Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1712 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (Implementatiewet herziene Europese richtlijn mensenhandel) (36835)
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
David van Weel
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →Minister Van Weel: Dank, voorzitter. Er zijn inderdaad een hoop vragen gesteld, waarvan niet het merendeel juridisch getint. Ik zal proberen alle vragen zo goed mogelijk te beantwoorden, maar bij doorvragen zou ik toch ook willen verwijzen naar de reguliere rapportage die wij maken, ook voor het einde van het jaar weer, over mensenhandel. Daarin kunnen wij een aantal van die vragen meenemen die niet strikt gezien van toepassing zijn op de implementatiewet zoals die voorligt. Hopelijk helpt dat wat in het inlopen van de tijd. Ik begin met een inleiding. Dan doe ik eerst de juridische vragen. Dan sta ik stil bij het nationaal verwijzingsmechanisme. Dan het non-punishmentbeginsel. Dan de opsporing. Dan het implementatiewetsvoorstel en draagmoederschap. Dan draagmoederschap overig. Dan klanten. Dan pornoplatforms. Dan geld. Tot slot een categorie overig. U hoort dat de opsomming al enige tijd in beslag neemt.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dank, voorzitter. Toch wil ik beginnen met mijn inleidende spreektekst. We bespreken vandaag een heel belangrijk en actueel onderwerp. Mensenhandel is een grove schending van mensenrechten, van het recht op lichamelijke integriteit, het recht van persoonlijke vrijheid en het recht op menselijke waardigheid. Slachtoffers van mensenhandel verkeren vaak in een kwetsbare positie, waarvan op grove wijze misbruik wordt gemaakt. Deze schrijnende vorm van criminaliteit vraagt om een effectief strafrechtelijk instrumentarium. Met het oog daarop heeft uw Kamer vorig jaar het wetsvoorstel Modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel aangenomen, waarin de wettelijke regeling rond mensenhandel wordt gemoderniseerd en verruimd, zodat er meer mogelijkheden komen om daders te vervolgen en slachtoffers te beschermen. Dat wetsvoorstel heb ik vorige week mogen verdedigen in de Eerste Kamer tijdens de plenaire behandeling. Ik hoop dat dit spoedig kan worden aangenomen. Het wetsvoorstel waarover we vandaag spreken strekt zich tot implementatie van de herziene EU-richtlijn over mensenhandel en vult die eerdergenoemde gemoderniseerde regeling rond de aanpak van mensenhandel aan. Daarbij gaat het onder andere om het expliciet in de wet vastleggen van drie specifieke uitbuitingsvormen: de uitbuiting van een persoon bij respectievelijk draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegale adoptie. Daarbij merk ik op die uitbuitingsvormen inmiddels ook zijn geëxpliciteerd in het eerdergenoemde wetsvoorstel Modernisering strafbaarstelling mensenhandel. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in het verbreden van de bestaande strafbaarstelling van het opzettelijk gebruikmaken van diensten die worden verleend door slachtoffers van mensenhandel tot ook niet-seksuele diensten. Daarnaast worden ter implementatie van de richtlijn aanvullende maatregelen ter ondersteuning van slachtoffers van mensenhandel genomen, waaronder het versterken van het verwijzingsmechanisme voor de vroegtijdige identificatie van slachtoffers. Ik merk op dat het bestaande Nederlandse recht en beleid al grotendeels voldoen aan de verplichtingen uit de herziene richtlijnen, maar de extra stappen die nodig zijn, worden dus in het kader van dit wetstraject gezet. Voorzitter. Dat brengt mij bij mijn eerste blokje: juridisch. Ook hier zijn het een hoop onderwerpen door elkaar, maar het gaat hier om de juridische, de wetstechnische vragen die zijn gesteld. De onderwerpen kunnen beleidsmatig op een later moment terugkomen, maar dat zal ik nog vertellen. Mevrouw Faber vroeg of het vooruitsturen van een kind voor gezinshereniging ook zou kunnen worden gezien als een vorm van mensenhandel. Er is eigenlijk maar één vraag relevant voor mensenhandel, namelijk het toetsen aan het driedelictenvereiste: het verrichten van een handeling, het opzettelijk aanwenden van een beïnvloedingsmiddel en het oogmerk van uitbuiting. Ik kom bij de waardering van de amendementen, aan het einde van mijn termijn, nader terug op wat dat betekent voor uw amendement. Maken organisaties die vluchtelingen ondersteunen zich niet schuldig aan mensenhandel? Kort en goed geldt daar dus dezelfde drieslag voor. Gemoderniseerde strafbaarstelling, die dus vorige week in de Eerste Kamer is behandeld, strekt zich al uit tot alle vormen van welbewuste behulpzaamheid bij mensenhandel. Voorbeelden zijn het vervoeren of het huisvesten van het slachtoffer, dan wel andere vormen van hulp, ook als deze door een rechtspersoon wordt verleend. Voor zover iemand onder het mom van hulpverlening anderen zou willen uitbuiten, valt dat dus onder de delictsomschrijving zoals die in de vorige week behandelde wet is aangemaakt. Ik merk wel op: dit raakt natuurlijk ook aan het thema mensensmokkel. Ik denk dat uw vraag daar ook vandaan komt. Er ligt nog een wetsvoorstel in uw Kamer. We kunnen deze discussie daar, meer uitgebreid en toegespitst op dat thema, over voeren. De heer Verkuijlen vroeg naar huwelijksuitbuiting. Hij vroeg om ook te expliciteren wanneer het huwelijk of de relatie niet onder dwang is aangegaan maar later tot uitbuiting leidt. Ik sta daar welwillend tegenover, zeg ik tegen hem. Ik zal dat bij de appreciatie van het amendement toelichten. De heer Boomsma vroeg of huwelijkse uitbuiting ook strafbaar is als die in het buitenland plaatsvindt. Het antwoord daarop is ja. Het langere antwoord is: als dat door of tegen een Nederlander is, of als het gaat om een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, dan geldt dezelfde rechtsmacht voor Nederland op grond van artikel 6, eerste lid. Hoe verhouden de twee wetsvoorstellen zich tot elkaar, vroeg de heer Van den Brink. Ik noemde net al even dat er dus deels overlap is, ook door amendering. We hebben er in ieder geval voor gezorgd dat er een samenloopregeling van kracht is, dus dat beide wetsvoorstellen technisch gezien goed op elkaar aansluiten, ook daar waar er wellicht enige overlap zou kunnen worden gezien. Zoals ik in mijn inleiding aangaf, regelt dit wetsvoorstel dus de explicitering die we nu al voor hebben liggen in de Eerste Kamer, maar ook het strafbaar stellen van andere dan niet-seksuele diensten. Dat is, denk ik, het meest springende punt. De rest heeft te maken met de implementatie, het Nationaal Verwijsmechanisme et cetera, maar daar kom ik zo meteen nog uitgebreider op terug. Ik doe mijn best, zoals u ziet, voorzitter. Aan het oogmerk vereisten voor mensenhandel besteedden de heer Diederik van Dijk en anderen aandacht in hun inbreng. Daar kom ik op terug bij de appreciatie van het desbetreffende amendement. Mevrouw Faber vroeg nog of er een strafverzwaringsgrond moet worden gecreëerd voor ambtenaren die bijdragen aan mensenhandel of de erkenning van kinderen uit het buitenland. Ik ben het met u eens dat daar een strafverzwaringsgrond voor moet gelden. Die is ook geregeld, in artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht. Dat stelt dat de ambtelijke hoedanigheid van degene die een strafbaar feit begaat een algemene strafverzwaringsgrond is die meebrengt dat de op het feit gestelde maximumstraf met een derde wordt verhoogd. Dat betekent dus dat ambtenaren al hogere straffen kunnen krijgen voor het vanuit hun functie plegen van dit strafbare feit. Dat hoeft dus niet afzonderlijk in dit wetsvoorstel te worden geregeld. Dan de implementatietermijn. Ja, die is verstreken. Dat is niet alleen bij ons het geval. Voor zover wij kunnen nagaan, hebben zo'n twintig landen een brief over ingebrekestelling ontvangen. We hebben dus uiteengezet dat we een partiële implementatie al bereikt hebben. We hebben ook inzichtelijk gemaakt richting de Commissie welke stappen via dit wetsvoorstel nog moeten worden gezet voor de volledige implementatie van de richtlijn. Ik kan alleen maar zeggen dat het goed is dat we dit wetsvoorstel vandaag behandelen en dat ik hoop dat het zo snel mogelijk door kan naar de Eerste Kamer, om in ieder geval te zorgen dat verdere stappen van de Commissie uit kunnen blijven. Dat was het blokje juridisch, voorzitter.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik ben het volledig eens met mevrouw Faber dat die verzwaringsgrond onderdeel moet uitmaken van de zaken waarbij ambtenaren betrokken zijn. Dat stel ik dus niet in Frage. Ik denk alleen dat we ervoor moeten waken dat we voor specifieke strafbare feiten wel zo'n specifieke melding maken en voor andere niet. Als ik het zo beluister, is mevrouw Faber het wel met me eens dat als artikel 44 wordt toegepast in principe die strafverzwaring waar zij om vraagt ook geadresseerd is. Ik zie andere wegen dan wetgeving om bijvoorbeeld in overleg met het OM te komen tot een adequate toepassing van artikel 44, ook in het geval van mensenhandel.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik snap uw punt. Tegelijkertijd zie ik dus andere wegen om ervoor te zorgen dat artikel 44 wordt toegepast, bijvoorbeeld bij opsporings- of vervolgingsrichtlijnen zoals die worden uitgegeven, waardoor de individuele officier van justitie ook weet dat hier aandacht aan moet worden besteed, ook in strafzaken die betrekking hebben op mensenhandel. Dan bereik je naar mijn mening hetzelfde, zonder dat je daarvoor voor dit specifieke feit een uitzonderingsgrond moet creëren in de wet.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, zeker. Ik wijs er nog even op dat zelfs als het amendement van mevrouw Faber zou worden aangenomen, het nog steeds aan de officier van justitie is om dat ten laste te leggen. Daar is dus eigenlijk geen verschil in. Dat kun je daarmee ook niet afdwingen als wetgever. Dat zal echt aan het OM zijn. Maar ik zeg u toe dat op het moment dat deze wet is aangenomen, ik dat gesprek aanga met het OM om aandacht te vragen voor artikel 44.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dank, voorzitter. Daar waren een hoop vragen over van een hoop mensen. Ik moet eerlijk zeggen dat het ook wel ingewikkeld is. Dat komt deels door de taken die voortvloeien uit deze richtlijn en deels door de taken die, in Nederland, Comensha heeft en die breder zijn dan wat er in de richtlijn wordt vereist. Voor die verschillende taken gelden ook verschillende gegevensverwerkingsregimes. Dat maakt het niet eenvoudig. En als het niet eenvoudig is, heb ik geleerd, dan moet ik voorlezen wat er op mijn briefje staat. Op dit moment is er een nationaal verwijzingsmechanisme voor het herkennen, de detectie en de doorverwijzing van slachtoffers naar hulp en opvang. Een vermoedelijk slachtoffer kan door een zorg- of opvangorganisatie worden gesignaleerd of door een van de drie opsporingsdiensten, dus de politie, de KMar of de Nederlandse Arbeidsinspectie. Er is op dit moment geen afzonderlijke instantie die formeel vaststelt dat iemand slachtoffer is van mensenhandel. Bij de geringste aanwijzing dat er sprake zou zijn van mensenhandel kunnen de opsporingsdiensten een slachtoffer de bedenktijd aanbieden. Voor vermoedelijke slachtoffers zonder rechtmatig verblijf betekent dit dat zij toegang tot de categorale opvang voor slachtoffers van mensenhandel kunnen krijgen voor drie maanden en dat zij in die periode kunnen bedenken of zij aangifte willen doen. Voor Dublinclaimanten geldt een bedenktijd van dertig dagen. Wanneer aangifte wordt gedaan of het slachtoffer op andere wijze meewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek, kan het in aanmerking komen voor een tijdelijke verblijfsvergunning. De IND beoordeelt de aanvraag op grond van de daarvoor geldende voorwaarden. Slachtoffers met rechtmatig verblijf kunnen toegang krijgen tot gemeenschappelijke opvangvoorzieningen voor slachtoffers van mensenhandel. Informatie over een vermoedelijk slachtoffer mag tussen organisaties worden gedeeld als er toestemming is gegeven door het slachtoffer of als er sprake is van een vitaal belang. Vanuit het actieplan wordt het nationaal verwijzingsmechanisme verder doorontwikkeld, inclusief de aansluiting op een nieuw opvangconcept. In deze ontwikkeling wordt ook bezien op welke wijze het verblijfsrecht en het strafproces kunnen worden losgekoppeld. Daarnaast wordt verkend onder welke voorwaarden een onafhankelijke en multidisciplinaire commissie kan worden ingesteld die buiten het strafproces om een rol kan krijgen bij de formele vaststelling van slachtofferschap. Een dergelijke aanpak kan bijdragen aan een meer onafhankelijke erkenning van slachtofferschap en aan passende ondersteuning van slachtoffers, ook wanneer een aangifte onvoldoende opsporingsindicaties oplevert om tot vervolging van een verdachte te komen. In de volgende voortgangsbrief, dus voor het einde van het jaar, hoop ik u te kunnen informeren over de doorontwikkeling van het nationaal verwijzingsmechanisme langs deze lijnen. Zoals gezegd is de doorverwijzing van slachtoffers naar de juiste hulp en opvang geen taak van de Nationaal Rapporteur, maar van Comensha. Ik heb gezegd dat er op dit moment op grond van toestemming van het slachtoffer of als er sprake is van een vitaal belang, al kan worden gekeken naar gegevensdeling, maar in het kader van het herzien van het opvanglandschap zoals ik dat net noemde en de rol die Comensha hierin krijgt, kunnen er aanpassingen van wettelijke grondslagen nodig zijn. Ik loop daar nadrukkelijk niet van weg, zeg ik hier, maar ik wil wel de discussie over de opvang afwachten, zodat we precies weten hoe het er dan uit gaat zien en wat Comensha daarvoor nodig zal hebben. Dan is er nog het nationaal contactpunt grensoverschrijdende doorverwijzing. Dat is een aanvullende verplichting uit de herziene richtlijn mensenhandel. Daarvoor regel ik sowieso een aanvullende verwerkingsgrondslag voor Comensha, waarbij ik ook het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens zal meenemen. Voor de Nationaal Rapporteur is ook nog een wettelijke grondslag nodig om bijzondere persoonsgegevens te mogen verwerken. Ik werk samen met de Nationaal Rapporteur aan een conceptwetsvoorstel, waar u ook naar heeft gevraagd. Ik geloof dat ik daarmee de verschillende actoren en regimes heb genoemd, al dan niet gekoppeld aan de implementatie van deze richtlijn. Ik kijk nog even of ik iets gemist heb in deze beantwoording. De heer Van den Brink vroeg in hoeverre het Centraal Informatiepunt Mensenhandel nu functioneert. We hebben dat nagevraagd bij Comensha. Zoals bekend kunnen slachtoffers van mensenhandel bij het Centraal Informatiepunt terecht voor informatie over onder andere opvang, zorg en hulpverlening. Professionals vinden er ook routes voor signalering of doorverwijzing. Ook burgers die vermoedens hebben van mensenhandel, krijgen duidelijkheid over de vraag welk handelingsperspectief ze hebben. Het is in meerdere talen beschikbaar, waaronder Nederlands, Engels, Spaans en Roemeens. Werkt het naar behoren? Comensha ziet wel een stijging in het aantal adviesaanvragen, maar nog geen stijging in het aantal geregistreerde slachtoffers. Dat is onderdeel van de verdere monitoring naarmate het langer bestaat. Dan zullen we zien of dat uiteindelijk ook verder in de keten doorwerkt. Dat is de stand voor dit moment.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, dat klopt, en dat hangt samen met de discussie over het opvangconcept, die nog loopt. Daaruit zal namelijk ook blijken welke wettelijke grondslag benodigd is om dit sluitend te maken. Vandaar de korte ophouding. Dat concept komt voor het kerstreces nog, dus het is ook geen hele lange vertraging.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Het antwoord daarop is ja. Ik geef toe dat ook ik niet voor niks heb voorgelezen, want het is best complex om bij de verschillende taken, al dan niet voortvloeiend uit deze implementatierichtlijn, te weten wat we nou voor wie op welk moment regelen. Het antwoord is dus ja. Heel graag kom ik voor het einde van het jaar terug op het concept. Welke stap, voor welke taak en in welk tijdpad maken we dan helder inzichtelijk om die samenhang te kunnen tonen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja. Daar waren een hoop vragen over, en terecht, denk ik. Het is een belangrijk uitgangspunt als we willen dat er schot komt in de opsporing en de aangiftebereidheid in dit soort zaken. Mevrouw Belhirch vroeg of het non-punishmentbeginsel ook geldt als een slachtoffer een ander slachtoffer onder dwang ronselt. Het antwoord is ja. Als iemand daartoe wordt gedwongen, dan geldt het non-punishmentbeginsel. Is het dan ook in de bestuursrechtelijke context van toepassing als wordt overwogen om een andere sanctie op te leggen dan een bestuurlijke boete? Dat was de andere vraag van mevrouw Belhirch. Het antwoord daarop is dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete mag opleggen voorzover de overtreding de overtreder niet kan worden verweten. Daar zit die impliciet al in. Dat codificeert het algemene rechtsbeginsel dat je geen straf kunt krijgen zonder schuld. Net als in het strafrecht betekent dit dat geen bestraffende sanctie kan worden opgelegd als aannemelijk wordt dat de overtreding de overtreder niet kan worden verweten. Als het non-punishmentbeginsel van toepassing is, is er dus automatisch sprake van een situatie waarin de overtreding de overtreder niet kan worden verweten. Dat betekent dat je dus ook geen bestraffende sanctie onder het bestuursrecht kan opleggen. Mevrouw Bikker vroeg hoe wij verwachten dat in de praktijk toe te gaan passen. Dit is natuurlijk gericht op voorkomen dat slachtoffers worden gestraft voor strafbare feiten die zij onder invloed van een uitbuitingssituatie hebben gepleegd. Dat kan in verschillende fasen van het strafproces worden toegepast. Het OM kan op basis van het non-punishmentbeginsel besluiten om niet tot vervolging over te gaan of een zaak te seponeren. Ook als er wel wordt vervolgd kan bij de beoordeling van de strafbaarheid en bij de strafoplegging rekening worden gehouden met het slachtofferschap en de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd. Conform de motie-Ceder/Bikker maak ik met de betrokken partijen afspraken over hoe de toepassing jaarlijks kan worden gemonitord. Daarbij is het natuurlijk wel van belang dat alle betrokken professionals kennis hebben van het non-punishmentprincipe, en daar zetten we via het actieplan breder op in. Zo investeert de politie bijvoorbeeld in trainingen over het non-punishmentbeginsel. Dat moet ertoe leiden dat slachtoffers zo vroeg mogelijk in de keten daadwerkelijk als slachtoffer worden herkend in plaats van als dader. Ook de heer Van den Brink vroeg naar het breder bekendmaken van het non-punishmentbeginsel. Dat is een doorlopend proces. Ik noemde net al de training van de eerstelijnsprofessionals in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting. Het thema mensenhandel heeft ook een vaste plek in de basisopleiding van de politie. Er is ook een intern actieplan criminele uitbuiting geïmplementeerd, waarin voorlichting aan basispolitieteams is opgenomen, met daarin specifieke aandacht voor non-punishment. Verder wordt met het OM gewerkt aan de borging van de aanpak van criminele uitbuiting in de hele politieorganisatie. Het beginsel is ook verankerd in de relevante opleidingen en in de e-learning over de modernisering van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht. Het non-punishmentbeginsel is ook onderdeel van de OM-aanwijzing over mensenhandel en van de interne opleidingen van het OM. Daarnaast zijn gespecialiseerde mensenhandelofficieren beschikbaar voor kennisdeling en advies in dit soort concrete zaken. Bewustwording in de gehele keten, zoals ik al zei, is een belangrijk onderdeel van het actieplan Samen tegen mensenhandel, zodat de signalering, de duiding en de toepassing van het non-punishmentbeginsel consistent kunnen gaan plaatsvinden. Dat was non-punishment.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, daar zijn een hoop vragen over gesteld en ik denk ook dat dat terecht is, want uiteindelijk kunnen wij wetten maken, maar als we niet in staat zijn om dat ook te vertalen naar de uitoefening door de opsporingsdiensten en de rechterlijke organisatie, dan missen we een deel van de keten. Het is ook een van de prioriteiten binnen de politie. Ook in het veiligheidsplan 2027-2030, dat op zeer korte termijn komt, zult u zien dat mensenhandel als een prioriteit is aangemerkt, dus ook voor de komende situatie. Wat doet men er dan aan bij de politie? Ik noemde net al de training voor eerstelijnsmedewerkers en politiemedewerkers over bewustwording en het herkennen van de verschillende vormen van afspraken. De politie zet zich binnen het kader van de bestrijding van mensenhandel ook in om bewijsmateriaal te vinden, zowel in het fysieke als in het digitale domein. Er werd ook naar gevraagd, maar juist door de werving van nieuwe medewerkers met een digitale achtergrond is hier echt een impuls aan gegeven, vanuit de motie-Segers/Asscher. Inmiddels is er aan iedere Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel een digitale specialist toegevoegd die kan helpen bij deze belangrijke component. De politie heeft met de extra middelen ook de politieorganisatie versterkt, om de komende jaren mensenhandel aan te pakken. Uiteraard is het altijd aan het gezag om te bepalen waar de prioriteit wordt gelegd en zal politiecapaciteit altijd schaars worden, maar ik denk dat er met deze dedicated fte's wel een belangrijke impuls is gegeven. We verwachten niet dat de wettelijke veranderingen van dit implementatievoorstel gaan leiden tot heel veel meer beslag op de strafrechtketen, maar dat hangt niet samen met het feit dat we daar geen prioriteit aan geven. Ik denk dat de tijd zal moeten leren, met het nu gevuld zijn van de posities bij het OM maar ook bij de politie, dus ook de opbouw van specialisme ... Ik denk dat we gaan zien dat er meer zaken kunnen worden behandeld, en ook adequater en sneller. Ik heb daar overigens geen cijfers voor, zeg ik u nu, maar ik ga proberen om die bij die jaarlijkse rapportage aan u te kunnen geven, zodat u wat meer inzicht heeft in: wat hebben die inspanningen van de afgelopen jaren nu voortgebracht, in ieder geval vertaald naar de strafrechtketen? De heer Boomsma vroeg nog naar de Arbeidsinspectie: gaan we die ook inzetten bij opdrachtgevers en inleners? Als er duidelijke signalen zijn dat er gebruik is gemaakt van een dienst van een slachtoffer, kan onderzoek naar overtreding van artikel 273g van het strafrecht in het lopende strafrechtelijk onderzoek worden meegenomen. Dat kan dus ook plaatsvinden bij inleners. Dat hoeft dus geen apart strafrechtelijk onderzoek te zijn. Verwacht ik dan, was een vraag van de heer Van den Brink, verbetering in het tegengaan van uitbuiting via gedwongen huwelijken, draagmoederschappen en illegale adoptie, en wordt het gemakkelijker om deze op te sporen door het expliciteren hierin? Niet per se, maar het kan wel echt helpen om zo expliciet in de wet kenbaar te maken dat dergelijke situaties als mensenhandel kunnen worden aangemerkt. Dit kan helpen voor de herkenning en de signalering, en daarmee dus ook voor het in beeld komen van slachtoffers en andere zaken. In die zin juich ik het dus toe. Hoe gaan we die opsporing in het kader van huwelijke uitbuiting dan vormgeven, vroeg de heer Boomsma. Ja, dat heeft absoluut de aandacht van de politie, maar de politie moet natuurlijk wel signalen krijgen voordat ze iets kan doen. De politie kan niet proactief op zoek gaan naar deze signalen, maar als deze signalen er zijn, dan worden die met dezelfde voortvarendheid opgepakt als bij andere zaken van mensenhandel. Bij de herkenning van deze signalen bij andere vormen van mensenhandel zorgen we er dus voor dat in ieder geval de opvolging van signalen hetzelfde is. Krijgen we een verschuiving van de aandacht van de opsporing, juist door niet meer alleen seksuele diensten aan te merken maar ook niet-seksuele diensten? Dat weten we nog niet. We weten nog niet wat de impact daarvan zal zijn op het werk van de politie. Natuurlijk is mensenhandel heel specialistisch werk, dus je kunt die specifieke politiecapaciteit voor de opsporing maar één keer inzetten. Maar als er straks een toename aan signalen is over de nieuwe vorm van uitbuiting, dan zou dat gevolgen kunnen hebben voor de keuzes binnen de opsporing. Die zullen we dan moeten wegen tegenover seksuele uitbuiting. Ik hoor uw Kamer namelijk goed, in meerderheid ook, denk ik: u wilt daarin zeker geen verslapping zien. Dat signaal nemen we dus mee bij de evaluatie. Zaken buiten Nederland: hoeveel zijn dat er geweest? Helaas kunnen we uit de systemen van het OM niet naar voren halen in hoeverre de feiten van de zaak zich buiten Nederland hebben afgespeeld; dan moet je echt in de individuele zaken duiken. Ik heb u net wel, in de rapportage voor het einde van het jaar, een overzicht toegezegd van alle mensenhandelzaken die er de afgelopen jaren zijn geweest, maar dit kan ik daar helaas niet uit halen. De heer Van den Brink vroeg: hoe verlopen de Europese en internationale samenwerking in den brede? Een terechte vraag, want mensenhandel beperkt zich niet tot de landsgrenzen en er moet dus ook nauw worden samengewerkt met Europese partners. Dat gaat om het bespreken van trends, om samenwerkingen, maar ook om andere aspecten van de aanpak van mensenhandel. In de Benelux hebben we ieder jaar een werkgroep rondom het thema "mensenhandel", waarin we bespreken hoe we gezamenlijk de aanpak binnen de Benelux kunnen verbeteren. Internationale samenwerking is ook een structureel onderdeel van de Nederlandse politieaanpak in de bestrijding van mensenhandel. Dat behelst het samenwerken met herkomst- en transitlanden, het verkrijgen en delen van informatie via kanalen zoals die van Europol, Interpol of het netwerk van liaison officers in de verschillende landen, en in sommige gevallen ook concrete operationele en niet-operationele interventies, stroomopwaarts of, wanneer Nederland het transitland is, in landen van bestemming. Politiesamenwerking is bij een grensoverschrijdend delict als mensenhandel van groot belang. Daarom ben ik ook blij dat de Nederlandse politie zich sterk inzet in het kader van EMPACT, een Europese politiesamenwerking die zich onder meer specifiek op de mensenhandel richt. We zijn al enige jaren trekker op het thema mensenhandel binnen EMPACT. Verder wordt lidstaten in de herziene richtlijn ook gevraagd om een contactpunt voor grensoverschrijdende doorverwijzing in te stellen; daar hebben we het net over gehad. Dat wordt voor ons Comensha. Dat zou ook de internationale samenwerking moeten versterken, ten behoeve van goede en betere zorg voor slachtoffers. Dan was er nog een vraag van de heer Verkuijlen over de achttien zaken waarvan geen aangifte is gedaan: wat zegt dat nu over de prioritering van een ernstig delict als mensenhandel? Ik noemde al eerder dat in de prioritering voor de Veiligheidsagenda ook mensenhandel in ieder geval weer een van de prioriteiten zal worden. En het klopt: mensenhandel is ambtshalve vervolgbaar en vereist dus ook geen aangifte om dat verder op te pakken. Een melding is voor de politie voldoende om daarmee aan de slag te gaan. Ik kan alleen niet zeggen wat in deze achttien individuele zaken de reden is geweest dat die melding niet is opgepakt; het kan ook zijn dat er verder te weinig opsporingsindicaties waren. Dat is althans wat door de politie in algemene zin werd gezegd over het feit dat een groot deel van die meldingen de eerste drempel niet heeft gehaald, maar ook hier zullen we de vinger aan de pols houden over het opvolgen van meldingen. De heer Verkuijlen vroeg naar de resultaten van de 58 fte. In ieder geval kun je met die 58 fte, vanwege het specialisme, meer complexe zaken behandelen en ook tot een succesvol einde brengen. Ik denk dat dat specialisme de grootste toegevoegde waarde is, nog los van het aantal fte dat daarmee gemoeid is. Is dat ook direct terug te leiden tot extra zaken? Ik ga u dat overzicht voor het einde van het jaar geven, maar zoals ik zei: de complexiteit is een belangrijke route, dus dat we meer doorhebben hoe deze mensen opereren en dat we ze dus ook effectiever kunnen aanpakken, want uiteindelijk gaat het om het breken van deze netwerken. Zijn al die extra fte dan ook ingevuld? Ja, zowel bij het OM als bij de politie zijn de functies voor mensenhandel vervuld. Nogmaals, daarbij wil ik helemaal niet zeggen dat er nooit in het kader van prioriteitstelling door het gezag een afweging wordt gemaakt waarbij een mensenhandelzaak niet wordt opgepakt; dat is hoe we het systeem hebben ingericht in Nederland. Maar ik denk dat de prioriteitstelling en het zorgen voor expertise zeker wel helpen. Dat was het blokje opsporing.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Daar komt de minister heel graag op terug in de voortgangsrapportage voor het einde van het jaar. Heel specifiek: ik kan me voorstellen dat de samenloop van zaken, juist omdat we bij de ondermijnende criminaliteit in Nederland zien dat daar, als tweede effect, heel vaak uitbuiting bij komt kijken, in sommige gevallen niet leidt tot dezelfde route, maar dat wil ik graag voor u verkennen. Ik kom daar nog op terug.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat nemen we mee op dat moment.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, het scherpe zwaard. Ja, al denk ik dat het overgrote deel van het in handen geven van het instrumentarium al zit in het wetsvoorstel dat ik vorige week in de Eerste Kamer heb besproken. Dat behelst die modernisering. Dat behelst ook de extra categorie van ernstige benadeling, waardoor je de drempel van mensenhandel eerder haalt, ook in gevallen waarin het vroeger in een schemergebied terechtkwam. Daar zit ook de explicitering van: wat moet je eronder verstaan? Daar worden voorbeelden gegeven. Ik denk dat die wetsbehandeling een heel groot deel van het scherpe zwaard is. Met dit wetsvoorstel slijpen we het nog een klein beetje op, maar ik denk dat het zwaard het wetsvoorstel is waarover we vorig jaar uitgebreid met elkaar hebben gediscussieerd. Daarmee moet de politie meer in handen krijgen. De 58 fte zijn dedicated. In de brief zal ik meenemen hoe de capaciteit specifiek op deze zaak wordt gezet, want het gaat om het specialisme, zoals u hier terecht meldt.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Bij seksuele uitbuiting zal dat ook altijd afhankelijk zijn van de medewerking van in dit geval het slachtoffer. Ik ben zelf mee geweest met de politie in Den Haag. Ik ben in een sociale huurwoning geweest waar in dit geval een Colombiaanse vrouw zat, niet met haar eigen huisraad, met nauwelijks huisraad, maar wel met grote stapels cash. Als die persoon, al dan niet onder dwang, niet bereid is om te getuigen, komt de politie op een gegeven moment niet heel veel verder. Ik denk dat dat de uitdaging is: hoe verlaag je voor slachtoffers de drempel om hier aangifte tegen te doen? We hadden het al eerder over het non-punishmentbeginsel en het feit dat agenten in de eerste lijn daarop worden getraind en daar dus ook op kunnen signaleren. Toch moet je ook proberen zo'n zaak rond te krijgen door te kijken: wie zit hier nu boven of achter? Dat is gewoon goed recherchewerk dat moet worden gedaan. Dat zit dus niet heel erg in dit wetsvoorstel, denk ik. Het is niet dat we daar nu een grote slag in maken. De wettelijke ankers zijn er wel, maar de specifieke zaken maken het wel heel moeilijk.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Keuzes in de opsporing zijn altijd aan het gezag. Dat zal op basis van deze wetten aan de slag gaan. Ik stel me voor dat we bij de evaluatie van het wetsvoorstel meenemen in hoeverre we dit effect hebben zien optreden en dat we daar dan consequenties aan kunnen verbinden.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: We kunnen dat gezamenlijk meegeven. Tegelijkertijd zal de keuze voor een individuele opsporingszaak elke keer aan het lokale gezag zijn. Dat zijn wij weer niet, dus men zal toch altijd lokaal de afweging maken: wat heeft prioriteit? Ik stel me de zaak voor die ik net voor de heer Verkuijlen schetste. Dat is een moeilijke zaak, waarbij je met een heleboel recherchewerk weliswaar een trapje hoger zou kunnen komen. Als je dan tegelijkertijd een Zaanse glazenwasserszaak hebt lopen, kan ik me voorstellen dat de prioriteit lokaal wellicht valt op de zaak waarbij 1.700 busjes door heel Nederland rijden, je een enorme criminele organisatie kunt aanpakken en een heleboel mensen kunt helpen versus deze ene moeilijk te rechercheren zaak. Ik vind het af en toe de moeilijkheid maar ook de schoonheid van ons systeem dat ik artikel 12 en mijn aanwijzingsbevoegdheid niet wekelijks inzet voor de opsporing.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ook voor die discussie verwijs ik door naar het wetsvoorstel waar we het vorig jaar over hebben gehad. Daar zat die verlaging van de bewijslast, het verruimen van delictsomschrijvingen en het opschonen van het botte mes in, zoals de heer Verkuijlen het noemde. Ik geloof dat we met dat wetstraject echt een hele grote stap hebben gezet om dit voor de opsporingsdiensten en voor de rechterlijke macht tastbaarder en beter vervolgbaar te maken. Ik geloof dat een heel groot deel, of dat hier nu gaat werken of niet, ook echt zit aan de slachtofferkant in combinatie met het non-punishmentbeginsel. Dus: worden mensen meteen erkend als slachtoffer en wat kun je doen om mensen tot medewerking te krijgen aan een strafrechtelijk proces, wat in deze zaken natuurlijk altijd moeilijk is? Dat is minder concreet, maar wel heel belangrijk.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, ik neem dat mee in dezelfde voortgangsrapportage voor het einde van het jaar.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dit is niet de wet. Dit kunnen we niet oplossen in de wet. Dit gaat om hoe je in de praktijk omgaat met dit soort zaken. Ik wil daar ook in die brief wel aandacht aan besteden, maar uiteindelijk is het actieplan tegen mensenhandel natuurlijk ook bedoeld om dit soort aspecten op een meer beleidsmatige manier te adresseren en om te zorgen dat je die drempels wegneemt. Dat geldt ook voor de training van elke eerstelijnspolitiefunctionaris om te herkennen dat diegene te maken heeft met een slachtoffer van mensenhandel. Dus het is op vele borden schaken, maar je zult het allemaal moeten doen. Dat ben ik wel het de heer Boomsma eens.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Het voorliggende wetsvoorstel en draagmoederschap. Laat ik beginnen met de overige vragen over draagmoederschap, want voor die wil ik heel graag verwijzen naar het wetstraject van mijn collega, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, dat ook al door een aantal van u werd genoemd. Ik denk dat de vragen, voor zover die niet betrekking hebben op dit implementatievoorstel, daar meer op hun plek zijn. Dat geldt dus voor de vragen van mevrouw Faber over de strafbaarstelling in het buitenland. Daarbij kan ik kortheidshalve zeggen dat als er sprake is van mensenhandel en die delicten bewezen worden, ook hiermee mensenhandel in het buitenland kan worden vervolgd op dezelfde gronden als die ik net noemde waar het gaat om mensenhandel in het algemeen. Die vragen kan ik wel beantwoorden. De overige vragen van met name de heer Van Dijk zou ik graag willen doorverwijzen naar de staatssecretaris. Er waren natuurlijk een aantal vragen op dit thema die wel echt betrekking hadden op dit wetsvoorstel. Een daarvan was: hoe denkt de minister dat dit implementatiewetsvoorstel en de Wet kind, draagmoederschap en afstamming zich tot elkaar verhouden? Dit wetsvoorstel gaat enkel om mensenhandel in de vorm van uitbuiting van draagmoederschap. Dan gaat het dus echt om zeer ernstige misstanden rondom draagmoederschap. Het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming, dat van de staatssecretaris is, gaat over de wettelijke regulering van draagmoederschap in het algemeen en heeft dus ook betrekking op bredere vragen en inkleuring. Deelt de minister de mening dat gebruik van huidige procedures voor erkenning van een kind uit draagmoederschap onder de strafbepaling van de richtlijn kan vallen, bijvoorbeeld bij oneigenlijk gebruik van de adoptieprocedure? Indien volgend op draagmoederschap de wettelijke adoptieprocedure wordt gevolgd, vormt die adoptie op zichzelf geen strafbaar feit. Een verdere gedachtewisseling over het onderwerp zou ik toch ook weer willen doorverwijzen naar het andere debat, met de staatssecretaris. Hoe kan het OM bewijzen dat er sprake is van uitbuiting bij draagmoederschap? Dit was ook een vraag van de heer Van Dijk. Voor het bewijs van mensenhandel in de vorm van uitbuiting bij draagmoederschap is nodig dat de in artikel 273f, eerste lid genoemde handeling is verricht, zoals het werven, vervoeren of huisvesten, dat er opzettelijk een beïnvloedingsmiddel is aangewend en dat er een oogmerk van uitbuiting was. U vraagt hoe we kunnen bewijzen dat zo'n beïnvloedingsmiddel is aangewend, ook in het geval dat er van tevoren wel een overeenkomst is getekend. Welke omstandigheden zijn dan voldoende om te kunnen bewijzen dat het oogmerk van uitbuiting bestaat? Ook in het geval van een vooraf overeengekomen overeenkomst kan worden getwijfeld of dit echt vrijwillig is gebeurd of dat gebruik is gemaakt van een beïnvloedingsmiddel. Dat sprake is geweest van het beïnvloedingsmiddel dwang kan bijvoorbeeld blijken uit de verklaring van de desbetreffende vrouw zelf. Dat gebruik is gemaakt van een kwetsbare positie als beïnvloedingsmiddel mag in het algemeen worden verondersteld bij een zwakke financiële positie van de vrouw, waarbij in het bijzonder valt te denken aan de afkomst uit een land met een significant lager welvaartspeil. Vanwege haar persoonlijke omstandigheden is de vrouw in een dergelijk geval immers in verminderde mate in staat tot een vrijewilsbepaling omtrent het draagmoederschap. Als iemand in zo'n situatie wordt overgehaald om draagmoeder te worden, wordt misbruik gemaakt van de kwetsbare positie. Het vereist wel dat de dader zich bewust is geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkenen waaruit die kwetsbaarheid voortvloeit. Voor het kunnen aannemen van een oogmerk van uitbuiting, is het voldoende als de mensenhandelaar heeft gehandeld uit winstbejag of als hij verregaande vrijheidsbeperking heeft opgelegd aan het zwangere slachtoffer. De heer Van Dijk vroeg nog: wanneer zijn wensouders strafrechtelijk verantwoordelijk als zij concrete aanwijzingen voor uitbuiting negeren? Wensouders die concrete aanwijzingen voor uitbuiting negeren, kunnen strafrechtelijk aansprakelijk zijn onder dit artikel. Die bepaling komt in beeld wanneer iemand ondanks duidelijke signalen dat de beoogde dienstverlening mogelijk het voorwerp is van mensenhandel, toch van de dienst gebruikmaakt. Die duidelijke signalen kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in uiterlijke signalen die betrekking hebben op het slachtoffer zelf, de omstandigheden waaronder de diensten worden aangeboden en aanwijzingen dat een mensenhandelaar controle uitoefent over het slachtoffer. De specifieke omstandigheden die in de praktijk aan de orde kunnen zijn, kunnen per uitbuitingsvorm een eigen inkleuring hebben. Laat ik nogmaals zeggen dat deze strafrechtelijke aansprakelijkheid natuurlijk alleen in beeld komt in situaties waarbij het evident is dat er sprake is van mogelijke mensenhandel. Dat was het wat betreft draagmoederschap.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik wil wel kijken hoe andere landen daarmee omgaan. Dat zou voor de implementatie van dit wetsvoorstel niet uit moeten maken, want de middelen en de bewijsdrempel zijn hiermee gelijk voor alle EU-landen. Dat neemt niet weg dat landen natuurlijk ander beleid kunnen hebben op het gebied van draagmoederschap in bredere zin. Dat verwijs ik dan weer door naar het traject van de staatssecretaris. Ik houd die twee dus wel uit elkaar. Ik wil het dan wel echt bezien in de engte van artikel 273g.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Klanten. Mevrouw Bikker vroeg of we de leeftijd van de klant moeten betrekken bij de aanpak van mensenhandel. We hebben die discussie eerder gevoerd in een commissiedebat over mensenhandel en prostitutie. Ik heb daarbij aangegeven dat we wat de regering betreft sekswerkers en klanten niet gelijk moeten schakelen. De minimumleeftijd voor sekswerkers gaan we verhogen, zoals aangekondigd in het coalitieakkoord, vanwege de kwetsbaarheid die het werk met zich meebrengt. Dat is iets anders voor mensen die als klant gebruikmaken van die diensten. Ik geloof dat daar toen ook een motie over is ingediend, die volgens mij geen meerderheid heeft gehaald. De heer Van Dijk vroeg hoe wij uitvoering geven aan de Europese verplichting om de vraag terug te dringen die uitbuiting bevordert. Wij geven uitvoering aan die verplichting via de verbreding van de reikwijdte van artikel 273g. Uit de toelichting bij de richtlijn volgt dat het voor het terugdringen van de vraag die uitbuiting bevordert, van belang is om het gebruik van diensten waarbij het slachtoffer wordt uitgebuit om dergelijke diensten te verlenen en waarbij de gebruiker van de diensten weet dat de persoon die de dienst verleent, slachtoffer is van mensenhandel, strafbaar te stellen. Door die verbreding wordt dus niet het gebruik van alleen seksuele diensten, maar van alle soorten diensten die door uitbuiting tot stand zijn gekomen, strafbaar gesteld. Maar dat is de strafbaarstelling en dat is dus het wetstechnische antwoord, en dat is natuurlijk niet genoeg. Daar hadden we het net ook al over. De verdere klantaanpak wordt versterkt via het Actieplan Samen tegen mensenhandel, met onder andere mediacommunicatie bij vervolging, jaarlijkse actiedagen en een fieldlab gericht op klanten. Natuurlijk gaan we het wetsartikel 273g ook evalueren. Uit die evaluatie komen mogelijk ook aanknopingspunten om de bestraffing van klanten effectiever te maken. Het onderzoek heb ik reeds bij het WODC ingediend, maar de planning is nog niet tot ons gekomen vanuit het WODC. Ik zal u daar dus ook via de voortgangsbrief over rapporteren. De heer Van den Brink vroeg of er ook in 2026 nog een landelijke actiedag komt. De motie over nog in 2026 een landelijke actiedag organiseren is aangenomen, dus ik zal dat in mijn gesprekken met het OM en de politie opnemen. We gaan kijken hoe en wanneer we daar het resultaat van kunnen zien. Dat waren de klanten.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat wil ik heel graag meenemen in het actieplan tegen mensenhandel en de uitvoering daarvan. Ik denk dat dit een belangrijk element is. Over anderhalve week, zeg ik uit m'n hoofd, begint de Week tegen Mensenhandel. Dat is een van die momenten in het jaar waarvoor we hier daadwerkelijk breed aandacht kunnen vragen. Er is dan landelijk, maar ook op lokaal niveau, informatie beschikbaar via banners en brochures over hoe hiermee om te gaan. Dit is een deel, denk ik, van dat actieplan. Maar er kan vast meer, dus dat neem ik graag in dat kader mee.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja ... Die aangifteplicht is opgenomen in de wet. Die is nu dus deel van ons strafrecht. Daar zullen we dus ook de nodige aandacht aan besteden.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, pornoplatforms. De heer Diederik van Dijk vroeg: welke verantwoordelijkheid dragen platforms wanneer zij verdienen aan materiaal dat onder dwang tot stand is gekomen? Wanneer het illegale content betreft is de DSA, Digital Services Act, van toepassing. Die legt verplichtingen op aan tussenhandeldiensten. Op basis van de DSA zijn hostingdiensten, waaronder de onlineplatforms, gehouden om illegale content te verwijderen als zij daar weet van krijgen. Verwijderen hostingdiensten illegale content na de melding niet, dan kunnen ze ook geen aanspraak maken op de aansprakelijkheidsbeperking die zij in beginsel wel genieten. De DSA is een maximumharmonisatie; dat betekent dat we daarbovenop als lidstaten geen nationale eisen kunnen stellen, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Dat geldt voor alle categorieën tussenhandeldiensten uit de DSA, dus niet alleen maar voor de very large online platforms. In november 2027 zal de DSA worden geëvalueerd. Dat betekent niet automatisch dat er ook een herziening komt, maar het is in ieder geval een belangrijk moment om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig zijn. Voorts is bekend dat enkele grote pornoplatforms hun uploadvoorwaarden de afgelopen jaren hebben aangescherpt, onder meer door strengere eisen te stellen aan identiteitsverificatie en toestemming van betrokkenen. Of dat ook bij andere websites kan worden afgedwongen, hangt af van de toepasselijke wet- en regelgeving en de mogelijkheden voor toezicht en handhaving. Daar vragen we dus aandacht voor in het kader van de herziening van de DSA. De heer Van Dijk vroeg hoe we de aandacht voor discriminatie op grond van geslacht naar het Nederlandse preventiebeleid vertalen en hoe dat rijmt met de destigmatiseringsaanpak van sekswerk. Ik wil het verschil tussen mensenhandel en sekswerk wel benadrukken, ook hier. Sekswerk is een legaal beroep in Nederland en als er geen sprake is van een vrijwillige keus voor dit beroep, is er ook geen sprake meer van sekswerk maar van seksuele uitbuiting en daarmee dus van mensenhandel. Sekswerkers moeten hun werk kunnen uitvoeren met de bijbehorende rechten en plichten, zoals die ook gelden voor andere beroepsgroepen in Nederland. Het tegengaan van het stigma is daarbij belangrijk, omdat uit onderzoek blijkt dat dit een negatieve impact op de sociale positie van sekswerkers heeft, waardoor ze kwetsbaarder zijn voor geweld en uitbuiting. Het spanningsveld tussen bewustwordingscampagnes en de destigmatiseringsaanpak zoals dat geschetst wordt door de heer Van Dijk, zie ik dus niet in dit licht. Die campagnes gaan immers over de aanpak van mensenhandel en dat zien wij als kabinet anders dan sekswerk. De heer Van Dijk vroeg ook naar het feit dat seksuele uitbuiting zich niet beperkt tot vergunde bedrijven, maar dat ook thuisprostitutie, escortservices en onlineplatforms de politie en hulpverlening voor grote uitdagingen stellen. Hoe gaan we daar intensief op handhaven? Het is belangrijk dat seksuele uitbuiting van sekswerkers wordt gesignaleerd en aangepakt. De gemeenten geven daarvoor vorm aan lokaal sekswerkbeleid. Om hen te ondersteunen in het signaleren van misstanden worden verschillende stappen gezet. Zo richt actielijn 4 van het versterkte Actieplan Samen tegen mensenhandel zich op het ondersteunen en aanmoedigen van regionale samenwerking. Door goede samenwerking tussen verschillende partijen kunnen misstanden beter worden gesignaleerd en opgespoord. In actielijn 5 wordt bekeken hoe informatie over signalen van mensenhandel gedeeld kan worden, zodat er meer zicht is op mogelijke misstanden. Ik vind dat onlinesekswerkadvertentieplatforms er alles aan moeten doen om te voorkomen dat hun platforms worden misbruikt voor seksuele uitbuiting. Dit najaar, zeg ik onder anderen tegen de heer Boomsma, kom ik met een plan van aanpak daarvoor. Daarbij betrek ik de aangehouden motie-Boomsma/Bikker, waarin de regering wordt verzocht om een wettelijke grondslag uit te werken voor onder andere een identificatieplicht voor adverteerders en een meldplicht voor platforms bij signalen van uitbuiting. Het Belgische voorbeeld zal ik daar zeker bij betrekken. Dat zeg ik u bij dezen toe. Dan de uitstapprogramma's. Jaarlijks wordt 6 miljoen euro uitgekeerd aan achttien centrumgemeenten om uitstapprogramma's voor sekswerkers te financieren. Voor het jaar 2026 zijn de middelen eenmalig verhoogd met een half miljoen. Op dit moment zit een nieuwe verhoging niet in de planning. Om de zichtbaarheid van deze programma's te vergroten hebben het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en mijn ministerie informatie hierover op de website sekswerkgoedgeregeld.nl geplaatst. Dat was het blokje over platforms.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja. Geld en mensenhandel zijn natuurlijk überhaupt met elkaar verweven, maar hier ging het meer over de vraag of wij voldoende geld beschikbaar stellen om dit allemaal aan te pakken. Laat ik eerst tegen de heer Verkuijlen zeggen dat ik graag in gesprek wil met de VNG over de inzet van de middelen voor de opvang van slachtoffers door gemeenten. We stellen structurele middelen beschikbaar, oplopend tot 7 miljoen euro, om dat te realiseren. In 2027 komt 2,5 miljoen beschikbaar. De minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal in overleg met de VNG en de gemeenten bezien hoe dat geld precies in te zetten en waar uitbreiding van de opvangcapaciteit te realiseren is. Er is gevraagd of er een claim is ingediend door de VNG voor preventieve maatregelen. Ja, dat was een claim van €340.000 per jaar. Die claim is afgewezen, met het oog op de essentiële uitvoering van de richtlijn. Bij enkele van de claims, zoals voor de Arbeidsinspectie en Comensha, vloeien de uitvoeringskosten direct voort uit de richtlijn. Hoewel preventie in bredere zin wel wordt genoemd in de richtlijn, kunnen er geen directe uitvoeringskosten aan worden gerelateerd. Daarom is deze keuze gemaakt in de toekenning van de schaarse middelen. Dan was er nog een vraag over de basissubsidie van Comensha. Laat ik allereerst benadrukken hoe belangrijk het werk is dat Comensha doet in de aanpak van mensenhandel. De implementatie van deze wet heeft ook uitvoeringsconsequenties voor Comensha, zoals werkzaamheden in het kader van het Nationaal Verwijsmechanisme Mensenhandel en de uitvoering van het eerder genoemde contactpunt grensoverschrijdende doorverwijzing. Daarvoor wordt Comensha ook financieel gesteund door mijn ministerie. Bij de basissubsidie heb ik de vermindering van de subsidie in 2025 en 2026 gecompenseerd, maar het klopt inderdaad dat in de generieke korting die door het vorige kabinet is ingevoerd en die het huidige kabinet heeft gehandhaafd om te bezuinigen op subsidies, ook de subsidies van Comensha worden geraakt. Ik ga ervan uit dat we in het kader van de begrotingsbehandeling nog wel over geld komen te spreken, in den brede en meer specifiek.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat heb ik ook niet paraat. In het kader van de implementatie van deze wet is gekeken welke organisaties claims doen om dit wetsvoorstel te implementeren. Dat is de drempel waar deze onderdoor is gevallen, omdat de €340.000 niet noodzakelijk was voor de implementatie van dit wetsvoorstel. Ik kan er nu weinig over zeggen of dit verder zinnige claims waren of niet.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja. Het is een hele marathon, maar dit is het laatste blokje. Daarna heb ik natuurlijk nog de amendementen. Dat komt in zicht. De heer Van den Brink vroeg naar de opvang van slachtoffers van mensenhandel. Ik heb daar net al aan gerefereerd, dus dat herhaal ik. Voor het einde van het jaar komt het inhoudelijke kader voor het opvanglandschap naar uw Kamer toe. Dat zal de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport doen. Ik noemde net al de oploop van de structurele middelen van 7 miljoen die hiervoor beschikbaar is gesteld, evenals de 2,5 miljoen die in 2027 al beschikbaar is. Mijn collega van VWS zal in afstemming met de VNG en gemeenten bezien waar de eerste uitbreiding in 2027 al kan landen. Mevrouw Abdi vroeg naar de loskoppeling van slachtofferschap en het strafproces. Dat staat onder actielijn 3 in het actieplan Samen tegen mensenhandel. Het creëren van breed draagvlak onder alle ketenpartners, binnen zowel de strafrechtketen, de vreemdelingenketen als slachtofferhulpverlening is van groot belang, maar ik ben me er ook van bewust dat snelheid in dit proces voor de slachtoffers vooral van groot belang is. Ik heb eerder toegezegd dat wordt verkend of een vierde partij vanuit het zorgdomein kan worden aangewezen die de geringste aanwijzing kan vaststellen. Ik hoop hiermee beter zicht te krijgen op slachtoffers. De praktische uitwerking hiervan zien we in samenwerking met de verkenning naar de inrichting van de multidisciplinaire commissie die ik eerder noemde, die onafhankelijk slachtofferschap kan vaststellen buiten het strafproces om. Dat zal vragen om veel zorgvuldigheid, afstemming en uitwerkvragen. Voor de kerst leg ik het voorstel aan u voor. Ik weet niet of u het blokje eerst wil afmaken?
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Mevrouw Abdi vroeg ook welke stappen we kunnen zetten voor de zichtbaarheid van mensenhandel en waar men terecht kan. Bij de lancering van de koepelcampagne Sluit Mensenhandel Uit is ingezet op het creëren van een herkenbare en gezamenlijke basis voor communicatie. Met de aangesloten betrokken partners wordt aandacht gevraagd voor de bewustwording en het herkennen van de verschillende vormen van mensenhandel. Het Centraal Informatiepunt Mensenhandel werd al genoemd als een nieuwe stap in 2026, zowel voor slachtoffers en eerstelijnsprofessionals als voor burgers, om te informeren en te kunnen doorverwijzen. Dat is bedoeld als een informatiesite, maar ook als een handelingsinstrument. Laagdrempeligheid en toegankelijkheid staan daarbij voorop. Dan het vergroten van de meldings- en aangiftebereidheid. We hebben het daar net al veel over gehad in de discussie. Het is een belangrijk aandachtspunt, omdat we anders nooit komen tot de zaken die we hiermee juist hopen aan te pakken. De meldings- en aangiftebereidheid is een van de actielijnen daarin. In het kader van de Proeftuin Aangiftebereidheid is onderzoek verricht door het CKM. Dat rapport is aan uw Kamer aangeboden. We kijken nu naar de aanbevelingen van dat onderzoek en naar de wijze waarop we daar opvolging aan kunnen geven. De motie over consulaire en juridische bijstand van de heer Boomsma moet ik kortheidshalve doorgeleiden naar mijn collega van Buitenlandse Zaken, want die ligt op zijn beleidsterrein. Maar dat zullen wij doen. De heer Van den Brink vroeg naar Caribisch Nederland. Nee, dit wetsvoorstel geldt daar niet. Wat doen we daar dan wel? In 2025 is gestart met de ontwikkeling van een beleidskader dat richting zal geven aan de aanpak van mensenhandel en mensensmokkel. Dat wordt met de relevante partners in de rechtshandhavingsketen opgesteld. Het doel is om te komen tot een integrale aanpak, waarbij rekening wordt gehouden met de beschikbare capaciteit van de betrokken organisaties in Caribisch Nederland. Om mensenhandel en mensensmokkel effectief tegen te gaan is het onder andere van belang dat zowel professionals als burgers de signalen herkennen en ook weten te handelen. Met trainingen en voorlichtingscampagnes wordt onverminderd ingezet op het vergroten van de bewustwording rondom mensenhandel en mensensmokkel in Caribisch Nederland. Er wordt ook gewerkt aan het optimaliseren van het themaregister of een betere registratie van dit fenomeen. Aangezien het vaak grensoverschrijdend is, wordt daaraan niet alleen in Caribisch Nederland gewerkt, maar wordt ook gewerkt aan de samenwerking met de landen in het Koninkrijk conform het MoU van samenwerking ter voorkoming en bestrijding van mensenhandel en mensensmokkel. Dat betreft dus ook Curaçao, Aruba en Sint-Maarten. Mevrouw Belhirch vroeg: "Wat als iemand wordt gezien als een mogelijk slachtoffer van mensenhandel, maar de zaak later wordt aangemerkt als een ernstige benadeling? Kan de behoefte dan nog precies hetzelfde zijn?" Ik hoor de zorgen als het gaat om de voorzieningen voor slachtoffers van ernstige benadeling. Derdelanders die slachtoffer zijn van ernstige benadeling kunnen straks met de strafbaarstelling mensenhandel onder de daarvoor geldende voorwaarden een tijdelijke verblijfsvergunning voor ernstige benadeling aanvragen. Aan deze regeling is geen aparte bedenktijd verbonden. Op basis van die verblijfsvergunning hebben deze slachtoffers ook toegang tot basisvoorzieningen. Als er daarna wel de geringste aanwijzing is van mensenhandel, kan het slachtoffer gebruikmaken van de bestaande mensenhandelprocedure. Het slachtoffer krijgt dan bedenktijd en tijdens die bedenktijd kan het slachtoffer gebruikmaken van de daaraan gekoppelde voorzieningen, waaronder de landelijke Categorale Opvang Slachtoffers Mensenhandel. Zowel bij ernstige benadeling als bij mensenhandel kan onder de daarvoor geldende voorwaarden voortgezet verblijf aan de orde zijn als het strafproces langer duurt dan drie jaar. EU-burgers die voldoen aan de voorwaarden voor verblijf op grond van het Unierecht hebben dus een rechtmatig verblijfsrecht en kunnen gebruikmaken van de voorzieningen die voor hen beschikbaar zijn. Bij de uitvoering van de regeling is echter naar voren gekomen dat het EU-verblijfsrecht van een EU-burger in bepaalde situaties kan worden beëindigd, bijvoorbeeld wanneer niet langer aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe groot die groep is en of zich daarbij in de praktijk knelpunten gaan voordoen. Dat heb ik vorige week ook bij de behandeling in de Eerste Kamer gezegd. De IND gaat daarom monitoren hoe groot deze groep is en in hoeverre deze slachtoffers ondanks de bestaande mogelijkheden tussen de bestaande regelingen in vallen. Op basis van die uitkomsten wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen nodig zijn, en dan kom ik daar bij de invoeringstoets van het wetsvoorstel Modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel op terug. "Hoe kijkt de minister naar een wetsevaluatie?" Het is goed en zelfs nodig om wetten te evalueren op hun werkzaamheid. De richtlijn vraagt ook om een evaluatie. Uiterlijk op 15 juli 2030 dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in waarin wordt beoordeeld in hoeverre lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen en welk effect die maatregelen hebben gesorteerd. Wij leveren daarvoor uiteraard de benodigde gegevens aan. Van de modernisering van de strafbaarstelling vindt uiteraard ook een evaluatie plaats. Daarbij zullen wij ook 273g meenemen, zodat dit in één keer kan worden gedaan. Het verslag van de Commissie zal ik uiteraard ook aan uw Kamer doen toekomen. Dat was de categorie overig, voorzitter.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Zoals gezegd, komen we voor het kerstreces met een voorstel over hoe dat in te richten. Dat is dus inclusief het voorstel voor de vierde partij.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Het is een beetje buiten de reikwijdte van het wetsvoorstel waar we het vandaag over hebben. Het is meer een beleidsvraag, maar ik zal hem dus ook separaat voor u beantwoorden.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Als we er 2 van de 120 hebben gemist, hebben we het nog best aardig gedaan, denk ik dan maar! Ik kijk even of ik daar in de tweede termijn op terug kan komen en anders doen we dat schriftelijk via de rapportage.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik zou eigenlijk willen kijken hoe we bij de invoeringstoets modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel ook aandacht kunnen besteden hieraan. Dat vereist dan wel dat we ook een spoedige behandeling kunnen krijgen in de Eerste Kamer. Maar ik denk dat een afzonderlijke, separate invoeringstoets voor dit vrij kleine wetsvoorstel niet heel veel toevoegde waarde heeft. Ik ga kijken of ik dit kan zwaluwstaarten met de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: De minister zegt toe dat hij gaat kijken hoe hij dit wetsvoorstel kan meenemen in de invoeringstoets van de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ook hier geef ik vooraf een korte inleiding, omdat die ook door zou klinken in de appreciatie van meerdere amendementen. Die mededeling vooraf is dat een wetsvoorstel dat EU-regelgeving implementeert, zich moet beperken tot onderdelen die voor de implementatie noodzakelijk zijn, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving. Met andere woorden: geen nationale koppen. Dat voorstel is er niet voor niks, want het meenemen van extra nationaal beleid kan het implementatietraject vertragen, bijvoorbeeld doordat er straks in de Eerste Kamer een discussie kan ontstaan op de inhoud. Dat moeten we ook niet willen. U weet ook dat de implementatiedeadline al is verstreken. Ik zeg dat omdat een heleboel van de ingediende amendementen zien op wetsaanpassingen die buiten de reikwijdte vallen van deze herziene EU-richtlijn over mensenhandel. Daarom is dit ten principale niet het juiste kader om daarover het gesprek aan te gaan. Een aantal hebben ook ingrijpende uitvoeringsconsequenties. Dat zou strikt gezien dan weer een weging van de Raad van State vragen. Ook die tijd is er uiteraard niet. Ik geef dat even vooraf als winstwaarschuwing mee, mocht mijn appreciatie niet goed vallen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik zeg u niet dat het niet mag. Conform de Aanwijzingen voor de regelgeving mag het niet, dus u zult ze van ons uit opgesteld niet krijgen. Uiteraard staat het u vrij om wetten te amenderen. Dat is uw goed recht. Ik wijs u alleen wel op de mogelijke consequenties daarvan. Ik heb ook al een paar keer meegemaakt dat er in de Eerste Kamer dan een beleidsmatige discussie ontstaat over iets wat eigenlijk een droge implementatie van een richtlijn was.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat klopt. Desondanks is er natuurlijk een reden dat het kabinet daar zeer terughoudend in is. De reden is natuurlijk ook dat uitgebreide nationale koppen de behandeling moelijker maken en daarmee het implementatietraject kunnen vertragen. Nogmaals, ik ga dit gewoon appreciëren en u stemt zoals u wil. Dat was alleen een winstwaarschuwing voor het feit dat u "ontraden" zult horen. Dat geldt ook voor het amendement op stuk nr. 8 van mevrouw Faber over het vooruitsturen van een minderjarige vreemdeling. Ik ontraad dat amendement dus. In aanvulling op wat ik net al zei over de reikwijdte van het implementatievoorstel, namelijk dat het daarbuiten valt en dat het mogelijke ingrijpende gevolgen heeft, raakt dit ook aan het recht op gezinshereniging binnen het unierecht, dat uitgewerkt is in de Vreemdelingenwet 2000. Het leidt er ook toe dat de wettelijke opsomming van specifieke uitbuitingsvormen wezenlijk gaat afwijken van de omschrijving daarvan in de herziene EU-richtlijn, terwijl het er juist toe strekt om het daarbij te laten aansluiten. In de huidige vorm is het amendement ook niet uitvoerbaar omdat het technisch gezien niet is aangesloten op het wetsvoorstel Modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel, dat vorige week in de Eerste Kamer is behandeld.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: De drie voorwaarden zoals die gelden voor mensenhandel in specifieke gevallen, kunnen ook van toepassing zijn op migratiesituaties. Alleen, u vraagt hier om één hele specifieke vorm eruit te pakken. Daarvan zeggen wij: dat heeft vergaande consequenties. Daar is ook nog niet alles over uitgezocht wat je daarover zou willen uitzoeken. Bovendien valt het buiten de reikwijdte van de EU-richtlijn. Daarom ontraad ik het, maar nogmaals, het staat u vrij om het met mij oneens te zijn. Dit is alleen wel mijn appreciatie.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik ben bang dat u het iets te simpel maakt voor een heel ingewikkelde juridische discussie die hierachter wegkomt. Ik zeg daarmee niet dat die discussie niet gevoerd zou moeten worden, en ik denk dat we dat in het kader van het wetsontwerp over mensensmokkel ook best zouden kunnen doen. Dat vind ik wat anders dan het hier als amendement, als uitvloeisel, in zetten. Daarom ontraad ik het hier. Nogmaals, ik zeg niet dat de discussie over onwenselijke praktijken niet gevoerd zou moeten worden. Dan het amendement-Faber/Diederik van Dijk op stuk nr. 9. Dat gaat over het verhogen van de leeftijd voor prostitutie. Dat ontraad ik. Ten eerste gaat het de implementatie te buiten, maar dat zult u eerder gehoord hebben. Ten tweede is het overbodig, gelet op het wetsvoorstel Modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel. Daarbij is namelijk een amendement-Bikker/Boomsma aangenomen, waarmee dit amendement niet samengaat. Als gevolg van dat amendement wordt namelijk in de strafbepaling voor mensenhandel al tot uitdrukking gebracht dat een persoon beneden de leeftijd van 21 jaar die in de prostitutie werkzaam is, zich in een kwetsbare positie bevindt. Dat is dus een gegeven op basis van dat amendement. Daarmee wordt de groep personen die de indieners op het oog hebben, al strafrechtelijk beschermd.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik voorzie dat we hier nog acht amendementen op deze manier gaan bespreken. Het heeft ook te maken met een stuk zorgvuldigheid in de wetgeving. Dat begint met het duidelijk afbakenen van wat je met een wetsvoorstel beoogt en wat het effect daarvan is, in dit geval op een kwetsbare groep mensen. Hoe kijkt het maatschappelijk veld daarnaar? Hoe kijken opsporings- en handhavingsinstanties daarnaar? In een normaal wetgevingstraject zijn dat, zoals u weet, alle stappen die doorlopen moeten worden. Je moet het wetsontwerp opstellen en het dan in consultatie brengen, het vervolgens naar de Raad van State sturen voor advies, dan komt het naar uw Kamer toe voor een eerste schriftelijk overleg en zo nodig een tweede schriftelijk overleg, dan komen we in een behandeling zoals deze te spreken over het wetsontwerp en dan komen de amendementen. Naar mijn mening is dit een volledig wetsontwerp dat nu in een amendementsvorm, zonder al die stappen te hebben doorlopen, in een wet terechtkomt die daar niet voor is bedoeld. Dan kunt u zeggen "u mist een kans", maar ik kies gewoon voor een ander traject, waarbij ik wel het veld, via de consultatie, de Raad van State en anderen in positie wil brengen om daar ook hun mening over te kunnen geven. Dat is hoe ik het zie.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dank voor de verheldering. Klopt. Ik lees het nog even terug voor u: het was het amendement-Bikker/Boomsma. Dus ja, voor deze kwetsbare groep is daarmee dit punt voor mensenhandelaspecten afgedekt. Dan de vraag over verhoging. Ik wil, via de voorzitter, mevrouw Faber echt geruststellen: de coalitie wil dit absoluut doen. We maken daar ook werk van. Dat zeg ik u dus bij dezen toe.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Het amendement op stuk nr. 10 van mevrouw Faber en Diederik van Dijk ontraad ik ook, ten eerste vanwege het feit dat het buiten de implementatie valt, maar ten tweede ook omdat ik dit echt vind passen bij het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming, dat voorligt voor behandeling in uw Kamer. Ik zou het daar dus heen willen brengen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik zal het vanaf nu achterwege laten.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dan het amendement op stuk nr. 11, dat gaat over de strafverzwaringsgrond. Daarover hebben we het gehad in het debat. Dat ontraad ik, omdat ik het overbodig vind vanwege artikel 44. Ik heb al de toezegging gedaan om daarover het gesprek met het OM aan te gaan. Dan het amendement op stuk nr. 12 van mevrouw Faber en Diederik van Dijk. Dat ontraad ik, omdat de Nederlandse definitie van "mensenhandel", die is neergelegd in 273f, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, aansluit bij de EU-definitie van "mensenhandel", die is opgenomen in artikel 2, eerste lid van de EU-richtlijn mensenhandel. Het amendement gaat deze definitie te buiten, omdat de richtlijn geen verandering brengt in de EU-definitie die is opgenomen in artikel 2, eerste lid van de EU-richtlijn mensenhandel. Het huidige oogmerkvereiste sluit aan bij de EU-definitie van "mensenhandel", die in dit verband spreekt van "for the purpose of exploitation", of, in de Duitse vertaling "zum Zweck der Ausbeutung". Andere internationale definities, zoals de definitie in het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel, bevatten soortgelijke formuleringen. Dit vereiste schrappen maakt dus dat we niet meer aansluiten bij de internationale definities. In het kader van het wetsvoorstel over modernisering, waarover we het een paar keer gehad hebben, is uitvoerig met het parlement van gedachten gewisseld over de reikwijdte van de strafbaarstelling. Daarbij is ervoor gekozen om het huidige wettelijke oogmerkvereiste te handhaven. Wat toen gold in die discussie, geldt wat mij betreft onverkort nog steeds.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik ga naar het volgende amendement, voorzitter.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dan het amendement van mevrouw Faber op stuk nr. 13 over de behulpzaamheid bij mensenhandel. Dat ontraad ik ook, omdat bij de behandeling van het wetsvoorstel ter modernisering, waarover we het eerder hadden, ook uitvoerig van gedachten is gewisseld over de reikwijdte van de strafbaarstelling van mensenhandel. Ik zou die discussie niet weer opnieuw willen voeren in dit kader.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Zeker. Dat brengt me ook bij het amendement op stuk nr. 14. Dat ontraad ik, maar dat doe ik omdat dit meer past — dat geldt eigenlijk ook voor het vorige onderwerp — binnen het wetsvoorstel over mensensmokkel, dat op dit moment bij uw Kamer aanhangig is. In dat kader wil ik graag nader in gesprek gaan over de reikwijdte van de strafbepaling van mensensmokkel. Het amendement-Verkuijlen/Belhirch op stuk nr. 15 om "gedwongen huwelijk" te vervangen door "uitbuiting bij huwelijken" geef ik oordeel Kamer. Het ligt niet aan de partijkleur, zeg ik tegen mevrouw Faber! Deze discussie hebben we ook in de Eerste Kamer gehad. Daarmee geef ik het amendement oordeel Kamer. Dat geldt niet voor het amendement-Boomsma/Mutluer op stuk nr. 16. Dat maakt 'm nog breder. In het oordeel over het amendement dat ik net gaf, gaf ik aan dat de EU-richtlijn is toegespitst op uitbuiting van een persoon bij gedwongen huwelijken. Ik kan op dat punt iets ruimhartiger zijn door "gedwongen huwelijk" te vervangen door "huwelijken", omdat bij dat amendement de wettelijke formulering van deze specifieke uitbuitingsvorm nog steeds dicht blijft aansluiten bij de omschrijving van "mensenhandel" in de EU-richtlijn. Dat voorkomt ook discussies over wat wel en niet in die opsomming moet worden opgenomen. Daarbij benadruk ik volledigheidshalve dat mensenhandel ook betrekking kan hebben op vormen van uitbuiting die niet specifiek in de wet staan. Het amendement van de heer Boomsma gaat een stap verder door de uitbuitingsvorm ook te verbreden tot vergelijkbare relaties. Een verdere uitbreiding laat ons verder af komen staan van de internationale opsommingen. Zoals ik zei, sluit het niet uit dat deze toch strafbaar zijn, omdat het een niet-limitatieve lijst van uitbuiting in de wet betreft. Het gaat mij hier specifiek om het element "vergelijkbare relaties". Als je het alleen zou beperken tot huwelijk of geregistreerd partnerschap, zou ik die bezwaren kunnen laten varen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Allemaal correct.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Met die aanpassing, dus alleen "huwelijk en geregistreerd partnerschap" krijgt het amendement oordeel Kamer.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dan hebben we het amendement-Boomsma/Bikker op stuk nr. 17. Dat ontraad ik. Dat doe ik met verwijzing naar het debat. Ik heb gezegd dat we voor het einde van het jaar komen met een plan van aanpak, waarin ik ook de aangehouden motie-Boomsma/Bikker betrek. Daar wil ik even de tijd voor nemen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Toch verwijs ik naar mijn eerdere appreciatie van een aantal van mevrouw Fabers amendementen. Ik zou toch liever het traject doorlopen waarbij we de verschillende stappen van wetgeving hierbij volgen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dank. Ik dank de leden voor hun inbreng in tweede termijn. We hebben geprobeerd uw vragen zo veel mogelijk te beantwoorden, maar dit is een onderwerp dat heel veel kanten heeft en waarover we het gesprek in de toekomst zeker verder aangaan. Dus vergeef me waar ik heb doorverwezen naar de voortgangsrapportage. Dat wil niet zeggen dat het geen aandacht krijgt of dat er niet aan gewerkt wordt. Wat ik daaraan toe wil voegen, is de noodzaak om de Awb aan te passen op het punt van non-punishment. Ik heb in het voorbeeld al aangegeven dat het de facto geregeld is, omdat je zonder schuld ook geen boete kunt krijgen of die in ieder geval niet zou hoeven betalen. Maar in de voortgangsrapportage neem ik daar een wat uitgebreidere passage over op. Op de campagne kom ik tegen die tijd ook terug. Elk delict heeft weer zijn eigen dynamiek en zijn eigen aanpak. Daar wil ik me ook graag over laten adviseren, maar ik neem deze graag mee. De campagne rondom intieme terreur heeft op mij ook wel indruk gemaakt en ik merk ook dat het veel losmaakt in de maatschappij. Dat is dus zeker in dat geval een effectief middel gebleken. De heer Van den Brink vroeg nog naar de anonieme meldingen. Ik herken de constatering uit het werkveld dat er problemen worden ervaren rondom gegevensdeling en dat dat een effectieve aanpak in de weg zou zitten. In het kader van het actieplan hebben we een handreiking informatiedeling en gegevensverwerking ontwikkeld. Daar wordt nu de laatste hand aan gelegd. Het doel is het geven van een handelingskader aan de betrokken professionals, gebaseerd op werkwijzen uit de praktijk. Daarbij houden we wel rekening met de vereisten en de bedoelingen van de privacywetgeving. Soms is het ook een ervaren drempel, zonder dat die er wettelijk is. Dat hebben we met deze handreiking willen doen. De komende periode wordt die in alle regio's onder de aandacht gebracht en wordt er met elke regio gekeken welke ondersteuning kan worden geboden bij de implementatie ervan. De tweede vraag van de heer Van den Brink ging over mijn eigen functioneren. Daar gaat het de laatste tijd veel over. De aanpak vergt een gezamenlijke inzet. Samen met collega-bewindspersonen, maar ook met het brede mensenhandelveld, heb ik gewerkt aan het versterken van de aanpak. Dan gaat het over dossiers die raken aan de opvang van slachtoffers, het verblijfsrecht of de internationale samenwerking. Het gaat ook over dossiers waar mijn collega-bewindspersonen in the end verantwoordelijk voor zijn. Bij de uitwerking van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van mijn rol als Nationaal Coördinator zal ik nader ingaan op de taak- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende bewindspersonen in de aanpak van mensenhandel. Het is al duidelijk dat ik als Nationaal Coördinator Mensenhandel de Regieraad Aanpak Mensenhandel zal voorzitten om op bewindspersonenniveau afspraken te maken over mensenhandel. Een verduidelijking zal voor het kerstreces naar uw Kamer worden gestuurd. Dan kom ik aan bij de moties.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dank. De motie-Bikker c.s. op stuk nr. 18 geef ik de appreciatie "ontijdig". Ik ben op dit moment nog volop bezig met de uitvoering van het huidige Actieplan programma Samen tegen mensenhandel. Daarin staan ook verschillende acties die zien op de aanpak van klanten. Dat plan loopt tot eind 2027 en zal ook worden geëvalueerd. Voor we een nieuw actieplan opstellen, wil ik ook weer in gesprek met het brede mensenhandelveld en bezien wat de resultaten zijn geweest van het huidige actieplan.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik ga proberen wat ruimdenkender te zijn in mijn appreciatie. Ik geef 'm oordeel Kamer als ik 'm zo mag lezen dat we het huidige actieplan natuurlijk wel gaan evalueren, dat het buiten kijf staat dat klanten een belangrijk onderwerp zijn in de aanpak van mensenhandel en dat ik in die zin deze motie zie als een aanmoediging.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat geeft geen garanties voor de andere moties, zeg ik alvast even op voorhand. De motie-Bikker c.s. op stuk nr. 19 kan ik oordeel Kamer geven, maar wel alleen als ik hem zo mag interpreteren dat ik eerst met de uitwerking van het Nationaal Verwijsmechanisme kom voordat ik aan de wettelijke verankering ga werken. De motie op stuk nr. 20 over de pilot geef ik oordeel Kamer. De motie-Diederik van Dijk/Bikker op stuk nr. 21 ontraad ik. Het tegengaan van de seksualisering van vrouwen dient onderdeel te zijn van een integrale aanpak van geweld tegen vrouwen. Aan de aanpak van seksualisering van vrouwen wordt nu al gewerkt, onder andere in het onderwijs en via campagnes zoals "Wat vind jij? Tot waar is het leuk voor allebei?" en "Vind je dat die grap of opmerking niet kan? Man, zeg er wat van!". Ik breng het denk ik niet zo klinkend als het in de commercial bedoeld was. Ook werkt Emancipator aan het tegengaan van seksisme. Onlinepornografie is legale content, die onder het recht op vrijheid van meningsuiting valt, dat eveneens een recht om informatie te ontvangen omvat. Overheidsbeperkingen moeten daarbij worden beperkt, mede gelet op het censuurverbod, maar wel moet aanvullende bescherming aan kinderen worden geboden tegen bepaalde vormen van schadelijke legale content. Zo wordt bijvoorbeeld toegang van minderjarigen tot pornografische audiovisuele content in de Mediawet gereguleerd. Het ministerie van OCW heeft recent de wegwijzer "Seksualiteit online" geactualiseerd. Die biedt een uitgebreid overzicht van preventieve hulpmiddelen, waarvan een aantal zich ook richt op pornografie. De motie-Diederik van Dijk/Bikker op stuk nr. 22 zou ik ontijdig willen verklaren, omdat deze wat mij betreft echt thuishoort op het bordje van mijn collega, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, gelet op haar portefeuillehouderschap, en ik haar ook niet heb kunnen consulteren. U bent nog met het wetsvoorstel over draagmoederschap onderweg, vandaar mijn appreciatie "ontijdig" en mijn vraag of u 'm …
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat zeg ik u toe.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik heb dat gekoppeld aan de implementatie van de wet. Pas dan wordt het relevant.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik deed dat zo graag, omdat ik dat doorverwees naar mijn collega van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Met haar naam erop is het dus een toezegging.
Bron, video en gesprek →