KamerkringInloggen
David van Weel

Officieel Kamerprofiel

David van Weel

66debatten
1.816bijdragen
23interrupties
336.704woorden in uitspraken

Uitspraken in het geselecteerde debat

Open het volledige debat en de tijdlijn →
12 okt 2026 · Kamerstuk

Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit) (36876)

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Dank, voorzitter. Allereerst mijn excuses, want ik ben een klein beetje verkouden. Als ik wat nasaal overkom, ligt dat dus daaraan. Ik vrees dat ik er niets aan kan doen. Ik begin met een korte inleiding, daarna zal ik ingaan op het onderwerp vergunningen, dan de schade en de strafbaarheid, dan het kopje handhaving en gevolgen, dan het kopje drugsdumpingen, dan de overige vragen en ik eindig uiteraard met het appreciëren van de amendementen.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Dank, voorzitter. Vandaag behandelen we het wetsvoorstel tot implementatie van de herziene EU-richtlijn milieucriminaliteit uit 2024, een actualisering van de al bestaande EU-richtlijn over dit onderwerp uit 2008. De inhoud van de nieuwe richtlijn komt in belangrijke mate overeen met de richtlijn uit 2008, met een paar aanvullingen. Zo bevat de nieuwe richtlijn ten opzichte van de eerdere richtlijn een extra aantal strafbaar te stellen gedragingen, zoals verboden handelingen ten aanzien van chemicaliën. Daarbij is het goed om voor ogen te houden dat het steeds gaat om de strafrechtelijke handhaving van al bestaande EU-milieuvoorschriften. Die milieuvoorschriften zijn er dus al op grond van andere EU-regelgeving. Deze richtlijn voegt daar kort gezegd alleen maar aan toe dat het overtreden van die normen ook in alle lidstaten strafbaar moet worden gesteld, iets wat overigens voor veel van die feiten in Nederland al geldt, maar dan nu ook EU-breed. Nieuw in de richtlijn ten opzichte van 2008 zijn daarnaast bepalingen over de strafmaxima, de rechtsmacht, de verjaringstermijnen, preventie en een nationale strategie voor de bestrijding van milieudelicten. Zoals gezegd voldoen het bestaande Nederlands recht en beleid grotendeels al aan de verplichtingen uit de herziene milieurichtlijn. Dit wetsvoorstel bevat daarom maar een paar wettelijke aanpassingen. De belangrijkste zijn een nieuwe strafbaarstelling voor het in de handel brengen van, kort gezegd, producten waarvan het gebruik op grotere schaal leidt tot aanzienlijke schade voor mens en milieu, en een uitbreiding van de reikwijdte van een aantal wetsartikelen. Daardoor zijn daarin opgenomen gedragingen, zoals stoffen in de bodem brengen, niet alleen strafbaar als die gevaarlijk zijn voor mensen, maar ook als die tot aanzienlijke schade aan het milieu kunnen leiden. Het wetsvoorstel regelt ook een strafmaatverhoging, zowel in het Wetboek van Strafrecht als in de Wet op de economische delicten, voor een aantal delicten als sprake is van vernietigende milieuschade, zoals ik het maar even noem. Het gaat dus om hele grote milieuschade; denk daarbij aan ecocide. In de Wet op de economische delicten komt ook een strafverzwaring als milieuovertredingen de dood tot gevolg hebben. Dat was al geregeld in het Wetboek van Strafrecht. Ten slotte verhogen we de strafmaat bij roekeloos gedrag dat de dood veroorzaakt. Voorzitter. Dat was de inleiding, en dan wilde ik graag beginnen met het kopje vergunningen. Een hoop vragen van een hoop leden gingen in verschillende mate over of je strafbaar bent als je een geldige vergunning hebt. Laat ik klip-en-klaar zijn. Er is in beginsel natuurlijk geen sprake van wederrechtelijkheid als iemand een geldige vergunning heeft en de voorschriften naleeft. Dan ben je niet strafbaar. Maar, en daar komt de kleine opening van de deur, zoals mevrouw Straatman die noemde, die op basis van deze richtlijnen hier moet worden gelaten, maar die in de Nederlandse wet ook al op verschillende manieren verankerd zat: een vergunning is geen volledige vrijbrief om gedragingen uit te voeren die evident en aanzienlijk in strijd zijn met milieuwetgeving. Het moet dan wel voor de vergunninghouder zonder meer kenbaar zijn geweest dat de kern van de vergunning of ontheffing, zoals een emissie- of een invoermaximum, niet meer aansluit bij de inmiddels aangescherpte situaties. Denk daarbij aan situaties waarin gehandeld wordt op basis van een sterk verouderde vergunning, waarvan evident is dat die inmiddels in grote mate strijdig is met aangescherpte geldende milieuwetgeving. En ja, zeg ik daarbij, het actualiseren van vergunningen is en blijft primair een overheidstaak. Daar ligt de plicht, en die verschuift als gevolg van deze richtlijn niet naar de vergunninghouder of de marktdeelnemer. Dat staat ook heel duidelijk in overweging 10 van de richtlijn. Maar nogmaals, er kan sprake zijn — dan hebben we het echt niet over de PAS-melders, zeg ik alvast tegen mevrouw van der Plas — van sterk verouderde vergunningen, waarbij ook voor de vergunninghouder heel duidelijk is dat die in strijd is met de huidige wetgeving. Dus een boer die alle benodigde informatie eerlijk heeft verstrekt en zijn vergunning naleeft, kan niet strafrechtelijk de rekening krijgen voor fouten of nalatigheid van bevoegd gezag? Zoals ik net al zei, is iemand met een geldige vergunning in beginsel niet wederrechtelijk bezig. Wanneer dat wel zo is: dat kunnen wij terugtraceren tot de uitspraak van de Hoge Raad in 1984. Vandaar dat ik zeg dat dit beginsel van wederrechtelijkheid niet nieuw geïntroduceerd wordt, maar al langer bestaat. Dat heeft een andere context — het gaat over een vergunning voor kamperen — maar het is denk ik wel bruikbaar. Ik lees even een stukje uit dat arrest voor. "De houder van een vergunning mag in het algemeen erop vertrouwen dat deze vergunning overeenkomstig de wettelijke voorschriften is verstrekt en dat hij gerechtigd is van deze vergunning gebruik te maken, ook wanneer later zou blijken dat zij in strijd is met een wettelijk voorschrift en derhalve ten onrechte is uitgegeven. Zulks leidt echter uitzondering in een geval als het onderhavige, waarin uit hetgeen door het hof is overwogen is af te leiden dat de verlening van de vergunning een ook voor de verdachte een zo onmiskenbare wetschendig opleverde dat hij had moeten begrijpen dat het college van B en W hem deze niet had mogen verlenen." Dat is waar het hier in de kern ook om gaat; in principe moet je gewoon op een vergunning kunnen vertrouwen, zelfs als later blijkt dat de vergunning in strijd zou zijn met de wet. Maar de kern zit 'm hier in het woordje "onmiskenbaar", en dat moet ook nog eens in ernstige mate het geval zijn. Je mag dus op een vergunning vertrouwen, tenzij het héél evident is dat die in ernstige mate in strijd is met de wet. Nogmaals, iemand die gewoon alle informatie aanlevert en gewoon een vergunning verleend krijgt, heeft dus niks te vrezen, ook niet van deze richtlijn. Ik benadruk ook dat dit dus geen nieuwe praktijk is en dat er altijd al een achterdeurtje verscholen lag, ook in ons huidige Wetboek van Strafrecht, daar waar het om een situatie gaat zoals ik die net schetste. Een variant op dit thema. Mag de boer erop vertrouwen dat het bevoegd gezag de rechtmatigheid van zijn vergunning bewaakt zonder dat hij zelf de juridische beoordeling van de overheid moet overdoen? Als de overheid meent dat een vergunning niet langer voldoet, is de overheid dan op basis van dit voorstel verplicht de ondernemer tijdig en concreet daarover te informeren en de vergunning zo nodig aan te pakken? Zolang een ondernemer voor de betrokken activiteiten de vereiste vergunningen heeft, handelt hij rechtmatig en zal er op grond van de voorgestelde strafbepalingen geen strafrechtelijke vervolging aan de orde kunnen zijn. Het is aan het bevoegd gezag voor de Natura 2000-vergunningen om actie te ondernemen als een eenmaal verleende vergunning voor een bepaalde activiteit niet langer passend is, actualisatie behoeft of eventueel beperkingen behoeft, als dat nodig is op grond van artikel 8.103 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Tegelijkertijd is het wel aan de ondernemer — maar ik heb u niet het tegendeel horen beweren — om het bij de overheid te melden als er een significante wijziging in de bedrijfsvoering plaatsvindt. Die plicht ligt dan daar. Mevrouw Van der Plas vroeg naar aanleiding van het amendement-Sneller of hiermee de verantwoordelijkheid verschuift naar de boer. Ik zei het eerder al: nee. Het actualiseren van vergunningen is en blijft een overheidstaak. Die plicht verschuift als gevolg van deze richtlijn niet naar de vergunninghouder of de marktdeelnemer. Dit amendement is op zichzelf in lijn met de richtlijn, want die schrijft in een artikel voor dat ook sprake is van wederrechtelijkheid als gedragingen vallen binnen een vergunning die door de overheid is afgegeven maar die inmiddels kennelijk in strijd is met materiële wettelijke vereisten. Dat staat dus ook in overweging 10 bij de richtlijn, namelijk dat er sprake moet zijn van een duidelijke en aanzienlijke schending van relevante materiële wettelijke vereisten. Dat is in dit amendement dus vertaald als "duidelijk en aanzienlijk". Ik snap uw aarzeling bij het amendement wel. Ik kom daar straks in de appreciatie van de amendementen wat breder op terug. Mevrouw Straatman, in een variant op hetzelfde onderwerp, vroeg: kan de minister voorbeelden geven van wanneer er dan toch sprake is van strafbaarheid als er binnen een vergunning wordt gehandeld? Verplicht de richtlijn tot het openhouden van de achterdeur? Op dat laatste, zoals ik u net verteld heb, kan ik zeggen dat de richtlijn daar inderdaad toe verplicht, maar dat het ook niet nieuw is ten opzichte van wat nu al in ons strafrecht geldt, namelijk dat strafrechtelijke aansprakelijkheid wederrechtelijkheid vergt. Daarvan is in beginsel geen sprake als iemand een geldige vergunning heeft en de voorschriften daarvan naleeft. Maar het gedrag kan strafbaar zijn als iemand op grond van bijvoorbeeld een verouderde vergunning gedragingen verricht die naar de huidige maatstaven evident in strijd zijn met de geldende milieuregelgeving. In die situaties moet voor de vergunninghouder zonder meer kenbaar zijn geweest dat de kern van de vergunning of ontheffing, zoals een emissie- of invoermaximum, niet meer aansluit bij de inmiddels aangescherpte regels. Mevrouw Van Oosterhout vroeg of het klopt dat het OM kan optreden als een bedrijf zich aan een oude vergunning houdt maar de normen evident schendt. Ja, dat sluit dus aan bij exact mijn bewoording van zonet. In die specifieke gevallen kan dat aan de orde zijn. Uiteindelijk is het wel aan het OM om in een concreet geval te bepalen of dat aan de orde is of niet. Dan vroeg mevrouw Van der Plas nog heel nadrukkelijk naar de PAS-melders en om een geruststelling op dat vlak. Bij de PAS-melders is in beginsel noch sprake van opzettelijk handelen, noch van verwijtbaar handelen. Het is de overheid zelf die hier tekort is geschoten. De door de overheid vastgestelde vrijstelling van de vergunningplicht voor geringe deposities heeft geen stand kunnen houden bij de rechter en is daarmee onverbindend verklaard. Daardoor hebben de PAS-melders buiten hun schuld geen omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteit. Dat heeft de overheid ook erkend. In het verlengde daarvan is in artikel 22.21 van de Omgevingswet de opdracht aan de minister van LVVN opgenomen om een programma op te stellen met maatregelen die erop zijn gericht om de PAS-melders in een legale situatie te brengen. Tevens is meermaals door achtereenvolgende kabinetten uitgesproken dat in de periode tot legalisatie een feit is, niet actief zal worden gehandhaafd. De PAS-melder hoeft dus van dit wetsvoorstel niets te vrezen. Mevrouw Van der Plas vroeg wat er in het geval van stikstofuitstoot moet liggen om als verdachte te worden aangemerkt en hoe wederrechtelijkheid en opzet door schuld worden vastgesteld bij die beoordeling. In beginsel is er geen sprake van wederrechtelijkheid als iemand met een geldige vergunning en bij naleving van de voorschriften binnen die vergunning gedragingen pleegt. De enige uitzondering daarop is de wederrechtelijkheid die ik net noemde, met die hele zware kwalificaties. Ik kan me dus oprecht niet voorstellen hoe zich dat in deze gevallen van agrariërs en stikstof zou kunnen voordoen, met alle aandacht die daar nu voor is. Hoeveel vergunningen van grote industriële bedrijven zijn verouderd en voldoen niet meer aan de regels? Die actualisatie is een verplichting onder de Omgevingswet. Dat is iets van de staatssecretaris van IenW, zeg ik daarbij; dat valt niet binnen mijn bevoegdheden. Dat is wel een dynamisch proces, want er worden continu vergunningen vernieuwd, geactualiseerd dan wel ingetrokken, dus ik kan nu niet aangeven hoeveel vergunningen er op enig moment moeten worden geactualiseerd. Voorzitter. Dat was het kopje vergunningen.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik zou het eigenlijk meer een uitwerking willen noemen van deze specifieke casus. De casus van de Hoge Raad die ik net noemde, zag natuurlijk niet op milieucriminaliteit. Met deze richtlijn is expliciet aangegeven dat je die achterdeur, zoals u dat noemt, die opening, daadwerkelijk moet laten. Die hebben we hier dus in willen specificeren. Het is in die zin een uitbreiding dat die komt boven op het algemene beginsel, zoals dat ook door de Hoge Raad in die uitspraak van 1984 is neergelegd.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Nee, met steun van mijn juridisch geweten aan mijn rechterzijde zeg ik daarop: ja.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Dan zou ik wel even willen kijken naar de tekst van de motie, want ik heb nog niks gezien. Ik weet niet of het helemaal dichtzetten van de strafrechtelijke deur nodig is. We hebben het nu veel over agrariërs en het is begrijpelijk dat het daaromheen hangt, maar er zijn natuurlijk ook hele grote vervuilers in Nederland die daarvoor hele gecompliceerde vergunningen hebben. Zij kunnen er baat bij hebben om, terwijl ze weten dat ze door aangescherpte richtlijnen of regelgeving in strijd handelen met hun geldende vergunning, daar toch mee door te gaan en te proberen om dat onder de pet te houden. Dan is de vraag of je in een zo evidente casus van eigenlijk bijna opzet bij het schenden van de geldende regelgeving de strafrechtelijke route automatisch wilt uitsluiten. Wil je dan die bestuursrechtelijke route volgen of moet het strafrecht dan ook openstaan?

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik ga daar even goed naar kijken als ik uw motie heb gezien. Ik vind dat die plicht van de overheid zwaar geldt. Ik kan me ook voorstellen dat elke rechter die een zaak krijgt waarin dit heeft gespeeld, die verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om te zorgen voor de actualisatie van de vergunning meeweegt in de bepaling van de mate van schuld van een bedrijf in zo'n casus. Ik denk dus dat die weging wel degelijk zal plaatsvinden en dat de verantwoordelijkheid van de overheid ook wordt gewogen, maar ik zal even naar uw motie kijken.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ja, zeker. Ik vind ook dat de overheid een plicht heeft om te zorgen dat nieuwe wet- en regelgeving kenbaar is voor diegenen die eronder vallen. Nogmaals, ik vind ook dat de overheid de verantwoordelijkheid heeft om zelf de actualisatie van de vergunningen op te pakken. Daarom denk ik ook dat het echt gaat om uitzonderlijke gevallen, zoals ik zonet in een voorbeeld schetste, waarbij sprake is van strafrechtelijke vervolging binnen een geldende vergunning. Dat is juist vanwege het feit dat die plicht van de overheid zo zwaar weegt, ook voor mij.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Nogmaals, we hebben het hier niet over de mkb'ers of de agrariërs. We hebben het hier over hele grote vervuilers; dat klopt. Ik denk dat het daarom ook goed is om die opening, die achterdeur, te houden. Ik denk dat die daar ook voor bedoeld is, namelijk voor deze hele grote bedrijven die tot op de komma weten wat er aan regelgeving verandert en er, sterker nog, zelfs op mee proberen te sturen aan de voorkant. Dan kun je ook van die bedrijven verwachten dat ze kunnen bedenken dat hun vergunning geen hout meer snijdt bij de geldende regelgeving.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik denk dat deze richtlijn ons helpt om die deur weer dicht te doen. Er gaat ook een afschrikwekkende werking van uit, denk ik. Om nou te zeggen dat de pakkans per se laag is … Dat weet ik niet. Natuurlijk moeten er altijd keuzes worden gemaakt in de opsporing, maar er lopen nu wel degelijk een aantal grote zaken op dit vlak, ook tegen grote vervuilers.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Nee, er zit ook een hele handhavingskant aan de implementatie van deze richtlijn, maar daar kom ik bij dat kopje nog op terug.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik ga uw beide vragen met één woordje beantwoorden: opportuniteit. Uiteindelijk gaat ons eigen OM over de vraag of je al dan niet overgaat tot een onderzoek dan wel vervolging. Daar zit de ruimte van de woorden "in beginsel", want ik ben niet het OM. Het is aan het OM om dat elke keer te zeggen, dus daar moet ik die deur altijd heel licht openhouden. De minister kan niet zeggen "ik zal niet vervolgen", want ik vervolg niet en maak die keuze niet. Tegelijkertijd zit daar ook juist de bescherming in, omdat dat betekent dat het OM al die zaken die nationaal spelen en gespeeld hebben, wél meeweegt voordat het besluit al dan niet over te gaan tot vervolging. Daarom heb ik die laatste zin uitgesproken in het antwoord op uw vraag: de PAS-melder hoeft van dit wetsvoorstel niets te vrezen.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Zelfs in dat geval zal MOB weliswaar een eis tot vervolging kunnen indienen, maar stel dat dat dan uiteindelijk ook wordt gehonoreerd. Dan kan het OM ook gewoon niks eisen en komt er ook niks van terecht. Dus ik denk echt dat er wel rekening zal worden gehouden, door het OM maar ook door een rechter, als het zo ver zou komen, met de hele rechtsgeschiedenis die we hieromheen hebben gehad.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: In afronding hier. Ik zal in tweede termijn ook goed naar u luisteren. In de kern verandert deze richtlijn niks aan dat gegeven. Feit is dat mensen aangifte zouden kunnen doen, omdat ze vinden dat iemand wederrechtelijk handelt, en dat zal zo blijven. Ik heb alleen gesteld dat op het moment dat iemand gewoon binnen de kaders van zijn vergunning te goeder trouw opereert, er geen enkele aanleiding is om die wederrechtelijkheid aan te nemen. Daarom denk ik dat die hele kleine uitzondering, in de gevallen die u noemt, geen opgeld zal doen. Daar is die uitzondering niet voor bedoeld. Die is bedoeld voor de casus die ik net noemde: grote vervuilers die willens en wetens door blijven gaan met gedragingen op basis van een vergunning, waarvan zij apert weten dat die niet meer in lijn is met de geldende wet- en regelgeving.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik dicht Europa een hoop macht toe, maar deze niet. Ik zal u dat in tweede termijn wat uitgebreider toelichten.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Dank, voorzitter. De heer Bikkers vroeg of ik voorbeelden kan geven van aanzienlijke schade. Hij noemde zelf ook een paar voorbeelden, die ik langs zal lopen. Ik moet al de disclaimer geven dat dat in de kern echt per geval zal moeten worden beoordeeld. Daar zijn wel relevante factoren voor, namelijk: de referentietoestand van het aangetaste milieu, de vraag of de schade van lange, middellange of korte duur is, de ernst van de schade en ook de omkeerbaarheid van de schade. Beperkte gevolgen vallen hier in ieder geval niet onder. Een voorbeeld van aanzienlijke schade is de aantasting van een natuurgebied als gevolg van het inbrengen van schadelijke vloeistoffen in water en bodem in de nabijheid van dat natuurgebied, waardoor veel dieren en planten sterven en het water en de bodem voor langere tijd worden aangetast. Dat is een voorbeeld waarvan ik wel veilig durf te stellen dat aan al die criteria is voldaan. Voordat ik uw voorbeelden langsloop, wil ik wel benadrukken dat de verschillende gedragingen die u noemt hoe dan ook milieuovertredingen zijn. Dat staat nog los van het feit of onder de implementatie van deze richtlijn kan worden vervolgd. Ik richt me nu echter even op waar de afbakening met aanzienlijke schade ligt, waardoor de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht op het veroorzaken van gevaar voor aanzienlijke milieuschade in beeld komen. Nogmaals, dat doet er niet aan af dat als er geen sprake is van aanzienlijke schade, desalniettemin handhavend kan worden opgetreden op basis van overtreding van de milieuwetgeving. Valt het uitrijden van te veel mest op een akker onder aanzienlijke schade? Ook hier weer de disclaimer. Dat zal in elk geval moeten worden beschouwd, maar voor de vaststelling of er sprake is van aanzienlijke schade wordt naar een aantal criteria gekeken, waaronder de ernst van de schade en de duur daarvan. Het hangt dus af van de schade die als gevolg van het uitrijden van die hoeveelheid mest kan ontstaan. Dat is onder meer afhankelijk van om hoeveel mest het gaat, om hoeveel grond en of het uitrijden langdurig gebeurt. Naarmate het om meer mest gaat en de periode waarover dit gebeurt langer is, is het risico dat daardoor de kwaliteit van bijvoorbeeld de bodem, grondwater of aangrenzend oppervlaktewater aanzienlijk in het geding komt immers groter. Nogmaals, zolang mensen zich aan de milieuwetgeving houden, is een gedraging nooit wederrechtelijk en zal die dus ook nooit strafbaar worden. Ik begrijp dat het in uw voorbeeld gaat om iemand die dat niet deed en die dat dus wederrechtelijk deed. Valt het vernietigingen van een dassenburcht onder aanzienlijke schade? Nee, het vernielen van een dassenburcht zal niet tot strafbaarheid leiden op grond van deze bepalingen. Het is allereerst goed om voor ogen te houden dat de strafbaarstellingen die betrekking hebben op aanzienlijke milieuschade zich, heel kort gezegd, richten op opzettelijke radioactieve besmetting, verontreiniging van bodem, lucht of water, of het in de handel brengen van voor het milieu schadelijke producten. Als we het dan hebben over het vernielen van een dassenburcht, kan het ook om andere gedragingen gaan, die niet onder die artikelen vallen. Denk aan het blokkeren van de ingang van de burcht of het afgraven daarvan. Dan is om die reden al geen sprake van strafbaarheid op grond van die artikelen in het Wetboek van Strafrecht. Verder geldt dat het bij aanzienlijke milieuschade moet gaan om aanzienlijke schade aan de kwaliteit van de bodem, de lucht of het oppervlaktewater of aan een ecosysteem van dieren of planten. Zou de gedraging wel binnen het bereik van bijvoorbeeld artikel 173a vallen, dan is overweging 13 bij de richtlijn van belang. Die overweging maakt duidelijk dat kleinere eenheden voor de toepassing van deze richtlijn niet als ecosysteem op zich mogen worden beschouwd. Daar worden als voorbeelden een bijenkorf of een mierenhoop genoemd. Voor een dassenburcht zou je hetzelfde kunnen betogen. Het is een te kleine eenheid om onder het bereik van de strafbaarstelling te kunnen vallen. Een dassenburcht kan wel onderdeel uitmaken van een breder ecosysteem, maar kan op zichzelf niet worden beschouwd als een ecosysteem. Het antwoord op de vraag over de dassenburcht is dus nee. Dan het dumpen van autobanden in een natuurgebied. Valt dat onder aanzienlijke schade? Ook hier geef ik weer de disclaimer dat dat per geval zal moeten worden bekeken, maar het is relevant om te weten wat de gevolgen van het dumpen van autobanden zouden kunnen zijn voor de kwaliteit van de bodem of het oppervlaktewater of voor een ecosysteem van dieren of planten. Ik kan dat moeilijk duiden op basis van het voorbeeld zoals dat nu is gegeven. Valt lozen in een meer waardoor vissen doodgaan, onder aanzienlijke schade? Ook hier is dat weer afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval is het wel denkbaar. Als het zou gaan om een groot meer waarbij het gaat om de sterfte van een aanzienlijk aantal vissen als gevolg van het lozen van een giftige stof, denk ik dat je zou kunnen spreken van aanzienlijke schade. Valt het heien van een windpark op zee binnen een vergunning onder aanzienlijke schade? Nee. Als je binnen een vergunning opereert die is afgegeven, wat nodig is voor heien, is er geen sprake van wederrechtelijkheid. Heien kan op zichzelf wel zorgen voor een verstoring van de bodem, het kan dieren verjagen en het kan zorgen voor geluidsoverlast, maar dat is precies waarom je er een vergunning voor nodig hebt. Als je geen vergunning hebt en je gaat heien, ben je uiteraard wel strafbaar. Dat is ook een beetje een antwoord op de vraag van mevrouw Straatman, die het ook had over onderwatergeluid en schade veroorzaakt aan dieren. Nogmaals, als iemand binnen de vergunning opereert, is er geen sprake van strafbaar gedrag. Dat was een vraag van mevrouw Faber, ja. Excuus.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik zou niet willen zeggen dat ik u vaak door elkaar haal, maar dat is nu dan toch een keer gebeurd. Als de gedragingen binnen de vergunning vallen, en dan wordt er natuurlijk rekening gehouden met de overlast die dit soort activiteiten veroorzaken, zijn ze niet strafbaar. Als de gedragingen opzettelijk en wederrechtelijk plaatsvinden, is wel sprake van strafbaarheid en kan de veroorzaker daar ook op worden aangesproken. In de regel is dat de exploitant van de windmolen, als er zonder de vergunning of met schending van vergunningen iets zou gebeuren of zijn gebeurd. Mevrouw Van der Plas vroeg: kan de minister bevestigen dat een overschrijding van de kritische depositiewaarde op zichzelf onvoldoende is om vast te stellen dat door het handelen van die ene boer aanzienlijke schade te duchten is? Ja, om vast te stellen of er sprake is van aanzienlijke schade, moet worden gekeken naar de uitstoot die díé boer heeft veroorzaakt. Die specifieke boer moet een zodanige concentratie aan een stof in het milieu hebben gebracht dat kan worden geconcludeerd dat daarvan gevaar voor aanzienlijke schade te duchten is. Bij die vaststelling kunnen berekeningen en metingen, die zijn opgenomen in het deskundigenrapport, een rol spelen. Maar ik benadruk: het gaat niet alleen om aanzienlijke schade; er moet ook worden bewezen dat er daadwerkelijk wederrechtelijk wordt gehandeld. Daar is in de regel geen sprake van als een boer op grond van zijn vergunning handelt. Mevrouw Van der Plas vraagt nog welke duidelijkheid de definities uit het amendement op stuk nr. 8 geven als er open begrippen worden toegevoegd. Meerderen van u hebben het gehad over de open normen, zoals "een belangrijk deel" en "een redelijke termijn". Ik snap de behoefte aan meer duiding en zekerheid bij deze begrippen wel. Aan de andere kant is het niet ongebruikelijk, en deels ook onvermijdelijk, dat in het strafrecht gebruik wordt gemaakt van meer open begrippen. Wel moet het voor burgers voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar zijn onder welke omstandigheden welke handelingen strafbaar zijn, zodat iedereen zich daarnaar kan gedragen en de rechtszekerheid wordt geborgd. In de toelichting op het wetsvoorstel en het nader rapport hebben we een wat meer uitvoerige toelichting willen geven bij die begrippen, om aan de ene kant zo veel mogelijk duidelijkheid te geven — ik proef die behoefte hier vandaag ook — maar aan de andere kant natuurlijk ook ruimte te geven aan de rechtspraktijk. Het amendement geeft daar nog iets meer richting aan. Ook die begrippen zijn wat open, maar dat is onvermijdelijk; ook daar moet ruimte zijn voor de beoordeling van het individuele geval. Mevrouw Teunissen vroeg naar de definitie van aanzienlijke schade. Waarom is dat of-of en waarom niet de definitie van de experts? Het klopt dat aan al deze voorwaarden moet zijn voldaan. De richtlijn stelt de eis dat sprake is van aanzienlijke schade, als deze wijdverbreid, onomkeerbaar en langdurig is. Ik vind het ook belangrijk dat we de lat hierbij niet te laag leggen. Dit bepaalt of sprake is van vernietigende schade. Dat was het blokje schade en strafbaarheid, voorzitter.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Deze richtlijn sluit aan bij alle EU-milieuregels die al van kracht zijn. Hij introduceert geen nieuwe regels. De vergunningen die onder de huidige regels zijn afgegeven aan windmolenexploitanten blijven, ook met deze richtlijn, van kracht. Dat neemt niet weg dat je in de toekomst best nieuwe onderzoeken kunt krijgen die leiden tot nieuwe eisen, waardoor vergunningen moeten worden aangepast of waardoor daar anders tegen aan wordt gekeken, maar de vergunningen die deze exploitanten hebben voor het opereren van windmolens veranderen niet door de implementatie van deze richtlijn.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Daar zegt deze richtlijn niks over. Maar daarmee veranderen de eisen die worden gesteld aan de exploitatie van windmolens niet. Die veranderen met dit wetsvoorstel niet. Die vergunningen blijven dus gewoon geldig.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Maar dat is het niet en dat wordt het met de implementatie van deze richtlijn ook niet. Die gaat namelijk niet over welke eisen we aan windmolens en windmolenexploitatie stellen. Dat doet deze richtlijn niet.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik probeer nog een andere invalshoek. Ook mensen in de energiesector die milieudelicten plegen die binnen de reikwijdtes van de EU-milieuregelgeving vallen, zijn strafbaar en kunnen daarvoor worden vervolgd, ook op basis van dit artikel.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Mag ik daarop terugkomen bij de appreciatie van uw amendement over dit punt?

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Er staan best forse straffen op dit delict, en terecht. Kort gezegd sluiten we op dit punt aan bij de definitie van de richtlijn. Die gaat uit van en-en. Wij vinden dat passend, gelet op de hoge sancties.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik denk dat je in het geval van pfas eigenlijk ook wel zou kunnen zeggen dat dat langdurig van aard is en tot op zekere hoogte ook onomkeerbaar lijkt te zijn. Ik denk dat je bij dit soort grote zaken die lat echt wel haalt, maar ik denk ook dat dat de omvang van zaken is die je wil hebben. Als je alleen maar onomkeerbare schade hebt maar dat echt in een heel klein stukje land is, dan is dat wat mij betreft niet voldoende om hiervoor de lat te halen.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik snap dat wij hier anders tegen aankijken. Ik heb ook respect voor de inzet van mevrouw Teunissen om te gaan voor zo streng mogelijke criteria voor de vaststelling van aanzienlijke schade. Wij sluiten hier echt aan bij de richtlijn. Ik denk dat het vanuit dit oogpunt gerechtvaardigd is om daar geen nationale kop bovenop te zetten.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik kan me niet herinneren dat ik een antwoord daarop langs heb zien komen in de schorsing. Zo niet, dan kijken we of we daar in tweede termijn wat over kunnen zeggen.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Dank, voorzitter. Ah! Welke gevolgen heeft de implementatie van deze richtlijn voor bedrijven, om welke sectoren gaat het en welke economische gevolgen heeft het? U heeft zomaar het bruggetje gevonden tussen de twee kopjes, mevrouw Faber. Het gaat hierbij om bestaande EU-milieuvoorschriften. Die zijn er dus al op grond van andere wetgeving. Deze richtlijn voegt daar alleen maar aan toe dat het overtreden van die normen in alle lidstaten strafbaar moet worden gesteld. Dat is voor Nederland bij het overgrote deel van die feiten eigenlijk al het geval, maar dat gaat nu dus EU-breed gelden. Er worden dus geen nieuwe normen geïntroduceerd; er worden enkel al bestaande regels strafbaar gesteld. Voor bonafide ondernemingen is er dus geen enkel effect en worden er ook geen economische gevolgen verwacht op basis van deze richtlijn. U vroeg ook nog naar het mkb. Kunnen de nieuwe milieuregels daar heel ingewikkeld voor zijn? Moeten we niet een duidelijk signaal afgeven van gewijzigde informatie? In lijn met wat ik daarnet zei, is de verwachting dat deze richtlijn geen gevolgen heeft voor bonafide mkb-ondernemers, aangezien de normen waar ze zich aan moeten houden, niet veranderen met deze richtlijn. In algemene zin heeft de overheid wel een actieve informatieplicht en moeten wij een duidelijk signaal geven als vergunningsregels ingrijpend veranderen. Dat vloeit voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat kan op een paar manieren. Wanneer wet- en regelgeving worden gewijzigd, kunnen we dat op een aantal manieren kenbaar maken. Dat kan door actieve informatievoorziening en communicatie en door de wijziging van bestaande vergunningen. Dat is dus het proactief aanpassen, waar we het in het eerste blokje ook over hadden. Er kan ook sprake zijn van overgangstermijnen en er is het evenredigheidsbeginsel, zodat ondernemers de tijd krijgen om zich aan te passen. Nieuwe regels voor bestaande situaties gelden daarom zelden van de ene op de andere dag en er worden vrijwel altijd overgangstermijnen ingesteld zodat bedrijven de ruimte krijgen om investeringen te doen, bijvoorbeeld in schonere machines of filters om aan nieuwe vergunningseisen te voldoen. Maar nogmaals, met deze richtlijn worden er dus geen nieuwe normen geïntroduceerd. Mevrouw Straatman vroeg hoeveel milieurechercheurs de politie nu heeft. De formatie van tactische opsporing, intel en expertise voor de bestrijding van milieucriminaliteit is ongeveer 400 fte. Daarnaast is het streven om per eenheid gemiddeld twee agenten per basisteam met het taakaccent milieu inzetbaar te hebben. Dan kom je in totaal uit op ongeveer 700 fte voor deze taak. De bezetting is op dit moment wel lager. Er wordt dus op ingezet om die op niveau te krijgen. Draagt deze implementatiewet ook bij aan de daderpakkans? De EU-richtlijn verplicht de lidstaten om te komen tot een nationale strategie en tot coördinatie en samenwerking op strategisch en operationeel niveau. De operationalisering hiervan is belegd bij de al langer bestaande Strategische Milieukamer, die in april 2025 is geformaliseerd door mij en de collega's van IenW en LVVN. In de Milieukamer zit het OM, de politie, de NVWA, de Inspectie Leefomgeving en Transport en de omgevingsdiensten. Die kiezen op basis van een dreigingsbeeldanalyse de prioritaire thema's waarop de opsporing gericht wordt en een informatiepositie opgebouwd wordt om daarmee de zwaardere milieucriminaliteit op te sporen. Daarmee wordt de pakkans vergroot en wordt de opsporing en vervolging zo effectief mogelijk ingezet. Daarnaast heb ik 3 miljoen structureel geïnvesteerd in meer opsporing ten behoeve van de richtlijn, om de opsporing en de vervolging te versterken. Ik kom er zo op terug hoe de verdeling is tussen de politie en de andere diensten. Dan het afpakken van door milieucriminaliteit wederrechtelijk verkregen vermogen. Uiteraard ben ik daar een groot voorstander van. De vraag was ook of ik mogelijkheden zag voor civielrechtelijke afhandeling van schade, om die breder in te zetten. Zoals gezegd ben ik zeer voor het afpakken van crimineel vermogen, ook als dat gaat om milieucriminaliteit. Ik denk dat de Europese Confiscatierichtlijn, waar wij hopelijk in de nabije toekomst over komen te spreken, en de nieuwe procedure voor non conviction based confiscation alsook de spoedbevriezing, het vermogensdossier en de silver notices pilot van Interpol, allemaal methoden zijn om in het geval van milieucriminaliteit meer in te kunnen grijpen op het verdienmodel. Met die nieuwe wetgeving wordt voorkomen dat crimineel vermogen in de maatschappij blijft circuleren of wordt gebruikt voor het plegen van nieuwe strafbare feiten. Civielrechtelijk zijn er al mogelijkheden om schade te verhalen op de veroorzaker. Die worden ook nu al benut. Iemand die milieuschade heeft geleden kan via de rechter zijn schade op de veroorzaker verhalen op basis van de "onrechtmatige daad" uit het Burgerlijk Wetboek. Maar er zijn verder ook nog bijzondere bepalingen opgenomen in het Burgerlijk Wetboek die van toepassing kunnen zijn, bijvoorbeeld die voor gevaarlijke stoffen of die van de stortplaatsexploitant voor schade als gevolg van verontreiniging van lucht, water of bodem. Mevrouw Straatman vroeg naar de resultaten van het High Impact Environmental Crime-team sinds de oprichting daarvan. Het is nog in ontwikkeling, zeg ik u daarbij. De politie krijgt van de 3 miljoen die ik eerder noemde, 1,72 miljoen. Die middelen worden juist ingezet om dat High Impact Environmental Crime-team te versterken. Een voorbeeld van een succesvolle actie van het High Impact Environmental Crime-team is een actie in samenwerking met de Voedsel- en Warenautoriteit tegen illegale visserij. Daar zijn uiteindelijk ruim twintig veroordelingen uit voortgekomen. Mevrouw Straatman vroeg: wat verandert dit wetsvoorstel in positieve zin aan de constatering dat er nog winst te behalen valt in het beter benutten van het bestaande sanctiearsenaal? Dat sanctiearsenaal wordt met de implementatie van deze richtlijn niet uitgebreid. Het WODC-onderzoek naar de bestraffing van ernstige milieudelicten heeft wel handvatten gegeven voor het beter benutten van het huidige sanctiearsenaal. In de beleidsreactie, die u nog dit jaar krijgt, kom ik daar verder op terug. Welke maatregelen nemen we om te stimuleren dat burgers en bedrijven sneller meldingen doen bij de politie? Kunnen we vaker acties doen zoals die genoemd werden door mevrouw Straatman? De Meld Milieu Week is overigens georganiseerd in drie verschillende eenheden. We zullen evalueren of die ook daadwerkelijk heeft geleid tot positieve aandacht en tot een stijging in het aantal meldingen door burgers en bedrijven. Daar moeten we het namelijk heel vaak wel van hebben. De eerste lead komt vaak uit die hoek. Die drempel moet dus omlaag. Mevrouw Van Oosterhout vroeg op welke manier olie- en gasactiviteiten worden gecontroleerd. In beginsel zijn dat natuurlijk gewoon legale activiteiten, waarop toezicht wordt gevoerd door de Nederlandse Emissieautoriteit en het Staatstoezicht op de Mijnen. Ik zou willen zeggen dat er niet direct een link ligt met de implementatie van deze richtlijn met betrekking tot milieucriminaliteit. Zoals ik eerder tegen mevrouw Faber heb gezegd: het strafbare feit wat betreft de energiesector is nu wel opgenomen in de handhavingsartikelen. Strafbare feiten op dat gebied kunnen dus worden vervolgd. Mevrouw Van Oosterhout vroeg ook of we hebben berekend wat het kost om niet te handhaven. Dat hebben wij niet berekend, maar er is wel het rapport Handhaven in het duister. Schattingen van de ILT bedragen tussen de 4,5 miljard en de 5,5 miljard aan schade per jaar. Dat is enorm. Dat benadrukt ook het belang van dit wetsvoorstel en de handhaving hierin. Of handhaving leidt tot een winst van 5,5 miljard — het gaat hier natuurlijk ook over schade die uiteindelijk wordt toegedaan — kun je niet zo zeggen, maar het belang van handhaving om dit soort schade te voorkomen is wel evident. Wat is de bijdrage van JenV aan het voorjaarspakket wat betreft klimaatdoelen? Op de capaciteits-, vergunnings- en toezichtsketen zal de staatssecretaris van IenW terugkomen in de volgende VTH-brief, die uw Kamer nog dit jaar zal ontvangen. Ten aanzien van de handhavingsketen heb ik niet het idee dat de capaciteit daar onvoldoende is. Van die 3 miljoen die ik noemde, gaat dus 1,72 miljoen naar de politie. De rest gaat naar het Openbaar Ministerie, de rechtspraak en de Strategische Milieukamer. Ik denk dat wij binnen de EU wel een van de voorlopers zijn in de manier waarop we die aanpak doen en ook wat betreft wat er al strafbaar was in Nederland. Ik denk dat voor een hoop EU-landen de implementatie van deze richtlijn veel meer vereiste dan er uiteindelijk in het Nederlandse wetboek moest worden aangepast.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ja. Ik denk dat je met onze Strategische Milieukamer, met juist al die diensten in een kamer, samen met het vergroten van de capaciteit — dat moet ook gebeuren — best een strategie hebt die haar vruchten kan gaan afwerpen. Ik zeg niet dat ik per se tevreden ben met de pakkans zoals die op dit moment is. Ik denk ook dat er meer moet gebeuren, maar daar is die 3 miljoen nu juist voor bedoeld.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Die prioriteiten stel ik niet zelf. Dat doet de Strategische Milieukamer, waar ik het over had. Ik kom daar in het kader van de strategie zo op terug. Zoals ik net zei: zij stellen de prioriteiten vast op basis van het dreigingsbeeld dat zij periodiek maken. Daarin wordt natuurlijk ook gekeken naar welke capaciteit we in algemene zin hebben, waar de grootste problemen liggen en of er trends zijn die we nu moeten afwentelen. De grootste vervuilers worden daar natuurlijk in meegenomen.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Wij zijn een onderdeel, een rader, in het hele complex van het vaststellen van wat wel en niet mag, in technologie die gaat zorgen voor duurzamere en schonere technologieën en in het bewaken van normen door inspecties. Daarnaast houd je ook altijd een deel over van mensen die willens en wetens de wet overtreden, via drugsdumpings of op andere wijze. Daarvoor hebben we justitie, die niet alleen op het vlak van milieu maar op elk ander vlak in de maatschappij als sluitstuk zorgt voor de handhaving. Dat zie ik dus als onze rol hierin, namelijk dat je niet ongestraft kunt wegkomen met het verpesten van het milieu voor de volgende generaties.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ja. De vliegende brigades, niet van mevrouw Straatman, maar van het lid Kuik. Daar is destijds welwillend naar gekeken door de minister van IenW en mij. Uiteindelijk zijn we tot de conclusie gekomen dat we dat niet het beste konden doen met een vliegende brigade, maar wel met financiële middelen via een decentralisatie-uitkering en met kennis en informatie via het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Dat komt doordat de taken voor het opruimen voornamelijk bij de gemeenten zijn belegd. Die willen we daar ook laten. Vandaar dat het budget — daar kom ik zo nog op terug — ook bij de VNG is belegd. Dat is zo'n 3 miljoen, en dat is structureel, zeg ik daarbij. Dat is over het afgelopen jaar ook voldoende gebleken om aan de vraag te kunnen voldoen. Ik denk dat we daarmee in ieder geval zorgen dat we slachtoffers op een adequate manier helpen. Verder kunnen gemeenten voor de preventieve aanpak van ondermijning gebruikmaken van de RIEC's en het LIEC. Zoals ik ook zei: het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid geeft gemeenten kennis en praktische handvatten. Natuurlijk moeten gemeenten, de politie, het OM en ook private partijen, zoals de agrarische sector, goed samenwerken op lokaal niveau. Dan gaat het om het herkennen van verdachte verhuur van schuren en loodsen, het voorkomen van misbruik van agrarische bedrijven, bijvoorbeeld door intimidatie, en het vergroten van de meldingsbereidheid. De kracht van die lokale samenwerking vind ik wel heel groot. Die kent de gemeenschappen en moet zorgen voor een lage drempel voor het melden van intimidatie of van verdachte praktijken die worden waargenomen. Ik wil daar vooral ook ondersteunend in zijn. Specifiek voor drugsdumpingen is het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid een kennishub geworden waar men terechtkan met vragen over drugsdumpingen. Er worden ook kennis- en expertsessies georganiseerd om organisaties daarbij te helpen. Er is 3 miljoen beschikbaar, structureel, en dat is op dit moment ook voldoende. Dat heb ik al gezegd. Dan kom ik bij de vraag van de heer Bikkers: hoe kan de minister ervoor zorgen dat de burger snel wordt geholpen en niet maanden moet wachten? Hij kan hiervoor terecht bij de gemeente. Zoals ik zei, hebben we dat systeem zo ingericht. Drugsafval is zwaar chemisch afval en moet snel worden opgeruimd door een gespecialiseerd bedrijf. De kosten die daarbij worden gemaakt, kan de desbetreffende gemeente melden bij het loket dat daarvoor bij de VNG is ingericht. Als er vragen zijn, kunnen ze, zoals gezegd, naar het CCV voor kennis daarover. Dat was het blokje drugsdumpingen.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik heb dat niet vernomen. Ik ken dat wel uit de beginperiode, een aantal jaar geleden. Men dacht: ik meld het maar niet, want het kost me alleen maar schade en ik probeer daar zelf wel een oplossing voor te verzinnen. Ik denk dat een deel van die drempel echt wel is weggenomen door de grote bekendheid nu met de decentrale middelen en de expertise die nu bij het VNG-loket zit, maar ik ben gaarne bereid om dat na te vragen en mee te nemen in een volgende voortgangsbrief.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Dat zijn het ook! Ze zijn alleen wat diverser dan het vorige pakketje. Mevrouw Straatman vroeg: gaat het wetsvoorstel met het noemen van de beschermde habitat verder dan de bestaande regelgeving en zetten we nu extra stappen? U heeft gelijk. Via de Wet op de economische delicten en de Omgevingswet is het beschadigen van een beschermde habitat al strafbaar. Het gaat bij deze richtlijn ook om de strafrechtelijke handhaving van al bestaande milieuvoorschriften. Die zijn er dus al op grond van andere EU-regelgeving. Daarom zijn er maar een aantal wettelijke aanpassingen aanwezig in dit wetsvoorstel. De beschermde habitat wordt toegevoegd als definitie en als verduidelijking, en niet als uitbreiding, want in het Wetboek van Strafrecht en onder de Omgevingswet bestaat die definitie al. Daar veranderen we verder niks aan. Hebben de artikelen 174 en 175 van het Wetboek van Strafrecht nog wel toegevoegde waarde, gelet op deze nieuwe strafbaarstelling? Ja. Artikel 174, de opzetvariant, en artikel 175, de schuldvariant, zien op de verkoop van schadelijke waren. De nieuwe strafbaarstelling ziet voor het eerst op het op de Europese markt brengen van het product waarvan het gebruik op grotere schaal leidt tot emissies waardoor aanzienlijke schade voor de mens of voor het milieu wordt veroorzaakt of dreigt te worden veroorzaakt. Het gaat dan dus toch om andere gedragingen, en is daarom wel van toegevoegde waarde. De BES. Ik begrijp uw vraag. EU-regelgeving geldt in de basis niet voor de BES. Daarom hebben we die nu ook niet opgenomen. Maar ik begrijp uw vraag wel, en ik wil graag met de BES onderzoeken of de aanpassingen ook kunnen worden doorgevoerd in het Wetboek van Strafrecht BES. Willen wij de Kamer informeren over elke wijziging van de Europese milieuwetgeving? Ja, dat wordt u al, namelijk via de BNC-fiches. Dat is het moment waarop wij het kabinetsstandpunt delen, waardoor de Kamer op de hoogte is van wijzigingen en nieuwe instrumenten. Uiteraard ontvangt uw Kamer ook de uitvoerings- of implementatiewetgeving die daaruit voortvloeit. Mevrouw Straatman vroeg of we hebben overwogen om de maximumstraf voor dood door schuld ook met een jaar te verhogen. De richtlijn schrijft voor dat wordt voorzien in een maximale gevangenisstraf van vijf jaar voor de gevallen waarin bepaalde delicten uit grove nalatigheid zijn begaan en de dood van een persoon veroorzaken. Dat implementeren wij door het strafmaximum voor dood door schuld in de vorm van roekeloosheid te verhogen van vier naar vijf jaar. De richtlijn verplicht niet tot het herzien van de strafmaat voor dood door schuld zonder roekeloosheid. Daarom hebben we alleen de in het wetsvoorstel opgenomen strafverhoging doorgevoerd. De beperkte strafmaatverhoging voor dood door schuld in de vorm van roekeloosheid leidt wat ons betreft niet tot onoverkomelijke onevenwichtigheden. Sluit die roekeloosheid dan goed aan bij de grove nalatigheid? Naar EU-recht moet "grove nalatigheid" worden opgevat als een onopzettelijk handelen of nalaten waardoor de aansprakelijke persoon een gekwalificeerde schending begaat van zijn zorgvuldigheidsplicht die hij in acht had moeten en kunnen nemen, rekening gehouden met zijn hoedanigheid, kennis, vaardigheden en individuele situatie. Wat ons betreft sluit dat in Nederland het beste aan bij roekeloosheid, wat de zwaarste aan opzet grenzende schuldvariant is. Met roekeloosheid is immers beoogd adequate bestraffing mogelijk te maken in die gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen. De term "grove nalatigheid" is in het commune strafrecht geen gebruikelijk wettelijk bestanddeel. Vandaar dat we hebben gekozen voor "roekeloosheid", wat daar wat ons betreft het dichtst in de buurt zit. Mevrouw Van Oosterhout vroeg hoe we het toezicht op klimaatregels gaan versterken. Wil de minister klimaatcriminaliteit een prioriteit maken in de nationale strategie? De richtlijn ziet op milieucriminaliteit, niet op klimaatcriminaliteit, maar uiteraard kan het tegengaan van milieucriminaliteit ook een positieve invloed hebben op het tegengaan van klimaatverandering. Dat toezicht ligt bij diverse toezichthouders en het beleid ligt bij de departementen van Economische Zaken en van Klimaat en Groene Groei. De opdracht om tot zo'n nationale strategie te komen ligt bij de Strategische Milieukamer, zoals gedefinieerd onder de richtlijn. In sommige gevallen kan een overtreding van klimaatregels ook vallen onder milieucriminaliteit, en dan kunnen we het dus meenemen in die nationale strategie. Hoe dragen we bij aan het voorjaarspakket van de klimaatdoelen? Dat valt primair onder de verantwoordelijkheid van de collega van KGG, maar JenV zelf draagt primair bij door middel van duurzaam maatschappelijk verantwoord inkopen en door verduurzaming van de eigen bedrijfsvoering en vastgoedportefeuille. Denk bijvoorbeeld aan scherpere duurzaamheidsnormen bij inkoop, verduurzaming van ons eigen vastgoed en vergroening van het wagenpark. Daarnaast dragen we natuurlijk bij vanuit onze kerntaak, namelijk de handhaving en de opsporing van milieucriminaliteit. Mevrouw Teunissen had een vraag over de UNTOC COP en het vierde aanvullende protocol. We hebben recent kennisgenomen van de resolutie van Brazilië. Ik zal daar samen met de collega's van LVVN en IenW over in gesprek gaan, omdat het beleidsmatig aan hun departementen raakt. Mijn eerste reactie is dat ook de internationale aanpak van milieucriminaliteit uiteraard belangrijk is, omdat die ook de leefomgeving en het milieu van Nederland kan beïnvloeden en een level playing field voor Nederlandse bedrijven die internationaal samenwerken ook van belang is. Maar, zoals gezegd, we komen nog terug op de standpuntbepaling. De heer Sneller en mevrouw Van Oosterhout vroegen naar een update van de werking van de dashboards: hoe worden we geïnformeerd over de verplichte nationale strategie en komen er concrete doelen naar de Kamer daarvoor? De dashboards zien op de geanonimiseerde statistische gegevens over de meldings- en onderzoeksfasen en gerechtelijke fasen van de in de richtlijn bedoelde strafrechtelijke delicten. Die moeten ook worden aangeboden aan de Commissie. Eind 2028 zijn daarvoor de formats gereed, waarmee de lidstaten die gegevens moeten aanleveren. Dat zullen wij dus ook doen vanaf eind 2028. Die rapportages zal ik dan ook jaarlijks aan uw Kamer sturen. Daarbij zal ik de Kamer ook informeren over de nationale strategie, die overigens op basis van de richtlijn om de vier jaar moet worden geactualiseerd. Dus ook die komt u toe. Mevrouw Van Oosterhout vroeg waarom er is afgezien van de bepaling van de wettelijke evaluatieverplichting. Dat hoeft in dit geval niet, omdat de Europese Commissie dat zal gaan doen op basis van de informatie van de lidstaten, waar ook Nederland dus aan moet bijdragen. Uiterlijk in 2031 zullen de effecten van de richtlijn bekendgemaakt worden en zal daarover worden gerapporteerd. Voorzitter. Dat waren de overige belangrijke zaken.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Dit zat impliciet in mijn antwoord op uw vraag welke sectoren en bedrijven er worden geraakt. Het antwoord daarop was dat die door deze richtlijn niet worden geraakt. Dat is omdat hier geen nieuwe normen worden geïntroduceerd. Daardoor heeft het dus ook geen effect op bestaande normen, vergunningen of anderszins. Het gaat hier puur om hoe je de handhaving inricht.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik kom daar graag in de tweede termijn nog even op terug, maar, zoals gezegd, deze wet introduceert geen nieuwe normen, dus in die zin zijn er niet in één keer regels die strenger zijn geworden voor bepaalde bedrijfsgroepen. Dat is niet wat deze wet doet.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik snap uw vraag. Ik kom daar ook even op terug in tweede termijn.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ja, de Milieukamer gaat dat vaststellen. En ik ga dat dan aan uw Kamer sturen.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Dank, voorzitter. Het zijn allemaal wat technische amendementen, omdat het een vrij technisch wetsvoorstel is. Dus ik lees de appreciaties op. Ik begin met het amendement op stuk nr. 8 van de heer Sneller. Dat geef ik oordeel Kamer. Dit amendement strekt ertoe om de definities van de begrippen "wijdverbreide schade" en "langdurige schade" op te nemen in het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de economische delicten. De richtlijn definieert deze begrippen niet nader. Daarom heeft het mijn voorkeur om deze begrippen ook niet in het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de economische delicten te definiëren en handvatten te geven via de memorie van toelichting. Tegelijkertijd heb ik in het debat ook gehoord dat een hoop Kamerleden behoefte hebben aan meer duiding en zekerheid bij deze begrippen. Doordat in dit amendement de woorden "in ieder geval" zijn opgenomen bij de definitie wordt er ook wel ruimte gelaten voor de rechtsontwikkeling. Daarom laat ik het aan uw Kamer of u deze verduidelijking in de wet wilt opnemen. Het amendement op stuk nr. 9 van de heer Sneller, ontraad ik. Dit amendement strekt ertoe om in wetgeving vast te leggen dat gedragingen die in overeenstemming zijn met een vergunning, vrijstelling of ontheffing desalniettemin wederrechtelijk zijn als de gedraging, kort gezegd, in strijd met de wet is, of als de vergunning is verleend of voortduurt als gevolg van fraude. Ik vind dat een lastig amendement, want zoals blijkt uit de memorie van toelichting onderkennen we ook dat vergunningen geen vrijbrief zijn om activiteiten uit te voeren die evident in strijd met de milieuwetgeving zijn. In het eerste blok hebben we daar uitgebreid bij stilgestaan. Alleen om dat wettelijk zo vast te leggen vind ik ingewikkeld, omdat de rechtsontwikkeling daaromtrent nog gaande is. Gelet op deze richtlijn zal die rechtsontwikkeling mogelijk ook weer verder doorgaan. Daar wil ik ruimte aan geven, juist op dit terrein, waar het allemaal zo genuanceerd is, want, zoals we ook al zeiden in het debat: iemand moet ook op een door de overheid afgegeven vergunning kunnen vertrouwen. Ik denk dat we daar een groot deel van dit debat ook aan hebben besteed. Ik begrijp dat de indiener daaraan ruimte heeft willen geven via het gebruik van "in ieder geval", maar juist vanwege die nuances zou ik hier liever via de toelichting handen en voeten aan willen geven. Voor het tweede subonderdeel van het amendement heb ik sympathie, alleen wijkt het wel af van de richtlijn. Dit subonderdeel richt zich nu namelijk alleen op fraude, terwijl de richtlijn ook nog een paar andere strafbare feiten noemt. Met andere woorden, het minimumniveau lijkt hier onder het minimumniveau van de richtlijn te liggen. Wat mij betreft kan het achterwege gelaten worden, maar ik zou het in ieder geval aanvullen met de andere gedragingen zoals die in artikel 3 van de richtlijn worden genoemd. Zoals gezegd ontraad ik het in deze vorm. Dan het amendement op stuk nr. 10, over de grondwaterbeschermingsgebieden. In het wetsvoorstel hebben we voor de definitie van een beschermde habitat aangesloten bij de definitie uit de richtlijn. Dit amendement breidt die definitie uit van Natura 2000-gebieden naar andere gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland. Ik ben daar geen voorstander van. Niet alleen wijken we dan af van de richtlijn, maar het is ook niet voor niks dat juist Natura 2000-gebieden bijzondere bescherming genieten. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat vervuiling van andere natuurgebieden niet strafbaar is, maar dat zou ook onder de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht kunnen vallen, bijvoorbeeld omdat de kwaliteit van de bodem daar wordt aangetast of er schade wordt toegebracht aan planten en dieren die daar leven. Maar Natura 2000-gebieden verdienen extra aandacht, en dat komt nu ook tot uitdrukking in de bepaling in het Wetboek van Strafrecht. Dan het amendement op stuk nr. 11.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ja. Het amendement op stuk nr. 11 geef ik oordeel Kamer. Een aanvulling van de citeertitel door een verwijzing naar ecocide op te nemen is wat mij betreft niet nodig, maar als u als Kamer graag tot uitdrukking wil brengen dat dit wetsvoorstel bijdraagt aan de strafrechtelijke aanpak van ecocide heb ik daar geen grote bezwaren tegen. Over het amendement op stuk nr. 12 hebben we het eigenlijk in het debat al gehad. Dat gaat over de of-ofbepaling en de en-enbepaling. Dit amendement ontraad ik dus. Het amendement op stuk nr. 13 gaat over de toepasbaarheid voor Nederlanders die zich hieraan buiten Nederland schuldig maken. Dit amendement ontraad ik omdat het overbodig is. Het is namelijk niet nodig om deze delicten aan artikel 7 toe te voegen. In de memorie van toelichting is aangegeven dat we dat gaan doen door het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht aan te vullen, om deze rechtsmacht via die weg te regelen. Dat moet namelijk ook op grond van artikel 12 van de richtlijn. Ik heb een voorkeur voor die route, omdat we dat zo doen voor alle implementatiewetgeving. Dat waren, naar mijn weten, alle amendementen.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik zal in de tweede termijn nog een keer goed kijken naar hetgeen u nu inbrengt. Ik denk niet dat dat leidt tot een andere appreciatie, maar dat wil ik voor de volledigheid wel even doen.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik wil echt vasthouden aan de gebruikelijke route. Dat is voor de duidelijkheid. Daarmee bevuilen we, zeg ik oneerbiedig, het Wetboek van Strafrecht ook niet met allerlei bepalingen. Dit regelt echt precies hetzelfde, wat ook moet op basis van de richtlijn, alleen dan wel via de route die wij normaal nemen. Mijn oordeel verandert daarmee dus niet.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Interruptie

Minister Van Weel: Dit waren toch wel vrij fundamentele moties, dus ik wil daar wel een kwartier voor nemen.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Dank, voorzitter. Dank aan de leden voor hun inbreng, ook in tweede termijn. Ik zal proberen de vragen die nog resteerden dan wel opnieuw zijn gesteld, zo goed mogelijk te beantwoorden. Ik begin met de vraag van mevrouw Faber over de effecten van de richtlijn. Ik denk dat u doelt op de handhavings- en uitvoeringstoets die gedaan wordt tijdens het opstellen van de implementatiewet. De effecten van de richtlijn daarop zijn wel onderzocht. Die informatie kunt u vinden op de site van de Eerste Kamer, bij de wetgevingskalender. We zullen u daar graag naartoe doorverwijzen. Dan was er nogmaals de vraag over energie: waarom wordt dat punt toegevoegd aan de wet? Ik benadruk dat hiermee geen nieuwe normen op het gebied van energie worden opgelegd. Het is puur dat energie nu is opgenomen in de lijst van sectoren, stoffen, die kunnen leiden tot schade, maar als je binnen de vergunning opereert, blijft dat ook zo op basis van deze wet. De heer Sneller had een vraag over de dynamische wetgevingstechniek: ontvangt de Kamer dan alles automatisch? Ja, met één korte "tenzij", namelijk: tenzij er helemaal niets hoeft te worden aangepast in onze wetgeving omdat het al gedekt is. In dat geval wordt het met een melding in de Staatscourant gedaan, maar ik hoop dat u ons dat zult vergeven. Dan een vraag van mevrouw Teunissen. Wij hebben het idee dat we aangaande de Natura 2000-gebieden dan wel de habitat hebben gezorgd voor een een-op-eenvertaling; u heeft dat idee niet. Ik denk dat we daar nu niet uitkomen. Het leidt in ieder geval voor mij nu niet tot aanpassing van het oordeel over het amendement.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Tegelijkertijd wil ik niet via een oordeel over een amendement de reikwijdte van deze richtlijn vergroten naar iets waar die niet voor bedoeld was. Vandaar dat ik toch vasthoud aan de Natura 2000-gebieden als vertaling van het begrip "beschermde habitat" uit de Habitatrichtlijn.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Nogmaals, wij zijn van mening dat dit de vertaling is zoals die is bedoeld in de richtlijn. Ik sluit niet uit dat je wel zou kunnen kiezen voor een bredere vertaling, maar dat doen we inderdaad niet. Tegen mevrouw Van der Plas zeg ik, via u, voorzitter, dat er een brief komt over de vergelijking van de rechtsbescherming op basis van de uitspraak van de Hoge Raad en de situatie na deze richtlijn.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ja, wij hebben ook herfstreces. U krijgt deze brief spoedig na het herfstreces. Dan kom ik bij de moties, voorzitter. De motie op stuk nr. 14 is van mevrouw Staatman. Ik zeg toe in gesprek te gaan met het OM. Ik kan geen garanties geven over de uitkomsten daarvan, maar dat weet u. Met die kanttekening kan ik de motie oordeel Kamer geven. De motie op stuk nr. 15 geef ik oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 16 geef ik oordeel Kamer, met dezelfde kanttekening als die bij de motie op stuk nr. 14. Op basis van het opportuniteitsbeginsel bepaalt het OM uiteindelijk wanneer er tot vervolging wordt overgegaan, maar het gesprek ga ik met ze aan. De motie op stuk nr. 17 van mevrouw Teunissen: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 18 ontraad ik, omdat ik eerst nog het gesprek met de collega's aan wil gaan. Voor die tijd wil ik nog geen uitspraken doen. De motie op stuk nr. 19 ontraad ik. Een volledige herziening is wat ons betreft nu niet opportuun. De motie op stuk nr. 20 ontraad ik zoals die nu is geformuleerd, omdat die te stellig is als het gaat over wat ik zou kunnen toezeggen. Ik kan daar geen afspraken over maken met het Openbaar Ministerie. Ik wil wel graag het gesprek aangaan met het Openbaar Ministerie om te wijzen op deze groep. Ik zal daarna rapporteren over de uitkomsten van dat gesprek. Dan zou ik 'm oordeel Kamer kunnen geven, maar zoals die nu geformuleerd is, moet ik 'm ontraden. De motie op stuk nr. 21 van mevrouw Van der Plas moet ik ontraden. Die loopt echt wat te ver op de zaken vooruit. Bovendien heb ik in mijn beantwoording aangegeven dat ik niet verwacht dat bonafide ondernemers vervolgd gaan worden. Voor niet-bonafide ondernemers willen we natuurlijk niet opdraaien voor de rechtsbijstand. De motie op stuk nr. 22 geef ik oordeel Kamer, met de kanttekening dat ik u niet kan toezeggen dat ik namens alle gezagen ga rapporteren over alle vergunningen. Ik ga wel dit gesprek aan, omdat dit al het uitgangspunt zou moeten zijn. Dat heb ik ook al aangegeven in het debat. Dit is hoe de overheid daarmee om zou moeten gaan. Vergunningverlenende overheden moeten die fouten rechtzetten. Met die duiding geef ik de motie oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 23, ten slotte, moet ik ontraden. Deze vergunningen worden door oneindig veel gezagen afgegeven, op allerlei niveaus. Ik wil het niet een centrale verantwoordelijkheid maken om dat bij te houden. Ik ben het wel met u eens dat vergunningen altijd actueel zouden moeten zijn, ook na het implementeren van deze richtlijn. Dat gezegd hebbende: deze richtlijn introduceert, zoals ik u verteld heb, geen nieuwe normen die zouden moeten nopen tot actualisatie. In die zin speelt het nu dus niet acuut. Dat waren de moties, voorzitter.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Ik weet niet of ik überhaupt primair aan zet ben bij dit onderwerp, maar ik ga dat met de collega's bespreken en ik zorg dat u in ieder geval bericht krijgt. Als dat niet over de inzet is, dan in ieder geval over het proces.

Bron, video en gesprek →
12 okt 2026 · Spreekbeurt

Minister Van Weel: Omdat deze bedrijven dus niet strafrechtelijk vervolgd zullen worden. Dat is nu juist het punt. Hier is niks fout gedaan. Hier hebben we het over bonafide ondernemers. Die zullen dus niet in deze situatie komen. Ik wil voorkomen dat we een soort halve rechtsbijstandsregeling afspreken waardoor bedrijven die mogelijk op het oog bonafide zijn maar dat eigenlijk niet zijn, denken aanspraak te kunnen maken op overheidsbijstand. Ik denk dus dat de categorie zoals u die inkadert, buiten de reikwijdte valt van de vervolging zoals die hiermee beoogd is.

Bron, video en gesprek →