Strafrechtketen
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
David van Weel
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →Minister Van Weel: Dank, voorzitter. Dank aan de leden voor hun inbreng in de eerste termijn. Het is goed om weer terug te zijn in uw Kamer na het reces en dan ook te starten met een ontzettend belangrijk onderwerp, namelijk de strafrechtketen. Zoals u wellicht weet, is vandaag de Week van de Rechtsstaat gestart. Laat ik beginnen met stellen dat een goed functionerende strafrechtketen van essentieel belang is voor het vertrouwen van burgers in die rechtsstaat. Daders moeten, uiteraard na een zorgvuldig proces, worden gestraft en er moet recht gedaan worden aan slachtoffers, zodat zij kunnen herstellen. Als dit proces te lang duurt, heeft dat veel impact, op slachtoffers maar ook op verdachten. Daarom is het een van mijn prioriteiten om te zorgen dat de prestaties in de strafrechtketen verbeteren en dat deze verbeteringen duurzaam zijn. Laat ik beginnen met een woord — de heer Ellian haalde het al aan — over een heleboel dingen die goed gaan in onze strafrechtketen. Daarbij wil ik wat er afgelopen week in Overasselt gebeurd is, als voorbeeld benoemen. Het was een ongekende manier van optreden. Meer dan 30 verdachten doemden zwaarbewapend op in een dorp in Gelderland, maar door het snelle en adequate optreden van de politie zijn zo niet alle, dan wel bijna alle verdachten aangehouden. Die zijn vervolgens voorgebracht bij het OM en door de rechter-commissaris in voorlopige hechtenis genomen. Ik denk dat daarmee aangetoond is dat onze rechtsketen in een heleboel opzichten zeker goed functioneert. In een heleboel opzichten is dat echter ook nog niet het geval. Ik denk dat het rapport van de Algemene Rekenkamer, maar ook het rapport van de Rekenkamer over de opsporing ons stof tot nadenken geven. Dit is niet het eerste jaar dat de Algemene Rekenkamer met kritiek op de doorlooptijden in de strafrechtketen komt. Ik wil ervoor zorgen dat uw Kamer en de Algemene Rekenkamer in het voorjaar kunnen zeggen dat deze minister en deze staatssecretaris hun verantwoordelijkheid nemen voor het algehele functioneren van de strafrechtketen en samen met alle ketenorganisaties vanuit de opsporing tot aan de tenuitvoerlegging van straffen knelpunten oplossen. Ik wil zorgen dat er een gezamenlijk plan ligt voor hoe er met die knelpunten wordt omgegaan en vervolgens ook een vinger aan de pols houden wat betreft hoe dat uitgevoerd wordt. Ik wil daarbij ook realistisch zijn. Wat kunnen we wel en wat kunnen we niet verwachten van de strafrechtketen? We zullen namelijk altijd beperkt zijn door de capaciteit in de verschillende delen van de strafrechtketen. De keuzes die we daarin maken, moeten uitlegbaar zijn. Daarom is het belangrijk om bij het duurzaam verbeteren van de prestaties ook te kijken naar het onderscheid tussen wat wel en wat niet thuishoort in de strafrechtketen. Een aantal van u heeft daaraan gerefereerd. Denk bijvoorbeeld aan een heleboel capaciteit die nu in de keten en de rechtspraak gaat zitten rondom personen met verward gedrag. Daar hebben we in een ander gremium een gecoördineerde aanpak voor liggen, maar vanuit dit perspectief heeft dat nadrukkelijk ook aandacht. Zowel mevrouw Straatman als mevrouw Abdi vroegen daarnaar. Ik ben het ermee eens dat deze mensen in beginsel op een andere manier geholpen moeten worden en niet verder in onze strafrechtketen moeten zitten. Ondanks de goede wil van alle ketenpartners, die ik toen ook diep in de ogen heb gekeken, is het ons in het afgelopen jaar niet gelukt om dit te verbeteren. De Rekenkamer constateert dat het ons onvoldoende gelukt is. Daarom wil ik het nu drastisch doen. Dat is waarom we in navolging van de suggestie van mevrouw Mutluer het woord "deltaplan" uit de kast hebben gehaald om de grootsheid en de alomvattendheid van wat we willen doen neer te zetten. We hebben TNO gevraagd om onderzoek te doen naar alle aspecten waarop TNO ziet dat de keten vastloopt. Als we niet weten waar de knelpunten zitten, dan kunnen we daar ook niet op sturen. Op dit moment merk ik dat het ook voor mij onvoldoende inzichtelijk is waar de keten in de verschillende afstemmingsmomenten hapert. Dat maakt het moeilijk om op dit moment de knoppen te identificeren. Dat is dus wat TNO voor ons in kaart gaat brengen. Gelijktijdig zitten we natuurlijk niet stil. We werken aan alle zaken waarvan we wél weten dat ze tot knelpunten leiden. Ook die zullen in het deltaplan terugkomen. Dat is ook waarom ik hiermee niet eerder kan komen dan Q1 van 2027. Ik heb het daar namelijk ook uitvoerig met de Rekenkamer over gehad en gezegd: als u wilt dat ik dit echt oppak in al zijn facetten, dan moet ik even de tijd hebben om ook te zorgen dat ik en alle ketenpartners snappen waar we op gaan sturen. Uiteraard, zeg ik daarbij in antwoord op de vraag, is de tenuitvoerlegging daarbij ook een volwaardige pijler in het deltaplan waar we mee komen. Smarter formuleren. Absoluut; dat is iets wat we gaan doen. Maar we willen dat ook doen op een manier waarvan we weten dat we ons eraan gaan houden. We willen geen normen neerleggen, bijvoorbeeld rondom zedenzaken of jeugd, waarvan we vervolgens over een paar jaar moeten constateren dat we ze niet hebben gehaald.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nee, en het kan zomaar zijn dat we in het deltaplan tot het inzicht komen dat deze normen op een andere manier moeten worden vormgegeven of beter gehaald moeten worden. Op dit moment doet de keten nog zijn uiterste best om die normen te halen. In sommige arrondissementen lukt dat ook. In die zin is het dus niet zo dat er across the board nooit een norm wordt gehaald. Daarom vind ik het nu zonde om normen weg te halen die wel stimuleren en sturen binnen de arrondissementen. Tegelijkertijd kan het zomaar zijn dat we in het deltaplan tot een heel andere verdeling en een andere prioritering komen. Dat zijn de twee werkelijkheden die in ieder geval tot begin 2027 nog even naast elkaar bestaan. De heer Sneller stelde verschillende vragen over het functioneren van de strafrechtketen en mijn visie daarop. Hoe ziet het ideale proces eruit en welke targets worden dan behaald? Laat ik vooropstellen dat er voor mij geen taboes zijn. Dat heb ik ook zo besproken met de ketenpartners. Dat hebben we in een hele informele setting gedaan, waarbij we gezegd hebben, ook over elkaars delen van de keten: "Wees nou eerlijk over welke knelpunten je ziet bij jezelf of bij de ander. Van welke processen denk je dat ze anders ingericht zouden moeten worden? Welke zaakstromen wil je eigenlijk niet meer zien in de strafrechtketen? Waar zit de bottleneck? Waardoor komen bijvoorbeeld sepots?" Sepots zullen onvermijdelijk zijn — ik kom daar nog op terug — maar sommige sepots komen uiteindelijk ook doordat men helaas in de opsporing steken heeft laten vallen. Zo heeft iedereen heel eerlijk gereflecteerd op zijn eigen beeld op de keten en op de ander. TNO gaat ons daar verder in helpen. Ik hoop dat al die informatie samen ons uiteindelijk gaat helpen om nu echt een breakthrough te creëren in het functioneren van de keten. Er werd ook aandacht gevraagd voor slachtoffers. De staatssecretaris komt daar nog uitgebreid op terug vanuit haar verantwoordelijkheid. De afgelopen jaren is zowel de rechtsbescherming van verdachten als de positie van slachtoffers in de keten versterkt. Dat zijn ontwikkelingen die we toejuichen, maar de keerzijde — enkelen van u noemden dat al — is dat het systeem daardoor ook minder wendbaar wordt en dat zaken langer kunnen duren. Ja, dat moeten we op de koop toe nemen, maar we moeten ons wel elke keer realiseren dat als wij elementen toevoegen aan ons rechtssysteem of aan de strafrechtketen, we tegelijkertijd de snelheid en de doorlooptijden niet uit het oog moeten verliezen. Daarom vind ik het ook belangrijk om t.z.t. te bespreken welke indicatoren we belangrijk vinden en waar we op gaan sturen. Een van de zaken waar we in de keten mee te maken hebben, is de werklast van de organisaties. Uiteindelijk moet ik ook zorgen dat de werklast voor deze organisaties behapbaar is. Ik kan u naar aanleiding van werkbezoeken vertellen dat dat op dit moment zeker niet altijd het geval is. Er is soms echt sprake van overbelasting van het systeem of van ketenorganisaties. Ook ik en wij allen zullen kritisch moeten zijn op nieuwe beleids- en wetgevingsinitiatieven om te zorgen dat we die keten niet onrealistisch belasten. Daarmee zijn we er echter nog niet. Het is nodig dat de toekomstige knelpunten in de keten snel naar voren komen en aangepakt worden. Dat heeft ook meer inzicht nodig: gewoon droog in de cijfers. Het CJIB voert in opdracht van ons een verkenning uit naar de mogelijkheid van een ketenbreed dashboard naar het model van de executieketen. Daar bestaat dat nu al en kun je dus zaken volgen en zie je ook waar die blijven hangen. Ze zijn nu bezig om dat uit te rollen naar de volledige keten. Dat kan ons inzicht geven in waar zaken nu blijven hangen en waarop we moeten sturen, of in capaciteit of in selectiviteit, om te zorgen dat zo'n prop opgeheven wordt. Sturingsinformatie is dus heel belangrijk. Voor jeugdzaken hebben we die al. Daarvoor is een monitor ontwikkeld die inzicht geeft in de doorlooptijden. Ook dat geeft weer inzicht in waar de knelpunten zitten en hoe we dat kunnen doen. Ik zou heel graag voor de andere geprioriteerde zaakstromen ook een dergelijk dashboard willen hebben. Dat komt allemaal terug in het deltaplan. Ik nodig de leden ook van harte uit om ons te helpen in de aanloop naar dat deltaplan. Zoals ik zei, zijn er geen taboes. Financiering hebben we niet expliciet meegegeven aan TNO als onderwerp, zeg ik tegen de heer Ellian, maar het kan natuurlijk wel zo zijn dat uit het TNO-onderzoek de financieringswijze of -constructie als een knelpunt naar voren komt of iets wat leidt tot de verkeerde prikkels. Dat was waar u onder andere op doelde. Dan moeten we dat ook adresseren. We nemen dat mee in het deltaplan. Ik heb het in ieder geval als aandachtspunt goed in mijn oren geknoopt. Ik heb nog een aantal antwoorden op specifieke vragen in het kader van de strafrechtketen. Misschien is het aardig als ik die nog meeneem in aanvulling op het deltaplan. Daarna heb ik nog de ICT, het OM en de sepots.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: De financieringssystemen. Ik noemde het net al even in de richting van de heer Ellian: ik heb die als aandachtspunt genoteerd. Eerder onderzoek heeft aanbevolen om de huidige bekostigingswijze van politie, OM en de rechtspraak te behouden. Dat is een SEO-onderzoek geweest. Maar nogmaals, we weten ook dat elk bekostigingssysteem zijn voor- en nadelen heeft. Ik neem het graag nadrukkelijk mee in de verdere uitwerking. Als verbeteringen mogelijk zijn, gaan we die zeker niet nalaten. Zo heeft het parket Oost-Nederland onlangs aangegeven een pilot te willen doen met een alternatieve financieringswijze. We kijken naar de uitkomsten daarvan. Je kunt het dus ook per parket toetsen en monitoren of dat gewenste effecten heeft. De beroepsprocedure tegen verkeersboetes en het beslag daarvan op de capaciteit van het OM. Dit is een vraag van mevrouw Straatman. De hoogte van de boetes is niet zozeer iets wat leidt tot een belasting van de keten. Er zijn maar weinig mensen die echt in beroep gaan tegen de hoogte van de boete. Waar ze vaak tegen in beroep gaan, is het feit dat ze een boete hebben gekregen. Nogmaals, ik weet dat u in de Kamer bezig bent met meedenken met mij hoe wij het boetestelsel meer in balans kunnen krijgen, zonder dat we daar enorme bedragen voor beschikbaar hebben. Ik sta daar ook nog steeds voor open. Maar het beroep — dat was voor mij een inzicht toen ik minister werd — is heel erg gekoppeld, gewoon bijna wetmatig, aan het aantal boetes dat je uitdeelt. Het is een vast percentage mensen dat daartegen in beroep gaat. Dat is ook een van de bottlenecks bij het plaatsen van meer camera's, wat gemeentes heel vaak willen. Een van de bottlenecks daarbij is of je wel de ketencapaciteit hebt om vervolgens al die extra beroepen die je daarbij krijgt, adequaat af te handelen. Dat is hoe het werkt. Dat percentage zit nu op 7% van de beboete burgers. Die zijn het dus niet eens met een boete.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat ligt er ook aan welke rechter je treft. Daar hebben we recent ook nog een aantal verschillende uitspraken over gehad. De kwestie van de ophoging ligt op dit moment voor op het hoogste niveau, maar er zijn verschillende rechtbanken die uitspraken hebben gedaan over de houdbaarheid van de hoogte van de verkeersboetes als zodanig. Dat ligt nu ook bij de rechter, maar het is zeker niet zo dat het automatisch tot een verlaging van je verkeersboete leidt als je daartegen in beroep gaat. Ik noemde het aandeel mensen dat om die reden in beroep gaat. Dat is relatief klein. Van die 7% — dat zijn er dus 528.200 — benadert uiteindelijk maar een relatief klein deel om deze reden de rechtsketen. Nogmaals, we gaan het in een ander verband nog uitgebreid hebben over de hele systematiek van de balans. De onlinecriminaliteit is absoluut een aandachtspunt. Wij zien op dit moment dat meer dan 50% van de aangiftes in ieder geval een onlinecomponent heeft, of dat nou volledige onlinecriminaliteit is of de online benadering van jongeren om hen te ronselen. De onlinecomponent van criminaliteit is enorm. Die vindt lokaal zijn beslag, maar heeft natuurlijk ook een grote landelijke component. We zijn nu bezig met het opstellen van een nieuwe veiligheidsagenda. Ik kan u alvast verklappen dat onlinecriminaliteit daar een belangrijk speerpunt in gaat worden. We zijn ook aan het kijken naar hoe je dat het beste inricht qua expertise, maar ook qua management en eenvormigheid. Je zult dus gaan zien, ook bij de politie, dat onlinecriminaliteit heel vaak veel meer landelijke componenten of verschijningsvormen heeft. Mensen worden opgelicht in Tytsjerksteradiel, maar tegelijkertijd ook, door dezelfde persoon, in Zoutelande. De vraag is of het OM of de politie dan elke keer lokale zaken moet beginnen of dat je een centraal punt hebt waar je dit soort grotere fraudezaken gecombineerd in één zitting, in één zaak, mee kunt nemen. Dat vraagstuk gaat niet weg en blijft alleen maar toenemen de komende tijd. Het voordeel is dat de onlinecriminaliteit een deel van de klassieke criminaliteit vervangt, zoals woninginbraken et cetera. Je ziet daar dus een daling. Mensen scholen zich beter, zou ik bijna willen zeggen. Ook dat moeten we aanpakken, omdat we ze daar niet mee kunnen laten wegkomen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik hoop u daar op Prinsjesdag meer inzicht in te kunnen geven. U weet dat er door dit kabinet een fors bedrag beschikbaar is gesteld voor intensivering, in dit geval specifiek van de politie. Ik kan u al wel verklappen dat zowel onlinepolitie als gebiedsgebonden politie daarin goed bedeeld zullen worden, waarbij ik ook de zedenpolitie noem. Daarbij kijken we naar hoe we dat op een slimme manier kunnen doen, kijkend naar de vorm van de criminaliteit. Mensen moeten altijd ergens terechtkunnen. Dat zal heel vaak lokaal zijn, maar dat kan ook steeds meer online. Politie.nl is het best bezochte politiebureau van Nederland. Ik zou dat ook graag willen aanmoedigen, want dat maakt het makkelijker om dit soort onlinezaken centraal op te pakken.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Op dit moment staat de korting nog. We komen natuurlijk op Prinsjesdag met een begroting. Daar gaan we het ook met elkaar over hebben. Ik voorzie dat dit onderwerp dan nadrukkelijk ter sprake zal komen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dan kom ik bij het blokje over de ICT van het OM. Mensen vroegen mij of ik een goed reces en een goede vakantie heb gehad; dat heb ik. Vorig jaar was dat wat minder en dat kwam door het OM, of eigenlijk niet door het OM, maar door degene die binnen wist te dringen in de systemen van het OM. Er is toen heftig ingegrepen door het OM, juist omdat er onvoldoende monitoring was van de systemen, onvoldoende login, om er zeker van te kunnen zijn dat alle informatie ook echt veilig was na het dichtgooien van de "hackdeur", zoals ik het maar even noem. Dat heeft grote impact gehad, zoals we ook hebben kunnen zien. Het OM en de medewerkers hebben de strafrechtketen houtje-touwtje in beweging moeten houden. Dat heeft tot heel veel extra werk en heel veel frustratie geleid. Er werd al gerefereerd aan de 3.000 medewerkers die daar een brandbrief over schreven. Inmiddels is het systeem weer stabiel, maar voor de toekomst weten we dat er een grote opgave ligt om daaraan te werken. We hebben daarom ook 50 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de ICT van het OM. Het OM is nu bezig om daar een bestedingsplan voor op te stellen. Daarnaast hebben we onafhankelijke deskundigen gevraagd om onderzoek te doen naar de oorzaak, hoe er is gehandeld en wat we daaruit kunnen leren voor de toekomst. Dat onderzoek heb ik inmiddels. Ik zal u, naar verwachting nog deze maand, in een brief nader inlichten over wat dat betekent voor de toekomstbestendigheid van het OM. Daar hangt natuurlijk de ICT-opgave in relatie tot het Wetboek van Strafvordering mee samen, zoals een aantal van u al heeft benoemd. Ook op dat punt heeft het OM de winstwaarschuwing gegeven dat ze niet alles verwachten te kunnen implementeren. De staatssecretaris en ik zijn daarop ingegaan in de beleidsreactie die we op 30 juni naar uw Kamer hebben gestuurd. We moeten kijken naar het Wetboek van Strafvordering in relatie tot die ICT-opgave. Ik denk dat de staatssecretaris daar nog iets over zal zeggen, in ieder geval over de implementatie. Dat was het blokje over de ICT van het OM.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik kom op de OM-strafbeschikkingen. Ook daar zijn een aantal vragen over gesteld. Er werd gerefereerd aan de onderzoeken van zowel het WODC als die van de pg van de Hoge Raad. Die hadden een aantal kritische noten en benoemden tekortkomingen. Die rapporten heeft u eind mei, begin juni gehad. Wij komen in het najaar nog met een reactie, mede namens het OM, op de vraag hoe die knelpunten zullen worden aangepakt. Het OM neemt die knelpunten natuurlijk serieus, zeker de punten die al eerder terugkwamen. Ik wil daar niet helemaal op vooruitlopen. Ik wil hier wel nog even benoemen dat de rapporten niet alleen maar negatief of kritisch zijn over de OM-strafbeschikkingen. In de kern stellen beide onderzoeken dat er in de kern weinig mis is met de OM-strafbeschikking en dat procesdeelnemers, dus zowel advocaten en rechters als officieren, in de praktijk geen grote problemen constateren bij het toepassen van de strafbeschikking. Het is dus een efficiënte manier van afdoening, waarmee, met de benodigde kwaliteit, relatief snel een strafrechtelijke reactie kan worden gegeven op bepaalde vormen van criminaliteit. Daarmee wordt de strafrechter ontlast en de schaarse rechterlijke capaciteit benut voor zwaardere strafzaken. In het deltaplan waar we naar toewerken zal, voor mij althans, de neiging niet zijn om het instrument van de strafbeschikking met deze kwalificaties terug te dringen. Wel moeten we het natuurlijk verder vervolmaken, zoals ook de pg en het WODC verder opmerken. Dit dus nog niet vooruitlopend op de beleidsreactie, maar toch een eerste reactie. Dan de beleidssepots. Mevrouw Faber begon net haar betoog daarmee. Eigenlijk begon ze daarmee naar aanleiding van de bestorming van de raadszaal in Utrecht. We hebben daar vorige week of de week daarvoor, geloof ik, een aantal sets Kamervragen over beantwoord. Die zijn natuurlijk veel uitgebreider dan wat ik nu als antwoord kan geven. Er was hier sprake van twee aparte strafbare feiten, waar verschillende straffen op staan. Uiteindelijk heeft het Openbaar Ministerie besloten om alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester terugkeerde naar de raadszaal. Daar staat de zwaarste straf op. Om niet heel veel opsporingscapaciteit in te zetten op iedereen die voor een lichter vergrijp daaromheen stond, heeft het OM ervoor gekozen om alleen dat zwaardere vergrijp verder te vervolgen. De communicatie richting de aangever van dat andere feit, dat geseponeerd is, is niet goed geweest. Dat stond ook in de antwoorden in die Kamerbrief. Daar zijn excuses voor aangeboden door het OM. Ik kan op zich de afweging van het OM in dezen wel volgen, om te gaan voor het zwaarste strafbare feit en daar de capaciteit op in te zetten. In algemene zin heeft het Openbaar Ministerie de wettelijke bevoegdheid om van vervolging af te zien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Dat is het opportuniteitsbeginsel. Een belangrijke reden is dat het Openbaar Ministerie natuurlijk beperkte middelen heeft en daarom prioriteiten moet stellen. Ze kunnen nou eenmaal niet alle zaken oppakken. Door het opportuniteitsbeginsel kan het Openbaar Ministerie kiezen welke zaken wel en niet worden opgepakt. Natuurlijk gaan we in het deltaplan voor de strafrechtketen gezamenlijk weer kijken wat wij dan de prioriteiten vinden die in ieder geval daarin naar voren zouden moeten komen. Het OM werkt wel aan het terugbrengen van het aantal verschillende sepotgronden. U noemde er een aantal. Het is inderdaad een heel bos aan gronden. Dat schept natuurlijk niet in alle gevallen helderheid richting slachtoffers en verdachten. U noemde de maatschappelijke onrust. Die valt onder de sepotgrond "landsbelang". Ik heb geen voorbeeld kunnen vinden waarin dit sepot is toegepast. Dan moet u echt wel denken aan hele heftige zaken. Het is dus niet alsof dat nu door het OM te pas en te onpas wordt gebruikt in de dagelijkse gang van zaken. U vroeg nog naar het aantal beleidsdepots. Uit het jaarbericht van het OM — zij leggen daar verantwoording over af — over 2025, bleek dat er in dat jaar 20.300 zaken tot een beleidssepot kwamen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Het was deels ook een herhaling van de inbreng. Ik ga daar ook geen andere antwoorden op geven dan ik al heb gegeven. Ik weet niet hoe de beleidsdepots zijn uitgesplitst in het jaarbericht van het OM. Dat zou ik even moeten nagaan en daar komen we dan op terug. Het aantal beleidsdepots wordt dus wel gerapporteerd in ieder geval. Ik heb ook gezegd dat u bepaalde sepotcodes gewoon niet terug zult vinden, omdat het OM … Nou, weet je, landsbelang: meestal hoor ik er dan wel even van voordat dat zou worden inzet als reden om een beleidssepot in te voeren. Sommige worden dus gewoon niet toegepast. Ze bestaan wel, omdat je je kunt voorstellen dat je er gebruik van wilt maken. U zegt dat beleidsdepots een schending zijn van de trias politica. Nou, als we geen beleidssepots zouden hebben, dan zouden we überhaupt geen strafrechtketen meer hebben. Het opportuniteitsbeginsel is een van de bakens waar ons rechtssysteem op drijft, waarbij het OM binnen de bevoegdheden zelf de keuze kan maken in welke zaken het wel vervolgt en in welke niet. Als je dat alleen maar op technisch doet, dan voegen we dus nog 20.300 zaken toe aan dat palet waarvan het OM dus zegt: ik zie daar eigenlijk geen heil in. Daar zou ik niet zo heel erg voor zijn. Dan Utrecht. U zegt: de zaak is ingetrokken. Nee, de zitting is aangehouden op verzoek van een van de verdachten. Die zaak loopt gewoon nog en ik verwacht dat die binnen enkele weken voorkomt.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, wat moet ik hier nou op antwoorden? U praat echt over fundamenten van ons rechtsbestel en doet alsof daarbij fundamenteel onrecht wordt gedaan aan onze rechtsstaat. Dat is niet zo. Het is een fundamenteel onderdeel van onze trias politica dat het OM beschikt over het opportuniteitsbeginsel om een selectie te kunnen maken in wat wel en wat niet de strafrechtketen ingaat. Dat is ... Ja, ik denk er niet aan om daar iets in te veranderen. Ik zou het u ook ten zeerste afraden. De politie kan zelf ook tot de conclusie komen dat bepaalde aangiftes niet verder worden gebracht om bepaalde redenen. Als het simpele feit dat ergens een melding wordt gedaan altijd moet leiden tot een gang naar de rechter, dan hebben we geen functionerend rechtsbestel meer. Beleidssepots zijn hier wat mij betreft een belangrijk onderdeel in. Over het noemen van de sepotcodes: ik wil aan het OM wel vragen of zij die al beschikbaar hebben op basis van de ICT-systemen, zodat ze hier zijn. Als dat niet zo is, dan zou ik ertegen zijn om daar een extra spoor op te zetten en er ICT-ontwikkelcapaciteit voor in te zetten om dat mogelijk te maken. Dus als het makkelijk kan, dan kunnen we het OM vragen om dat mee te nemen in het jaarbericht.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik heb die niet gehoord in uw eerste termijn, dus …
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Daar kom ik in de tweede termijn op terug.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nee, maar dat is ook geen wet van Meden en Perzen. Ook dit valt binnen het opportuniteitsbeginsel van het OM. Ik denk dat het voor de trias politica niet goed zou zijn als wij op die stoel gaan zitten om te bepalen wat wel en niet te vervolgen in een individueel geval. Hier heeft het OM gemeend om in één incident te gaan voor de kern met het zwaarste strafbare feit. Ik meld dat hier. Dat is een afweging die het OM heeft gemaakt in deze zaak. Dat kan in een ander geval weer anders zijn. En u heeft gelijk: het verstoren van een raadsvergadering is altijd strafbaar, in welke vorm dan ook.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik heb nog één vraag, over maximumstraffen. Die discussie loopt natuurlijk al een tijd …
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nou, maximumstraffen, en mevrouw Coenradie …
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: … stapte meteen door naar de minimumstraffen, als de maximumstraffen niet opleverden wat gewenst was. We hebben een WODC-onderzoek gehad over bijvoorbeeld agressie en geweld tegen hulpverleners. We hebben daarin gezien dat de strafverzwaring niet altijd wordt geëist en dat daar waar die wordt geëist, dat ook niet altijd door de rechter wordt gevolgd. Een van de oorzaken volgens het WODC-onderzoek die u noemde, is dat rechters mogelijk niet altijd de maatschappelijke discussie — ik parafraseer even — meenemen. De andere kant daarvan is dat ook gezegd werd dat er onvoldoende oog is voor de afweging die rechters of het OM in individuele gevallen maken. Die twee redenen zorgen ervoor dat daar een kloof tussen zit. Daarover ben ik het gesprek met het OM en de Raad voor de rechtspraak aangegaan, gewoon op een eerlijke manier: "We constateren die kloof. Die vindt niemand wenselijk. Hoe gaan we daaraan werken?" Ik verwacht u nog dit jaar te kunnen informeren over de vervolgstappen die daar gezet gaan worden. Daarbij denk ik op dit moment nog niet aan minimumstraffen. Daar zitten veel haken en ogen aan. Daar zijn ook onderzoeken naar geweest. Ik wil eerst kijken of we die kloof op deze manier kunnen dichten.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Er worden twee redenen genoemd in het rapport. Dit de ene. De andere is dat wetgevers zich soms onvoldoende rekenschap geven van wat in een individuele casus redelijk en billijk zou zijn. Die twee samen leiden tot een kloof. De ene partij zal zeggen dat het 80-20 is en de andere zal zeggen dat het 20-80 is. De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden. Maar in ieder geval herkent iedereen de kloof die er is en die ook wordt geconstateerd in het WODC-onderzoek. En ja, de kloof is onwenselijk, dus we gaan proberen daar een dichting aan te geven.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja. Het zijn vervolgstappen om te kijken hoe je de beide werkelijkheden dichter bij elkaar kunt brengen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Daar zijn we over in gesprek.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat zijn uitvoerige onderzoeken, die ook in meerdere etappes zijn gedaan. Elke selectiviteit in de strafrechtketen is een probleem. Dat ben ik met u eens. Maar ik zou die onderzoeken tekortdoen door nu in een aantal zinnen de beleidsreactie daarop te geven. Ik geloof dat we die voor het najaar hebben toegezegd. Klopt dat?
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dan gaan we er natuurlijk uitvoerig op in. De rapporten zijn heel uitgebreid. Ze gaan door verschillende delen van de keten. Ik ga ze nu niet in een paar zinnen tekortdoen, maar elke selectiviteit is ons natuurlijk een doorn in het oog.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Laat ik het meteen preciezer maken. Van Q3 wil ik graag Q4 maken, want er lopen nog gesprekken met de verschillende instanties.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Over degene die ik net noemde, de selectiviteit.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: De OM-strafbeschikkingen: einde Q3. Over het deltaplan hebben we gezegd: Q1 2027.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dank, voorzitter. Dank ook aan de leden voor hun inbreng in de tweede termijn. Ik ga proberen de vragen zo goed mogelijk inhoudelijk te beantwoorden zonder Hotel California op te roepen bij mevrouw Abdi, maar er zit wel herhaling in sommige van mijn antwoorden, vrees ik. Ik zeg nogmaals toe aan mevrouw Faber dat wij met het OM gaan kijken of ze op een makkelijke manier al die sepotcodes boven water kunnen halen, maar ik maak het voorbehoud van "op een makkelijk manier". Als dat ingrijpende aanpassingen in de ICT of anderszins of hele grote administratieve lasten met zich meebrengt, dan kom ik er bij u terug. Ik zeg echter niet op voorhand toe dat we dat ook gaan doen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: De toezegging is dat ik naar het OM ga om te kijken of dit kan, en dan kom ik terug.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat kan over een maand.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat lijkt logisch, maar dat weet ik niet. Wat betreft de parketmedewerkers: kunnen ook anderen dan de officier van justitie zelf sepotbesluiten nemen? Ja, maar dat kan alleen op basis van een verleend mandaat, dat dan ook moet zijn onderbouwd. Bovendien moet ook traceerbaar zijn — dat was een van de aanbevelingen van de pg bij de Hoge Raad — wie uiteindelijk de sepotbeslissing heeft genomen: de officier van justitie of een parketmedewerker en, zo ja, welke. Het college is daarmee aan de slag gegaan en heeft een gewijzigd modelmandaat vastgesteld. Die aanbeveling wordt ook meegenomen in het nieuwe zaakregistratiesysteem van het OM, het EMMA. Zo kunnen sepotbeslissingen echt alleen worden genomen door gemandateerde medewerkers en kan dit ook in de systemen worden teruggehaald. Dan de vraag van mevrouw Coenradie over aangiftes die worden opgepakt daar waar het gaat om geweld tegen hulpverleners. Ik heb die signalen ook informeel gekregen. U heeft er ook vragen over gesteld. Die hebben we ofwel beantwoord of de antwoorden komen er nog aan. Maar het beeld dat die zaken niet zouden worden opgepakt, of niet met serieusheid, wordt niet herkend in de cijfers. Ik kan toezeggen dat we het inzicht daarin meenemen samen met de kloof die we dichten, want het hangt natuurlijk met elkaar samen. Ik heb inderdaad gezegd dat ik dat voor het einde van dit jaar aan u doe toekomen. Wat betreft het Bollendak: ik ben heel blij voor de betrokken agent dat er uiteindelijk niet tot vervolging wordt overgegaan en dat de toepassing van het geweld in dit geval als adequaat is beoordeeld. Ik sta uiteraard altijd voor politieagenten die onder moeilijke omstandigheden besluiten moeten nemen, waarbij bovendien heel vaak maar een deel van het gebeurde achteraf viraal gaat op het internet. Dat heeft een enorme impact op agenten. Het geeft ook zelden een goed beeld van wat er werkelijk is gebeurd.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dit laat ik echt aan de politie. De politie heeft haar eigen onderzoek uitgevoerd; ik reageer nu op de uitspraak van het OM. Dat is mijn appreciatie zoals u 'm heeft gehoord.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik had nog één vraag, van mevrouw Straatman, over de boetes. U zegt: ik kan me niet aan de schijn onttrekken dat hier een financiële drive achter zit, of dat het komt door de hoogte. Dat is niet het beeld dat we hebben. Laat ik het zo zeggen. De stijging die u ziet, heeft ook te maken met de stijging van het aantal controles dat we uitvoeren. We hebben de flexflitsers, de mobiele flitsers, die enorm zijn toegenomen. Dat leidt dus ook tot heel veel meer boetes. Zoals ik al zei, komt 7% daarvan uiteindelijk terecht in de strafrechtketen. Een groot deel van de stijging kunt u daaraan toeschrijven. Dat staat los van mijn wederom uitgestrekte hand om gezamenlijk te kijken naar meer balans zonder grote financiële belasting.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat is een bredere brief over de ICT bij het OM. Daar zullen we deze vraag in meenemen. Anders klinkt het als een toezegging in een bepaalde richting.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Excuus, voorzitter. Die vorige hing samen met de kloof.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat ís de kloof. Dat is dus één toezegging.
Bron, video en gesprek →