Jaarverslag en Slotwet 2025 ministerie Justitie en Veiligheid
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
David van Weel
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →Minister Van Weel: Ik zal blijven. Dank aan de Kamerleden voor hun inbreng in eerste termijn. Ik denk dat de diversiteit aan vragen en stukken wel aangeeft hoe groot en urgent de opgaven zijn waar we voor staan. 2025 stond voor mijn ministerie in het teken van een veranderd veiligheidsbeeld. Internationale spanningen, digitalisering en de verwevenheid van online en offline criminaliteit hebben geleid tot nieuwe veiligheidsuitdagingen. Daarom richt onze inzet zich op drie hoofdlijnen: het versterken van de nationale veiligheid en maatschappelijke weerbaarheid, het bestrijden van georganiseerde criminaliteit en het versterken van de veiligheidsketen. Op het terrein van nationale veiligheid zijn belangrijke stappen gezet. Zo hebben we verder gewerkt aan de versterking van het taakveld bewaken en beveiligen, aan wetgeving voor cyberbeveiliging en de bescherming van vitale infrastructuur en aan verdere crisisvoorbereiding. Daarnaast hebben we medio 2025, we zouden het bijna vergeten, de NAVO-top gehost. Ook hebben we stappen gezet om de maatschappelijke weerbaarheid te versterken, onder andere via de breed uitgerolde Denk vooruit-campagne, die nu zijn tweede flight in gaat. Vorige maand heb ik met de Kamer gesproken over de aanpak van terroristische en extremistische dreiging, specifiek over de investeringen in vroegsignalering van radicaliseringsprocessen, zowel online als offline. Tegelijkertijd heeft het kabinet ingezet op de uitbreiding van het juridisch instrumentarium. Zo is sinds 1 juli 2025 de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten in werking getreden. Bij de aanpak van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit blijven we inzetten op voorkomen, doorbreken, bestraffen en beschermen. Er zijn stappen gezet op het gebied van preventie, de aanpak van criminele geldstromen en internationale samenwerking. Tegelijkertijd zien we ook nu nog hoe criminelen zich voortdurend aanpassen en steeds vaker gebruik maken van digitale middelen. De Algemene Rekenkamer laat in haar verantwoordingsonderzoek zien waar het beter moet, maar ook waar vooruitgang is geboekt. De druk op de strafrechtketen — ik kom daar zo uitgebreid op terug — blijft groot, ook door capaciteitstekorten en oplopende werkvoorraden. De opmerkingen van de Rekenkamer nemen wij serieus. Ik zal zo dieper ingaan op hoe serieus ik die neem. Ook op het terrein van de foute tenaamstellingen zijn belangrijke stappen gezet. De staatssecretaris zal de Kamer daar verder over inlichten. De Rekenkamer constateert dat de eerdere ernstige onvolkomenheid is afgeschaald. Het afgelopen jaar is opnieuw veel gevraagd van onze politiemensen en alle andere professionals in de veiligheidsketen. Ze werken dagelijks onder hoge druk aan de veiligheid van Nederland. Daar spreek ik mijn grote waardering voor uit. De opgaven waarvoor wij staan, blijven groot en veranderen voortdurend. Dat vraagt om onze blijvende inzet, samenwerking en investeringen in een sterke en weerbare rechtsstaat. Na deze inleiding, voorzitter, heb ik een aantal blokjes. Ik begin met de strafrechtketen, daarna het blokje politie, daarna een korter blokje afpakken, een eveneens korter blokje preventie met gezag, een nog korter blokje nationale veiligheidsstrategie en dan nog het grotere blokje overig. Laat ik beginnen bij de strafrechtketen. Ik zal u zeggen dat het mij een doorn in het oog is dat wij van een onvolkomenheid naar een ernstige onvolkomenheid zijn gegaan, met zelfs de dreiging van een formeel bezwaar. Dat moet echt anders. Daarvoor zijn de staatssecretaris en ik tot op het bot gemotiveerd. Daarom hebben wij deze week aan de Kamer gezegd dat wij het plan voor een deltaplan, zoals genoemd door mevrouw Mutluer, omarmen, dat wij het roer willen omgooien en dat wij doorbraken willen forceren in die keten. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Wij hebben de afgelopen jaren gezien dat met de inspanningen en de goodwill die er echt zijn bij alle ketenpartners, het ontzettend moeilijk is om met het stellen van targets automatisch een verbetering te bewerkstelligen. Er moet dus meer gebeuren en de vraag is: hoe en op welke manier? Dat is waarom we een aantal sporen hebben uitgezet. Eén: we nemen de kritiek ter harte dat we niet smart genoeg zijn in onze doelstellingen. Los van algemene formuleringen als "dit moet beter" en "hier willen we vooruitgang zien", gaan we die doelstellingen echt smartificeren, zodat we weten wat we willen, maar ook weten wat we halen en wat we niet halen, en hoe we dat niet halen. Ik wil ook beter inzicht hebben in de hele keten. Dat is op dit moment lastig. Iets begint met een melding of een aangifte, maar uiteindelijk wordt het al dan niet een zaak, belandt het in een rechtszaak en mogelijk bij de DJI of bij de reclassering. Het is heel moeilijk om door al die verschillende systemen heen één zaak van melding tot uiteindelijk uitstroom te kunnen volgen. Dat maakt het zo moeilijk om inzicht te krijgen in waar de bottlenecks in de verschillende ketens zitten. Dat hebben we nu met een doorbraak eindelijk weten te bereiken bij jeugd, waar het CJIB in staat is geweest om over die hordes van gegevensbescherming heen te kunnen kijken en een dashboard te creëren waar je nu daadwerkelijk één zaak van begin tot eind kunt volgen. Uiteindelijk kun je dan ook zien waar een zaak blijft hangen, waar in de overdracht van politie naar OM, naar rechtspraak, naar DJI, naar reclassering de bottleneck zit, op welke zaakstroom. We hebben het CJIB gevraagd om, nu ze dit voor jeugd hebben gedaan, dit ook uit te breiden naar zeden en naar de andere zaakstromen, zodat we voor het eerst een integraal beeld hebben en daardoor beter de knelpunten kunnen vinden. Maar er is meer nodig. Dat is waarom we TNO hebben gevraagd om te kijken waar de knelpunten in het systeem van de hele strafrechtketen zitten. We hebben ook bij de Rekenkamer gemeld dat we dat willen doen en die steunt die aanpak. Dat vraagt echt een grondige analyse van de hele keten, waarbij ketenpartners input zullen geven en TNO zelf zal kijken naar de samenhang en samenwerking tussen de verschillende organisaties. Op basis daarvan gaan we kijken waar de draaiknoppen zitten. Daarbij schuwen we creatieve oplossingen niet. In het coalitieakkoord werd gesproken voer politiebeschikkingen. Dat is een van de mogelijkheden om te zeggen dat je voor bepaalde zaakstromen bijvoorbeeld veel eerder een exit kunt hebben uit die keten, daardoor een overdrachtspunt mist en daardoor de keten minder belast. We hebben de strafbeschikkingen gezien. In het afgelopen jaar kwamen er terecht kritische vragen uit de Kamer en ook vanuit instanties, maar inmiddels hebben we het rapport van de procureur-generaal van de Hoge Raad binnen. Die vertelt dat strafbeschikking daadwerkelijk heeft geleid tot een ontlasting van de keten, maar dat naar zijn mening ook recht is gedaan aan zowel het recht als ook aan de slachtoffers.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat brengt mij bij het blokje over de aanwijzingsbevoegdheid, die er al dan niet in zit. Als ik nu zou weten welke aanwijzing ik moet geven om de keten in beweging te brengen, zou ik er nu voor tekenen. Er zit bij mij geen enkele institutionele terughoudendheid, zeker waar het gaat om de algemene, dus meer bedrijfsmatig en beheersmatig gerichte aanwijzingsbevoegdheid. Bij een specifieke aanwijzingsbevoegdheid vind ik dat nog wat anders. Maar ik moet wél weten dat het werkt. Op dit moment heb ik niet het inzicht in die draaiknop, waarvan ik kan zeggen: die zet ik nu om en dan gaat de hele keten lopen. Als ik spreek met alle ketenpartners, merk ik dat het niet in de onwil zit. Iedereen vindt dit enorm frustrerend. Iedere ketenpartner zou het liefste willen dat we een vloeiende keten hebben en dat we niet uit de tijd lopen met zaken. Dat noopt mij ertoe om, voordat ik enige aanwijzingsbevoegdheid geef, de tijd te nemen om te wachten op het TNO-onderzoek en om rond de tafel te gaan zitten met de ketenpartners. De staatssecretaris en ik beginnen daar over anderhalve week mee. We willen in hele kleine kring een aantal uren met de hoofdspelers met de benen op tafel gaan zitten om open te ventileren wat we van onszelf vinden dat er niet goed gaat en wat we vinden dat er van de ander niet goed gaat. Daar moet alle ruimte voor zijn. Dan creëren we gezamenlijk een sfeer waarin we dat gaan oplossen. Mevrouw Faber vroeg naar de informatiesystemen. Zoals ik net zei, is dat echt een uitdaging. Dat geldt ook voor gegevensdeling, want je mag niet zomaar tussen de partners al die gegevens over individuele zaken in één dasboard, of in één systeem zetten. Daarom ben ik zo blij met de doorbraak die nu gecreëerd is door het CJIB, waarin ze voor de jeugdzaakstroom wel in staat zijn geweest om die geaggregeerde informatie over de aantallen en de looptijd in de diverse delen van de keten op een rijtje te zetten. Dat is nou precies de informatie die je wilt hebben om te kunnen sturen. Je hoeft niet hele dossiers uit te wisselen. Het gaat erom dat je globaal ziet hoelang zo'n jeugdzaak eigenlijk bij het OM ligt voordat die naar de rechtszaak gaat. Hoelang duurt het voordat die dan op zitting komt? Wat gebeurt er verder mee? Dat basale inzicht missen we op dit moment, omdat er nog te veel in silo's wordt gewerkt. De informatiesystemen hoeven dus niet per se allemaal opnieuw, maar hopelijk krijgen we met hulp van het CJIB wel beter inzicht. Dan nog de vraag of ik deel dat het strafrecht in de eerste plaats de samenleving moet beschermen en normeren. Ja, beschermen en normeren zijn twee van de doelen van het strafrecht, maar een ander doel is natuurlijk vergelding. Ook dat is nadrukkelijk onderdeel van ons strafrechtstelsel. Voorzitter. Ik kan het nog op verschillende manieren voorlezen, maar eigenlijk was dit mijn verhaal over hoe om te gaan met de ernstige onvolkomenheden.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Klopt. De systemen sluiten niet automatisch op elkaar aan. Daar zit niet de reden voor de vertraging. Zaken worden aangedragen door de politie bij het OM en vinden daar echt hun weg in de systemen van het OM. Het probleem is dat je … Wat er nu ontbreekt, is de geaggregeerde informatie die je nodig hebt om te kunnen kijken waar het in de keten vastzit. Dat gaat dus niet om een individuele zaak. Het gaat ook niet om de tijd die het kost om zaken bij het OM op te pakken; het gaat om de informatie over hoelang een zaak bij het OM ligt voordat die wordt opgepakt. Als die wordt opgepakt, hoelang duurt het dan voordat die op zitting verschijnt? En als die wordt aangemeld bij de Raad voor de rechtspraak, hoelang duurt het dan voordat de eerste zittingsdatum is? Dat is het soort informatie voor de verschillende zaakstromen dat we op dit moment niet hebben, omdat we dat niet eenduidig uit de systemen naar boven kunnen trekken. Het probleem zit 'm dus niet in al die systemen aan elkaar verbinden; het probleem zit 'm in de goede informatie uit al die systemen halen om daar een dashboard van te kunnen maken. Dan weet ik — "weten wij", moet ik zeggen — waar we moeten sturen. Als we dan zien dat zedenzaken voornamelijk blijven liggen bij de Raad voor de rechtspraak, dan geeft dat aanknopingspunten voor welke prioriteiten we daarin kunnen stellen en hoe we dan, desnoods wel met aanwijzingen, gaan zorgen dat we die knelpunten oplossen. Maar op dit moment heb ik dus niet eens een goed beeld van de knelpunten. Ik weet niet altijd waar het blijft hangen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nee, het is geen rocket science, maar dat is wel precies wat er moet gebeuren. Dat moet je op een manier doen die wel in lijn is met de privacywetgeving en de gegevensdeling die mogelijk is. Je moet het dus aggregeren. Maar het is precies dát. Nummer 842 begint bij de politie, en die zaak eindigt uiteindelijk in een hoger beroep. Dat hoeft trouwens niet altijd een persoon te zijn; dat kan ook gewoon een zaak zijn. Maar er moet iets zijn waarmee je een uniek kenmerk aan het begin hebt dat doorloopt tot het einde, en dat is er nu niet. In die zin is dat onderdeel van het inzicht dat het CJIB ons nu geeft voor de jeugd. Hopelijk kunnen we die doorbraak ook toepassen op de rest. Uw andere vraag ging over de politiebeschikking. Wij zijn nu aan het verkennen waar de OM-strafbeschikking bij bepaalde zaken een verlichting geeft voor de keten, en in hoeverre je voor bepaalde delicten — dan heb je het over hele simpele delicten, waar echt geen twijfel over mogelijk kan zijn — ook de politie in staat moet stellen om de zaak af te handelen. Dat levert niet zozeer een belasting op, net zoals een bekeuring afgeven geen belasting oplevert. Het betekent wel dat je een zaak niet helemaal in het systeem hoeft te brengen, hoeft uit te werken tot een aangifte, en dan vervolgens hoeft door te geven aan het OM, om daar vervolgens de werklast neer te leggen. Het idee is om dat echt voor vrij simpele vergrijpen te doen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: De politie kan nu ook al bekeuringen uitdelen voor verkeersvergrijpen, om maar wat te noemen. Je kunt daar uiteindelijk, als je wilt, tegen in beroep gaan. Die mogelijkheid zul je bij een politiebeschikking ook op de een of andere manier moeten hebben. Je zult dat niet helemaal kunnen afsluiten, maar dat is precies waar we naar gaan kijken. Het is zeker niet de bedoeling om daar iets kruipends van te maken, zoals we dat ook met een strafbeschikking niet doen. Het OM kijkt elke keer naar elke zaak of dat werkt, of dat inderdaad ontlast en of dat nog steeds recht doet. Zolang het antwoord daarop ja is, denk ik dat het een goed middel is om die keten te ontlasten. Dat zal namelijk niet alleen maar kunnen door de capaciteit in die keten groter te maken.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: De doorbraak op jeugd is er nu. Ik heb daarom goede hoop dat we dat nu ook breder kunnen toepassen op de zaakstromen. Ik kan daar nog geen tijd aan hangen op dit moment. De brief is van gisteren. We gaan daar echt allemaal aan werken. Ik heb ook verteld dat we gaan smartificeren, dus dat we alle doelstellingen gaan uitwerken. Ik zie niet de noodzaak om nu de aanwijzingsbevoegdheid voor het dashboard te gebruiken, om het zo maar te zeggen, omdat ik zie dat er nu beweging in zit en dat er geen tegenwerking is. Dat is het natuurlijk ook. We willen dit uiteindelijk natuurlijk gewoon gezamenlijk, in harmonie, verder brengen. Een aanwijzingsbevoegdheid is ervoor bedoeld om het verder te brengen als er ofwel een partner dwars zou liggen ofwel omdat ze denken: we komen er niet uit als u ons niet helpt. Dan is de constructieve inzet van zo'n aanwijzingsbevoegdheid nuttig, maar voor dit doel is dat nu niet nodig.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Wij hebben niet voor niets de term "deltaplan" overgenomen. We denken inderdaad dat dat wel de urgentie weergeeft die nodig is om nu die doorbaak te creëren, die de afgelopen jaren niet gelukt is. Ik heb zelf, ook in de vorige kabinetsperiode, met het eerste Rekenkameronderzoek met de onvolkomenheden rond de tafel gezeten. We hebben daar ambities neergelegd. Daar zeg ik nu van: daar is onvoldoende van terechtgekomen. De Rekenkamer constateert dat ook. Het besef dat dit anders en met meer urgentie moet, is er bij mij zeker, maar ook bij de ketenpartners. Zij zien ook dat dit leidt tot een bezwaar als we nu niet het roer om kunnen gooien, als we daar niet in slagen de komende jaren. Daar zit echt niemand op te wachten, ook de Rekenkamer niet overigens.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Die laatste kan ik heel concreet maken. Dat is 8 juli. Ik ga u niet de locatie geven. We hebben er bewust gekozen voor om dat met de kernhoofdrolspelers te doen, dus we doen dat met het OM, de Raad voor de rechtspraak en de politie. Dat is toch de kernclub. Maar dat doen we ook om nou juist in die kleine setting hopelijk de openheid te creëren waarin we elkaar de nieren kunnen proeven en ook de waarheid kunnen vertellen zoals wij die zien. Dat is de eerste stap. Onder leiding van TNO zullen we kort na de zomer meerdere sessies hebben om de systeemanalyse die zij gaan maken, van de grond te krijgen. Daar zullen natuurlijk alle partners van het brede ketenberaad bij aanwezig zijn.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja. Dat leidt me tot uw eerste punt over het dashboard. We denken dat de verkenning voor een dashboard over jeugd, zeden en veelvoorkomende criminaliteit voor het einde van dit jaar gereed kan zijn. In de factsheet strafrechtketenmonitor, die we in het najaar sturen, zullen we u in ieder geval de eerste informatie kunnen geven uit de jeugdstroom, en hopelijk ook een update over wanneer naar verwachting de rest rond is. Dat wordt uw eerste rapportagepunt.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik snap de frustratie vanuit uw langjarig rapporteurschap. Die begin ik na twee jaar inmiddels ook te krijgen, maar het enthousiasme is ook oprecht, omdat ik nu wel zie dat er aanknopingspunten zijn om dat inzicht te creëren. Dat is één. Zonder inzicht weten we namelijk niks en komen we ook nergens. Twee. Er is nu draagvlak voor het smartificeren van de doelstellingen. Ik kan me van de vorige ronde herinneren dat het heel moeilijk was om dat voor elkaar te krijgen, ook vanwege de autonome posities van de diverse organen. Maar ik merk die weerstand daar nu niet. In die zin denk ik dat we onder een gunstiger gesternte staan. Maar nogmaals, rekent u ons er vooral op af.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja. Het is iets complexer dan dat. U hebt het nu over een uniek csv en dat vereist een aanpak. Geloof me, op het moment dat de beste man in Freetown op het vliegtuig wordt gezet, zorgen we dat die keten op orde is en dat hij hier van harte welkom blijft. Het gaat hier over honderdduizenden zaken van meldingen — we komen daar zo nog over te spreken bij het rapport van de Algemene Rekenkamer over opsporing — die al dan niet ergens door de keten heengaan om uiteindelijk DJI en reclassering te bereiken. Het is heel moeilijk om dat zo specifiek te doen. Wat je wel wilt doen, is sturen op de doorlooptijden. En je wilt inzicht hebben in de knelpunten van het systeem. Als je merkt dat voor jeugd de zittingscapaciteit een probleem is, hebben we aanknopingspunten om iets aan de capaciteit te gaan doen. Of we moeten de zaakstromen gaan herprioriteren om te zorgen dat we het been kunnen bijtrekken. Dat is het soort inzicht in de keten dat we nu niet hebben en dat we hopelijk zo meteen wel hebben, zodat we juist boven die keten uit de verschillende knelpunten kunnen zien en kunnen adresseren. Het knelpunt van DJI is een langjarige, maar daarover wil ik zeker niet het gras voor de voeten van de staatssecretaris wegmaaien.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat laatste weet ik nog niet. Als die consequentie verwijtbaar is, gaan we daar actie op ondernemen. Als die consequentie komt door capaciteitstekort, is dat een vraagstuk waar we voor staan. Het hangt dus een beetje af van de reden waarom we het niet gehaald hebben. Op dit moment weten we dat niet, omdat we het inzicht niet eens hebben. Politie en OM werken nu aan een nieuw selectiviteits- en opportuniteitskader om in ieder geval in dat deel van de keten die eenduidigheid te hebben, zodat datgene waarop de politie de opsporingscapaciteit inzet in lijn is met datgene waarvan het OM zegt dat daar de prioriteiten voor opsporing liggen. Het is, denk ik, een begin om in ieder geval die twee partners op elkaar te binden. Uiteindelijk wil je dat natuurlijk voor de hele keten hebben.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja. Laat ik dat dan als bruggetje gebruiken naar het rapport van de Algemene Rekenkamer over opsporing. Daar komen namelijk een aantal van dit soort zaken aan te pas. Laat ik vooropstellen dat ik weliswaar best kritische kanttekeningen heb geplaatst bij dat rapport, maar dat dat niet wegneemt dat ik de Rekenkamer dankbaar ben voor het rapport dat ze hebben geschreven. Er staan ontzettend veel zaken in die we absoluut ter harte gaan nemen en waar we echt meer inzicht in willen hebben. Dat kan gaan over politiebegroting, een traject waar ik met uw Kamer al een tijdje mee bezig ben, om te bekijken hoe we het inzicht voor u kunnen vergroten op een manier die u meer inzicht geeft en tegelijkertijd de burgemeesters, namelijk de gezagen, van mijn nek houdt omdat ze zich niet beknot willen voelen in waar zij zelf de prioriteiten leggen als gezag in de inzet van de middelen. Ik ga over het beheer van de middelen, dus wat de politie kan. Wat de politie uiteindelijk doet, is aan de gezagen. Dat is het systeem waar we voor gekozen hebben. Het heeft absoluut nadelen, ook waar het gaat om centrale sturing, maar het heeft ook voordelen, want het betekent ook dat het lokale gezag bijvoorbeeld kan inspelen op lokale trends die zichtbaar zijn in criminaliteit. De heer Ellian had het net over bepaalde wijken waar je een toename kunt zien in jeugdcriminaliteit. Een burgemeester is nu vrij om zijn politiecapaciteit te richten op datgene wat nodig is. Dat is misschien een beetje waar mijn kritiek op dat rapport wel overeind blijft staan. Als je bijvoorbeeld zo'n Crime Harm Index zou gebruiken, waarbij je vrij eendimensionaal zegt "de meest ernstige vergrijpen, waar de hoogste gevangenisstraffen op staan, moeten altijd de maatstaf zijn voor waar je je capaciteit op inzet", geef je de facto een vrijbrief voor een heleboel zaken waarvan wij absoluut niet vinden dat die onbestraft zouden moeten blijven of dat die geen aandacht zouden moeten krijgen. Daarnaast gaat het in het rapport van de Rekenkamer ook voor een heel groot deel over meldingen. Tja, als je een melding hebt, dus niet eens een aangifte, zonder enig aanknopingspunt voor de opsporing — je hebt dus niet eens een begin van een dader of wat dan ook in beeld — gaat de politie daar natuurlijk haar recherchecapaciteit niet op inzetten. In meer dan de helft van de gevallen die genoemd worden, is dat het geval. Dat zijn een paar kanttekeningen die ik toch wel wil plaatsen, omdat het in die zin niet allemaal centraal te sturen is. Dat is nou eenmaal hoe we het systeem niet hebben ingericht. Ik zie daar echt de schoonheid van. Ik kom in gemeentes en zie hoe burgemeesters bezig zijn met lokaal veiligheid te creëren voor hun mensen. Dat moeten ze kunnen doen op een manier die past bij bijvoorbeeld Breda maar misschien niet Zoetermeer. Dat is goed. Tegelijkertijd hebben we hier wel de behoefte om te weten waar we de euro's die we uitgeven, eigenlijk aan uitgeven en wat we ervoor terugzien. Dat is hoe ik dit rapport lees. Met een uitgebreidere bestuursreactie kom ik natuurlijk nog op een later moment.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Het creëert een vorm van inzicht en in die zin is het nuttig. Maar als sturingsinstrument vind ik het te eendimensionaal. Er spelen echt veel meer factoren dan alleen maar de ernst van het delict. In algemene zin denk ik dat we allemaal, ook de politie … Daar waar er opsporingsaanknopingspunten zijn en er sprake is van ernstige zaken, zul je ook lokaal in die teams zitten. In de driehoek worden continu wegingen gemaakt door het OM met de politie over de recherchecapaciteit. Wij hebben dat inzicht centraal niet, maar natuurlijk wordt er continu gekeken wat de recherchecapaciteit is die ze hebben. Er gebeurt iets groots; dan wordt er een Team Grootschalige Opsporing ingesteld en dan gaat daar even de focus naartoe. Dan blijven er wellicht aangiftes liggen van woninginbraken of diefstallen. We hebben azc-protesten gehad waarbij strafbare feiten zijn begaan. Dan zie je dat in een aantal gemeentes in Oost-Nederland in een aantal eenheden nu veel effort wordt gestopt om de mensen op te sporen die daarbij strafbare feiten hebben gepleegd. Er zijn er echt tientallen aangehouden in de afgelopen weken voor dit soort vergrijpen. Er zit dus altijd een flexibiliteit in die je aan de voorkant moeilijk kunt voorzien en ook niet kunt aansturen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Het splitsen van die begroting is moeilijk te verenigen met de scheiding tussen beheer en gezag zoals we die nu hebben. Dat zal ik u in alle eerlijkheid zeggen. Dat is ook tot nu toe de reden geweest waarom we dat niet hebben gedaan en waarom we hebben gezegd: we omarmen de motie in die zin dat we snappen dat u meer sturingsinformatie wil, maar bij het opsplitsen tast je de verhouding tussen gezag en beheer aan. Daar houden de regioburgemeesters mij ook scherp op. Die zeggen: wij zitten helemaal niet te wachten op geoormerkt geld per taak voor onze politie-eenheid; wij willen dat u op hoofdlijnen prioriteiten neerzet en dat u het geld eerlijk verdeelt over de eenheden, waarna wij daarbinnen op basis van die prioriteiten op hoofdlijnen de middelen kunnen inzetten zoals wij dat goeddunken. Dat principe zou ik niet willen kwijtraken bij het verder bieden van inzicht in de begroting.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik denk echt dat we stappen hebben gemaakt. We hebben nu inzicht in hoeveel gebiedsgebonden politie er is en hoeveel recherchecapaciteit er is. Die inzichten zijn er dus. Die hadden we een aantal jaren geleden niet. Ik ben dus echt bezig met het licht aandoen in die kelder. We hebben ook flink schoon schip gemaakt — dat weet u ook — door in ieder geval alle tekorten die er bij de politie waren boven water te krijgen en ook een plan te hebben voor het financieel op orde brengen van de politie. Ik ben ontzettend blij met het extra geld uit het coalitieakkoord; dat betekent dat we dat ook duurzaam in kunnen zetten. Op een aantal zaken die wellicht niet heel erg regiogebonden zijn, willen we ook prioritair inzetten. Denk bijvoorbeeld aan online criminaliteit. Die verhoudt zich niet per se … Je kunt in Deventer het slachtoffer worden van online fraude, maar dat zijn waarschijnlijk duizenden andere mensen door het hele land ook. Dan is de vraag: waar pak je dat op? Daar ga je dus wel centraal meer op sturen. Er zijn andere zaken, zoals de vraag hoe je binnen je eenheid omgaat met je recherchecapaciteit, waar dat weer minder logisch is. Ik zie het echt als een gezamenlijke zoektocht. Ik neem ook graag uw wensen mee in de aanloop naar elke nieuwe politiebegroting, om te kijken of we daar stappen kunnen zetten.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik zal even kijken wat een logisch moment daarvoor is. Het eerstvolgende halfjaarbericht politie is te kort bij; dat redden we niet meer. Maar het volgende dan zeker.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Het is niet zo dat er geen inzicht is of dat er niet gestuurd wordt. Regionaal zijn er sturingstafels, waar gekeken wordt waar we onze recherchecapaciteit op inzetten, wat het OM het meest opportuun acht — dat vertelde ik net — maar er zijn ook landelijke tafels waarbij de voortgang van opsporingsonderzoeken wordt besproken. Daar zijn de administraties en de managementsystemen ook op ingericht. Bij de eenheden is er dus wel degelijk zicht op de resultaten van de opsporingsonderzoeken. Voor het grootste deel van de zaken, zo'n 80%, is het goed mogelijk om inzicht te geven in de resultaten van het onderzoek en de relevante managementinformatie daarvoor op te leveren. Dat geldt zowel voor de districtsrecherche als voor de Dienst Regionale Recherche. De basisteams en de recherche werken nog wel in verschillende systemen — dat merkte u al op — namelijk het BOSZ-systeem en het Summ-IT-systeem, maar er wordt nu wel gewerkt aan een koppeling tussen beide systemen om de managementinformatie van beide systemen in één systeem bij elkaar te brengen. Dat project loopt op dit moment en is hopelijk in de komende jaren afgerond.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nogmaals, op basis van de informatie die ik heb, is dat niet zo. Maar voordat we nu het hele Rekenkameronderzoek uitgebreid appreciëren, denk ik dat het toch beter is als de bestuurlijke reactie daarop wordt afgewacht. Daarin nemen we dit natuurlijk mee.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Daar kom ik zo even op terug. Ik geloof dat drie maanden de gebruikelijke termijn is. Daar zullen we ons aan houden.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Mevrouw Faber doet nu alsof de 8 miljard van de politiebegroting niet verantwoord is. Het is echt een karikatuur die u nu schetst. Dat is helemaal niet het geval. Wij geven steeds meer inzicht in waar de politiebegroting uit bestaat, zoals IV-componenten. We gaven inzicht in personeel. Dat hebben we nu uitgesplitst in acht verschillende werksoorten, waaronder de opsporing en de gebiedsgebonden politie. De materieeluitgaven zijn traceerbaar. U kunt zien naar welke eenheid welke budgetten gaan. Er is dus echt geen sprake van een black box waar het geld heen gaat. De vraag is alleen of we al op een niveau zijn waarbij het gezag nog gewoon kan bepalen "ik zet mijn politie hiervoor in" — want dat is wat het gezag mag op basis van ons stelsel — terwijl we ondertussen hier zeggen: ja, maar het geld komt hier vandaan, dus wij willen wel weten waar dat naartoe gaat. Dat is de zoektocht die we samen doen. Nogmaals, er zijn echt stappen gezet de afgelopen jaren om dat steeds beter te doen. Maar zoals ik net tegen de heer Mathlouti zei: we zijn er nog niet.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik ga niet vooruitlopen op de bestuurlijke reactie, maar de vraag is even welk niveau van sturing je centraal wilt geven aan bijvoorbeeld de regionale recherche, waarbij het uiteindelijk aan het OM is om lokaal de afweging te maken waar de recherchecapaciteit op wordt ingezet. Als jij de afgelopen weken te maken hebt gehad met azc-protesten die uit de hand zijn gelopen in het oosten van het land, dan betekent dat dat best een aanzienlijk deel van de recherchecapaciteit op dit moment daarmee bezig is. Dat zijn niet 12.000 fte die verdwenen zijn of die niks doen. Dat zit daarin. De vraag van het Rekenkameronderzoek is: sturen we er centraal wel genoeg op dat ze de juiste dingen doen? Die wens tot centralisatie in combinatie met het systeem zoals we dat hebben ingericht — namelijk: het lokale gezag bepaalt wat de politie doet, niet de minister — moet je bij elkaar weten te brengen. Dan ga ik in op de bestuurlijke reactie. Met de begroting weten we waarnaar we op weg zijn. We proberen die stappen langzaam te zetten. Ik denk dat voor sommige zaken centrale sturing goed is. Ik noemde net onlinecriminaliteit. Het is niet nuttig om bij elk bureau één digitale rechercheur te hebben op het moment dat je ziet dat onlinecriminaliteit heel erg toeneemt en een landelijk fenomeen is. Daar moeten we dan de afweging in maken. Maar het idee dat er geen enkel inzicht is in waar het geld van de politie heen gaat, wil ik bestrijden. Dat is niet het geval.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nogmaals: met inachtneming van hoe we de organisatie hebben opgezet. Dat is nu eenmaal een systeem — ik noem 'm toch nog maar een keer — waarbij het beheer centraal is belegd en waarbij het gezag bepaalt hoe de politie lokaal wordt ingezet. Dat gezag ligt hier niet. Er zitten dus verschillen tussen hoe die organisatie is ingericht. Dat is de beheersinformatie en daarin kun je een heleboel vinden over wat de organisatie doet. Dat sluit aan bij het onderzoek van de Rekenkamer. Af en toe heb je dat inzicht niet, omdat het lokaal is belegd. We willen er wel beter inzicht in hebben. Maar de sturing, tenzij we een stelselwijziging willen, is op dit moment niet belegd bij mij, noch bij u. Dat maakt het dus complex. Wat betreft het op orde krijgen van de begroting denk ik dat we een grote slag hebben gemaakt doordat we in ieder geval al die donkere wolken die boven de politiebegroting hingen en opgelost werden door een enorme onderbezetting die we jarenlang hebben gehad, nu aan het oplossen zijn. Er is nu dus een ombuiging van de IV-kosten opgelegd, die autonoom enorm stegen. Er wordt nu gestuurd op de overbezetting en niet-operationele functies, wat een enorme kostenpost was. Denk daarbij ook aan inhuur en consultancy. In die zin heeft de politie er dus geld bij gekregen, maar is het niet mijn voornemen om dat in een donker gat te gooien. Ik wil dat met dat geld dat er nu bij komt, 347 miljoen, de basis duurzaam op orde komt. Dat betekent dat de politie gewoon de eenheden moet kunnen vullen zonder zich er zorgen over te maken of de begroting wel sluit. Dat is vanaf nu.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Om met dat laatste te beginnen: ik denk niet dat de politieorganisatie nu gebaat is bij zo'n enorme koerswijziging. Wat de politie nou zou helpen, is gevuld raken en duidelijkheid hebben over hun taken en financiering. Dan moet je inderdaad niet gaan naar één commissaris in plaats van drie agenten. Tegelijkertijd hoeft de dienstwagen ook niet elke week gewassen te worden. We verwachten dus ook dat de politie en elke eenheid wel degelijk kijken naar: wat kan ik zelf aan maatregelen nemen waardoor ik niet ten koste van mijn basiscapaciteit hoef te gaan en er toch voor kan zorgen dat we die uit de pan rijzende kosten in algemene zin weer terug ombuigen? Uiteindelijk komen er steeds meer operationele politieagenten bij. De organisatie raakt steeds meer gevuld, dus ik hoop dat dat gevoel van "het wordt alleen maar minder" er echt vanaf gaat.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, anders doen we het niet goed. Er gaat inderdaad steeds meer geld naar de politie en dat bedelen we ook toe aan bijvoorbeeld gebiedsgebonden politie, inclusief de uitrusting die ze nodig hebben om hun taken uit te voeren. Mevrouw Coenradie vroeg ook nog naar de jaarwisseling in Amsterdam en het feit dat de ME geen traangas mocht inzetten. Het is aan burgemeester, OM en politie om te bepalen hoe de politie-inzet plaatsvindt, dus met welke geweldsmiddelen. We hebben gezien dat er hele goede ervaringen zijn opgedaan met de grote traangasbussen, die wel zijn ingezet bij de afgelopen jaarwisseling. Daardoor heeft de politie mensen echt op grotere afstand kunnen houden, wat uiteindelijk natuurlijk zorgt voor veiligheid. Ik neem aan dat dat andere burgemeesters zal inspireren om dit vaker in te zetten, omdat ze gezien hebben hoe dit de politie kan helpen en beschermen. Ik denk wel dat je dit altijd zult zien met nieuwe middelen: sommige burgemeesters zullen vooraan staan om dit in te willen zetten en andere zullen wellicht wat terughoudender zijn. Ik denk dat dit zich over de tijd zal uiten. U weet dat we er nog naar kijken of niet-letale wapens zouden kunnen worden ingezet voor de orde, en dat we een verkenning doen naar wat ik maar het "smurfenwater" ben gaan noemen, voor in de waterwerpers. Traangas kan daar overigens al in op dit moment, maar dat is nog niet gebeurd. Ook daarvan is het weer aan de burgemeester om te bepalen of die dat op enig moment nodig vindt. Dat was het kopje politie.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Daar moet ik u het antwoord op schuldig blijven. In welke zin bedoelt u?
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, en toch moeten we uiteindelijk wel willen dat het gezag, dat verantwoording aflegt over de inzet van geweld, ook gaat over de geweldsmiddelen die worden ingezet. Traangas valt daar in dit geval onder. Ik denk dus dat we dat niet weg moeten halen bij de burgemeester. Tegelijkertijd is het ook aan de lokale driehoek, waar de politiechef in zit. Het is aan de politiechef om een pleidooi voor zijn mensen te houden wanneer hij vindt dat een andere geweldssetting meer zou passen bij de inzet van de politie. Dat gesprek moet vooral in de driehoek plaatsvinden. Dan afpakken. Hoe meer, hoe beter, zou ik willen zeggen. Ik kijk dan ook uit naar de behandeling van de richtlijn voor non-conviction based confiscation. Het wetsvoorstel ligt op dit moment bij de Raad van State. Zodra ik dat terug heb, zal ik dat met gezwinde spoed aan uw Kamer doen toekomen, zodat we daar verder over kunnen praten. Naar aanleiding van de Confiscatierichtlijn wordt er natuurlijk ook door de afpakpartners, waaronder het CJIB, gekeken wat de impactanalyses zullen zijn van de invoering van deze richtlijnen. Daar zullen we dan ook middelen voor toegekend krijgen. Naar welke landen kijken wij dan? Dat was ook een vraag van mevrouw Straatman. Ik noemde Marokko. Ik hoop echt dat daar de wetgeving binnenkort geïmplementeerd zal zijn waardoor er meer beslag kan worden gelegd aan Marokkaanse zijde. De VAE zijn op dit moment een van de hoopvolle signalen. Nadat zij eerst al zeer voortvarend te werk gingen met samenwerken voor het uitleveren van criminelen, geldt dat nu ook voor beslaglegging. Daarnaast kijken we naar Turkije, Singapore en Hongkong. Dat doen we ook samen met wat ik maar even de "C8" noem. Dat is de coalitie van acht Europese landen die voorop willen lopen in het bestrijden van georganiseerde drugscriminaliteit. Die komt zo'n twee keer per jaar bijeen. Dat was voor het laatst in Parijs, een aantal maanden geleden. Daar kijken we ook naar vragen als: "Waar lopen we tegen aan? Waar zien we die stromen heen gaan? Waar moeten we dus meer op inzetten?" Maatschappelijk herbestemmen is wel iets weerbarstigs, moet ik eerlijk zeggen. Het wordt een nieuwe procesroute in de afhandeling van beslag. Daarvoor moet je goede afspraken maken met de betrokken ketenpartijen. Dat kost nu eenmaal tijd. Je moet echter ook goederen hebben die geschikt zijn voor herbestemming. Daar is het in het verleden nog weleens misgegaan. Ze moeten dus gecontroleerd zijn op echtheid en veiligheid. Bij vastgoed kun je alleen maar panden hebben waar geen hypotheek op rust en waar geen huurders in zitten; noem het maar op. Er zijn wel degelijk succesverhalen. Eind dit jaar wordt er in Nieuwegein een voorplein bij een sportcomplex opgeleverd dat gedeeltelijk gefinancierd is uit de verkoop van een afgepakt pand. Dat landt dus echt lokaal, in de wijk. Er lopen ook nog gesprekken met twee andere gemeenten over mogelijke projecten. Wij kijken ook met het Rijksvastgoedbedrijf of we kansrijke vastgoedprojecten kunnen identificeren. Er komt ook een digitaal platform voor maatschappelijk herbestemmen, waarbij we vraag en aanbod van goederen op elkaar kunnen afstemmen. Daar werken we nu aan met de partners in de beslagketen. Ik verwacht dat dat platform eind dit jaar nog kan worden opgeleverd. Zijn we dan voldoende toegerust op digitaal vermogen? De cryptovaluta werden al genoemd. Ja, dat kan ook gewoon. De wettelijke kaders bieden al alle mogelijkheden om ook cryptovaluta af te pakken. Dat kan straks, met de nieuwe Confiscatierichtlijn uit Europa, dus ook zonder dat er eerst een veroordeling heeft plaatsgevonden. Daarnaast blijven het OM en het CJIB kijken hoe ze de zaakoverdracht kunnen optimaliseren en de effectiviteit van het afpakken kunnen verbeteren. Daarvoor hebben ze gezamenlijk verbeterplannen ingediend. Voor de verdere verbetering van het behaalde resultaat van tijdige overdracht zal ik ook een beroep blijven doen op de rechtspraak om te voorkomen dat we niet uit de tijd lopen. Vooral bij de rechtbanken zie je namelijk dat als er in de zitting afstand wordt gedaan van hoger beroep, de termijn van overdracht van het dossier al begint te lopen, gelijktijdig met de wettelijke termijn waarbinnen het OM het dossier moet overdragen. Daar gaat het nu weleens mis. We hebben dus ook de rechtspraak nodig om daar landelijk aandacht aandacht voor te vragen. De rechtspraak heeft ook aangegeven dat te zullen doen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Doordat we het nu in de afhandeling van het beslag in het proces gaan inboeken, denk ik dat we meer kunnen gaan zien. Dan hebben we een centraal proces, waarbinnen je dit soort initiatieven gewoon meepakt, waarin het maatschappelijk herbestemmen gewoon een van de routes is voor in beslag genomen goederen. Voor sommige goederen gaan digitale platformen die marktplaats vormen, waar vraag en aanbod elkaar vinden. Daarnaast zit de deur ook helemaal niet dicht voor individuele gemeenten die aankloppen en hulp willen hebben bij het maatschappelijk herbestemmen in hun regio. Die route is zeker niet doodlopend, maar er zijn wel een paar complexe dossiers geweest die nopen tot goed kijken op welke manier je het kan doen zonder dat het een blok aan je been wordt. Dat geldt met name voor vastgoed. Een pand met huurders in beslag nemen is niet per se een zege, maar maatschappelijk herbestemmen ook niet altijd eenvoudig.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nee, maar de staatssecretaris gaat daar zo nog op in. Maar in dit geval, waar het gaat over de pluk-ze-regeling, is er geen verband met de tenaamstelling.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dan kom ik bij Preventie met Gezag. Velen van u hebben, net als ik, de uitzending van Zembla gezien, heb ik gemerkt. De reactie die ik daarop heb gegeven, wil ik hier toch nog een keer geven. De wijken waar ik zelf geregeld in kom, kennen zo ontzettend veel problematiek en in die wijken is het zo ontzettend moeilijk om te zien waar de structurele oplossing ligt om te voorkomen dat jeugd afglijdt in de criminaliteit, dat ik op voorhand helemaal niets wil uitsluiten qua werkbaarheid. Dit betekent niet dat we overal maar geld tegenaan gooien, maar wel dat we openstaan voor creatieve of nieuwe manieren die gemeenten verzinnen om om te gaan met deze jeugd. Ik heb het volgende voorbeeld ook al meerdere malen genoemd bij u. Wanneer ik in de huiskamer sta bij een jongen van 13 met een enkelband die al twee jaar niet naar school gaat en ik kijk in die lege ogen die de hele dag binnen achter een game zitten, denk ik: ja, hier gaan met justitie de oplossing niet voor verzinnen. Daar ligt die namelijk niet. De vraag is hoe je zo iemand weer op een spoor krijgt waarin die gewoon weer deel wil uitmaken van een maatschappij en op een normale manier zijn geld wil verdienen. Dat is wat Preventie met Gezag moet doen. Dat gezag zit erin omdat minimaal de helft van het geld dat we beschikbaar stellen voor de gemeenten, ook naar de gezagsautoriteiten, de spelers moet. Het moet naar het OM of naar de politie gaan als gezag, dat zich daarmee kan inzetten voor preventie. Van sommige programma's gaan we over vijf jaar merken dat ze netto eigenlijk geen effect hebben gehad. Dat is vervelend, maar hopelijk zijn er ook programma's waarvan we over vijf jaar gaan zeggen: hé, we zien in deze wijk nu echt een afname van de doorstroom van de jongste jongens in de richting van de criminaliteit. Ik kom ook echt in wijken — hier in Den Haag was er eentje — waar de politie zegt: we zijn op het punt aanbeland dat wij niet meer zien dat die jongens van 10, 11 zich aansluiten bij de jongens van 15, 16 om die route op te gaan. Als we dat toch voor elkaar zouden krijgen, dan hebben we gewoon het verdienmodel, dat ze nu voornamelijk zien in de postcodes waarin het makkelijk is om dit soort jongeren van het rechte pad af te halen, doorbroken. En dan hebben we eindelijk dat kantelpunt bereikt. Als we alleen maar moeten gaan werken met dingen die door de wetenschap volledig uitgekauwd zijn en waarvan we honderd procent zeker zijn dat ze werken, gaan we er niet komen. In die zin ben ik bereid om risico te nemen, omdat we gewoon alles moeten proberen om hierin het verschil te maken in deze wijken. Dat is wat Preventie met Gezag moet doen. Wij evalueren overigens wel degelijk. Alleen, voor sommige programma's kun je niet meteen na een jaar zeggen hoeveel het heeft opgeleverd. Je kunt een buurthuis inrichten waar de politie één keer per week zit en dan kan het een jaar duren voordat er iemand binnenloopt. Maar als het daarna een vast honk wordt, hebben we wel wat bereikt. Zoals ik net zei, hoor ik echt positieve geluiden daarover. In dat kader vroeg mevrouw Coenradie nog naar het HOC010-voorstel. Ik heb begrepen dat het erg lijkt op de Glen Millsinitiatieven. Daarvan weten we dat ze eerder een tegengesteld effect hebben gehad. We hebben eerder met elkaar gesproken in het kader van de ondermijning over hoe hier nu mee om te gaan. Ik heb daarbij ook gezegd dat ik innovatieve manieren om met jeugd om te gaan niet schuw, zolang we maar de lessen meenemen zoals die toen geleerd zijn.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: In dit geval was het een combinatie van outreach, voorlichting en contact hebben met die jeugdige groep. Dat is toch mensenwerk. Daarom zijn de wijkagenten, de gebiedsgebonden politie, zo belangrijk. Er moet ook tijd zijn om te investeren en om mensen te leren kennen. Ik heb zelf rondgereden door Breda met een agent van Preventie met Gezag. Die zei: "Als je hier met de ME naar binnen gaat, dan word je met grote verliezen teruggeslagen, maar mij respecteren ze inmiddels. Ik ken ze allemaal bij naam en ik weet ook wat ze allemaal doen en waar ze heen gaan." Hoe moeilijk het ook is in zo'n wijk, je ziet dan dat dat op de een of andere manier wel een zaadje plant voor de jongere jongens om in ieder geval een alternatief te zien en ook om hulp te vragen. We hebben nu Keerpunt. Dat was van de week in het nieuws. Dat is een onlinechatfunctie voor jongeren die aanlopen tegen criminele opdrachten. Dat begon met enkele jongeren die de outreach deden. Inmiddels zie je een toename van het aantal jongeren dat anoniem contact opneemt omdat ze een crimineel pad op worden geleid en dat eruit wil en om advies vraagt. Er is toch iemand met dit initiatief gekomen die gedacht heeft: de drempel om naar de politie te gaan is te groot, dus kunnen we dat op een anonieme manier met een chatbot doen? Al dat soort initiatieven blijken uiteindelijk wel effect te hebben. We moeten met vereende krachten het tij in die wijk keren, zou ik willen zeggen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, maar crimineel geld komt ook met nadelen. Dat zien jongeren ook al vrij snel. Dat komt met druk. Dat komt met steeds een stap verder worden gedwongen. Dat komt met risico's van vastzitten. En zeker, er zal een deel zijn dat zegt: dit is het leven waarvoor ik geboren ben en laat mij maar vol gas op dit pad gaan. Ja, die gaan we met Preventie met Gezag niet bereiken. Maar als ik hoopvolle signalen hoor over 10-, 11-jarigen: dat is wel de leeftijd waarbij je die verandering van gedrag nog kunt bereiken. Daarom vind ik nou juist dat we daarop moeten inzetten. Ook gemeenten moeten achteraf natuurlijk verantwoorden waar ze dat geld aan hebben uitgegeven. Ze moeten aan de hand van de doelstellingen die ze ervoor hadden gezet, kunnen meten of het wat oplevert. Er zijn dus ook echt programma's die weer stop worden gezet omdat ze geen effect of zelfs een averechts effect hebben. Maar ik bedoelde dat ik niet op voorhand alleen maar de bewezen effectieve methodes wil gebruiken, want daarmee kun je echt maar een fractie van deze doelgroep bereiken. Dat is te weinig. We moeten overal in de wijken zitten. We moeten — dit zeg ik maar even tegen de heer Ellian — het winnen van de criminele bendes en een aantrekkelijker model hebben. Dat moet je tegenwoordig voor steeds jongere jongeren doen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Maar dat hoeft helemaal niet. Het is niet of-of. Het is en-en. Alleen, dit blokje ging over Preventie met Gezag. Ik had ook een blokje Bolle Jos kunnen doen. Dan hadden we een hele andere discussie gehad. Natuurlijk moet je criminaliteit aanpakken. Natuurlijk moet je die netwerken ontmantelen. Natuurlijk moet je het geld afpakken. Daar hebben we het ook net over gehad. Je moet dat maatschappelijk herbestemmen, om te laten zien aan die wijken dat het niet loont. Maar je moet ook iets doen aan de preventieve kant. Uiteindelijk is dat de goedkoopste methode. Nee, daar ga je niet iedereen mee redden, maar iedere persoon die wij niet op kosten van de Staat de rest van zijn leven hoeven te huisvesten, is mooi meegenomen, zeker als hij wat eerzaams gaat doen in het leven. Dan kom ik bij de Nationale Veiligheid Strategie. Daar waren een paar vragen over. Hoe krijgen we inzicht in welke maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan het versterken van de weerbaarheid, vroeg de heer Mathlouti. De dreiging ontwikkelt zich constant. Daar zullen we ons dus toe moeten verhouden, ook als het gaat om onze weerbaarheid. Dan is de vraag: hoe meet je of je door je weerbaarheidsmaatregelen iets hebt voorkomen? Dat is erg moeilijk om inzichtelijk te maken. We maken de dijken hoger. Er zullen ook mensen zijn die zeggen: ja, maar zo hoog zou het water nooit gekomen zijn, dus hoe effectief was dat nou? Anderen zeggen: maar het risico dat dat gebeurt is te groot; ik wil dat risico niet lopen. Dit jaar gaan we de Veiligheid Strategie tussentijds evalueren. We kijken naar de veranderingen in de dreigingen en de actualisatie van de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid. Vervolgens kijken we of de getroffen weerbaarheidsmaatregelen nog aansluiten bij de dreiging zoals we die nu zien. Dat is het beste inzicht dat we daarmee kunnen krijgen. Daar gaan we uw Kamer ook over informeren. Neem ik daarbinnen alles op me? Nee. Daarbij willen we ook gebruikmaken van de expertise van de diverse bewindslieden. De pandemische paraatheid is echt veel beter belegd bij de minister van Volksgezondheid dan bij mij. Maar ik en de NCTV zorgen wel voor de samenhang tussen die actielijnen. Wij zorgen natuurlijk dat die samenkomen, ook in de evaluatie en de aanpassing aan het nieuwe dreigingsniveau. Ik ben dus niet voor centrale sturing op de Veiligheid Strategie, maar wel voor coördinatie en het samenbrengen. Wij zorgen er wel voor dat er één dreigingsbeeld is dat uiteindelijk voor al die verschillende lijnen aanknopingspunten biedt, zo van: wat betekent dat dan voor de weerbaarheid die we nodig hebben?
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Precies dat, dus coördineren en sturen. Coördineren betekent dat we het samenbrengen en zeggen: we stellen u in staat om op basis van de dreigingsinformatie die wij hebben, zelf te kijken binnen uw kolom naar wat u denkt dat er nodig is. We zorgen ervoor dat de informatie uit alle diverse lijnen waarin wordt gestuurd, weer samenkomt. Vervolgens evalueren we dat integraal. Dat is hoe ik de coördinerende taak voor mij zie. Ik ben bij het kopje overig, voorzitter. Onveiligheidsgevoelens. Mevrouw Coenradie vroeg: hoe komt het dat we ons steeds onveiliger voelen? Ik wil het niet semantisch maken, maar er zit ook iets subjectiefs in veiligheidsbeleving. Je ziet eigenlijk dat slachtofferschap al jaren afneemt. Tegelijkertijd herkennen we allemaal het gevoel van onveiligheid op straat, of het nu gaat om vrouwen op straat, om bepaalde omgevingen of om plekken in de buurt van openbare locaties als stations. Daar moeten we wat mee. Een deel daarvan ligt op mijn terrein, namelijk zorgen dat we gewoon genoeg politie hebben, die aanwezig is op de plekken waar je politie zou verwachten. Het zit 'm er ook in dat we goed reageren op meldingen uit de maatschappij. De campagne Vreemd of verdacht?, die we net herhaald hebben, waarin we mensen vragen om het te melden als ze zaken in hun omgeving zien die niet pluis zijn, heeft inmiddels zo'n 30% meer meldingen opgeleverd bij Meld Misdaad Anoniem. Uiteindelijk betekent dat dat je gewoon dingen als drugslabs uit de wijken kunt houden. Die dingen zorgen natuurlijk ook voor een gevoel van onveiligheid. Als criminelen zich niet meer veilig voelen in zo'n wijk, dan trekken ze weg. Criminelen gaan dat gevecht niet aan; die zijn op zoek naar de makkelijkste manier om geld te verdienen. Als dat niet meer kan in een bepaalde wijk, dan trekken ze naar een industriegebied of elders. Je moet ze dus continu achternazitten. Dat is eigenlijk mijn streven. Ook in dat soort wijken is mijn streven om uiteindelijk de goedwillende meerderheid te mobiliseren die nu af en toe moedeloos is geworden: "Daar komt weer de zoveelste belwinkel waarvan we allemaal weten dat er geen telefoon over de toonbank gaat. Waarom wordt daar nou niks aan gedaan?" Nou, daar moeten we dus wel wat aan doen. Ik was laatst een avond met de politie op stap in Den Haag. We hebben uitgevoerde voertuigcontroles gedaan. We hebben gecontroleerd op alcohol, drugs, registratie, openstaande belastingschulden, openstaande boetes. Dat heeft heel veel opgeleverd. We gingen ook langs bij meldingen van illegale prostitutie in sociale huurwoningen. Ik ben zelf mee geweest. We hebben inderdaad een prostituee aangetroffen in een flat. Die flat stond weer op naam van iemand anders. Dat geeft dan ook weer een lead. Buren zien dat allemaal gebeuren. Die zien eindelijk de politie door de wijk rijden en ingaan op alle meldingen die gedaan zijn. Toen gingen we naar een supermarkt waar sprake was van de illegale verkoop van sigaretten. Dan gaat de Arbeidsinspectie ook mee, om te kijken of de mensen die werken in zo'n supermarkt, daar wel legaal zitten of dat ze wellicht uitgebuit worden. De Douane was drie kwartier aan het zoeken en heeft toen uiteindelijk de geheime bergplaats met sigaretten gevonden. Het zijn allemaal van dat soort zaken. Overal waar wij waren in die wijk voelde je de ogen op je gericht. Het wordt dus ook gezien dat het gezag daar aanwezig is om iets te doen aan de onveiligheid. Dat is wat ik ons uiteindelijk in heel Nederland gun, dat wij ons niet meer onveilig voelen, maar degene die criminele activiteiten uithaalt wel. Daar zijn we echt nog lang niet — dat geef ik meteen toe — maar dat is mijn ambitie; dat is wat mij drijft. In algemene zin vroeg mevrouw Straatman naar de effectiviteit van bestede middelen. Over de politiebegroting hebben we het net al even gehad. Ik kan niets anders zeggen dan dat ik er enorm voor ben, maar we gaan de zoektocht naar hoe we het effectiever kunnen doen, samen aflopen. De heer Ellian vroeg naar de moties over tipgeld. Daar krijgt hij nog voor het reces een brief over. Laat ik het anders zeggen: er komt nog voor het reces een halfjaarbericht politie; daar neem ik dit onderwerp in mee. Dat duurt niet lang meer, want het reces is aanstaande. Dan bewaken en beveiligen. Zoals u zegt, wordt er heel veel geld gestopt in bewaken en beveiligen. Sinds 2021 versterken we dat. Met de extra middelen hebben we de uitvoeringscapaciteit van zowel de politiek als de KMar in het taakveld kunnen versterken, maar het wervingsproces bij zowel de KMar als de politie is nog volop gaande. We merken echt wel dat er concurrentie op de arbeidsmarkt is op dit moment. We stellen specifieke eisen aan dit soort mensen — het is hoogwaardig werk — en die maken het een complexe opgave. Dat betekent dat de eenheden gewoon nog niet gevuld zijn. Dat heeft dus niets met geld te maken. Daarom is er ook onderrealisatie: dat is omdat de capaciteit nog niet 100% gevuld is. Overigens betekent dat niet dat mensen minder veiligheid krijgen. De veiligheid staat altijd voorop, maar zoals u net zei, betekent dat wel dat er af en toe in de duur van de beschikbaarheid van teams wel beperkingen optreden, helaas. Zolang we nog niet 100% gevuld zijn, zal dat helaas af en toe voorkomen. We hopen dat de druk niet verder oploopt.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Het staat uw Kamer vrij om een technische briefing aan te vragen over de stand van zaken van bewaken en beveiligen, in een vertrouwelijke setting. Sterker, dat kan ik u niet eens verbieden.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nee, maar het einde komt wel in zicht, zeg ik ook tegen de staatssecretaris. Dan de motie van de heer Wilders over het uitsplitsen van de criminaliteitscijfers. Dat gebeurt al. Die worden uitgesplitst naar herkomstland en nationaliteit. Ook stelt het CBS regelmatig maatwerktabellen op over het type delict, uitgesplitst naar herkomst of nationaliteit. De indeling die het CBS hierbij hanteert, is gebaseerd op geografische herkomstgebieden en niet op de classificatie "westers" of "niet-westers", dus u krijgt bijvoorbeeld "Europees" en "niet-Europees" te zien.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik wil niet te veel op de stoel gaan zitten van mijn collega van Werk en Participatie, want uiteindelijk heeft die de Kamer een brief gestuurd in antwoord op de motie in kwestie, en niet de minister van Justitie. Dus dat is dan ook het antwoord dat ik hier namens hem geef. Dat wijkt niet af van wat hij schriftelijk heeft gedaan.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Deze minister legt helemaal niks naast zich neer, want deze minister is niet de minister die de motie heeft beantwoord. Wat ik dan doe, is uw vraag doorgeleiden naar de collega van Werk en Participatie, met uw mededeling dat die motie wat u betreft niet is uitgevoerd. Dan kan hij er vanaf daar verder mee.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Op wat de minister van Werk en Participatie doet, kan ik geen toezeggingen doen. Het enige wat ik u kan toezeggen is dat ik uw verzoek om een reactie op de naar uw mening niet uitgevoerde motie doorgeleid naar de minister van Werk en Participatie. Anders moet u hem een vraag stellen. Dan wordt het lastiger.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, maar we hebben natuurlijk wel onderscheiden verantwoordelijkheden en werkterreinen. Als we via bepaalde ministers huiswerk aan andere ministers gaan geven, waar deze minister zich dan weer verantwoordelijk voor voelt ... Ik vind dat een wat lastig figuur. De minister van Werk en Participatie heeft gereageerd op die motie. Als u vindt dat de motie daarmee niet adequaat is uitgevoerd, lijkt het mij goed dat u die vraag dan weer aan hem stelt. Ik ben bereid om uw vraag door te geleiden, maar ik voel dan verder geen plicht om dat namens hem ook weer hier terug te koppelen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Zeker. De strafmaxima, een vraag van mevrouw Coenradie. Hoe kan het nou dat er niet altijd zwaarder wordt gestraft? Daar is onderzoek naar gedaan door het WODC. Dat heeft u gezien. Naar aanleiding daarvan ben ik gesprekken aangegaan met zowel het OM als de rechtspraak, om te praten over waar het punt 'm nu precies zit. Verwacht de maatschappij of de Kamer te veel? Of straffen het OM en de rechtspraak te laag? Zoals altijd ligt de waarheid ergens in het midden. Ik denk dus dat het aan de wetgevers is, en dat zijn wij gezamenlijk, om bij het verhogen van strafmaxima duidelijk aan te geven waarom wij denken, en waarmee wij motiveren, dat die strafmaxima omhoog moeten, om daarmee ook het OM en de rechtspraak meer handvatten te bieden om ook daadwerkelijk hogere straffen te eisen en op te leggen. Er zijn gevallen waarin we als wetgevers hogere straffen hebben opgelegd, zonder dat daaraan enige behoefte bestaat bij OM of Raad voor de rechtspraak. Dan blijkt het lastig om een verhoging te zien, gewoon omdat die behoefte niet wordt gevoeld. Er zijn ook zaken waarin wel behoefte bestaat aan verhoogde strafmaxima. Denk maar even aan drugsdelicten. Dat ligt op dit moment nog in de Kamer. Het OM wil dat dat liever vandaag dan morgen wordt behandeld, want de straffen voor grootschalige drugsdealers die het OM kan eisen schieten tekort vergeleken met de landen om ons heen. Dat zorgt voor een aanzuigende werking. In die gevallen zie je, zodra zo'n wetsvoorstel is aangenomen, meteen een verhoging van de eisen. In sommige gevallen groeit het in. In andere gevallen is er een behoefte aan hogere strafmaxima voor uitzonderlijke gevallen, waarin zowel de rechter als het OM tot de conclusie komt dat er een dusdanig zwaar delict is gepleegd dat er zwaarder moet worden gestraft. Dan is de frequentie van het gebruik van die strafmaxima niet altijd bepalend, maar wel het feit dat hij bestaat. Er is dus een gemêleerd beeld. Wat ik noch bij het OM noch bij de Raad voor de rechtspraak heb geproefd is dat men zich daar niets van aan zou trekken. Dat is niet het geval. Dan de vragen van de heer El Abassi. Laat ik daarbij op voorhand zeggen dat discriminatie als algemeen dossier is belegd bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dus een hoop van de discussie die u hebt gehad en de vragen die u heeft gesteld over coördinatoren rondom moslimhaat et cetera ga ik echt doorverwijzen naar hem, omdat hij verantwoordelijk is voor het beleid rondom discriminatie. De anomalie is inderdaad dat de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding wel onder mijn departement is gehangen. We proberen daar in samenhang wat te vinden. Laat ik over geweld tegen moskeeën zeggen dat ik geweld tegen alles en iedereen verwerp, ook tegen alle religieuze instellingen, of dat nou een moskee, een kerk of een synagoge is. Daar zit wat mij betreft geen enkel verschil in. Ik gun iedereen z'n veiligheid om z'n religie uit te kunnen voeren. In eerste instantie ligt de verantwoordelijkheid voor de veiligheid altijd bij de instelling zelf. Zo hebben we dat opgebouwd in Nederland. Iedereen gaat over z'n eigen sloten op z'n deur, of hij camera's op wil hangen of dat hij veiligheid neer wil zetten bij de deur. Daar treedt de overheid niet in. Als aanvullende beveiliging nodig is vanwege de dreiging, dan valt die onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. De bepaling of dat nodig is gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie. Als de dreigingsinformatie daartoe aanleiding zou geven, dan zullen er ook bij islamitische instellingen beveiligingsmaatregelen worden getroffen. Maar op dit moment is daar geen sprake van en is er dus ook geen aanleiding om die maatregelen vanuit het gezag te treffen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ik weet niet waarom we dat doen, maar u kunt de situatie rondom Joodse instellingen niet vergelijken met die rondom moskeeën. Die dreiging is van een compleet andere orde. Dat is hij al jaren. De veiligheid van de Joodse bewoners in Nederland is er in de afgelopen periode alleen maar verder op achteruit gegaan. Er staat niet voor niks rond elke joodse school een hek van drie meter hoog. Kinderen moeten daar onder zware bewaking naar school. Die dreiging is reëel. Daar moet op geacteerd worden. Op dit moment is de dreigingsinformatie voor moskeeën echt van een andere orde.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nogmaals, dat is omdat de dreigingsinschatting tegen bijvoorbeeld kerken, die ook weleens worden beklad en waar ook weleens vernielingen plaatsvinden, en moskeeën echt van een andere orde is dan de dreiging die wij zien tegen Joodse instellingen.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Nogmaals, de dreiging tegen moskeeën is echt van een andere orde dan de dreiging tegen de Joodse gemeenschap in Nederland. Dat uit zich dus ook in andere veiligheidsmaatregelen. Naar aanleiding van eerdere gesprekken hebben wij wel gezegd dat we een verkenning gaan uitvoeren naar de rondom moskeeën ervaren veiligheid. Dat zijn we ook aan het doen. In die zin wordt er informatie opgehaald uit het veld. Uiteindelijk zullen we zien wat dat beeld oplevert en vervolgens het gesprek aangaan over wat we daarmee moeten doen, maar u kunt niet op basis van de informatie die u aandraagt een-op-een zeggen: wat wij doen voor Joodse instellingen zou nu ook voor moskeeën moeten gebeuren. Dat is echt een dreiging van een andere orde.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dat ligt een beetje aan op welke termijn dat debat wordt gehouden, want zo'n verkenning heb je natuurlijk niet in een paar weken uitgevoerd. Zij loopt al wel even, maar ik zal zo snel mogelijk bij u terugkomen met op welke termijn we die verkenning hebben voltooid.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja, dat is helder. Nogmaals, ik kan er nu geen datum aan hangen, maar zodra we die hebben, komen we daarop uit. Voorzitter, ik denk dat ik daarmee aan het einde van mijn eerste termijn ben. Dat werd ook hoog tijd.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Ja. Ik zal proberen om dat zo snel mogelijk te doen, maar het zijn er wel veel. De motie op stuk nr. 15: oordeel Kamer, met verwijzing naar het debat dat we hebben gevoerd over het deltaplan en de aanpak. De motie op stuk nr. 16: eveneens oordeel Kamer, met verwijzing naar het debat zoals ik dat heb gevoerd. De motie op stuk nr. 17 kan ik oordeel Kamer geven als ik die zo mag interpreteren dat ik het monitoringsvraagstuk betrek bij de tussentijdse evaluatie van de veiligheidsstrategie zoals we dit jaar uitvoeren. Ik zie dat dat kan.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Natuurlijk hoort u van ons na de evaluatie. De motie op stuk nr. 18: oordeel Kamer met verwijzing naar het debat. De motie op stuk nr. 19 moet ik ontraden, ook met verwijzing naar het debat. Het gezag moet gaan over de inzet van geweldsmiddelen. De motie op stuk nr. 20 over de landelijke regie moet ik ontraden. We zijn bezig met het deltaplan. Ik heb gezegd dat ik een aanwijzingsbevoegdheid daarbij niet zal schuwen, maar het deltaplan is niet bedoeld om te kijken of ik meer bevoegdheden nodig heb om te sturen. Ik denk dat ik daarmee wel uit de voeten kan voor the time being. De motie op stuk nr. 21 van mevrouw Coenradie over huiselijk geweld is overbodig, want het is staand beleid. Maar ik wil 'm ook wel oordeel Kamer geven, want ik ben wel sympathiek naar de inhoud. Op dit moment kunnen slachtoffers dat reeds, indien gewenst. De motie op stuk nr. 22 van mevrouw Coenradie over het Centrum Seksueel Geweld kan ik oordeel Kamer geven, omdat ik het in zijn algemeenheid een goed idee vind om de expertise van die organisatie in te zetten bij het aanpakken van uitdagingen in de zedenketen, maar een juridische rol heeft het centrum daarbij niet. Ik kan het dus ook niet op één lijn plaatsen met het OM en de politie, want de politie gaat over de opsporing en het OM over de opportuniteit. Als u die wettelijke caveats in acht neemt, dan kan ik 'm oordeel Kamer geven. Dan de motie op stuk nr. 23 over Preventie met Gezag. Die kan ik oordeel Kamer geven, waarbij "effectief" wat mij betreft door mij gelezen zal worden als "wetenschappelijk onderbouwd". De reden dat ik dat zeg, is dat je om iets bewezen effectief te laten zijn het moet gaan doen. Anders kan je het namelijk nooit bewijzen. Dat is nou juist waarvan ik in de eerste termijn zei: we moeten dus weliswaar wetenschappelijk onderbouwd, maar wel nieuwe dingen kunnen doen. We moeten kunnen experimenteren met deze doelgroep. Dus als ik "effectief" zo mag lezen dat het wetenschappelijk onderbouwd is en we nog steeds ruimte houden voor experimenteren, dan oordeel Kamer.
Bron, video en gesprek →Minister Van Weel: Dank. De motie op stuk nr. 24 van de heer El Abassi ontraad ik. Wij gaan eerst een verkenning doen. Daar begint dit mee. De motie op stuk nr. 25. Nee, er komt een nationale strategie tegen discriminatie. Daaronder valt ook discriminatie tegen moslims. In deze vorm moet ik de motie dus ontraden. De motie op stuk nr. 26. De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme omvat al discriminatie tegen moslims en heeft daar ook een programmadirecteur voor aangesteld, dus deze motie ontraad ik. De motie op stuk nr. 27. We moeten eerst een verkenning doen voordat we weten wat er nodig is aan beveiliging. Daarom is deze motie ontijdig. De motie op stuk nr. 28 kan ik oordeel Kamer geven als ik 'm zo lees dat de verkenning die wij nu doen, eigenlijk invulling geeft aan de behoefte die hier wordt gesteld. De motie op stuk nr. 29. Dat is wat wij nu aan het doen zijn, dus in die zin kan ik de motie oordeel Kamer geven. De motie op stuk nr. 30 kan ik oordeel Kamer geven. Dat doen wij altijd; veiligheid is altijd gebaseerd op objectieve dreigingsanalyses.
Bron, video en gesprek →