraag van mevrouw Keijzer. Waarom mag het wel in de universiteit en mag het niet hier? Dat heeft te maken met de publieke toegankelijkheid. Zodra je door het poortje komt, kom je in een ander regime. Dat is dus ook het geval bij het niet-openbare deel van de Tweede Kamer. Verder is het rond de Tweede Kamer niet anders dan rondom universiteiten. Dat waren de demonstraties, voorzitter.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Hiervoor is wel een escalatieladder opgesteld met ProRail, met burgemeesters en met de NS. Ook wij hebben daaraan bijgedragen. Daarmee wordt de afweging makkelijker gemaakt wanneer het ene grondrecht, namelijk dat van demonstratie, schuurt met het andere grondrecht, namelijk dat van de veiligheid van een individu of het recht om je privéleven te kunnen leiden. Je wilt bijvoorbeeld op weg naar je trein niet verrot gescholden worden, je wilt je niet onveilig voelen en je wilt langs een demonstratie kunnen lopen met een keppeltje op. Dat escalatiemodel helpt, denk ik, om de bestuurders, die dan niet allemaal naar elkaar hoeven te wijzen, handvatten te geven voor wanneer iets nou de grens van het betamelijke of het strafbare overgaat en je dus kunt ingrijpen of in ieder geval het lokale gezag kunt oproepen om in te grijpen. Nogmaals, dit is echt niet het overgrote deel van de demonstraties. Laten we daar ook even helder over zijn. Bij 97% van de demonstraties, ook als ze pro-Palestina zijn, is er helemaal geen probleem. Maar daar waar het intimideert en daar waar het strafbaar wordt, geldt dit kader.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat waren een heleboel vragen ineen. Ik denk dat het bij deze kaders begint met het hebben van een gedeeld beeld over wat we wenselijk en niet-wenselijk vinden en waar we wanneer tegen optreden. Voor de universiteit zal mijn collega daar ook op ingaan. Dat beeld was er niet. Dat leidt tot willekeur. Dat leidt ook tot handelingsverlegenheid. Wat mag nou wel en wat mag nou niet? Wanneer mag een burgemeester optreden? Wanneer kun je wel een demonstratie beëindigen en wanneer kun je dat niet? Daar kunnen we natuurlijk helderheid over scheppen. Dat is ook gedaan. Er komt ook naar voren dat de handvatten die voor bestuurders of voor het bestuur nodig zijn om iets te doen, er wettelijk gezien wel zijn. Daar zit het probleem niet zozeer. Het gaat om: wanneer en hoe pas je ze toe? Nogmaals, voor de universiteiten zal daar zo nog op worden ingegaan. Ook ik speel graag een rol in het faciliteren. Voor de stations hebben we dat escalatiekader nu opgesteld, juist om dit nu te doen en te kijken wie op welk moment welke bevoegdheden heeft om wat te doen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Die leveren we er niet bij.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik ga herhalen wat ik al heb gezegd. Ik heb gesproken over het wettelijke kader. Ik heb niet gesproken over wat in een interview is gezegd door een willekeurige bestuurder. Op hoe universiteiten omgaan met het rapport zal de minister van OCW zo nog terugkomen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Het zit wettelijk als volgt. Ja, je mag demonstreren en dat mag op plekken die openbaar toegankelijk zijn. Dan nog is er natuurlijk een verantwoordelijkheid van de beheerder of de eigenaar van het gebouw, die uiteindelijk ook weer hulp kan inroepen op het moment dat overtreders niet wensen weg te gaan. Dat is eigenlijk kort en goed hoe het tot nu toe elke keer is gegaan, ook bij elke demonstratie, ook daar waar ze uit de hand zijn gelopen. Dat is dus het wettelijke kader. Nogmaals, op de gedragsregels en de invulling daarvan wil ik niet vooruitlopen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dan kom ik bij het kopje online, voorzitter. Dat is geen lang blokje, maar wel een belangrijk onderwerp. We zien online op alle fronten het aantal strafbare uitingen toenemen, of het nu gaat om het verheerlijken van terrorisme, opruiing of het plaatsen van geweldsfilmpjes en naaktbeelden; noem het maar op. Het heeft zeker onze aandacht. In het coalitieakkoord staat ook dat we onlinecriminaliteit gaan aanpakken. Antisemitisme is criminaliteit. Het is gewoon strafbaar, of je het nou online of offline doet. Vanuit het plan van aanpak en de strategie tegen onlinediscriminatie zetten we ook in op meer en zichtbare consequenties voor daders en op betere ondersteuning voor slachtoffers van antisemitisme online. Het Meld.Online Discriminatie werkt nauw samen met de politie en het OM, zodat ze ook sneller strafrechtelijk kunnen worden opgepakt. Sinds kort is dat meldpunt ook aangemerkt als trusted flagger, waardoor het verzoek tot verwijdering van discriminerende content bij socialemediaplatforms op grond van de DSA, de Digital Services Act, met voorrang moet worden behandeld. Er is zes ton extra beschikbaar gesteld aan het OM en de politie om de aanpak van onlinediscriminatie, waaronder antisemitisme, verder te versterken. De heer Bamenga vroeg of wij de mening delen dat het bizar is dat AI en social media toestaan dat er twijfel wordt gezaaid over de Holocaust. Ook hier geldt: wat offline strafbaar is, is dat online ook. Dat geldt dus ook voor het ontkennen of bagatelliseren van de Holocaust. Ook daarvoor geldt dezelfde aanpak als die ik net noemde, om dat te intensiveren. Dat is het einde van het kopje online, voorzitter.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik kijk zelf niet meer onder mijn eigen berichten, want dan slaap ik niet meer. Het is inderdaad schrikbarend hoe mensen online veel minder remmingen voelen om de meest verschrikkelijke dingen te zeggen dan ze waarschijnlijk zouden voelen als ze hier in de zaal of op de publieke tribune zouden zitten. In die zin zou ik u toch willen zeggen: als het echt alle grenzen over gaat, doe dan wel die aangifte, want er wordt wel degelijk naar gekeken. Dit reikt echter verder dan antisemitisme; dit is gewoon een probleem dat we in bredere zin zien, namelijk dat social media niet alleen voor dit soort strafbare uitingen gebruikt worden, maar ook voor alle andere strafbare gedragingen. Het ronselen van de jongens waar we het net over hadden, gebeurt gewoon via Snapchat of Telegram. Dat speelt zich helemaal af buiten het zichtveld van ouders of wie dan ook. Kanalen doen daar niks aan. Of het nou gaat om het verspreiden van deepfakes of van desinformatie: we hebben echt een probleem met die onlinewereld. Die zorgt voor een heleboel onrust en een heleboel polarisatie in onze maatschappij. Dat is een groot thema, maar, nogmaals, iets groter nog dan alleen dit debat.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik neem het mee in de volgende cyclus over onlinediscriminatie, want daar valt dit ook onder. Het antisemitisme dat in reacties op posts van ons wordt neergezet, is net zo strafbaar, ook als het in een reactie is.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Mevrouw Teunissen vroeg nog welke methode we hanteren voor het tegengaan van het normaliseren van complottheorieën over antisemitisme et cetera. We zetten in op versterking van de weerbaarheid tegen desinformatie en complottheorieën, waaronder antisemitische complottheorieën. De handleiding voor het omgaan met desinformatie voor medeoverheden is in 2024 in dit kader herzien. Die ondersteunt onder meer gemeenten bij het herkennen en het adresseren van desinformatie en wordt blijvend onder de aandacht gebracht. Daarnaast is er een subsidie aan BENEDMO afgerond, de Vlaams-Nederlandse samenwerking ter versterking van factcheckers en andere experts op het gebied van desinformatie. Daarmee wordt de structurele aanpak van desinformatie rondom antisemitisme versterkt. Mevrouw Keijzer had een vraag over studentenvisa. Die beantwoord ik hier namens de minister van AenM, die daar primair over gaat. Onderwijsinstellingen moeten voor studenten en medewerkers een veilige plek bieden; dat spreekt voor zich. Ten aanzien van het intrekken van studentenvisa van studenten afkomstig van buiten de EU geldt zowel bij de toegang als gedurende het verblijf dat de verblijfvergunning van deze personen kan worden ingetrokken wanneer zij een onherroepelijke veroordeling hebben of een gevaar zijn voor de openbare orde. Bij die veroordeling kan strafbaar antisemitisch handelen dus ook een rol spelen. Dan heb je dus een grond om het visum in te trekken. Zodra iemand is veroordeeld voor een misdrijf, ontvangt de IND hiervan een bericht. Dan kan de IND beoordelen of de vergunning van die persoon kan worden ingetrokken. Uiteindelijk kan, naarmate de ernst van het misdrijf toeneemt, ook een inreisverbod of een ongewenstverklaring volgen. De heer Bamenga vroeg nog om antisemitische uitingen van partijleden van Forum voor Democratie te normeren. Het is niet aan mij om hier uitspraken te doen over individuele politici. Vooropstaat dat ik antisemitische uitspraken in algemene zin sowieso veroordeel, wie die uitspraken dan ook doet, van welke partij of herkomst dan ook. De heer Struijs vroeg nog naar de zorgen van het Joods Politienetwerk. Die zorgen zijn mij bekend. Het is ook een onderwerp van gesprek met de korpschef, die natuurlijk de primaire verantwoordelijkheid heeft om ervoor te zorgen dat er een veilige werksituatie is en dat zij vanuit professionaliteit hun werk kunnen doen. Er is overigens goed contact vanuit de korpsleiding met dat netwerk. Ikzelf ben het netwerk in voorkomende gevallen ook tegengekomen. De heer Diederik van Dijk vroeg nog om met spilfiguren een langdurige en intensieve campagne te voeren. De minister van BZK is op dit moment bezig met een meervoudige aanbesteding van campagneontwikkeling van een landelijke publiekscampagne die breder ziet. Die gaat namelijk over het wegnemen van drempels die mensen in algemene zin ervaren voor het doen van aangifte van discriminatie. Ik zal bij hem ook specifiek aandacht vragen voor het discriminatie-element met antisemitische grondslag bij het opzetten van die campagne.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dit was het.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat wil niet zeggen dat je binnen een algemenere campagne niet ook specifiek aandacht kunt besteden aan antisemitisme. Een campagne kent altijd meerdere uitingsvormen en invalshoeken. Ik kan me dus voorstellen dat dit daar wel zijn specifieke plek in krijgt. Ik zal dat ook bespreken met de collega van BZK.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dank, voorzitter. We hebben een goed debat gehad. Er is een flink aantal moties ingediend. Ik kijk ook naar de tijd; ik zal proberen om de appreciatie zo bondig mogelijk te houden, maar als u meer wilt weten, dan bent u natuurlijk altijd welkom. De motie op stuk nr. 517 van de heer Boon ontraad ik. De motie op stuk nr. 518 ontraad ik, met als korte toelichting dat wij weliswaar gezegd hebben dat wij gaan werken aan het uitbreiden van het intrekken van Nederlanderschap, bijvoorbeeld als er sprake is van ernstige misdrijven waarbij er ook sprake is van antisemitisme, maar dat antisemitisme als zodanig nooit zal kwalificeren als een ernstig misdrijf en daardoor nooit zal leiden tot het intrekken van het Nederlanderschap in de plannen die wij hebben. De motie op stuk nr. 520 moet ik ontraden. We hebben het hierover gehad in het debat. Op dit moment toetsen het OM en de rechter aan de wet zoals die is. Die hebben geconstateerd dat deze leus niet strafbaar is. Daar hebben we het mee te doen. Als we zouden willen dat dit anders wordt, dan zouden we de wet daarvoor moeten aanpassen in plaats van het OM de opdracht te geven om de wet anders te interpreteren. Als ik de motie op stuk nr. 521 zo mag interpreteren dat we dit meenemen in de gesprekken die we hebben lopen met de universiteiten, de politie en het Openbaar Ministerie, dan zeg ik dat we dat gaan doen. We moeten ons wel houden aan de wettelijke beperkingen op het delen van gegevens. Als we daarbij tegen knelpunten aanlopen, dan pakken we dat op.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: De motie op stuk nr. 523 kan ik oordeel Kamer geven, maar daar wil ik iets bij zeggen. Daarin wordt gesproken over "meer verantwoordelijkheid". Ik zie "meer verantwoordelijkheid" als het gebaar dat ik nu heb gemaakt met het structureel maken van het veiligheidsfonds en de incidentele middelen voor dit jaar van zeven ton. Ik zie dat niet letterlijk als het overnemen van de wettelijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid. Dat kan ik niet doen en dat wil ik ook niet doen. Als ik de motie zo mag lezen dat ik daarmee in geldelijke zin mijn verantwoordelijkheid toon, maar niet de wettelijke bevoegdheden aangaande de veiligheid overneem, dan geef ik 'm oordeel Kamer.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nou, daar zou u mij dan toe moeten dwingen. Ik vind 2 miljoen een mooi rond bedrag.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik wil u wel het volgende toezeggen. Laat ik u dan een rond bedrag meegeven. Als we niet uitkomen met de aanvragen die er nu liggen, zal ik er in plaats van zeven ton voor dit jaar een miljoen bovenop doen. Dat komt dan uit op een niet-ronde 2,3. Maar nogmaals, ik doe zeven ton, maar ik zeg toe dat als we klemlopen dat er dan nog erbovenop doen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat krijg je als je me om 23.45 uur in de hoek zet.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: De motie op stuk nr. 524 over meneer West kan ik oordeel Kamer geven, maar ik maak daar wel twee voorbehouden bij. Het eerste voorbehoud heeft betrekking op het eerste deel van het dictum, namelijk dat ik het dringende beroep op u doe om mij eerst de uitkomst van het proces af te laten wachten. Maar dat zult u begrijpen. Wat het tweede deel van het dictum betreft wil ik daar zeker naar kijken, maar wil ik ook wel de verwachtingen temperen dat dat nu een soort magic bullet is, zeker met betrekking tot dit geval. Maar als u beide accepteert als mijn winstwaarschuwingen, dan kan het "oordeel Kamer" worden.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik geloof dat dat past binnen de kaders die ik net heb genoemd.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: De motie op stuk nr. 525 is een spreekt-uitmotie. De motie op stuk nr. 527 van mevrouw Van der Plas geef ik oordeel Kamer, want dit doet de premier al en dat zal hij ook blijven doen met de aanmoediging van deze motie. De motie op stuk nr. 529 moet ik ontraden, omdat het uiteindelijk altijd afhangt van de ernst van het delict. Dat is ter beoordeling van de IND. De motie op stuk nr. 530 over het verbod op demonstraties op stations moet ik ontraden. De motie op stuk nr. 531 over een behandelstop voor asielaanvragen van personen uit de Palestijnse gebieden ontraad ik. De motie op stuk nr. 534 over online geef ik oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 535. Ik ga het weer gecompliceerd maken voor de heer Bamenga. Ik kan met de hele motie leven, behalve met de tweede constatering, waarin het veiligheidsfonds wordt genoemd, in relatie tot het dictum. Dan maak ik 'm nog even gecompliceerder. U vraagt om bij de verdeling van de middelen het Centraal Joods Overleg te betrekken. Maar voor het veiligheidsfonds hebben we een kader opgesteld met het Centraal Joods Overleg. Het Centraal Joods Overleg kan ook een aanvrager zijn van een subsidie. Dat willen we dan dus niet in de beoordeling van elke individuele aanvraag hebben. Als de heer Bamenga de tweede constatering achterwege zou kunnen laten, dan kan ik 'm dus oordeel Kamer geven.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dan de motie op stuk nr. 536, van de heer Bamenga. Die kan ik oordeel Kamer geven als de indieners de motie zo uitleggen dat de verspreiding van AI-beelden van de Holocaust onder bestaande wetten strafbaar is, als ze aanzetten tot haat en discriminatie of als ze de Holocaust ontkennen, bagatelliseren of vergoelijken.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dan de motie op stuk nr. 538. Die geef ik oordeel Kamer. Die sluit aan bij wat ik noemde in mijn eerste termijn. We zien de motie dus als een aanmoediging. De motie op stuk nr. 539 ontraad ik. Wij hanteren als kabinet overigens niet de IHRA-definitie, maar zien die slechts als een van de definities die rondgaan. We hebben geen behoefte aan een eigen definitie. De motie op stuk nr. 542 is een spreekt-uitmotie. De motie op stuk nr. 543 ontraad ik. We gaan als kabinet over ons eigen uitnodigingsbeleid. De motie op stuk nr. 544 is een spreekt-uitmotie. De rest laat ik aan de minister van OCW.
Bron, video en gesprek →